22-12-06.15 Relevant stuk 4, Achtergronddocumenten bij concept NRD planMER RES 2.0
Tekst van het document
Veel gestelde vragen planMER RES Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen
PlanMER algemeen Wat is een m.e.r./MER? M.e.r. staat voor milieu effect rapportage en is de gebruikelijke term voor het proces om te komen tot deze rapportage. Het rapport zelf wordt aangeduid met hoofdletters: MER. In een m.e.r. worden de milieueffecten van een plan of project in beeld gebracht. Denk bijvoorbeeld aan geluid en veiligheid, maar ook aan landschap en natuur. Ook positieve milieueffecten zoals vermeden CO2-uitstoot en fijnstof worden in beeld gebracht. Een planMER onderzoekt milieueffecten op hoofdlijnen; zoals in dit geval op regioniveau. Een projectMER onderzoekt milieueffecten op detailniveau, namelijk per project. Via een MER krijgen milieueffecten een volwaardige plek bij het nemen van een besluit over een plan of project. Wat is een NRD? NRD staat voor Notitie Reikwijdte en Detailniveau. Een NRD gaat vooraf aan het planMER. In deze notitie staat welke alternatieven en milieuaspecten voor het rapport worden onderzocht (reikwijdte) en hoe uitgebreid en op welke manier die worden onderzocht (detailniveau). Waarom stellen de regionale overheden nu een planMER op? In de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen werken 16 gemeenten, de provincie, 3 waterschappen en netbeheerder Liander samen aan duurzame energie met een Regionale Energie Strategie (RES).
In de RES staat hoe we in onze regio van fossiele energie overschakelen op duurzame elektriciteit en duurzame warmte. Ook staat in de RES welke infrastructuur en opslag daarvoor nodig zijn. In de RES 1.0 hebben we afgesproken om in 2030 tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. De volgende stap is het realiseren van de afspraken uit de RES 1.0 en het vertalen van de RES naar omgevingsbeleid. Hiervoor is verder onderzoek nodig: een Milieueffectrapportage (planMER). Dit onderzoek laat zien welke positieve en/of nadelige milieueffecten plaatsvinden wanneer de beoogde duurzame opwek uit het RES 1.0 wordt gerealiseerd. Zo kan zorgvuldig beargumenteerd worden waarom locaties voor duurzame energie opwek geschikt, geschikt te maken of ongeschikt zijn. Het startpunt van dit onderzoek is de RES 1.0. Het resultaat van het onderzoek komt in een rapport, de planMER. Dit rapport is geen besluit. Het is aan de colleges, gemeenteraden, provinciale staten en besturen om af te wegen wat zij met de uitkomsten van dit onderzoek gaan doen in de besluiten die zij nemen. Met de uitkomsten van het onderzoek kunnen zij de RES 1.0 aanscherpen en verrijken. Daarmee zorgen we voor nieuwe energie van, voor en door de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen! Is het verplicht een planMER op te stellen? Voor het opstellen van de RES 1.0 was een planMER niet verplicht.
Voor de RES 2.0 ligt dat anders. De RES 2.0 wordt op grond van de Omgevingswet in veel gevallen een programma. Dat programma is mer-plichtig als het een kader vormt voor vergunningverlening.
Wie gaat het planMER opstellen? De 16 gemeenten en provincie Gelderland zijn allemaal het bevoegd gezag voor het planMER. Er is een onderzoeksbureau gevraagd om de planMER op te stellen. Wie denkt wanneer mee in de NRD-fase en bij het planMER? Gemeenten en provincie werken intensief samen voor het opstellen van de NRD en de planMER. Gemeenteraden en Provinciale Staten worden in de gelegenheid gesteld om bij de NRD een zienswijze in te dienen en zij beslissen uiteindelijk over wat er gebeurt met de resultaten uit het onderzoek. Daarnaast wordt ook de samenleving betrokken bij de planMER: • Regionaal georganiseerde belanghebbenden, of stakeholders, nodigen we uit om met ons mee te denken over welke milieuaspecten we onderzoeken en op welk detailniveau. Ook tijdens het opstellen van de planMER raadplegen we hen over de te maken afwegingen in de planMER. • De regionale waterschappen en ook de commissie m.e.r. vragen we expliciet om te reageren op de NRD. • Daarnaast geldt voor iedereen de mogelijkheid om een reactie of zienswijze in te dienen op de NRD en op de planMER. Wie zijn Regionale Stakeholders? Regionaal georganiseerde partijen die met hun belang verbonden zijn aan de RES worden beschouwd als Regionale Stakeholders. Zij zijn actief in de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen en vertegenwoordigen een regionale of landelijke achterban. In de RES werken we samen.
Maar kijken ook slim naar wie waarvoor aan de lat staat. Zo kennen we het uitgangspunt uit de RES 1.0 ‘Lokale autonomie waar dat kan en benutten van de kracht van de regio waar dat moet’. Zo ook op gebied van participatie. Participatie over lokale gemeentelijke plannen vindt daarom lokaal plaats, waarbij lokale stakeholders worden betrokken. Participatie over regionale plannen vindt regionaal plaats waarbij regionale stakeholders worden betrokken. De planMER is een onderzoek op regioniveau, daarom worden regionale stakeholders uitgenodigd om deel te nemen in de dialogen om de NRD en de planMER te vormen. Voor iedereen is er de mogelijkheid tot het geven van reactie door middel van een zienswijze. Zie vraag 6. Hoe kunnen belanghebbenden de voortgang van het planMER volgen? De NRD wordt in oktober 2022 ter inzage gelegd door de zestien gemeenten en de provincie. Dan heeft iedereen de mogelijkheid om een reactie te geven via een zienswijze. De planMER wordt ter inzage gelegd. Daarnaast worden over het proces regelmatig updates gegeven in de nieuwsbrief van de Groene Metropoolregio. Mocht je deze updates willen volgen, dan kun je je hier aanmelden voor de nieuwsbrief: RES Regio Arnhem Nijmegen (list-manage.com) Worden in het planMER ook andere onderzoeken meegenomen? De planMER van de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen wordt uitgevoerd voor het gehele RES gebied.
Tegelijkertijd worden er ook andere MER’en uitgevoerd. Sommigen op projectniveau, sommigen voor omgevingsvisies of andere gemeentelijke plannen en een aantal ook op provinciaal niveau. We werken hierin zoveel mogelijk samen en proberen zo dubbel werk te voorkomen. De onderzoeksresultaten van de andere MER’en worden gebruikt om de planMER van de RES aan te vullen en vice versa.
Regionale Energiestrategie Wat is een regionale energiestrategie? In Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen werken 16 gemeenten, de provincie, 3 waterschappen en netbeheerder Liander samen aan duurzame energie met een Regionale Energie Strategie (RES). In de RES staat hoe we in onze regio van fossiele energie overschakelen op duurzame elektriciteit en duurzame warmte. Ook staat in de RES welke infrastructuur en opslag daarvoor nodig zijn De energietransitie is een grote opgave. Daarom is de RES een meerjarig traject. We zijn in 2019 gestart met de RES 1.0. Deze is in 2021 door alle gemeenteraden, provincie en waterschappen vastgesteld. Op dit moment werken we aan de RES 2.0. In de RES 1.0 hebben we afgesproken om in 2030 tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteit op te wekken binnen de regio. Dat doen we met zon op dak, met al gerealiseerde en vergunde projecten en met duurzame projecten in zoekgebieden. Daarnaast hebben we met potlood extra verkenningsgebieden opgenomen voor met name windenergie. Dit met het oog op een betere balans tussen windenergie en zonne-energie. Verder maakt de RES 1.0 bovenlokale warmtebronnen inzichtelijk en de gevolgen hiervan voor de infrastructuur Wordt de keuze voor zoekgebieden in de RES 1.0 overnieuw gedaan door dit planMER? Nee.
De zoekgebieden (en met potlood ingetekende verkenningsgebieden) en het bij behorende RES bod van 1,62 TWh vormen de uitgangsposities van het planMER. Het planMER wordt uitgevoerd voor de gehele regio. Het is mogelijk dat er naar aanleiding van de uitkomsten in het planMER, vanuit milieuaspecten interessante gebieden naar voren komen die niet in de RES 1.0 staan. Dat wil niet zeggen dat deze gebieden dan worden opgenomen in de RES 2.0. Milieuaspecten vormen immers maar één onderdeel in deze complexe afweging. Het is aan de colleges, gemeenteraden, provinciale staten en besturen om af te wegen wat zij met de uitkomsten van het planMER doen in de besluiten die zij nemen.
Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Welke vraag staat centraal in het planMER? De vraag die we in het planMER willen beantwoorden luidt “Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van tenminste 1,62 TWh duurzame elektriciteitsambitie, regionale warmtebronnen en de benodigde energieinfrastructuur binnen de Groene Metropoolregio, en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 worden ingevuld aan de hand van 4 thematische alternatieven?” Daarbij is het goed om te weten dat het aandeel zon-op-dak – wat 0,49 van de 1,62 TWh vertegenwoordigd – niet in het planMER wordt getoetst op milieueffecten, omdat die niet of nauwelijks van toepassing zijn voor de plaatsing van zonnepanelen op (bedrijfs)daken. Hoe komen de afspraken uit de RES 1.0 terug in het planMER? In het planMER onderzoeken we – vanuit milieu-aspecten – de mogelijkheden voor wind- en zonprojecten in de gehele regio. De zoekgebieden voor wind en zon uit de RES 1.0 worden in het planMER opgenomen als 0-variant. We onderzoeken daarmee de zoekgebieden van de RES 1.0 op milieueffecten. Het planMER kijkt vervolgens breder, naar de hele regio en verdiept die analyses door binnen de regio vier thematische alternatieven te onderzoeken: natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem.
Wat zijn de alternatieven natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem en waarom die?
Naast gebieden waarin harde milieubelemmeringen gelden en gebieden waarin geen milieubelemmeringen gelden, zijn er gebieden met zachte milieubelemmeringen. Hier zijn grootschalige zon- en windenergieprojecten mogelijk, maar niet vanzelfsprekend. Door binnen de regio de ontwikkeling van energie te koppelen aan andere waarden, zoals natuur, landschap, leefomgeving of het energiesysteem, onderzoeken we een aantal alternatieven om het doel van 1,62 TWh energieopwek in 2030 te behalen. Deze alternatieven vormen een soort ‘hoeken van het speelveld’. Het voorstel voor deze vier alternatieven is tot stand gekomen door inbreng vanuit de zestien gemeenten, de provincie en regionale belanghebbenden. Worden in het planMER ook andere onderzoeken meegenomen? De planMER van de Groene Metropoolregio Arnhem Nijmegen wordt uitgevoerd voor het gehele RES gebied. Tegelijkertijd worden er ook andere MER’en uitgevoerd. Sommigen op projectniveau, sommigen voor omgevingsvisies of andere gemeentelijke plannen en een aantal ook op provinciaal niveau. Het gaat onder andere om MER’en omtrent de Wespendief op de Veluwe, herijking van de provinciale Windvisie en lokale MER’en omtrent de ontwikkelingen van zonne- en windenergieprojecten. We werken hierin zoveel mogelijk samen en proberen zo dubbel werk te voorkomen.
De onderzoeksresultaten van de andere MER’en worden gebruikt om de planMER van de RES aan te vullen en vice versa. Worden zonnethermie, energieopslag en -conversie onderzocht in het planMER? Ja en nee. Zonnethermie wordt niet expliciet onderzocht, maar kent min of meer dezelfde milieuaspecten als een zonneveld, dat wel wordt onderzocht. Energieopslag en -conversie worden niet meegenomen in het planMER omdat de milieueffecten te lokaal zijn voor een planMER. Waarom wordt waterkracht niet onderzocht in het planMER? In de RES 1.0 is 0,04 TWh uit waterkracht voorzien. De ontwikkeling van waterkracht kent aanzienlijke milieueffecten, bijvoorbeeld rond vissterfte. Tegelijkertijd zijn die milieueffecten zeer projectgebonden. Het detailniveau van het planMER leent zich daardoor niet voor een milieuanalyse van waterkracht. Deze milieuanalyse kan wel plaatsvinden als zich een project voor waterkracht aandient (projectMER). Welk detailniveau heeft de warmte-analyse in het planMER? De warmte-analyse is een analyse op hoofdlijnen voor de warmtebronnen geothermie, aquathermie, WKO’s en biomassa. Qua eindbeeld leidt dit tot kaarten die in lijn liggen met de milieubelemmeringenkaarten voor wind en zon, maar op een hoger abstractieniveau. Rond milieuaspecten van warmtebronnen bestaat nog veel leemte aan kennis.
Daarnaast zijn de milieueffecten van warmtebronnen vaak erg lokaal, waardoor een verdiepende analyse moet plaatsvinden op projectniveau (projectMER). Waarom worden in het planMER geen mogelijkheden voor solitaire windturbines onderzocht? In de RES 1.0 is afgesproken om windprojecten zoveel mogelijk in clusters te ontwikkelen. Solitaire windturbines leiden immers tot versplintering in het landschap. Wel zien we in de regio een aantal windprojecten van twee turbines. We sluiten daarom aan bij deze ontwikkelingen van twee turbines of meer. Dit ligt bovendien in lijn liggen met het provinciale beleid. Hoe zit het met solitaire windturbines als uitbreiding op een bestaand windpark? Solitaire windturbines als uitbreiding bij een bestaand windpark onderzoeken we wél. In dat geval is er namelijk geen sprake van versplintering in het landschap. In feite speelt de analyse hier al op in. Die geeft namelijk vanuit milieuaspecten de mogelijkheden weer voor de inpassing van twee windturbines of meer, ongeacht het feit of er op een locatie al een windpark is ontwikkeld. Bestaande windparken worden daarmee automatisch geïdentificeerd als mogelijke locaties voor de plaatsing van windturbines.
Waarom wordt in de NRD gesproken over een bandbreedte van 3,6 MW tot 7,0 MW windturbines? Op dit moment zijn 3,6 MW windturbines de kleinste turbines waarvoor SDE-subsidie beschikbaar is. Daarmee vormen ze een realistische ‘onderkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Daar tegenover staan relatief grote turbines van 7,0 MW die op dit moment op land worden ontwikkeld. Zij vormen dus een realistische ‘bovenkant’ van het type turbines dat ontwikkeld kan worden in de regio. Omdat we benieuwd zijn naar de mogelijkheden voor zowel de kleine- als de grote turbines, houden we beide type windmolens als bandbreedte. Daarmee krijgen we beide uitersten in beeld, waardoor we automatisch ook een beeld krijgen van de mogelijkheden voor turbines die binnen deze bandbreedte vallen. Hoe wordt omgegaan met de overbruggingsregeling voor geluid/slagschaduw/veiligheid van wind? Door het Nevele-arrest zijn de Nederlandse normen voor geluid/slagschaduw/veiligheid van windprojecten, zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit, op dit moment buiten werking. In 2023 wordt hierop nieuw beleid verwacht. De kans is groot dat dezelfde normen dan opnieuw in werking treden, maar zeker weten we dat nog niet. We kiezen ervoor om aan te blijven sluiten bij de normen zoals die staan beschreven in het Activiteitenbesluit en geen andere of nieuwe normen te introduceren.
Voor andere of nieuwe normen bestaat namelijk geen juridische basis. Wel hanteren we in het alternatief ‘Leefomgeving’ een strengere geluidsnorm, om zo te zien welke impact dit heeft op de mogelijkheden voor windprojecten binnen de regio. Ook vragen we de commissie m.e.r. expliciet om advies op de vraag hoe om te gaan met deze overbruggingsregeling. Waarom wordt de 1 km-Wespendiefzone rond de Veluwe gezien als harde belemmering voor wind? De rechter heeft geoordeeld dat ontwikkelingen die de stand van de Wespendief op de Veluwe bedreigen geen doorgang kunnen vinden. In vaktermen wordt gesproken over de 1%-norm. De ontwikkeling van windprojecten geldt binnen een 1 kilometerzone buiten de Veluw als zo’n bedreiging. Windprojecten zijn binnen die zone simpelweg niet mogelijk, waardoor deze zone is opgenomen als harde milieubelemmering. Voor de 1-8 km zone vanaf de Veluwe is dit anders. Hier zijn door mitigerende maatregelen voor 2025 zeer waarschijnlijk wel mogelijkheden om windprojecten te ontwikkelingen. Daarom is de 1-8 km zone buiten de Veluwe opgenomen als zachte milieubelemmering. Waarom worden weidevogelgebieden gezien als harde milieubelemmering voor zowel zon als wind? Het is slecht gesteld met de stand van weidevogels in Nederland. De overheid heeft daarnaast een zorgplicht voor weidevogels, waar in lokaal- en regionaal beleid ook niet van kan worden afgeweken.
Dit betekent dat de ontwikkeling van zowel zon- als windprojecten juridisch niet mogelijk is in weidevogelgebieden. Deze gebieden worden daarom opgenomen als harde milieubelemmering. Waarom worden wintergansrustgebieden, het Gelders Natuurnetwerk en Natura 2000 gebieden gezien als zachte milieubelemmeringen? In al deze gebieden geldt dat de ontwikkeling van zon- en windprojecten onder voorwaarden mogelijk is. In veel gevallen gaat het om lokaal en regionaal beleid waarvan kan worden afgeweken, of waar mitigerende maatregelen kunnen worden genomen. Er gelden dus milieubelemmeringen, maar de ontwikkeling van zon- en windprojecten is niet onmogelijk. Deze gebieden worden daarom opgenomen als zachte milieubelemmeringen.
Omgang met het Nevele-arrest in het planMER Op 25 juni 2020 heeft het Europese hof van justitie geconcludeerd dat de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling ontoereikend is als milieubeoordeling voor windturbines. Deze uitspraak staat bekend als het Nevele-arrest. Op 30 juni 2021 heeft de Raad van State uitgesproken dat de algemene normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling formeel moeten worden onderzocht. Het gevolg is dat de windturbinenormen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet mogen gebruiken voor windturbineparken totdat een milieubeoordeling is gemaakt. Die milieubeoordeling wordt op dit moment op landelijk niveau gemaakt en de verwachting is dat deze in 2023 beschikbaar komt. We bevinden ons daarom tijdens het planMER traject in een overbruggingsperiode voor de normen van geluid, slagschaduw en veiligheid voor de ontwikkeling van windprojecten. Op het APCR van 28 juni jl. is voorgesteld om in het planMER te toetsen op normen die breder zijn dan de normen in het Activiteitenbesluit. Het argument hiervoor was om, vooruitlopend op de uitkomsten van het landelijke planMER, alvast een grotere bandbreedte te onderzoeken. Op het BPCR van 4 juli jl. is besproken om vast te houden aan de normen uit het Activiteitenbesluit.
Het argument hiervoor was dat de juridische basis op dit moment ontbreekt om als regio nieuwe normen te introduceren. Een aantal recente rapporten en adviezen geven aan dat het nuttig kan zijn om toch breder te kijken. Zo oordeelde ingenieursbureau Arcadis in april van dit jaar dat Nederland ten opzichte van andere Europese landen de meest ruime regeling kent voor de ontwikkeling van windprojecten. Het RIVM onderschrijft geluidshinder van windmolens vanaf circa 40 dB. En de Commissie m.e.r. adviseerde in maart van dit jaar aan het Rijk om ruimer te kijken dan de normen in het Activiteitenbesluit. In het planMER stellen we daarom de volgende werkwijze voor: 1. In de NRD blijven we bij de normen uit het Activiteitenbesluit. Vanwege de argumenten dat de juridische basis ontbreekt om zelf nieuwe normen te introduceren en de regio vanuit milieuaspecten graag de brede mogelijkheden in beeld krijgt voor de ontwikkeling van windenergie. 2. In het te onderzoeken alternatief ‘Leefomgeving’ hanteren we een striktere norm, namelijk de 45 dB Lden norm die de WHO adviseert. Deze striktere norm sluit immers aan bij het beschermen van de leefomgeving, het doel van dit alternatief. Daarbij geeft dit inzicht in de gevolgen van het toepassen van een striktere norm op de haalbaarheid van windprojecten in de regio. 3. In de adviesvraag aan de Commissie m.e.r.
op het NRD, vragen we expliciet om een advies op de te onderzoeken normen voor geluid, slagschaduw en veiligheid.
Wat gaan we onderzoeken
NOTITIE REIKWIJDTE & DETAILNIVEAU Hoe gaan we het onderzoeken
Rapportage onderzoeksopzet van de milieueffecten
HOOFDVRAAG Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van tenminste 1,62 TWh* duurzame elektriciteitsambitie, regionale warmtebronnen en de benodigde energie-infrastructuur binnen de Groene Metropoolregio … … en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van vier thematische alternatieven? GESCHIKT
GESCHIKT TE MAKEN
gebieden zonder milieubelemmeringen
gebieden met zachte milieubelemmeringen (lokaal/regionaal beleid)
DEFINITIE WINDPARKEN ----
Gebieden voor 2 of meer windturbines • Huidige turbines: 3,6 MW | 120 meter ashoogte • Nieuwe turbines: 7,0 MW | 166 meter ashoogte
ONGESCHIKT
gebieden met harde milieubelemmeringen (bestaande gebouwen en wetgeving)
DEFINITIE ZONNEPARKEN -----
Gebieden voor >2 MW zonneparken • Intensief multifunctioneel: 2 MW = 2 ha. • Extensief multifunctioneel: 2 MW = 3 ha.
HARDE & ZACHTE MILIEUBELEMMERINGEN
Wespendief 1 km zone Wespendief 1-8 km zone Weidevogel gebieden Wintergans rustgebieden Gelders natuurnetwerk
WIND
ZON
Hard Zacht Hard Zacht Zacht
Zacht Zacht Hard Zacht Zacht
Windprojecten zijn hier juridisch onhaalbaar Met maatregelen zijn hier projecten mogelijk Een zorgplicht verbiedt hier energieprojecten Onder voorwaarden zijn hier projecten mogelijk Alternatieve gebieden krijgen de voorkeur
* Het aandeel zon-op-dak van 0,49 TWh kent geen milieueffecten en wordt daarom niet getoetst
9/12/2022
Warmte -----
Netinfra -----
Analyse op hoofdlijnen | de bronnen: • Geothermie • Aquathermie • WKO • Biomassa
Geen hoogspanning en alleen ondergrondse aansluitingen. Daardoor alleen tijdelijke milieueffecten
ALTERNATIEVEN Natuur -----
Maximaal aandacht voor natuurwaarden
Leefomgeving -----
Maximaal aandacht voor de leefomgeving
Landschap -----
Energiesysteem -----
Maximaal aandacht voor landschappelijke waarden
Maximaal aandacht voor het energiesysteem
ZIENSWIJZE Heeft u ideeën of aanvullingen? Dien dan een zienswijze in bij uw gemeente. Alle zienswijzen worden gebundeld en beantwoord. We verwerken deze zienswijzen in het opstellen van de milieueffectrapportage.
9/12/2022
Omgevingsdialoog NRD 24 mei 2022 5-7-2022
1
We ontmoeten elkaar in zalencentrum Wieleman te Westervoort, voor de omgevingsdialoog op 24 mei
Henny Pries heet iedereen welkom op de avond. We zijn met een mooie groep.
De avond gaat over de eerste stap van de milieueffectenrapportage; de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) Zoals de naam al zegt, bepaalt deze notitie de reikwijdte en het detailniveau van het milieueffectenrapport. Het beantwoordt de vraag: welke milieueffecten gaan we onderzoeken en hoe gaan we dit doen?
“Welkom allemaal!”
De avond kent een vol programma. Eerst informerend en daarna interactief samen bezig! Het programma
Even kennismaken; wie zijn er vanavond aanwezig?
Wat hebben we allemaal gedaan om tot vanavond te komen?
Carola Hoogland, (tijdelijke) projectleider planMER, neemt iedereen nog weer even mee in de RES 1.0
Welke afspraken staan er in de RES 1.0
Daarna was het woord aan Koen Haans en Rolf de Jong van Witteveen+Bos. Zij helpen ons bij Wat is een het opstellen van de planMER. planMER en waarom voeren we deze uit?
5-7-2022
6
Tijd om aan de slag te gaan! Binnen de planMER zijn er vier hoofdthema’s: Natuur, Landschap, Leefomgeving en Energieopbrengst
.
We staan samen stil bij welke onderwerpen binnen die thema’s van belang zijn.
5-7-2022
7
Daarvoor gingen we uiteen in twee groepen!
Na een plenaire terugkoppeling was het tijd om af te sluiten. Dank voor uw aanwezigheid en input!
Omgevingsdialoog NRD Aangepaste versie: 22-08-2022
14 juli 2022 22-8-2022
1
We ontmoeten elkaar in zalencentrum Wieleman te Westervoort, voor de tweede omgevingsdialoog op 14 juli.
Dimitri Horsthuis-Tangelder heet iedereen welkom op de avond. De groep bestaat uit een fijne combinatie tussen deelnemers die bij omgevingsdialoog 1 aanwezig waren en deelnemers die nieuw zijn bij de omgevingsdialogen.
De input van de vorige keer is verwerkt en deze avond wordt er ingezoomd op een concreet vraagstuk binnen de NRD
“Welkom allemaal!”
Uit de groep komt de reactie dat een MER-onderzoek naar ‘vier hoeken van het speelveld’ te beperkt is, omdat dan pas daarna een integratie tot een optimaal RES 2.0-bod kan plaatsvinden. Gezien wat we allemaal al weten, en de urgentie van de energietransitie, is dat kostbaar tijdverlies. Waarom niet nú al zo’n optimale variant meenemen in het onderzoek? De wethouder begrijpt deze opmerking, maar legt uit dat het startpunt de RES 1.0 is en dat deze milieueffectrapportage nodig is om nog eens in de volle breedte de (on)mogelijkheden tegen het licht te houden. Er is geen voorkeursalternatief en het MER-rapport is ook geen besluit op zich. Het is aan gemeenten, provincie en waterschappen om af te wegen wat zij met de uitkomsten van de milieueffectrapportage doen in de besluiten die zij nemen.
Het programma
De avond kent wederom een vol programma!
Input verzameld en actief onderbouwd wat hiermee gedaan is
Rien Ramerman, projectleider planMER, neemt de deelnemers mee in wat er de vorige keer is opgehaald en wat daarmee gedaan is.
Waardevolle input! Dit heeft ons geholpen om ‘de hoeken van het speelveld’ inhoudelijk scherper te krijgen.
De hoeken van het speelveld
Deze avond ligt er een concreet vraagstuk op tafel. De milieueffectenrapportage onderzoekt de ‘hoeken van het speelveld’. Elke hoek is een belangrijk onderwerp dat uitgediept wordt. Op deze wijze weten we straks hoe de ideale situatie voor grootschalige opwek eruit ziet voor bijvoorbeeld natuur. 22-8-2022
7
In de milieueffectenrapportage wordt straks voor elke hoek duidelijk welke gebieden geschikt zijn, geschikt te maken of niet geschikt zijn voor grootschalige opwek.
Sturende criteria gaan aangeven in hoeverre een gebied geschikt te maken valt. We horen graag welke positief of negatief sturende criteria de deelnemers zien!
Het vraagstuk van de avond
Tijd om aan de slag te gaan! De deelnemers gaan in groepen langs de vier hoeken van het speelveld om de sturende criteria in kaart te brengen en elkaar aan te vullen. 22-8-2022
9
Als de hoeken van het speelveld ingevuld zijn, wordt het tijd om het speelveld bij elkaar te leggen.
22-8-2022
10
.
De input wordt in een apart document verder uitgewerkt
22-8-2022
11
Tot slot wordt de deelnemers gevraagd om het belangrijkste wat ze van deze avond meenemen op een post-it te schrijven en deze op de aanvullingsflip te plakken.
.
Deze staat uitvergroot in het verslag
22-8-2022
12
Dimitri HorsthuisTangelder sluit de avond al dribbelend op het speelveld af met een mooie samenvatting en reflectie.
.
Dank voor uw aanwezigheid en input!
22-8-2022
13
Verslag Omgevingsdialoog 3 | planMER voor de RES Groene Metropoolregio Woensdag 24 augustus 2022 Doel van de avond In de eerste twee omgevingsdialogen is veel inhoudelijke input opgehaald. Deze input heeft het proces tot het vormen van een NRD steeds verder gebracht. In de zomer is gewerkt naar een concept-NRD (90% versie). De avond staat in het teken van informeren en het ophalen en bespreken van eerste reacties op de concept-kernkeuzes in het concept-NRD.
Figuur 1 en 2 : beeld omgevingsdialoog 3
Start van de avond Bestuurlijk voorzitter Dimitri Horsthuis-Tangelder opent de avond en heet iedereen welkom. Hij geeft aan dat er de afgelopen bijeenkomsten mooie dialogen zijn gevoerd. Dit heeft geholpen om tot de concept-NRD te komen die er nu ligt. Milieueffecten stonden bij deze gesprekken centraal. Bij grootschalige opwek zijn uiteindelijk meer afwegingen van belang dan enkel de feitelijke milieueffecten. Deze zijn ook bij elk gesprek constructief ingebracht. Niet alle koppelkansen kunnen mee worden genomen in de tekst en inhoud van de NRD, omdat ze niet kwantitatief te maken zijn of geen onderscheidend vermogen bieden. We verzamelen deze genoemde koppelkansen en werken ze verder uit richting de RES 2.0. Ook zien we dat samenwerkingen onderling tot stand komen. Naar aanleiding van de vorige omgevingsdialoog is er een brief ontvangen van Natuur en Milieu Gelderland, Vereniging Natuurmonumenten, ZLTO en LTO Noord en de Energiecoöperatie uit de regio. Wij hebben naast de inhoudelijke opmerkingen in de brief de grote zorg die ook onder deze brief ligt en die ook eerder geuit is, over de blijvende en goede betrokkenheid van jullie bij de verdere stappen om te komen tot de RES 2.0 goed gehoord. De energietransitie is een gezamenlijke transitie en vraagt om een gezamenlijke aanpak. Alex de Meijer ligt de brief namens de verschillende partijen toe.
Hij geeft aan dat in het proces naar de RES 1.0 ook goede gesprekken rondom milieu-informatie zijn gevoerd, maar dat hier uiteindelijk een bestuurlijk filter op is gekomen. De bezorgdheid dat eenzelfde situatie zich voordoet wordt door hem verder geuit. Inhoudelijk wordt er opgeroepen om te kijken naar molenaarswoningen omdat dit in de praktijk vaak voorkomt en dat de uitkomsten van de planMER worden weergegeven als een kansenkaart i.p.v. de focus op beperkingen. Er wordt afgesproken dat de deelnemers de brief via de mail na de avond ontvangen.
De bestuurlijk voorzitter begrijpt de zorg die wordt geuit en dankt de indieners voor hun brief. Hij geeft aan dat het voor bepaalde onderdelen uit de brief nog niet duidelijk is of en hoe deze mee worden genomen in de NRD. Vrijdag 26 augustus vindt er een gesprek met de indieners van de brief plaats om de inhoud van de brief verder door te spreken.
Introductie Mentimeter Deze avond is gewerkt met Mentimeter op eerste reacties op de concept-kernkeuzes op te halen. Uit de groep komt de reactie dat ook de behoefte is aan gesprek over de concept-kernkeuzes. Toe wordt gelicht dat de Mentimeter wordt ingezet voor het verzamelen van reacties, maar dat er ruimte is voor verduidelijkende vragen en toelichting op de reacties. Tevens krijgt iedereen de mogelijkheid, ook de partijen die niet aanwezig konden zijn, om schriftelijk te reageren op de concept-kernkeuzes. Dit kan tot en met 7 september. De schriftelijke reacties en de Mentimeter worden samengevoegd en als een document toegevoegd aan de stukken die de bestuurders ontvangen om de 90% versie van de NRD te bespreken.
Reacties kernkeuzes Rien Ramerman, projectleider planMER, neemt de deelnemers mee door de concept-kernkeuzes. Via de Mentimeter worden de deelnemers gevraagd om eerst kwantitatief te reageren op de kernkeuzes (schaal 1-5) en daarna hun eerste reacties uit te schrijven. De resultaten hiervan zijn te vinden in bijlage 1. Centrale vraag voor het planMER Het gesprek komt op gang over de vraag of een onderzoek naar waar 1.62 TWh kan landen in gebieden niet beperkend werkt. De kaarten die voortkomen uit de planMER geven alle mogelijkheden voor grootschalige opwek weer en laten zich niet beperken tot 1.62 TWh. Een voorstel komt uit de groep op het woord ‘ten minste’ toe te voegen in de onderzoeksvraag. Dit voorstel is tevens een bestuurlijk beslissing en wordt daarom bestuurlijk besproken. Keuze I: Harde & zachte belemmeringen Vanuit de groep wordt deze keuze als logisch opgevat. Er worden geen opmerkingen gemaakt die aanleiding geven tot het wijzigen van deze keuze. Keuze II: Definitie windparken De definitie is helder voor de deelnemers. Aan de criteria voor ontwikkelen van alternatieven voor windenergie in het planMER wordt toegevoegd: uitbreiding van bestaande windparken gebeurt in de praktijk vaak alleen met windturbines met dezelfde hoogte om een rommelig beeld (beeldinterferentie) te voorkomen.
Het zou goed zijn om op projectniveau ook te kijken naar de mogelijkheden voor het toevoegen van grotere turbines, of herontwikkeling van het totale (deels verouderde) windpark; repowering. Keuze III: Definitie zonneparken Er is een gesprek over of de criteria “Oost-West oriëntatie” of “Zuidoriëntatie” niet algemener kan. Bijvoorbeeld door het aanhouden van het algemene principe: 2 MW per 3 ha. Dit is akkoord en wordt aangepast in de NRD. Multifunctionele functie wordt als belangrijk gezien. Keuze IV: Waterkracht De keuze is logisch volgens de deelnemers. Er worden geen opmerkingen gemaakt die aanleiding geven tot het wijzigen van deze keuze.
Keuze V: Warmte De keuze rondom warmte is helder. Uit de groep komt het geluid dat biomassa geen geprefeerde warmteoplossing is. Keuze VI - Netinfrastructuur De keuze voor formulering over netinfrastructuur is logisch. De oproep wordt gedaan om archeologie mee te nemen. Dit wordt al meegenomen in het planMER. Voor cultuurhistorie gaat het om de invloed van een ingreep op cultuurhistorische waarden (historische geografie en historische bouwkunde). Voor archeologie gaat het bij een ingreep om de mogelijke aantasting van bekende en verwachte archeologische waarden. Keuze VII - Alternatieven De alternatieven zijn in de vorige omgevingsdialoog ook besproken en daarmee bekend voor de deelnemers. De deelnemers worden meegenomen in welke criteria, voortkomend uit de omgevingsdialogen, worden meegenomen in de alternatieven Natuur, Landschap, Leefomgeving en Energiesysteem. Uit de groep kwam de vraag of de alternatieven ook tegen elkaar worden gewogen. Hierop werd geantwoord dat dit niet het geval is. De alternatieven geven inzicht in de hoeken van het speelveld. Een andere vraag uit de groep betreft stiltegebieden en of deze zijn opgenomen in een alternatief. Deze zijn opgenomen in het alternatief leefomgeving. Keuze VIII - Overbruggingsregeling De keuze voor de overbruggingsregeling is logisch en het gesprek geeft geen aanleiding tot wijzigingen. Er volgen twee opmerkingen.
De eerste betreft het meenemen van lichthinder van turbineverlichting. Er wordt gekeken of en hoe dit mee wordt genomen in de tekst van de NRD. De tweede opmerking betreft de overgang naar de omgevingswet en het toevoegen van een korte toelichting hierop in de NRD. Hiervoor zal een tekstblok met uitleg worden opgenomen. Planning planMER en zienswijze De beoogde planning voor de planMER wordt gepresenteerd en geeft een doorkijk naar het traject van de RES 2.0. Hierin staan ook twee omgevingsdialogen gepland. De exacte invulling hiervan is nog niet bekend. Ter inventarisatie wordt bij de groep gepeild hoe ze aankijken tegen gemixte bijeenkomsten tussen regionale stakeholders en ambtenaren uit de regio. Uit de groep komt dat men dit een interessante samenstelling vindt. Ook wordt geopperd om een bijeenkomst te organiseren tussen regionale stakeholders en bestuurders. Deze optie wordt ter overweging meegenomen. Vanaf de week van 24 oktober wordt de NRD gepubliceerd en heeft eenieder de mogelijkheid tot het geven van een zienswijze tot 23 december. Afsluiting Dimitri Horsthuis-Tangelder sluit te avond af met een mooie reflectie van wat hij heeft gehoord aan de tafels en dankt de deelnemers voor hun tijd en input.
Via Invoegen | Koptekst
PlanMER RES Groene Metropoolregio Raadsavonden 5 en 8 september 2022 Informerend
7-9-2022
1
Programma
• Welkom en introductie – Dimitri Horsthuis-Tangelder, Bestuurlijk Opdrachtgever RES
• Aanleiding en context – Lenny Putman, Procesregisseur RES • PlanMER RES – Rien Ramerman, Projectleider Energie & Ruimte, waaronder PlanMER • Informatie planMER: inhoud, proces, aanleiding en uitgangspunten • Centrale onderzoeksvraag in het planMER • Belangrijkste punten in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) • Voorgesteld alternatievenonderzoek • Zienswijzen op de NRD • Planning en vervolg
• Vragen | stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl 9/7/2022
2
Aanleiding en context
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
3
Regionale Energiestrategie (RES) • Opgave: elektriciteit opwekking en warmtewinning met infrastructuur (doelen behalen klimaatakkoord en GEA voor 2030)
• Samenwerking als één overheid vanuit de opgave binnen het huis van Thorbecke • Nationaal (EZK + BZK, VNG + IPO + Unie van Waterschappen) • 30 RES regio’s: gemeenten, provincie, waterschappen en netbeheerder
• Regiovorming en bod als proces van onderop
RES loopt via Bestuurlijke Platforms, Colleges en Raden (niet via AB GMR)
• Regio bepaalt zelf de regio • Regio bepaalt zelf hoeveel duurzame elektriciteit (bod RES 1.0) op basis van afwegingskader • Relatief sterke positie gemeenten (t.o.v. bevoegdheden) en daarmee lokaal sterker betrokkenheid stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
4
Regionale Energiestrategie (RES)
Uw raad heeft de volgende stappen gezet: • Startnotitie RES vastgesteld (najaar 2019) • Concept bod RES vastgesteld (najaar 2020) • Definitief bod RES – RES 1.0 vastgesteld (voor de zomer 2021)
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
5
RES 1.0 Groene Metropoolregio
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
7-9-2022
6
PlanMER een van de puzzelstukjes voor het gesprek over de RES 2.0
Afwegingskader RES 1.0
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
PlanMER een van de puzzelstukjes voor het gesprek over de RES 2.0
Herijkt RES 2.0 NRD
2022
PlanMER
2023
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
2024
2025
2030
9/8/2022
8
Borgen in het omgevingsbeleid
vergunning/ algemene regels Borging in omgevingsbeleid (visie/ verordening/plan/programma)
NRD
2022
Max half jaar + 6 weken
PlanMER
2023
2024
Monitor RES stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
2025
2030
Herijkt RES 2.0 9/8/2022
9
PlanMER Inhoud, proces, aanleiding en uitgangspunten
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
10
Wat is een Plan-MER?
• Onderzoek naar de milieueffecten (natuur, landschap, leefomgevingskwaliteit) van de RES (windenergie, zonne-energie, infrastructuur en warmte) en naar de alternatieven om invulling te geven aan het RES 1.0 bod. • Resultaat: een onderzoeksrapport. Dat u als gemeenteraad en provinciale staten inzicht geeft in de milieueffecten van duurzame energieprojecten en in alternatieve keuzes. • Wat kunt u ermee? Het stelt u in staat om milieu een plaats in de afwegingen te geven. En u kunt verantwoorden hoe u het afgewogen heeft.
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
7-9-2022
11
Wat is het PlanMER proces?
2 stappen Notitie Reikwijdte en Detailniveau Opdracht en kaders voor het onderzoek. Wat is het doel van het onderzoek, wat onderzoeken we (welke milieueffecten), hoe gaan we dat onderzoeken en wie wordt daarbij betrokken.
PlanMER – het onderzoek
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
7-9-2022
12
Waarom NU een planMER RES?
1. Windbeleid provincie laat meer ruimte voor windinitiatieven dan de RES afspraken. Dat geeft ongemak bij initiatieven buiten de RES gebieden. Het planMER helpt de onderbouwing van de provincie en als afweging op de RES tafel 2. PlanMER versterkt de juridische onderbouwing van wind/zon projecten gemeenten (onderbouwing omgevingsvergunningen). Blijkt uit voortoets commissie MER 3. Nieuw: planMER verplicht voor RES 2.0 onder de nieuwe omgevingswet
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
13
Uitgangspunten planMER RES • De RES 1.0 is het uitgangspunt • Geen dubbelwerk: we maken gebruik van eerdere project- en planMER’en plus onderzoek van de RES 1.0 • Afstemming met lopende project- en planMER’en
• Het is ook onderdeel van de planMER voor de windvisie provincie (regiodeel) • Balans tussen zorgvuldigheid en snelheid; een gedegen proces met urgentie
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
7-9-2022
14
Welke stappen zijn gezet?
1. Plan van Aanpak planMER (door colleges vastgesteld, raden geïnformeerd) 2. Presentaties Regionale Agendacommissie (31 januari 2022 en 27 juni 2022) 3. Opstellen van de NRD • ambtelijke werkateliers • omgevingsdialogen met regionaal georganiseerde belanghebbenden • bestuurlijk platform circulaire regio
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
15
Van, voor en door de regio • 3 Omgevingsdialogen Regionaal Belanghebbenden N • Zienswijzeronde voor eenieder R D • Digitale Informatieavond eenieder
• Infographic NRD • Publicatie NRD en kennisgeving PlanMER
Regionaal georganiseerde partijen namens achterban Een handgreep*: - Natuur en Milieu Gelderland - Belangenvereniging voor omwonenden windturbines - Vertegenwoordiging van energiecoöperaties uit de regio - LTO - GGD
P l • 2 omgevingsdialogen Regionale a Belanghebbenden n M • Zienswijzeronde op moederbesluit PlanMER (RES 2.0 en herijking provinciale windvisie) E R
* Volledig lijst is bijgevoegd als bijlage bij NRD
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
16
PlanMER | Inhoud Notitie Rijkweidte en Detailniveau (NRD) Let op: het gaat hier om een ambtelijk concept
De inhoud ligt voor op het BPCR van 21-09 en gaat dan naar colleges / GS
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
17
Centrale vraag PlanMER (1) De vraag die we in het PlanMER willen beantwoorden:
Welke gebieden zijn vanuit milieueffecten geschikt, geschikt te maken, of ongeschikt voor de ontwikkeling van de 1,62 TWh* duurzame elektriciteitsambitie, regionale warmtebronnen en de benodigde energie-infrastructuur binnen de Groene Metropoolregio … … en hoe kan dit - naast de referentie RES 1.0 - worden ingevuld aan de hand van vier thematische alternatieven? De termen geschikt, geschikt te maken en ongeschikt definiëren we als volgt: Geschikt:
gebieden zonder milieubelemmeringen
Geschikt te maken: gebieden met zachte milieubelemmeringen Ongeschikt:
gebieden met harde milieubelemmeringen
* Het aandeel zon-op-dak van 0,49 TWh wordt in het planMER niet getoetst op milieueffecten
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
18
Centrale vraag PlanMER (2) Eindbeeld: •
Kaarten met gebieden voor de mogelijke ontwikkeling van zon, wind en warmtebronnen binnen de regio
•
De RES 1.0 en vier uitgewerkte thematische alternatieven om de ambitie aan duurzame elektriciteit op te wekken binnen de regio
Geen onderdeel van het eindbeeld: •
Eén voorkeursalternatief
•
Een lijst met gebieden op volgorde van meest geschikt tot minst geschikt
Het planMER vormt vanuit milieueffecten een objectieve basis voor het gesprek over actualisatie van de RES 1.0 en de vraag hoe om te gaan met initiatieven binnen de geschikte en geschikt te maken gebieden.
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
19
NRD: harde & zachte belemmeringen Harde milieubelemmeringen bepalen dat een gebied ongeschikt is:
Fysieke objecten, wetgeving
Zachte milieubelemmeringen bepalen dat een gebied geschikt te maken is:
Lokaal/regionaal beleid
Een vijftal milieubelemmeringen kunnen als hard of als zacht worden gedefinieerd. We stellen voor om deze belemmeringen in het planMER als volgt te definiëren: Wind
Zon
•
Wespendief, 1 km zone:
hard
zacht
1%-norm maakt windontwikkelingen juridisch onhaalbaar
•
Wespendief, 1-8 km zone:
zacht
zacht
via mitigerende maatregelen zijn ontwikkelingen mogelijk
•
Weidevogelgebieden:
hard
hard
Wro schrijft een zorgplicht voor die ontwikkelingen verbiedt
•
Wintergans rustgebieden:
zacht
zacht
onder voorwaarden zijn ontwikkelingen mogelijk
•
Gelders Natuurnetwerk / Natura 2000: zacht
zacht
alternatieve locaties geven de doorslag, maar dit kan gaan schuiven
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
20
NRD: definitie windparken Afspraak RES 1.0: clusteren van windturbines en ‘confetti’ in het landschap voorkomen. In de regio worden wel meerdere windprojecten met twee turbines gerealiseerd.
We kijken in het planMER naar locaties voor twee windturbines of meer. Dit ligt in lijn met het voorgenomen planMER van de provincie om haar windvisie de herijken. We onderzoeken de mogelijkheden voor windenergie aan de hand van een bandbreedte: twee typen windturbines • Operationele windturbines: 3,6 MW met een ashoogte van 120 meter en een rotordiameter van 117 meter • Nieuwe windturbines:
7,0 MW met een ashoogte van 166 meter en een rotordiameter van 160 meter
Kleinere turbines zijn financieel niet langer rendabel (de SDE-subsidie is vervallen). 7,0 MW windturbines vormen op land de bovengrens. De combinatie van beide typen turbines geeft een goed beeld van de brandbreedte aan mogelijkheden.
3,6 MW Turbine
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
7,0 MW Turbine 9/7/2022
21
NRD: definitie zonnevelden In de RES 1.0 zijn zonneparken met een vermogen groter dan 2,0 MW het uitgangspunt. We onderzoeken: • Multifunctionele zonnevelden: een zonneveld gecombineerd met andere functies. Dit sluit aan bij de afspraak over koppelkansen en dubbel ruimtegebruik in de RES 1.0 en de zonnebrief van Minister Jetten.
• Per MW een bandbreedte aan ruimtebeslag: ➢ Intensief multifunctioneel: 1 MW = 1,0 hectare, dit sluit aan bij huidige zonprojecten ➢ Extensief multifunctioneel: 1 MW = 1,5 hectare, dit biedt ruimte voor meer combinatie van functies
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
22
NRD: waterkracht In de RES 1.0 is 0,04 TWh uit waterkracht voorzien. De ontwikkeling van waterkracht kent aanzienlijke milieueffecten, bijvoorbeeld rond vissterfte. Tegelijkertijd zijn die milieueffecten zeer projectgebonden. Het detailniveau van het planMER leent zich niet voor een milieuanalyse van waterkracht. Deze milieuanalyse kan wel plaatsvinden als zich een project voor waterkracht aandient (projectMER).
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
23
NRD: warmte Voor warmteprojecten geldt dat ze gekoppeld zijn aan specifieke locaties (bronnen). Milieueffecten zijn daardoor lokaal, op projectniveau. Die milieuinformatie is te specifiek en te lokaal om te beoordelen in een planMER. We doen per type warmtebron een milieuanalyse op hoofdlijnen: Geschikt:
gebieden zonder bekende milieubelemmeringen
Geschikt te maken: gebieden die vanuit milieuoogpunt bij voorkeur vermeden worden Ongeschikt:
gebieden die vanuit milieuoogpunt een risico vormen voor de uitvoerbaarheid
Warmtebronnen Geothermie
Aquathermie WKO’s Biomassa stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
24
NRD: netinfrastructuur Voor netinfrastructuur geldt dat er enkel milieueffecten optreden bij hoogspanningsnetwerken. Het aansluiten van wind- en zonneparken gebeurt ondergronds en heeft enkel tijdelijke milieueffecten (bijvoorbeeld door graafwerkzaamheden). De milieueffecten van nieuwe netinfrastructuur zijn op planMER-niveau niet noemenswaardig Die conclusie nemen we op in het planMER
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
25
NRD: overbruggingsregeling wind Nevele-arrest: rechter oordeelt dat de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling ontoereikend is als milieubeoordeling voor windturbines. Het gevolg: ook in Nederland zijn de windturbinenormen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling buiten werking tot een milieubeoordeling is gemaakt. Die milieubeoordeling volgt waarschijnlijk in 2023. Wat we weten:
• Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat deze normen veranderen na de milieubeoordeling • Daarnaast is er geen wettelijke basis om nieuwe of andere normen te introduceren In het planMER blijven we daarom bij de normen uit het Activiteitenbesluit: • Geluid: toetsen aan de geluidsnormen Lden 47 dB en Lnight 41 dB. • Slagschaduw: toetsen aan slagschaduwgevoelige bestemmingen gedefinieerd in het Activiteitenbesluit (zoals woningen). • Veiligheid: toetsen aan de plaatsgebonden risicocontouren van PR10-5 (beperkt kwetsbare objecten) en PR10-6 (kwetsbare objecten).
Wel: de impact van strengere normen onderzoeken in het alternatief leefomgeving Plus: expliciete adviesvraag aan de commissie m.e.r. op de NRD: wat adviseren jullie in deze? stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
26
Alternatievenonderzoek (1) Naast het referentiealternatief RES 1.0 onderzoeken we vier alternatieven voor de invulling van de duurzame elektriciteitsopwek: •
Natuur: de ontwikkeling van zon en wind binnen de Groene Metropoolregio met maximale aandacht voor natuurwaarden.
•
Landschap: de ontwikkeling van zon en wind binnen de Groene Metropoolregio met maximale aandacht voor landschappelijke waarden.
•
Leefomgeving: de ontwikkeling van zon en wind binnen de Groene Metropoolregio met maximale aandacht voor de leefomgeving.
•
Energiesysteem: de ontwikkeling van zon en wind binnen de Groene Metropoolregio met maximale aandacht voor het energiesysteem.
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
27
Alternatievenonderzoek (2) Natuur
Landschap
Leefomgeving
Energiesysteem
Natuurdoelen expliciet meenemen Alleen lijnen versterken die het in het planMER: landschap benadrukken - Vogelrichtlijn - Habitatrichtlijn - Natura 2000 - GNN + Duitsland
Strengere normen voor gezondheid Gebieden beoordelen op inpassing op & veiligheid het huidige (en toekomstige) elektriciteitsnet
Geen wind in Gebieden langs snelwegen en wintergansrustgebieden en Gelders nabijgelegen bedrijventerreinen Natuurnetwerk (GNN) benutten voor grootschalige opwek
Geen wind in stiltegebieden
Zon en windenergie op dezelfde aansluiting (cable pooling)
Wegblijven bij vogel- en vleermuisrijke gebieden
Opeenstapeling van hinder
Optimale verdeling wind/zon bezien vanuit het elektricteitsnet
Clustering van duurzame energie
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
28
Indienen van zienswijzen In de week van 24 oktober wordt de NRD gepubliceerd en vrijgegeven voor zienswijzen. Dat gebeurt via 17 kanalen: door de 16 gemeenten en door de provincie. Een kennisgeving gaat uit via de lokale weekbladen. Iedereen heeft dan tot 23 december de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen op de NRD. Gemeenten en provincie geven aan op welke manier zienswijzen kunnen worden ingediend. De regio ontvangt de zienswijzen en coördineert (op ambtelijk niveau) de reacties: gelijke zienswijzen kunnen zo gelijk worden beantwoord. De beantwoording vindt plaats via de gemeente/provincie waar een zienswijze is ingediend.
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
29
RES 2.0
PlanMER
NRD
Planning en vervolg Wanneer
Wie
Wat
Sep/Okt:
Gemeenten/Provincie
NRD bespreken, voorbereiden kennisgeving/publicatie
Week van 24 oktober:
Gemeenten/Provincie
Start zienswijzeperiode NRD
Nov/Dec:
Eenieder/raden/PS
Indienen van zienswijzen
23 december:
Gemeenten/Provincie
Sluiting zienswijzeperiode
Januari:
Regio/Witteveen+Bos
Zienswijzenota voorbereiden / zienswijzen verwerken
Feb/Mrt:
Colleges/GS
Vaststellen NRD en zienswijzenota
Q1/Q2 2023:
Regio/Witteveen+Bos
Twee dialogen planMER
Q2 2023:
Regio/Witteveen+Bos
Concept-planMER
Q3/Q4 2023:
Regio
RES 2.0 proces, planMER als basis
Q4 2023:
Gemeenten/Provincie
Ambtelijk concept RES 2.0
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
30
Contactgegevens Heb je vragen of suggesties voor ons? Neem dan gerust contact op.
Rien Ramerman | Projectleider PlanMER
rien.ramerman@groenemetropoolregio.nl | 06 – 5386 3724
Lenny Putman | Procesregisseur RES 2.0 lenny.putman@groenemetropoolregio.nl | 06 – 2362 5257
stuur je vragen naar res@groenemetropoolregio.nl
9/7/2022
31
Vragen en Antwoorden bij de raadswebinars PlanMER RES | 5 en 9 september 2022 Vraag I Zijn de gebruikte slides later voor ons beschikbaar? Worden ook windalternatieven als de Windcatcher bekeken, als alternatief op de klassieke drie blads turbines? Bedankt voor de sessie Waar vind ik de slides? Enig inzicht in hoeveel mensen hebben deelgenomen? Antwoord: De slides zijn vanaf vrijdag 9/9 beschikbaar via ibabs. Windalternatieven als de windcatcher worden niet bekeken in het planMER. Het uitgangspunt zijn windconcepten die op land voor 1 januari 2025 vergund kunnen worden. We verwachten daar een realistische inschatting van te geven door de milieueffecten te onderzoeken voor drieblads-windturbines met een bandbreedte van minimaal 3,6 MW en maximaal 7,0 MW. Op maandag hebben 15 personen deelgenomen aan de sessie en hebben 8 personen de presentatie later teruggekeken. Op donderdag hebben 17 personen deelgenomen aan de sessie en hebben 2 personen de presentatie later teruggekeken. 42 geregistreerde deelnemers in totaal.
Vraag II Hoe kan het dat initiatieven die worden genomen op wind ongemak geeft bij de REAS tafel. Immers onder het adagium “alle beetjes helpen’’ kan dat als contraproductief worden gezien. Effect van alle daarvoor geschikte daken van zonnepanelen voorzien, wordt niet onderzocht op z’n effect van de 1,62 Tw. Er wordt nu uitgegaan van 0,49 Tw, vraag is of het niet in de PlanMER hoort wat het effect zou zijn als alle daarvoor geschikte daken productief zijn voor zonne-energie. Door het hanteren van de 1 km zon voor de Veluwe met de Wespendief, wordt er de facto voorgesorteerd op windmolens in het rivierengebied buiten de weidevogelgebieden. De uitkomst kan ik met die gegevens al uittekenen. Vraag is hoe nuttig is dan de PlanMER nog. Antwoord: Windinitiatieven leveren op de RES tafel op zichzelf geen ongemak op. Er ontstaat bestuurlijk ongemak op het moment dat windinitiatieven zich bij de provincie aandienen buiten de vastgestelde zoekgebieden in de RES 1.0. Dit ongemak ontstaat op dit moment omdat het windbeleid van de provincie meer ruimte laat voor windenergie dan de RES zoekgebieden en projecten. In de RES 1.0 is afgesproken dat nieuwe windinitiatieven buiten de RES zoekgebieden op de RES tafel besproken worden.
De provincie heeft een windladder vastgesteld waarmee zij aangeeft ook de windinitiatieven die zich bij de provincie aandienen op de RES tafel te zullen bespreken en werkt aan de aanpassing van de windvisie. De planMER helpt dadelijk het gesprek te voeren over nieuwe initiatieven die zich aandienen.
De ontwikkeling van zon-op-dak kent geen milieueffecten die op planMER niveau relevant zijn. Een onderzoek naar de potentie van zon op alle daarvoor geschikte daken in de regio, is een ander onderzoek Het feit dat binnen 1 km van de Veluwe en in weidevogelgebieden geen windturbines kunnen worden gerealiseerd, zijn wezenlijke (eerste) uitkomsten van het planMER onderzoek en onderstrepen in die zin het nut ervan. Dit wordt straks aangevuld met onderzoeken naar de milieueffecten van de verschillende alternatieven, waarbij meer dan alleen de wespendief en de weidevogelgebieden worden onderzocht. Hiermee brengen we in beeld welke gebieden geschikt, geschikt te maken zijn en niet geschikt zijn voor grootschalige opwek van elektriciteit en (op hoofdlijnen) voor warmtebronnen.
Vraag III Is er een overzicht van wat harde belemmeringen en zachte belemmeringen zijn? Dank. Ik ben vooral op zoek naar ook wat je kunt zien als grijs. Als er bijvoorbeeld iets als hard wordt genoemd in bepaalde onderzoeken, maar nog niet als dusdanig in de wet is verwerkt, hoe ga je daar dan mee om? Ik moet dan denken aan laag frequent geluid waarover eerder aandacht was in de media en vanuit tno, maar toen nog geen norm of regel voor was. Is de uitspraak van de rvs en het feit dat er nu geen normen zijn, een risico voor het behalen van de opwekdoelstellingen komende jaren? Liggen projecten stil hierdoor? Worden er naast publicatie in dagbladen, meer acties ondernomen om mensen op te roepen tot zienswijze? En daarmee mogelijk meer betrokkenheid creeeren? Antwoord: Een overzicht van harde- en zachte belemmeringen wordt opgenomen in de Notitie reikwijdte en detailniveau. De ‘grijze’ gebieden waar u naar verwijst betreffen (voor wind) de vijf typen belemmeringen die tijdens de webinar zijn besproken, met daarbij een beschrijving van hoe hiermee wordt omgegaan. Laagfrequent geluid is een zorg die vaker naar voren komt bij windparkontwikkelingen. Dit type geluid is vaak al verdisconteert in de geluidsnorm van 47 dB uit het Activiteitenbesluit. Dit is een van de normen waarop in het planMER wordt getoetst.
Op dit moment geldt dat er op projectniveau momenteel extra onderzoek nodig. Het is aan gemeenten en initiatiefnemers om zelf passende normen te bepalen en deze te onderbouwen. Dat vraagt wat extra onderzoekslast in projecten, maar projecten liggen hierdoor niet stil. Een voorbeeld is het windpark in Beuningen, waar eigen passende normen zijn ontwikkeld. Naast de publicatie van de kennisgeving in lokale weekbladen, vindt er op 3 november een webinar plaats met bewoners als doelgroep. Ook wordt een infographic bij de NRD gevoegd om de relatief technische en juridische informatie in de NRD toegankelijker te maken. Het staat gemeenten daarnaast vrij om ook zelf extra acties te ondernemen om op te roepen tot zienswijzen.
Vraag IV Goedenavond, Dank voor de presentatie tot dusver. Wat de RES 2.0 betreft heb ik de volgende vraag. Als deze niet of niet volledig beantwoord kunnen worden binnen de presentatie, heb ik daarvoor alle begrip. Bij de RES 1.0 (de basis voor de RES 2.0) heeft energieopslag geen aanzienlijke rol gespeeld; Om een stabiele stroomvoorziening te realiseren voor de maatschappij, is het noodzakelijk dat er zowel voorzien kan worden in de basislast op het electriciteitsnet als in de pieklast die met name in de avond plaats vindt. De variabiliteit van wind en zonne-energie maakt dat zij in het dragen van deze twee lasten op het electriciteitsnet, ondersteund moeten worden met een aanvullende energiebron die op afroep kan worden ingeschakeld, als hun energie-aanbod tijdelijk niet aan de vraag naar stroom kan voldoen. Deze aanvullende energiebron kan worden gerealiseerd middels piek centrales draaiend op fossiele brandstof, maar ook vanuit een energieopslag geladen met eerder opgewekte wind en zonne-energie. Aardgas is met het oog op recente ontwikkelingen, geen houdbare methode meer om te voorzien in een dergelijke aanvullende energiebron. Waarom lijkt er weinig tot geen aandacht te zijn binnen de RES 2.0, voor het enige duurzame alternatief? Antwoord: De RES 2.0 zal zich richten op duurzame elektriciteitsopwekking, warmte en bijbehorende infrastructuur.
Nu de RES 1.0 is vastgesteld ligt de focus op: • Het borgen van de RES in het omgevingsbeleid – o.a. door het onderbouwen van de RES 1.0 en de regionale energieopgave met een milieueffectonderzoek: het planMER, het verder uitwerken van de zoekgebieden en het vergunnen en realiseren van projectenen • Het verder uitwerken van de regionale structuur warmte: de RSW die in RES 1.0 is benoemd. • Integraal programmeren van de infrastructuur. Bij het integraal programmeren gaat het o.a. over programmeren en prioriteren van nieuwe energieverbruikers en opwekkers en over oplossingen zoals opslag • Monitoring van de voortgang. Binnen het planMER wordt op hoofdlijnen onderzocht waar duurzame warmtebronnen als geothermie, aquathermie, WKO’s en biomassa mogelijk zijn. De opslag en conversie van energie kent milieueffecten op projectniveau, waardoor het in dit milieueffectonderzoek niet wordt meegenomen. In het uitwerken van de regionale structuur warmte, zullen opslag en conversie van energie wel worden meegenomen. Het is ook onderdeel van integraal programmeren.
Vraag V Geachte heer/mevrouw, Graag zou ik n.a.v. de presentatie een vraag stellen: Er werd gesproken over zogenaamde "harde & zachte milieubelemmeringen". Er werd aangegeven dat v.w.b. GNN en Natura 2000 die belemmeringen "zacht" zijn, enerzijds vanwege alternatieve locaties die de doorslag kunnen geven, maar ook dat "dit kan gaan schuiven". Ik vroeg me af of met alternatieven de A van de ADC-toets wordt bedoeld? En wat wordt bedoeld met "schuiven"? Wat gaat er precies schuiven als gevolg waarvan?
Geachte heer/mevrouw, Er schoot mij nog een vraag te binnen: wordt bij de inrichting van grootschalige zonnevelden alleen getoetst aan functiecombinaties of ook aan de mate waarin of welke typen harde structuren rond/nabij een zonnepark worden toegepast in de inrichting (denk aan type hekken). Antwoord: Voor Natura 200 gebied wordt met alternatieven wordt inderdaad de A van de ADC-toets bedoeld. Voor GNN is in de provinciale verordening een beperktere alternatieventoets bedoeld (zie onder andere toelichting artikel 1a.3). Op dit moment is het lastig om projecten in GNN en Natura 2000 gebieden te vergunnen vanwege het feit dat er alternatieven en alternatieve locaties beter geschikt zijn. Over tijd kan het zo zijn dat die alternatieven-toets anders uitvalt en dat alternatieven en alternatieve locaties niet langer beter geschikt zijn. Dat wordt bedoeld met ‘dit kan gaan schuiven’ en het bepaalt waarom deze gebieden als zachte belemmeringen worden opgenomen: het is lastig om hier projecten te vergunnen, maar daarmee niet geheel uitgesloten (en dus als zachte belemmering toegepast). Bij grootschalige zonnevelden wordt inderdaad getoetst op de combinatie met andere functies. Er wordt niet getoetst op typen harde structuren rond/nabij een zonnepark. Dat detailniveau past niet bij een regionaal milieueffectonderzoek.
Evengoed zal hier op projectniveau aandacht voor moeten zijn bij de vergunningverlening.
Vraag VI Beste presenteerders, onderzoekers, 1. Waarom komt er geen 5e alternatief: nl het optimale alternatief, wat een compilatie zou kunnen zijn van de beste elementen uit de 4 alternatieven/varianten/hoeken van het speelveld (het meest milieu enz. vriendelijke alternatief)? 2. Hoe zit het met de wanverhouding tussen zon en wind en wordt er in de Reikwijdte en Detailniveau nog een poging gedaan om deze wanverhouding enigszins recht te trekken? Antwoord: In het planMER verkennen we ‘de hoeken van het speelveld’. Vanuit natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem wordt op die manier duidelijk wat – qua milieueffecten – goede en minder goede gebieden zijn voor de ontwikkeling van wind- en zonprojecten. Deze inzichten dienen als basis voor het gesprek over de RES 2.0. Je zou kunnen stellen dat er in het RES 2.0 proces wordt toegewerkt naar deze optimale variant. In dat gesprek kunnen ook andere zaken dan sec de milieueffecten worden meegenomen en kan breder worden gekeken dan de technisch-objectieve benadering die centraal staat in het planMER. De ‘wanverhouding’ tussen zon en wind is een van de aanleidingen voor het planMER en staat ook als zodanig benoemd in de NRD. Feit blijft wel dat het planMER enkel analyseert. Er is dus geen sprake van een beleidsdocument en er gaat zodoende ook geen poging vanuit om de wanverhouding recht te trekken.