22-07-12.16 Relevant stuk 1, Toelichting en regels bestemmingsplan
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a Gemeente Overbetuwe Status:
Ontwerp
Datum:
Mei 2022
IMRO-Idn: NL.IMRO.1734.0373ZTTNwoutrplast-ONTD
Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Datum Mei 2022
Correspondentieadres Postbus 11 6662 AA ELST
Telefoon 0481 362 300
E-Mailadres info@overbetuwe.nl
Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Inhoudsopgave
Toelichting
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging en globale begrenzing plangebied 1.3 Huidig bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 4 5
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
6
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
8
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Rijksbeleid 4.2 Provinciaal en regionaal beleid 4.3 Gemeentelijk beleid
9 9 10 11
Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten 5.1 Milieueffectrapportage 5.2 Geluid 5.3 Luchtkwaliteit 5.4 Bedrijven en milieuzonering 5.5 Geurhinder 5.6 Bodem 5.7 Externe veiligheid 5.8 Explosieven 5.9 Kabels en leidingen 5.10 Waterparagraaf 5.11 Flora en fauna 5.12 Archeologie en cultuurhistorie 5.13 Verkeer en parkeren
13 13 13 14 14 15 16 16 19 19 19 21 23 24
Hoofdstuk 6 Juridische planopzet 6.1 Algemene opzet 6.2 Toelichting op de verbeelding en regels
25 25 25
Hoofdstuk 7
Financiële toelichting
28
Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Inleiding 8.2 Inspraak 8.3 Overleg 8.4 Vaststellingsprocedure 8.5 Beroep
29 29 29 29 29 29
2
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De initiatiefnemer wil op het perceel Wouterplasstraat 2-2a vier sociale seniorenwoningen realiseren. De bestaande leegstaande bebouwing, waarin voorheen een peuterspeelzaal en een duivensportvereniging waren gevestigd, wordt gesloopt om deze ontwikkeling mogelijk te maken. Het plan voorziet ook in parkeervoorzieningen ten dienste van de woningen en in groen. Het huidige bestemmingsplan op deze locatie maakt het oprichten van nieuwe woningen niet mogelijk. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk. Dit bestemmingsplan 'Zetten, Wouterplasstraat 2-2a' maakt het oprichten van vier nieuwe sociale woningen met bijbehorende percelen en voorzieningen mogelijk en geeft een nieuw bouw- en gebruikskader voor het plangebied.
1.2
Ligging en globale begrenzing plangebied
Het plangebied beslaat het perceel Wouterplasstraat 2-2a te Zetten. Dit perceel ligt in de kern Zetten, circa 50 meter ten westen van het dorpscentrum. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen aanwezig. De ligging van het plangebied is in figuur 1.1 weergegeven.
Figuur 1.1: ligging van het plangebied (bron: Bing Maps) Het plangebied wordt begrensd door de woonpercelen Hessenbergstraat 22 en Marijkestraat 1 aan de noordzijde, de Marijkestraat aan de oostzijde, de Wouterplasstraat aan de zuidzijde en de Hessenbergstraat aan de westzijde. Het plangebied ligt op de kop van twee linten met woningen aan de Hessenbergstraat en de Marijkestraat.
(ontwerp)
3
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Figuur 1.2: indicatieve begrenzing van het plangebied (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Huidig bestemmingsplan
In het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen', dat op 24 oktober 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad. Een uitsnede van deze verbeelding, met de begrenzing van het plangebied in rood kader, is weergegeven op figuur 1.3.
Figuur 1.3: uitsnede bestemmingsplan 'Zetten-Hemmen', met het plangebied in rood kader weergegeven (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
4
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a In het plangebied geldt momenteel de bestemming 'Gemengd - 1'. De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor bedrijven in milieucategorie 1 en 2, culturele voorzieningen, dienstverlening, kantoren, maatschappelijke voorzieningen, sportvoorzieningen, verkeer en verblijf en maximaal één woning. Er is één bouwvlak opgenomen rondom het bestaande gebouw. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht. In een deel van het plangebied gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Het oprichten van meer dan één woning is binnen de bestemming 'Gemengd - 1' niet toegestaan. Daarnaast worden de beoogde nieuwe woningen grotendeels buiten het bouwvlak voorzien. Het initiatief is daarom ruimtelijk en functioneel niet mogelijk binnen de kaders van het huidige bestemmingsplan. Daarom is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd. Na dit inleidende hoofdstuk, worden in hoofdstukken 2 en 3 respectievelijk de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het voor dit plan van toepassing zijnde rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 5 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Daarmee wordt inzichtelijk gemaakt of de ontwikkeling in ruimtelijk en milieuhygiënisch opzicht aanvaardbaar en haalbaar is en voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. In hoofdstuk 6 is de juridische planopzet beschreven. In hoofdstuk 7 is de financiële toelichting opgenomen. Ten slotte is in hoofdstuk 8 de bij de totstandkoming van het bestemmingsplan gevolgde procedure beschreven.
(ontwerp)
5
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Hoofdstuk 2
Bestaande situatie
Het plangebied bestaat uit het perceel Wouterplasstraat 2-2a te Zetten en is kadastraal bekend als gemeente Zetten, sectie B, perceelnummer 2125. Het heeft een oppervlakte van 1.350 m². Op het perceel is één gebouw aanwezig, dat uit één bouwlaag bestaat. Het gebouw betreft een voormalige basisschool (zie figuur 2.1), waarin meest recent een peuterspeelzaal en een duivensportvereniging waren gevestigd. Rondom het gebouw waren voorheen speelvoorzieningen aanwezig, maar deze gronden liggen nu braak. Aan de voorzijde van het perceel zijn enkele bomen aanwezig. Het westelijk deel van het perceel is ingericht als parkeerterrein. De bebouwing staat inmiddels leeg. Figuur 2.2 geeft een indruk van de huidige situatie in het plangebied.
Figuur 2.1: straatbeeld van het plangebied uit 2009 vanaf de Wouterplasstraat, met gebruik als basisschool (bron: Google Streetview)
6
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Figuur 2.2: huidige situatie in het plangebied, bezien vanuit zuid- en zuidwestkant (bron: Econsultancy)
(ontwerp)
7
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Hoofdstuk 3
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer, Woonstichting Valburg, wil de bestaande bebouwing slopen, het terrein herinrichten en aan de Wouterplasstraat vier sociale seniorenwoningen realiseren. Hiermee kan de woonstichting geschikte woningen bouwen voor een belangrijke doelgroep met een grote woningbehoefte. De woningen worden aaneengebouwd gerealiseerd, evenwijdig aan de Wouterplasstraat. Elke woning beschikt over een voor- en achtertuin. De achtertuinen zijn bereikbaar door middel van een brandgang. Het westelijk deel, dat eigendom is van de gemeente Overbetuwe, blijft als parkeerterrein ingericht. Deze parkeerplaatsen zijn voor zowel bewoners als bezoekers toegankelijk. De bestaande boom op de hoek van de Hessenbergstraat en Wouterplasstraat wordt behouden. Tussen het parkeerterrein en de meest westelijke woning wordt een groenstrook ingericht. Ook aan de oostkant van het plangebied komt een smalle groenstrook, die in eigendom van de gemeente Overbetuwe komt. De toekomstige inrichting van het plangebied is op figuur 3.1 zichtbaar. Het oprichten van woningen op deze plek past ruimte en functioneel bij de omgeving van het plangebied. Door de woningen evenwijdig aan de Wouterplasstraat te realiseren, ontstaat ruimtelijkstedenbouwkundig een logische situatie.
Figuur 3.1: inrichting in de toekomstige situatie
8
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het kader van de invoering van de Omgevingswet (Ow), die nu gepland staat voor oktober 2022 of januari 2023, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2.
duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt niet in de nationale hoofdstructuur en omvat een ontwikkeling van lokaal belang, gezien de aard en beperkte schaalgrootte van het plan. Het plangebied ligt middenin bestaand stedelijk gebied. Er zijn geen nationale belangen, zoals beschreven in de NOVI, in het geding. Het plan is niet in strijd met het nationaal ruimtelijke ordeningsbeleid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van ruimtelijke plannen, voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moeten de regels van het Barro worden gerespecteerd. Beoordeling en conclusie Er is sprake van een lokale, kleinschalige ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen in het geding zijn. Het Barro heeft geen doorwerking naar dit plan.
Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een verplicht motiveringsinstrument, dat moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn (ECLI:NL:RVS:2016:1503). In een ruimtelijk plan moet worden aangegeven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte. Ook moet een motivering worden opgenomen dat de stedelijke ontwikkeling
(ontwerp)
9
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van vier woningen op de plek van een voormalige basisschool. Het toevoegen van vier woningen (feitelijk; in planologisch opzicht worden er drie woningen toegevoegd) is volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op het plan.
4.2
Provinciaal en regionaal beleid
Omgevingsvisie Gelderland Provinciale Staten hebben op 9 juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland (hierna: de Omgevingsvisie) vastgesteld. Daarna zijn nog enkele actualisatieplannen vastgesteld. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn: een duurzame economische structuur(versterking); het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en de kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat, een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Dit betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland. Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan het plan wordt getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor dit plan van belang zijn. Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie.
Omgevingsverordening Gelderland Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de verordening of de Omgevingsverordening) vastgesteld op 24 september 2014. De verordening wordt regelmatig geactualiseerd. In februari 2022 is de meest recente geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening gepubliceerd. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, op delen of op gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften. Beoordeling Het plan betreft de realisatie van vier woningen op een bestaand bouwperceel in de bebouwde kom van Zetten. Er spelen in principe geen provinciale belangen met een dergelijke kleinschalige ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'Intrekgebied'. In een intrekgebied mag geen bestemming mogelijk gemaakt worden, die voorziet in de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas. Dit plan voorziet hier niet in en is dus in overeenstemming met de regels voor de intrekgebieden.
Verder is het thema 'wonen' uit de Omgevingsverordening van belang, omdat er nieuwe woningen worden toegestaan in het plangebied. Nieuwe woonlocaties zijn uitsluitend toegestaan, wanneer dit past in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma en de
10
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a door Gedeputeerde Staten vastgestelde kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio (artikel 2.2.1.1). De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgelegd in de Woonagenda 2020. Hierop wordt in paragraaf 4.3 ingegaan. De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma, dat op regionaal niveau is afgestemd. Bovendien wordt er gebouwd voor een doelgroep met een grote woningbehoefte, namelijk senioren. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in de Omgevingsverordening. Aanvullend is van belang dat de nieuwe woning binnen de bebouwde kom in een woonomgeving wordt gerealiseerd. Hierbij wordt een bestaand bouwperceel benut, dat op dit moment leeg staat en waarvan de bebouwing gedateerd en niet meer geschikt voor hervestiging van stedelijke functies is. Het is een passende locatie om nieuwe woningen te realiseren in een rustige woonomgeving. Dit gebruik sluit aan op de woonomgeving, waarbinnen het plangebied ligt. Het plan voldoet hiermee tevens aan het streven naar een kwalitatief goed en een veilig woonmilieu. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.
4.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad van Overbetuwe de Omgevingsvisie Overbetuwe 2040 (hierna: Omgevingsvisie) vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft de integrale koers en ambities van de gemeente Overbetuwe voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2040 aan. De Omgevingsvisie is er primair op gericht om de kwaliteit van het leefmilieu te behouden en waar mogelijk te versterken. Samenwerking tussen verschillende partijen staat centraal en is noodzakelijk om deze doelen te bereiken. De visie is opgesteld vanuit een brede blik, waarbij ruimtelijke ordening, milieu, economie en bereikbaarheid met elkaar worden verbonden. De gemeente onderscheidt een aantal kernwaarden die als vertrekpunt en inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen dienen. Deze kernwaarden zijn ontstaan in het cultuurhistorisch gegroeide Betuwse rivierenlandschap. Kernwaarden zijn beschreven op het gebied van bodem en landschap, netwerk en infrastructuur en occupatie. De verschillende kernen in de gemeente kennen elk een eigen karakteristieke identiteit en waarden. Deze worden eveneens als leidraad voor nieuwe ontwikkelingen gehanteerd. Behoud van de karakteristiek en (specifieke) kwaliteiten van deze kernen en het buitengebied is een speerpunt in het beleid.
In de Omgevingsvisie wordt de focus gelegd op zes opgaven: Vitaal buitengebied in beweging; Innovatieruimte voor ondernemerschap; Samen werken aan energietransitie; Gevarieerde dorpse woonomgeving; Netwerk verbonden met samenleving; Voorzieningen geclusterd. Per thema wordt de toekomstige ontwikkeling van de Overbetuwse leefomgeving beschreven. Beoordeling Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Zetten. Zetten heeft (samen met Hemmen) circa 5.000 inwoners en heeft qua voorzieningenniveau een subregionale functie. Het plangebied ligt in een woonwijk nabij het dorpscentrum. De voorzieningen, zoals winkels, zijn op korte afstand bereikbaar, terwijl de locatie aan de andere kant in een rustige woonomgeving ligt. Dit maakt het plangebied zeer geschikt om seniorenwoningen te realiseren. De ontwikkeling sluit daarmee aan op de visie en opgaven, zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie.
(ontwerp)
11
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Woonagenda Overbetuwe 2020 In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen, die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning), vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.
Accentpunten zijn: Aandacht voor urgente huisvestingsnood: inzetten op geschikte woningen voor bijzondere doelgroepen; Betaalbaarheid en beschikbaarheid: meer betaalbare huurwoningen beschikbaar; Wijs omgaan met de bestaande woningvoorraad: inzetten op verduurzaming; Een levensloopvriendelijke gemeente: langer thuis wonen en er op uit; Een gezonde woningmarkt in balans: prioriteren én versnellen van onze woningbouwplannen. Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en voor het opvangen van de autonome groei van het aantal huishoudens. Beoordeling en conclusie Met dit bestemmingsplan worden in planologisch opzicht drie woningen aan de bestaand woningvoorraad toegevoegd en in feitelijk opzicht vier woningen. Het toevoegen van slechts enkele woningen past ruimschoots binnen de gemeentelijke kwantitatieve woningbouwopgave, aangezien de benodigde woningbouw voor de periode tot 2025 nog niet gerealiseerd c.q. in planning is. De woningen worden ontwikkeld door de Woonstichting Valburg en zijn bedoeld voor senioren. De woningen zullen bovendien in het sociale segment vallen.
Uit de Woonvisie, maar ook uit andere relevant beleidsstukken op regionaal niveau, blijkt dat er in de regio een grote behoefte is aan zowel woningen in het sociale segment als woningen specifiek gericht op en geschikt voor senioren. Het is van groot belang dat binnen afzienbare tijd meer woningen voor deze doelgroep en in dit segment worden gebouwd. Dit plan geeft daar invulling aan. De woningen worden gerealiseerd op een bestaand bouwperceel in een woonomgeving. Het is een geschikte locatie om te wonen. De aanwezigheid van voorzieningen, zoals winkels, op zeer korte afstand maakt de locatie specifiek geschikt voor de beoogde doelgroep senioren. Het plan voldoet ook in kwalitatief opzicht aan de uitgangspunten van de Woonagenda Overbetuwe 2020.
12
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
Met dit bestemmingsplan worden vier woningen op een bestaand bouwperceel binnen de bebouwde kom mogelijk gemaakt. Of voor deze ontwikkeling een m.e.r.-procedure of m.e.r-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van de vraag of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Wanneer de voorgenomen de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit m.e.r. moet worden getoetst of er sprake is van nadelige milieugevolgen. Is dat het geval, dan moet een vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Beoordeling en conclusie De voorgenomen ontwikkeling komt niet voor als activiteit in Bijlage C en D van het Besluit m.e.r., mede omdat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject vanwege de zeer geringe omvang van het project. Het project betreft de realisatie van slechts vier woningen binnen bestaand stedelijk gebied, op een bestaand bouwperceel voor stedelijke functies. Het plan is zodanig kleinschalig van omvang, dat dit het doorlopen van een m.e.r.-(beoordelings)procedure niet rechtvaardigt. Het plangebied ligt bovendien niet in een gevoelig gebied.
Er worden geen m.e.r.(beoordelings-)plichtige activiteiten mogelijk gemaakt en ook de plaats van het project geeft geen aanleiding tot het doorlopen van een m.e.r.(beoordelings)-procedure. Ten slotte is er geen passende beoordeling benodigd in het kader van het project, zoals blijkt uit paragraaf 5.11 Een m.e.r.(beoordelings-)procedure in het kader van dit bestemmingsplan is niet noodzakelijk en er hoeft geen vormvrij m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.
5.2
Geluid
Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) moet bij een ruimtelijk plan een akoestisch onderzoek worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Het akoestisch onderzoek richt zich op de geluidsgevoelige bestemmingen in de geluidszone. De geluidszone ligt aan weerszijden van de weg. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting (voorkeursgrenswaarde) afkomstig van wegverkeer bedraagt voor nieuwe woningen 48 dB (Lden). Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor moet met een ontheffing een hogere waarde worden vastgesteld. Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan maakt vier nieuwe woningen mogelijk. Er is daarmee sprake van nieuwe geluidgevoelige objecten.
Het plangebied ligt buiten de geluidzones van wegen, spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen. Alle wegen in de omgeving van het plangebied zijn 30 km/uurwegen. Akoestisch onderzoek is op basis van de Wgh niet nodig. Daarnaast zijn de verkeersintensiteiten op de nabij gelegen wegen niet zodanig, dat dit aanleiding geeft tot een akoestisch onderzoek. De direct omliggende wegen zijn lokale wegen, terwijl de drukkere Hoofdstraat op ruim 70 meter van de nieuwe woningen ligt. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan op voorhand dan ook voldoende worden gegarandeerd. Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan.
(ontwerp)
13
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
5.3
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: 1. Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM. 2. Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2ìg/m3).
Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan maakt slechts vier woningen mogelijk op een bestaand bouwperceel. Deze ontwikkeling is zodanig kleinschalig van omvang, dat de verkeersaantrekkende werking ruimschoots minder is dan bij de gevallen genoemd in de Regeling NIBM. Het project valt zonder meer onder de regeling NIBM. Daarnaast voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied naar verwachting ruimschoots aan de normstelling, omdat de locatie niet in de nabijheid van drukke wegen, industrieterreinen en dergelijke is gelegen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit zorgt daarom niet voor belemmeringen.
5.4
Bedrijven en milieuzonering
Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies, zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden, zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Als bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit, zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk, die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies, die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct
14
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a naast woningen komen andere functies voor, zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. Beoordeling Het bestemmingsplan wijzigt de bestemming van een gemengde bestemming naar een woonbestemming. Een bestaande milieubelastende bestemming, waarbinnen activiteiten in milieucategorieën 1 en 2 mogelijk waren, verdwijnt. In dit opzicht heeft het plan een positief effect op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving. Er is geen sprake van potentiële onevenredig negatieve effecten vanwege de toekomstige functie. De nieuwe woningen zijn aan te merken als een milieugevoelige functie, waarmee eventueel in de omgeving gevestigde bedrijvigheid en andere milieubelastende functies rekening moeten houden bij hun bedrijfsvoering en -ontwikkeling. De ontwikkeling is in het kader van het aspect 'bedrijven en milieuzonering' dus relevant. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woningen aanwezig.
Vanaf circa 25 meter ten oosten van de nieuwe woningen liggen percelen aan de Hoofdstraat en het Julianaplein met een Centrumbestemming. Binnen deze bestemming zijn diverse functies in de milieucategorieën 1 en 2 toegestaan. Uitgaande van de richtafstanden voor een 'rustige woonwijk', hoort daarbij een richtafstand van 30 meter. Dit betekent dat de oostelijke woning nog net binnen de richtafstand van het meest nabij gelegen perceel (Julianaplein 8) ligt. De eigenaar/exploitant van dit perceel moet echter al rekening houden met woningen tussen het plangebied en het eigen perceel in, namelijk de woningen Wouterplasstraat 1 en Marijkestraat 2. Het toevoegen van de woningen in het plangebied zorgt daarom niet voor extra beperkingen ten opzichte van de huidige situatie. Andersom is het aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied. Daarom is nader onderzoek niet noodzakelijk en is het oprichten van woningen op de beoogde locatie niet bezwaarlijk. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan. Er zijn geen beperkingen over en weer ten opzichte van andere functies.
5.5
Geurhinder
Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. Met behulp van verspreidingsmodellen kan de geurbelasting vanuit dierenverblijven op geurgevoelige objecten worden berekend. De geurbelasting van een individuele veehouderij wordt ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting is afkomstig van dieren, waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld, zoals varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten. De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of geen concentratiegebied en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen stelt de Wgv ook eisen aan de (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. De afstanden gelden voor dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object in het buitengebied. Beoordeling In de ruimte omtrek van het plangebied zijn geen veehouderijen gevestigd. Het plangebied is
(ontwerp)
15
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a bovendien gelegen middenin een woonomgeving. Nader geuronderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie De Wgv vormt geen belemmering in het kader van dit plan.
5.6
Bodem
In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening moet worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen moet worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. Voor de gevallen waarin de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, bepaalt de Wet bodembescherming dat de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. In dat geval is een bodemonderzoek noodzakelijk. Beoordeling Dit bestemmingsplan maakt nieuwe woningen op de locatie van een voormalige school mogelijk. Meest recent waren een peuterspeelzaal en duivensportvereniging ter plaatse gevestigd. Zowel in de huidige als in de toekomstige situatie is er sprake van een gevoelige functie (peuterspeelzaal en wonen). Het voormalige gebruik is niet bodemverontreinigend, waardoor redelijkerwijs kan worden verondersteld dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik en aan een wijziging van de bestemming niet in de weg staat. Hierbij is mede van belang dat de woningen niet op de plek van de huidige parkeervoorziening komen.
In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen zal een bodemonderzoek (moeten) worden uitgevoerd. Op voorhand zijn er gezien het voorgaande geen belemmeringen te verwachten en is de bestemmingswijziging uitvoerbaar. Conclusie Het aspect 'bodem' levert geen belemmeringen op voor dit plan.
5.7
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's moeten worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron is, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1.000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
16
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Beoordeling Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie 4 seniorenwoningen waarbij de huidige bebouwing, waarin een peuterspeelzaal en duivensportvereniging gevestigd zaten, gesloopt wordt. Deze wijziging is uit externe veiligheidsoogpunt relevant. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is daarom een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In figuur 5.1 is een uitsnede opgenomen van de provinciale risicokaart.
Figuur 5.1: uitsnede provinciale risicokaart met plangebied in zwarte cirkel aangeduid (raadpleging op 29 maart 2021) De informatie van de provinciale risicokaart levert de volgende inzichten op. Risicobronnen Rondom de planlocatie zijn geen inrichtingen aanwezig met een extern veiligheidsrisico. Wel liggen op ca. 1.400 meter ten zuiden van het plan de Betuweroute en de snelweg A15, op ca. 3.950 meter ten oosten de snelweg A50 en op ca. 800 meter ten noorden de buisleiding N574-10. Op basis van de Regeling basisnet en de provinciale risicokaart is vastgesteld dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze risicobronnen niet over het plangebied ligt. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan alleen binnen het invloedsgebied van de Betuweroute, de snelweg A15 en A50. Ontwikkelingen hierbinnen hebben mogelijk invloed op de hoogte van het groepsrisico. Omdat de afstand tussen het plan en deze risicobronnen groter dan 200 meter is, heeft
(ontwerp)
17
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a de wetgever aangegeven dat het groepsrisico alleen beperkt verantwoord hoeft te worden. Hierdoor hoeft niet de hoogte van het groepsrisico in beeld gebracht te worden, maar enkel de aspecten zelfredzaamheid en beheersbaarheid. Verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt in het invloedsgebied groepsrisico van verschillende externe veiligheidsrisicobronnen. Conform vigerende wetgeving moet de gemeente hierdoor het groepsrisico verantwoorden. Meer specifiek gaat het om de wettelijke verplichting op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) artikel 7 en 9 vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over twee snelwegen en een spoorlijn. De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de Veiligheidsregio adviesrecht. Hierop heeft de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) op 1 april 2021 (kenmerk: 2021- 001336) het volgende geadviseerd: ‘Met het oog op de verantwoording van het groepsrisico zie ik geen aanleiding nader te adviseren over de rampenbestrijding en zelfredzaamheid’. Hieronder een beschouwing van de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Zelfredzaamheid Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en NL-Alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid zijn voldoende. Conclusie Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de transportroutes met een externe veiligheidsrisico. De plaatsgebonden risicocontour van deze risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plangebied in het invloedsgebied van twee snelwegen (A15 en A50) en de Betuweroute.
Op basis van de verantwoording groepsrisico (zie voorgaand) kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijke initiatief geen significant effect heeft op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Daarmee is het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de realisatie van het plan. De VGGM zag eveneens geen aanleiding aanvullend te adviseren.
18
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
5.8
Explosieven
De huidige gemeente Overbetuwe en buurgemeente Lingewaard maakten vanaf het begin van de geallieerde luchtlandingsoperatie 'Market Garden' op 17 september 1944 tot aan de bevrijding van Arnhem op 14 april 1945 deel uit van het frontgebied tussen de Duitsers en de Geallieerden. Overbetuwe en Lingewaard werden in hun geheel als oorlogsgebied beschouwd. Er is een gevechtspauze geweest na het oversteken van de brug bij Nijmegen. Het gebied is gedurende acht maanden frontgebied geweest waarbij het volledige eiland (gebied tussen de Rijn en de Waal) geëvacueerd is. Tevens zijn er in die periode hevige bombardementen uitgevoerd. Tijdens de inventarisatie van oorlogsgegevens zijn 104 vliegtuigcrashes opgetekend en meer dan 1.000 oorlogsgraven. Door de oorlogshandelingen ontstonden er gebieden waarvan de bodem sterk met oorlogsmateriaal werd belast, wat op dit moment nog gevaar kan opleveren voor mens en dier. De Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EODD) gaat er in 2014 vanuit, dat slechts 35% van de munitie inmiddels uit de grond is verwijderd. Dit betekent dat we de komende decennia nog met deze explosieve erfenis te maken zullen hebben en er op veel plaatsen kans bestaat op het aantreffen van onontplofte munitie.
Beoordeling en conclusie Bij bodemroerende werkzaamheden, zoals het oprichten van gebouwen, graafwerkzaamheden, aanleg van kabels en leidingen en het uitvoeren van bepaalde onderzoeken, is de aanwezigheid van mogelijke niet-gesprongen explosieven (conventionele explosieven) van belang. Voor de realisatie van het plan zijn sloop- en graafwerkzaamheden benodigd. Het betreft een bestaand bouwperceel, waarvan de huidige bebouwing en inrichting dateert van na de Tweede Wereldoorlog (ca. 1960). De toekomstige bouwpercelen komen ter plaatse van de huidige bebouwing en het voorterrein. De kans op het aantreffen van conventionele explosieven is om de genoemde redenen zeer minimaal. Er hebben immers na de Tweede Wereldoorlog al bodemroerende werkzaamheden plaatsgevonden op de locatie. In het kader van dit bestemmingsplan vormt dit aspect daarom geen belemmering.
5.9
Kabels en leidingen
Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten en -kabels en dergelijke, kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, moet de leidingbeheerder aangeven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig kunnen plaatsvinden. Beoordeling en conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Dit aspect levert dan ook geen belemmeringen op voor de realisatie van het plan.
5.10
Waterparagraaf
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn de hierna beschreven beleidsstukken van belang. Rijksbeleid Nationaal waterplan In december 2015 stelde het kabinet het Nationaal Waterplan vast. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Provinciaal beleid Provinciaal Waterplan In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's,
(ontwerp)
19
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen er voor 2027 liggen. Daarbij is beschreven hoe de provincie voor de planperiode de uitvoering van acties ziet om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies. Waterschap Rivierenland Waterbeheerplan 2016-2021 Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld. Keur Waterschap Rivierenland 2014 Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de 'Keur Waterschap Rivierenland 2014' van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen, waarop de keur van toepassing is, zijn vastgelegd in de legger wateren. Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd. Gemeente Overbetuwe Waterplan Overbetuwe In 2008 stelde de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vast. Het waterbeheerplan van het waterschap is later geactualiseerd (zie hierboven), ook in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden naast elkaar. In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt. Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:
wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan; waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit; grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast; beleving van water, burgers betrekken bij water; afspraken en taken van waterschap en gemeente.
Beoordeling Het plan voorziet in het oprichten van vier aaneengebouwde woningen met bijbehorende bouwwerken ter plaatse van een bestaand bouwperceel. In de huidige situatie is op het perceel een gebouw aanwezig van ca. 350 m² groot. Rondom het gebouw is ook enige verharding aanwezig. Verder blijft aan de westkant van het perceel een parkeerterrein aanwezig. Het verhard oppervlak blijft per saldo naar verwachting ongeveer gelijk. Zeker is dat een eventuele toename aan verhard oppervlak ruimschoots onder de eenmalige vrijstellingsdrempel van 500 m² volgens de keur van het waterschap blijft. Er is geen compensatie voor het aan te brengen verhard
20
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a oppervlak benodigd. Hemelwater en vuilwater moeten gescheiden worden afgevoerd. De te verwachten hoeveelheid afvalwater is gezien het toekomstige gebruik beperkt. In dit opzicht zijn geen belemmeringen te voorzien. Het plan zal hydrologisch neutraal worden ontwikkeld. Het plangebied ligt niet binnen de beschermingszone van een waterkering. In en rondom het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Er wordt ook geen nieuw oppervlaktewater toegevoegd. Negatieve effecten op oppervlaktewater zijn uitgesloten. Conclusie Het plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding, oppervlaktewater of waterkeringen. Er bestaan geen waterhuishoudkundige bezwaren tegen het plan.
5.11
Flora en fauna
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet vervangen. De Wnb geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat in verband met de bescherming van gebieden en dieren plantsoorten. De provincies zijn het bevoegd gezag voor zowel de gebieds- als de soortenbescherming. Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming opgenomen van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan moet worden onderzocht of dit plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Als deze zekerheid er niet is, kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met de bijbehorende Groene Ontwikkelingszones (GO). Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; de bescherming van overige soorten.
Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag.
(ontwerp)
21
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Beoordeling Dit plan maakt het oprichten van vier aaneengebouwde woningen mogelijk na sloop van de huidige bebouwing en het verwijderen van verharding. Ook zal enig bestaand groen worden verwijderd. Gezien de aard van de ontwikkeling en de noodzakelijke werkzaamheden en ingrepen, zijn negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden op voorhand niet uitgesloten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor het plan. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. Soortenbescherming De potentiële effecten van het plan op beschermde soorten zijn in de quickscan in beeld gebracht. Voor de meeste beschermde soorten ontbreekt geschikt habitat in het plangebied en zijn negatieve effecten (overtreding van de Wnb) op voorhand uit te sluiten. Voor enkele soortgroepen is een nadere beschouwing nodig. Algemene broedvogels In het plangebied kunnen algemene broedvogelsoorten worden verwacht. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door het verwijderen van groen buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen half maart en half augustus. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wnb.
Met inachtneming van deze restrictie, zijn er geen bezwaren aan het plan verbonden voor wat betreft algemene broedvogels. Vleermuizen De te slopen bebouwing is in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Aanvullend onderzoek naar deze soortgroep is noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van het plangebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Dit onderzoek is uitgevoerd en opgenomen in Bijlage 2. Uit het vervolgonderzoek blijkt dat de te slopen bebouwing geen functie heeft voor vleermuizen. Overtreding van de Wnb is daarom niet aan de orde. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Het plangebied en de directe omgeving zijn geschikt als leefgebied voor enkele algemene grondgebonden zoogdiersoorten, zoals de egel en rosse woelmuis. Het is niet uitgesloten dat verblijfplaatsen van deze soorten worden vergraven of anderszins aangetast. Geschikt leefgebied voor strenger beschermde zoogdierensoorten en amfibieën ontbreekt. Voor de algemene, licht beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen. Een ontheffing is niet benodigd. In het kader van de zorgplicht moet echter worden voorkomen dat individuen worden gedood of verwond. De kans hierop kan aanzienlijk worden verkleind door de vegetatie en materialen aan de noordzijde van de bestaande bebouwing buiten de periode van voortplanting en winterrust te verwijderen.
De meest geschikte periode hiervoor is september-november. Op deze manier is het plan uitvoerbaar zonder overtreding van de Wnb. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is 'Rijntakken'. Dit gebied ligt ca. 2,9 kilometer ten noorden en ca. 3,6 kilometer ten zuiden van het plangebied. Vanwege de beperkte omvang van het plan en de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden, zijn alleen externe effecten mogelijk aan de orde. Negatieve effecten op de kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in de vorm van geluid, trilling, licht of verstoring zijn door de grote afstand niet aan de orde. Een toename van stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jr is op voorhand echter niet uitgesloten. Daarom is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 3 en de losse berekening is in Bijlage 4 opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat er geen deposities >0,00 mol/ha/j optreden. Significant negatieve effecten zijn om die reden uitgesloten. Delen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen op circa 300 meter afstand van het plangebied. Voor deze gebieden geldt geen toetsingskader met betrekking tot externe effecten. Nadere toetsing ten aanzien van het NNN is niet noodzakelijk, omdat het plan niet leidt tot wijziging van het NNN.
Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen bezwaren verbonden aan het plan en is nader onderzoek niet nodig. Negatieve effecten zijn uitgesloten.
22
(ontwerp)
bestemmingsplan Zetten, Wouterplasstraat 2-2a
Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden is niet van toepassing op het plangebied. Conclusie Het aspect flora en fauna zorgt op voorhand niet voor belemmeringen bij de uitvoering van het plan. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en op vrijwel alle beschermde soorten kunnen worden uitgesloten. Wel moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van nesten van algemeen beschermde vogelsoorten, alsmede met de aanwezigheid van algemene grondgebonden zoogdieren. Dit geeft restricties aan het uitvoeren van de werkzaamheden. De uitvoerbaarheid van het plan is hiermee echter niet in het geding.
5.12
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving, gaan over naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 of 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan en een archeologische beleidsadvieskaart gemaakt. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces. Dit beleid is doorvertaald in de bestemmingsplannen binnen het gemeentelijk grondgebied.
Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) moet in het plan rekening worden gehouden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beoordeling Archeologie Het plangebied ligt deels in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde volgens de archeologische beleidskaart (oostelijk deel). Bij bodemingrepen groter dan 50 m² en met een diepte van ten minste 30 cm is een archeologisch onderzoek noodzakelijk, voordat een omgevingsvergunning voor het bouwen kan worden verleend. Voor het westelijk en zuidelijk deel van het plangebied geldt vrijwel geheel een zeer lage archeologische verwachtingswaarde.