23-05-16.04 Inspreken welstandsbeleid 16 mei 2023.docx
Tekst van het document
Inspreken gemeenteraad Overbetuwe, cluster ruimte, 16 mei 2023 Agendapunt 4: Uitgangspunten nieuw welstandsbeleid
Voorzitter, Ik zal mij even voorstellen: mijn naam is Bjorn van Snippenburg, ik ben inwoner van deze gemeente en werkzaam als landschapshistoricus en adviseur erfgoed en beleid bij RAAP. In mijn werk ben ik veel bezig met het historisch cultuurlandschap en adviseer ik onder meer gemeentes over ruimtelijk beleid en erfgoedbeleid. Vanavond spreek ik tot uw raad op persoonlijke titel. Begin dit jaar ben ik door één van uw leden gevraagd te kijken naar de uitgangspuntennotitie voor nieuw welstandsbeleid. De opmerkingen die ik daarop heb wil ik hier graag met u delen. Omwille van de tijd zal ik mij beperken tot de belangrijkste punten. Dit zijn het uitgangspunt van deregulering, de keuze om de nota sec op architectuur en monumenten te richten en de wens tot sterke reductie van het aantal gebieden. Een centraal thema in de uitgangspuntennotitie is ‘dereguleren’. Gesteld wordt dat de Omgevingswet betekent 'minder regels' en dat dat synoniem is voor 'deregulering'. Dit laatste is onjuist. Een uitgangspunt van de Omgevingswet is inderdaad 'minder regels', maar dan in de zin dat de bestaande 26 wetten en talloze regelingen worden teruggebracht naar één integrale samenhangende wet en één set integrale en samenhangende regels. Deregulering betekent echter 'voor minder zaken regels hebben' of zoals Van Dale zegt "(ten dele) vrijmaken van wettelijke bepalingen en regelingen".
De aanname dat de Omgevingswet voor minder zaken regels wil is onjuist. De Omgevingswet staat voor een effectievere en samenhangende regelgeving. De wens om te dereguleren kan ik dus niet plaatsen. Verder lees ik in de uitgangspuntennotitie in paragraaf 2.1 dat er breder gestuurd kan worden op ruimtelijke kwaliteit, maar dat hier expliciet niet voor gekozen wordt. Ook dit punt kan ik niet plaatsen, juist in het licht van de Omgevingswet die volgend jaar van kracht wordt. De Omgevingswet vraagt om de fysieke leefomgeving integraal te benaderen. Een centraal thema is hierbij de omgevingskwaliteit. Die bestaat onder meer uit landschap, cultuurhistorie en stedenbouw, die in de notitie genoemd worden. Welstand, of architectuur en monumenten, is slechts één van de aspecten van de omgevingskwaliteit. Ik vraag mij af waarom ervoor gekozen is om nu, op de drempel van de Omgevingswet, de omgevingskwaliteit niet integraal te benaderen maar slechts één aspect daarvan uit te werken. Ik denk dat er dubbel werk wordt verricht wanneer straks alsnog de omgevingskwaliteit integraal benaderd zal (moeten) gaan worden. Dit lijkt mij onnodig en ik zou dan ook willen zeggen: doe het in één keer goed.
Dat brengt mij bij mijn volgende en laatste punt: het terugbrengen van het aantal welstandsgebieden. In paragraaf 2.3 wordt gesteld dat er gekeken wordt naar de waarde van een gebied om daarop een welstandsregime te bepalen. Vervolgens wordt er al direct een uitspraak gedaan over welke gebieden welk regime moeten krijgen. In paragraaf 2.6 wordt vervolgens gesteld dat er maar 7 à 8 gebieden mogen komen, ook in het kader van die deregulering. Los van de juistheid van deregulering, heeft het terugbrengen van het aantal gebieden geen invloed op het aantal regels dat op een bepaalde plaats geldt. Een initiatiefnemer heeft op één locatie altijd maar met één set regels te maken, of de gemeente nou in 7 of in 100 gebieden is verdeeld. Het aantal gebieden is irrelevant en zou geen uitgangspunt moeten zijn. Ik zou willen focussen op wat verderop in paragraaf 2.6 staat, namelijk dat er gewerkt zal worden aan één integrale toelichting per gebied. Terecht wordt gesteld dat zo’n toelichting de basis kan zijn voor veel ruimtelijke beleidsstukken. Er zou mijns inziens begonnen moeten worden met de toelichting van gebieden en pas daarna nadenken over welke regels daarbij passen. In het licht van de Omgevingswet zou ik dit nog breder willen trekken: bekijk de hele fysieke leefomgeving integraal.
Volgens de Omgevingswet bestaat de fysieke leefomgeving onder meer uit bouwwerken, infrastructuur, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Bekijk welke landschappelijke en stedenbouwkundige eenheden in de fysieke leefomgeving gevonden kunnen worden en beschrijf de omgevingskwaliteiten van die eenheden. Laat dus de fysieke leefomgeving leidend zijn bij het bepalen van de gebieden, en niet bijvoorbeeld hun ligging langs belangrijke wegen of hun aantal. De beschreven omgevingskwaliteiten kunnen vervolgens het uitgangspunt zijn voor het opstellen van de regels. De hoogte van de omgevingskwaliteit kan de ‘strengheid’ van de regels bepalen. In die integrale set regels, gebaseerd op de beschreven omgevingskwaliteiten, komen dan alle aspecten van de fysieke leefomgeving aan bod en dus ook de aspecten die nu onder welstand vallen. Vanuit deze benadering van de fysieke leefomgeving in de geest van de Omgevingswet – eerst kijken welke kwaliteiten we hebben en dan pas nadenken over regels – denk ik dat de voorliggende uitgangspuntennotitie op in ieder geval een aantal punten te concreet is en, kijkend naar het punt van de deregulering, ook incorrect. Samenvattend: Deregulering is geen doel van de Omgevingswet. Het integraal benaderen van de fysieke leefomgeving is daarentegen wel een doel van de Omgevingswet.
Voorzitter, ik zou uw raad willen vragen om dit doel van de Omgevingswet mee te nemen in de beraadslagingen van vanavond.