23-09-12.12 Relevant stuk 10. Nader onderzoek vleermuizen
Tekst van het document
Nader onderzoek vleermuizen Eisenhowerplas Elst (Gld)
Opdrachtgever: K3Delta B.V. Mevr. M. Sprong-Ariëns Wanraaij 2 6673 DN Andelst
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
202259 16-9-2021 J. Loeffen A. Nieuwenhuis J. Loeffen Definitief 1
© 2021 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 4
1.1
Aanleiding ............................................................................................................................................... 4
2
Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 5
2.1
Huidige situatie ....................................................................................................................................... 5
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ................................................................................................................... 6
3
Natuurwetgeving ........................................................................................................................................ 7
3.1
Inleiding .................................................................................................................................................. 7
3.2
Bescherming van soorten ....................................................................................................................... 7
4
Methode ..................................................................................................................................................... 8
4.1
Bureauonderzoek ................................................................................................................................... 8
4.2
Veldonderzoek ........................................................................................................................................ 8
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 10
5.1
Vleermuizen .......................................................................................................................................... 10
5.1.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 10
5.1.2
Effecten ........................................................................................................................................ 11
5.1.3
Te nemen maatregelen ................................................................................................................ 11
5.2
Overige beschermde soorten ............................................................................................................... 12
5.2.1
Voorkomen en functie ................................................................................................................. 12
5.2.2
Effecten ........................................................................................................................................ 13
6
Conclusie ................................................................................................................................................... 14
6.1
Aanwezige soorten ............................................................................................................................... 14
6.2
Geldigheid onderzoek ........................................................................................................................... 14
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving ........................................................................................................... 16 Bijlage 2 Kaart met veldwaarnemingen ................................................................................................................. 21
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer K3Delta is voornemens op de Eisenhowerplas, voorheen Aamseplas, in Elst (Gelderland) een drijvend zonneveld te realiseren (Afbeelding 1). Ook willen zij de potentie van het gebied voor de natuur in kaart hebben gebracht, zodat kansen voor de natuur in dit gebied bij de ontwikkeling kunnen worden meegenomen. In verband met deze plannen is er reeds een toetsing uitgevoerd aan de natuurwetgeving en aan het natuurbeleid (Eelerwoude, 2021). Uit deze toetsing kwam naar voren dat de plas geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen, maar er geen sprake is van een essentiële functie. In het kader van monitoring werd aanbevolen een nader onderzoek te doen naar de foerageerfunctie van de waterplas voor vleermuissoorten. Dit nader, gericht veldonderzoek geeft duidelijkheid om welke soort(en) en aantallen het gaat. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Afbeelding 1. Ligging van het plangebied (roze kader) de Eisenhowerplas ten zuidoosten van Elst (Gld). Bron: Esri, 2021.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 4
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied betreft een oude zandwinplas en ligt aan de zuidoostkant van Elst, gemeente Overbetuwe, provincie Gelderland, nabij knooppunt Ressen (A15/A325). Rondom de plas ligt, behalve aan de oostzijde, een bedrijventerrein; de oostzijde grenst aan een groenstrook, watergang met daarachter de A325. Aan de zuid- en oostzijde ligt een onverhard wandelpad. Op de oevers staat begroeiing zoals riet, zwarte elzen, wilgen, opslag met daartussen open plekken zonder begroeiing. In de oever is op veel plekken puin aanwezig, daarnaast zijn er open plekken met een geleidelijke overgang en een zandbodem. Ter plaatse van het distributiecentrum aan de noordzijde staat houten beschoeiing. De plas wordt verlicht door met name het distributiecentrum van Jumbo aan de noordzijde en verlichting van bedrijven rondom de plas.
Afbeelding 2. Impressie van de Eisenhowerplas met een onverhard wandelpad, begroeiing op en langs de oevers, puin in de oevers en bedrijventerreinen rondom. Opname: 23 april 2021.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 5
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Voorgenomen wordt de plas te ontwikkelen. Onderdeel van deze ontwikkeling is het realiseren van een drijvend zonneveld. De aanlegfase van het zonneveld duurt circa drie tot vier maanden. Het uitgangspunt is op zijn vroegst het vierde kwartaal van 2023 te starten met de aanleg, al hangt deze periode af van de doorlooptijd van vergunningen die noodzakelijk zijn. De zonnepanelen worden met vrachtwagens gebracht waarna een kraan of verreiker deze op de oever zet. De panelen worden aan drijvers gemonteerd en met een klein bootje de plas op gevaren. Er wordt nog bepaald hoe de drijvende zonnepanelen worden verankerd (bodem of oevers). De werkruimte die nodig is voor het plaatsen van de panelen en het monteren van deze, is in deze fase van het project nog niet bekend. Wel wordt met de locatie en breedte/grootte van de werkruimte rekening gehouden met bestaande natuurwaarden. Verwacht wordt dan ook dat het kappen van bomen niet nodig is. Bij de ontwikkeling van de plas wordt onderzocht wat de kansen zijn voor de natuur in dit gebied, zodat deze kunnen worden meegenomen.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 6
3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De wet Natuurbescherming in een nationale wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 7
4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen.
4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna. • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied; • Data die bekend is vanuit een eerdere vleermuisinventarisatie (Borkent, 2019).
4.2 Veldonderzoek Op basis van aantal veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen. De onderzoeken zijn uitgevoerd door J. Loeffen. Betreffende persoon is ecologische adviseur en werkzaam bij Eelerwoude (Kader – Ecologisch deskundige). In tabel 1 zijn de onderzoekdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de onderzoekers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd. Kader - Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 8
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek. Datum
Type onderzoek
Start –eindtijd
Onderzoeker
Weersomstandigheden
28-6-2021
Onderzoek vleermuizen
23:30 – 01:30 Zon onder: 21:59
J. Loeffen
21⁰C, windstil, zwaarbewolkt, droog
18-8-2021
Onderzoek vleermuizen
21:20 – 23:20 Zon onder: 20:51
J. Loeffen
17⁰C, 1 Bft, licht bewolkt, droog
Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2021 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten. Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied als vliegroute en foerageergebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een EchoMeter Touch en een Pettersson D100. In totaal zijn twee veldbezoeken uitgevoerd: één in de kraamperiode en één in de baltsperiode. Daarmee is rekening gehouden met het minimaal aantal weken dat tussen de twee rondes moet zitten (6 – 8 weken) en de periode waarin een foerageerfunctie kan worden aangetoond. Het onderzoek heeft zich gericht op de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied: hun bewegingen boven de waterplas en eromheen. Dit om aanwijzingen te vinden voor het bestaan van vliegroutes of functie van het plangebied als foerageergebied. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden ruim na het uitvlieg- of invliegtijdstip van vleermuizen tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden.
Overige beschermde soorten In en rond het plangebied komen mogelijk nog een aantal andere beschermde soorten dan eerder beschreven voor zoals uilensoorten of steenmarter. Voor een groot deel zal het gaan om algemeen voorkomende en vrijgestelde beschermde soorten, maar ook de aanwezigheid van een aantal beschermde (nachtactieve) soorten. Gezien de beoogde werkzaamheden worden negatieve effecten op deze soorten uitgesloten en is nader onderzoek naar deze soorten niet nodig. Indien ze zijn waargenomen tijdens de veldrondes voor vleermuizen is hier wel notitie van gemaakt.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 9
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldonderzoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Vleermuizen 5.1.1 Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het gebied twee soorten vastgesteld; gewone dwergvleermuis en watervleermuis. Hieronder wordt per soort ingegaan op welke functies het plangebied heeft voor deze soorten. In Bijlage 2 is een kaart bijgevoegd met daarop de waarnemingen tijdens de veldbezoeken. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemene vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige structuren en ze jagen in gesloten tot halfopen landschap. Verblijfplaatsen In de Quickscan is reeds gesteld dat er door de afwezigheid van bebouwing geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn. Deze zijn dan ook niet aangetroffen tijdens de veldrondes. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt door waarschijnlijk enkele gewone dwergvleermuizen gebruikt om te foerageren.
Daarbij maken de dieren gebruik van het groen rondom de plas, met name in de zuidoosthoek. De dieren vlogen aan de buitenzijde van het groen, boven het land (niet boven het wateroppervlakte). Tijdens het onderzoek werden slecht enkele gewone dwergvleermuizen tegelijkertijd waargenomen, met name tijdens de ronde in juni. Watervleermuis De watervleermuis komt in nagenoeg heel Nederland vrij algemeen voor. In het zomerhalfjaar gebruikt de soort bomen (holten/spleten) en soms vleermuiskasten als verblijfplaats, soms bruggen en meer zelden ook gebouwen (Dietz et al., 2011). De vrouwtjes jagen in gebieden in een straal van 6-10 kilometer rond het verblijf, met een gemiddelde van 2,3 kilometer (Dietz et al., 2011). Bij hun vliegroutes maken ze veel gebruik van lijnvormige waterelementen. De watervleermuis overwintert in vochtige, ondergrondse ruimtes zoals bunkers en ijskelders. Verblijfplaatsen In bomen rond de waterplas zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld. Doordat het onderzoek zich hier niet op heeft gericht, is deze conclusie niet sluitend. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt door de watervleermuis gebruikt om te foerageren. Tijdens het onderzoek werd er slechts één tot hooguit enkele watervleermuizen tegelijkertijd waargenomen en slechts alleen op 28/29 juni. Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 10
Wel is het dier meerdere keren waargenomen. Daarbij werd de noordwestkant van de plas gebruikt om te foerageren, daar waar het donker is.
5.1.2 Effecten De herinrichting van de waterplas met een drijvend zonneveld heeft effecten op de volgende functies van waterplas voor gewone dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen In bomen rond de waterplas zijn geen verblijfplaatsen vastgesteld. Doordat het onderzoek zich hier niet op heeft gericht, is deze conclusie niet sluitend. Bomen rond de waterplas, waar potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn, blijven behouden. Negatieve effecten op (potentiële) verblijfplaatsen zijn uit te sluiten. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis en watervleermuis als foerageergebied. Daarbij geldt dat de gewone dwergvleermuis gebruik maakt van het groen rondom de plas en de watervleermuis van donkere hoeken van de plas (noordwestzijde). Het gaat daarbij om enkele gewone dwergvleermuizen en slechts één tot enkele watervleermuizen. Er is voor beide soorten geen sprake van een essentiële functie. Ook een (essentiële) vliegroute is niet aanwezig. Door de voorgenomen inrichting treedt er geen verstoring op van foerageergebieden en vliegroutes die onderdeel uitmaken van het (essentieel) leefgebied van de betreffende vleermuissoorten, mits de donkere, onverlichte delen van de plas niet worden verlicht (Kader – Foerageergebieden en vliegroutes). Daarnaast blijft bestaand leefgebied rondom de waterplas en in de omgeving, behouden.
Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
5.1.3 Te nemen maatregelen In het kader van de zorgplicht moet verstoring van licht worden voorkomen tijdens de actieve periode van vleermuizen. Deze actieve periode duurt van half maart tot eind oktober. Verstoring wordt voorkomen door verlichting achterwege te laten. Als verlichting noodzakelijk is, moet deze tot een minimum worden beperkt en zijn de volgende maatregelen van toepassing: o verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven; o verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is; o verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); o beperk verstrooiing van het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur (Afbeelding 3); o maak gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurige LED-verlichting).
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 11
Afbeelding 3. Wijze van plaatsen van verlichting om verstrooiing te voorkomen. Bron: Eelerwoude.
Conclusie: nader onderzoek toont aan dat gewone dwergvleermuis rondom de Eisenhowerplas foerageert en watervleermuis in donker delen (noordwestzijde) boven de plas. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn negatieve effecten op gewone dwergvleermuizen en watervleermuizen uit te sluiten. In het kader van de zorgplicht moet verstoring in de actieve periode worden voorkomen.
5.2 Overige beschermde soorten 5.2.1 Voorkomen en functie Beschermde soorten Tijdens het veldonderzoek is ook gelet op de aanwezigheid van andere (niet-vrijgestelde) beschermde soorten dan hierboven beschreven. Deze soorten maken (mogelijk) van het plangebied gebruik als leefgebied. Deze beschermde diersoorten (onder andere steenmarter of kerkuil) zijn niet waargenomen. Bastaardkikkers In de waterloop in de zuidoosthoek, tussen de waterplas en de spoorlijn, zijn vele bastaardkikkers gehoord en later meerdere juveniele dieren waargenomen (Bijlage 2). Het aantal roepende kikkers in de waterplas was beperkt: naar schatting gaat het om enkele tientallen dieren. Met name aan de zuidkant van de plas en enkele dieren aan de noordzijde. Broedvogels In en rond het plangebied kunnen verschillende algemene vogelsoorten voorkomen. Het gaat hierbij onder andere om zwarte kraai, kauw, ekster, tjiftjaf, roodborst en houtduif. Deze soorten kunnen in en rond het plangebied tot broeden komen.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 12
5.2.2 Effecten Beschermde soorten Negatieve effecten op de groep overige beschermde soorten zijn uit te sluiten. Vaste rust- en verblijfplaatsen van deze beschermde soorten, zoals steenmarter en kerkuil, ontbreken of zullen niet worden aangetast door de werkzaamheden. Bastaardkikkers Verblijfplaatsen van bastaardkikkers zijn niet jaarrond beschermd onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast blijft het leefgebied met de voortplantingslocatie, de Eisenhowerplas en de waterloop aan de zuidoostzijde, behouden met de herinrichting van de plas. Broedvogels Er dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen worden kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen.
Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. De genoemde termijn moet daarom niet al te strikt worden toegepast. Conclusie: negatieve effecten op overige beschermde soorten zijn uit te sluiten. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 13
6 Conclusie Op basis van het vleermuisonderzoek worden de onderstaande conclusies getrokken.
6.1 Aanwezige soorten Foeragerende vleermuizen Nader onderzoek toont aan dat gewone dwergvleermuis rondom de Eisenhowerplas foerageert en watervleermuis in donker delen (noordwestzijde) boven de plas. Het gaat om een tot enkele individuen. Een essentiële foerageerfunctie is niet aangetoond. Voor de herinrichting van de waterplas moet in het kader van de zorgplicht verstoring in de actieve periode worden voorkomen. Daarvoor zijn enkele maatregelen gegeven. Voortplantingslocatie bastaardkikkers In de waterloop ten zuidoosten van de waterplas zijn vele bastaardkikkers roepend waargenomen. Dit duidt op een voortplantingslocatie. Ook maken enkele tientallen bastaardkikkers gebruik van de waterplas als voortplantingslocatie. Voortplantingswater van de bastaardkikker is niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast blijft met de herinrichting van de waterplas het leefgebied behouden. Let altijd op aanwezige broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, of nesten van vogels wegnemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Doordat de werkruimte wordt aangepast aan de aanwezige natuurwaarden en kap wordt vermeden dan wel geminimaliseerd, is het mogelijk de werkzaamheden uit te voeren gedurende het broedseizoen. Bij het eventuele werken in het broedseizoen moet rekening worden gehouden met broedende vogels in de struwelen en bomen rondom de werkruimte. Houd rekening met de zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
6.2 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoekgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden. Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 14
Literatuurlijst • • • • • • • • •
Eelerwoude (2021). Quickscan flora en fauna. Realisatie drijvend zonneveld Eisenhowerplas, Elst. Definitief 19-5-2021. Projectnummer 201457 Borkent, I. (2019) MEMO Drijvend zonnepark Aamseplas te Elst; vleermuisinspectie. Bosland adviesbureau, 9 juli 2019 Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, - Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. ESRI Nederland (2019). https://www.esri.nl/nl-nl/home Limpens, H., K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (2017). Vleermuisprotocol 2021. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2020). Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 14 oktober 2020, DGNVLG/20246331, houdende vaststelling van een geactualiseerde Rode Lijst Zoogdieren.
Soortinformatie: www.zoogdiervereniging.nl www.ravon.nl Waarnemingen: ndff-ecogrid.nl Soorten: Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Bij12 (2017). Kennisdocument Watervleermuis Myotis daubentonii. Bij12, versie 1.0, Utrecht.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 15
Bijlage 1 Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 1. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).
De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern 1 Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 16
Figuur 1: Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 17
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime (Zie kader – Staat van instandhouding). Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort. Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 18
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies. Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie.
Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 19
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 20
Bijlage 2 Kaart met veldwaarnemingen
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 21
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 22
Eisenhowerplas Elst (Gld) | Eelerwoude | 23
www.eelerwoude.nl