CConstaterende datOverBetuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

21-01-26.18 Relevant stuk 3 Was-Wordt lijst APV 2021

Gemeenteraadsvergadering 26 januari 2021, gemeente OverBetuweBij agendapunt: APV8.341 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Tekstvoorstellen nieuwe APV Bijlage bij Raadsadvies inzake actualisatie APV 2021 (20rv000111) Registratienr: 20uit23858 Algemene tekstvoorstellen van onderstaande artikelen zijn onder paragraaf 1 hierna opgenomen. - Vertoningen op openbare plaatsen (artikel 2:9) - Voorwerpen op of aan de weg (artikel 2:10) - Rookverbod in bossen en natuurterreinen (artikel 2:18) - Opsporen metalen (artikel 2:19b) - Vergunning evenement (artikel 2:25) - Kansspelautomaten (artikel 2:40) - Neerzetten van fietsen (artikel 2:51) - Gevaarlijke honden (artikel 2:59) - Gebiedsontzegging (artikel 2:78) - Ballonverbod (artikel 4:9a) - Aanpassing sluitingstijd terrassen (artikel 2:29) - Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan (artikel 5:10) - Reddingsmiddelen (artikel 5:29) - Crossterreinen (artikel 5:32) Tekstvoorstellen in het kader van aanpak ondermijning zijn onder paragraaf 2 hierna opgenomen. Tekstvoorstellen vanuit de Politie Oost-Nederland, Team Rivierenland West, zijn onder paragraaf 3 hierna opgenomen. In de kolom Bestaande tekst zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert cursief gezet. In de kolom Nieuwe tekst zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. 1. Algemene tekstvoorstellen In het kader van actualisatie van de APV zijn onderstaand diverse tekstvoorstellen opgenomen. In een aantal van deze tekstvoorstellen is jurisprudentie verwerkt.

Verder zijn artikelen aangepast of nieuw toegevoegd omdat hier behoefte aan is gelet op de praktijksituatie. Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Toelichting: Hierbij is het VNG-model gevolgd.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:10a Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg, of zichtbaar vanaf de openbare weg, in strijd met de publieke functie van de weg

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg

1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:10b Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen 1. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18. 2. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Gelderland of de Wegenverordening Gelderland 2010. 4. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a., van het vorige artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 5. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b., van het vorige artikel geldt niet voor bouwwerken. 6. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder

1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2., eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f.

situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Omgevingsverordening Gelderland of de Wegenverordening Gelderland 2010; g. voorwerpen of stoffen die noodzakelijkerwijze op de weg gebracht worden in verband met bouwwerkzaamheden en mits degene die werkzaamheden verricht of doet verrichten er voor zorgt, dat de voorwerpen of stoffen voldoen aan de CROW richtlijn publicatie 130 voor het markeren van onverlichte obstakels en onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval niet langer dan drie achtereenvolgende dagen, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; h. voorwerpen binnen een strook van één meter, gemeten vanuit de voorgevel van de winkel. 5. De weigeringsgrond van het derde lid, onder a, geldt niet voor zover in het daarin geregelde

c., van het vorige artikel geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. 6. De weigeringsgrond van het derde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 2:10c Vrij te stellen categorieën Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2:10a niet geldt. Het verbod geldt in ieder geval niet voor: a. de voorwerpen of stoffen die noodzakelijkerwijze op de weg gebracht worden in verband met bouwwerkzaamheden en mits degene die werkzaamheden verricht of doet verrichten er voor zorgt, dat de voorwerpen of stoffen voldoen aan de CROW richtlijn publicatie 130 voor het markeren van onverlichte obstakels en onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval niet langer dan drie achtereenvolgende dagen, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; b. voorwerpen binnen een strook van één meter, gemeten vanuit de voorgevel van de winkel.

7. De weigeringsgrond van het derde lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8. Op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting: In het kader van deregulering is dit artikel, conform de Modelverordening van de VNG, teruggebracht tot één artikel waarin alle onderdelen uit artikel 2:10a, 2:10b en 2:10c zijn opgenomen.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen en op natuurterreinen of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Toelichting: Gelet op de natuurterreinen binnen Park Lingezegen is het wenselijk dat het college in het kader van brandgevaar tijdens langdurige droogte, perioden kan aanwijzen waarbinnen niet gerookt mag worden. In het verlengde hiervan is het verboden om brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:19b Opsporen metalen 1. Het is verboden op of aan de weg een metaaldetector of enig ander voorwerp, bestemd voor het opsporen van wapens en munitie en dergelijke te gebruiken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet is verstrekt. 4. Het verbod is niet van toepassing op een bedrijf dat in het bezit is van een systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE). 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht ( positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:19b Opsporen metalen 1. Het is verboden op een openbare plaats, waaronder begrepen op of in openbaar water, een metaaldetector of enig ander voorwerp, bestemd voor het opsporen van metalen, wapens en munitie en dergelijke te gebruiken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod is niet van toepassing op degene aan wie een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet is verstrekt. 4. Het verbod is niet van toepassing op een bedrijf dat in het bezit is van een systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE). 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Een openbare plaats is ruimer gedefinieerd dan de omschrijving op of aan de weg.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:25 Vergunning evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het verbod voor bepaalde evenementen en daarbij nadere regels stellen. 3. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 4. Het tweede lid is niet van toepassing op vechtsportevenementen als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 6. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren als: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten; b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; c. de aanvraag minder dan twaalf weken voor de datum van het evenement wordt ingediend en

Artikel 2:25 Vergunning evenement 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van het verbod voor bepaalde evenementen en daarbij nadere regels stellen. 3. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2.1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 4. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 5. Het tweede lid is niet van toepassing op vechtsportevenementen als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f. 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig

een redelijke beoordeling niet meer mogelijk is (dit kan van toepassing zijn bij risicovolle evenementen zoals de Elster Paardenmarkt, Nijmeegse Vierdaagse etc.). 7. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

opzicht van slecht levensgedrag is. 7. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren als: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten; b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; c. de aanvraag minder dan twaalf weken voor de datum van het evenement wordt ingediend en een redelijke beoordeling niet meer mogelijk is (dit kan van toepassing zijn bij risicovolle evenementen zoals de Elster Paardenmarkt, Nijmeegse Vierdaagse etc.). 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Een gebruiksmelding kan bij evenementen noodzakelijk zijn. In dit artikel wordt daarop gewezen.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee behendigheidsautomaten toegestaan en zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Toelichting: Behendigheidsautomaten worden in de Wet op de Kansspelen niet meer benoemd.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijke wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor de ingang versperd wordt. Toelichting: Vanuit de praktijk is gebleken dat er behoefte bestaat voor het hebben van een handvat om te kunnen optreden tegen ongewenst geplaatste (brom)fietsen tegen ramen, raamkozijnen, deuren en gevels van gebouwen of in de ingang van een portiek.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Onverminderd het bepaalde van artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d., dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. 4. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.

Onverminderd het bepaalde van artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d., dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Toelichting: In dit onderdeel wordt de omschrijving van artikel 2:59, tweede en derde lid, aanhef, aangepast. Daarmee wordt uitdrukkelijker aangegeven dat de eigenaar of houder van de hond zich moet houden aan een opgelegd aanlijn- of muilkorfgebod in plaats van een omschrijving te geven van wat een aanlijnresp. muilkorfgebod inhoudt. Omdat in de feitcodes van het Openbaar Ministerie ‘kort aangelijnd’ staat, is ‘kort’ toegevoegd aan het tweede lid.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 2:78 Gebiedsontzegging 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt.

De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Toelichting: Op advies van de adviseur Integrale Veiligheid is dit artikel opgenomen omdat het wenselijk is om dit in de praktijk toe te kunnen passen.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen 1. Onder ‘ballon’ wordt verstaan: een licht omhulsel van welk materiaal dan ook gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of gevuld met hete lucht afkomstig van vuur of een brandstofelement. 2. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht. Het is tevens verboden het oplaten van ballonnen in de open lucht te organiseren. 3. Het verbod in het tweede lid is niet

van toepassing op: a. ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald en b. ballonnen die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen. Toelichting: Ballonnen -ook de biologische afbreekbare ballonnendie in de natuur terecht komen brengen schade toe aan natuur en milieu. Dieren kunnen ballonresten eten of raken verstrikt in ballonlinten. Wensballonnen kunnen ook schade toebrengen aan natuur en milieu en zijn brandgevaarlijk. Vandaar dat het opnemen van een ballonnenverbod in de APV wenselijk is. Dit verbod betreft niet ballonnen voor ballonvaarten.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:29 Sluitingstijd

Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd). 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn terrassen gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 24.00 en 6.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 01.00 en 6.00 uur. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a., gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht ( positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

1.

2.

3. 4.

5.

6.

Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd). Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid, aanhef en onder a., gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht ( positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting: Ter voorkoming van overlast is in het nieuwe tweede lid opgenomen dat terrassen eerder moeten sluiten. De nieuwe sluitingstijden zijn afgestemd met de horecaondernemers en ondernemersvereniging CME.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Toelichting: In dit onderdeel wordt ‘of te laten stilstaan’ toegevoegd aan artikel 5:10, eerste lid. Voor bord E2 (stopverbod) is de juridische context namelijk hetzelfde als voor het parkeren.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Toelichting: Reddingsmiddelen zijn essentieel voor het helpen van drenkelingen. Met dit artikel kan handhavend worden opgetreden bij oneigenlijk gebruik van reddingsmiddelen.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van

Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast;

de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.

b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Toelichting: Als in onze gemeente een terrein (in het buitengebied) aangewezen wordt waar incidenteel met brommers gecrost mag worden, al dan niet in wedstrijdverband, kan handhavend opgetreden worden bij (geluids)overlast.

2. Ondermijning In het kader van tegengaan van ondermijnende criminaliteit kunnen de volgende artikelen worden aangepast of toegevoegd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. de houder dit verzoekt.

Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking, schorsing of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. de houder dit verzoekt. Toelichting: In navolging van artikel 32 van de Drank- en Horecawet kan de bevoegdheid tot het schorsen van een vergunning of ontheffing in de APV opgenomen worden. De schorsing is een minder drastisch middel dan de intrekking en geeft het bestuursorgaan zodoende meer flexibiliteit bij de inzet van handhavingsbevoegdheden.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:27 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt uitgeoefend; b. leidinggevende: de natuurlijke persoon, die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een openbare inrichting, alsmede de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend; c. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan: een bij deze inrichting behorend terras. d. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2:27 Definities 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, afhaalcentrum, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. 2. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. 3. Exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon voor wiens rekening en risico een bedrijf wordt uitgeoefend; 4. Leidinggevende: de natuurlijke persoon, die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een openbare inrichting, alsmede de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend.

Toelichting: Het is raadzaam ook een afhaalcentrum en een waterpijpcafé in de definitiebepaling van openbare inrichting op te nemen. Een vergunningplicht biedt mogelijkheden om handhavend op te treden bij overlast van afhaalcentra en waterpijpcafé’s waar in veel gevallen ook de mogelijkheid van directe consumptie ter plaatse wordt geboden. Tijdens het rondetafelgesprek waren campings en vakantieparken ook opgenomen in dit artikel. Hier is op teruggekomen aangezien horecagedeelten die op campings en vakantieparken zijn gevestigd al onderhevig zijn aan de exploitatievergunningplicht. Het benoemen van campings en vakantieparken heeft dan ook inhoudelijk geen toegevoegde waarde. Daarbij zou het onnodig extra administratieve lasten opleveren.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

1.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of –restaurant of e. een bed & breakfast. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10a beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid, kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij de openbare inrichting horende terrassen weigeren, indien: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. dat gebruik een belemmering kan

2.

3.

4.

5.

6.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of –restaurant of e. een bed & breakfast. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10a beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen, voor zover deze zich op de weg bevinden, over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid, kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij de openbare inrichting horende terrassen weigeren, indien: a. het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. dat gebruik een belemmering kan

worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c. daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de woon- en leefomgeving in gevaar komt. 7. a. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens een persoon als leidinggevende bij te laten schrijven. b. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van de exploitatievergunning. c. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk de ontvangst van de aanvraag. 8. De burgemeester verstrekt op verzoek een gewijzigde exploitatievergunning indien de openbare inrichting ook beschikt over een geldige drank- en horecavergunning waarop ingevolge artikel 30a Drank- en Horecawet één of meer leidinggevende(n) is/zijn bijgeschreven. Het zevende lid van dit artikel vindt alsdan geen toepassing. 9. De burgemeester kan bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vijfde lid, voor jaarlijks terugkerende identieke bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard, besluiten een vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen, mits het terras altijd op dezelfde locatie wordt geplaatst en de afmetingen van het terras niet wijzigen. 10. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste, vijfde, achtste en negende lid.

worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c. daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de woon- en leefomgeving in gevaar komt. 7. Het is verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is. 8. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in het eerste lid dient zowel de exploitant als de leidinggevende: a. minimaal de leeftijd van 18 jaar te hebben bereikt; b. te voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag; c. niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn; d. niet onder curatele te staan. 9. a. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens een persoon als leidinggevende bij te laten schrijven. b. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van de exploitatievergunning. c. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk de ontvangst van de aanvraag. 10. De burgemeester verstrekt op verzoek een gewijzigde exploitatievergunning indien de openbare inrichting ook beschikt over een geldige drank- en horecavergunning waarop ingevolge artikel 30a Drank- en Horecawet één of meer leidinggevende(n) is/zijn bijgeschreven. Het negende lid van dit artikel vindt alsdan geen toepassing. 11.

De burgemeester kan bij een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het vijfde lid, voor jaarlijks terugkerende identieke bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard, besluiten een vergunning voor onbepaalde tijd te verlenen, mits het terras altijd op dezelfde locatie wordt geplaatst en de afmetingen van het terras niet wijzigen. 12. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste, vijfde, tiende en elfde lid.

Toelichting: In navolging van de Drank- en Horecawet (DHW) kunnen ook in de APV (nadere) eisen worden gesteld aan zowel de exploitant als de leidinggevende van een openbare inrichting. Hiermee wordt voorkomen dat personen die niet in aanmerking komen voor een DHW-vergunning wel een openbare inrichting kunnen exploiteren of hier als leidinggevende werkzaam kunnen zijn. De aanwezigheid van de leidinggevende wordt verplicht gesteld om schijnbeheer tegen te gaan.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 2:50a Sluiting van voor het publiek toegankelijke gebouwen 1. De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in een bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of zedelijkheid, de bescherming van het milieu of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en er naar het oordeel van de burgemeester voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

4. Het is de rechthebbende op het gebouw

5.

en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin te betreden of bezoekers toe te laten of te laten betreden. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf te betreden.

Toelichting: Het doel van deze sluitingsbevoegdheid is het herstel van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid en/of het terugdringen van (georganiseerde) criminaliteit in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen en/of het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de openbare orde, biedt artikel 174 van de Gemeentewet ook uitkomst. Op grond van dit artikel van de Gemeentewet heeft de burgemeester een bevelsbevoegdheid om op te treden ter (onmiddellijke) handhaving van de openbare orde. Artikel 2:50a van de APV geeft de burgemeester een meer specifieke bevoegdheid voor ontoelaatbare situaties, ook in het kader van de aanpak van ondermijnende criminaliteit. In de gevallen waarin dit artikel niet voorziet, maar er wel sprake is van een concreet voorzienbare en actuele dreiging, kan de burgemeester nog altijd gebruik maken van artikel 174 van de Gemeentewet. Sluiting op grond van artikel 2:50a van de APV zal overigens in beginsel niet worden toegepast als sluiting op basis van een ander artikel in de APV, of de Opiumwet (artikel 13b) mogelijk is.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 2:50b Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de

2.

3.

4.

bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. als niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

f.

5.

6.

7.

als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. als de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken, schorsen of wijzigen als: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorwaarden uit de vergunning of

de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan. 8.

Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in het zevende lid, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het achtste lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 10. De sluiting kan door de burgmeester worden opgeheven als later bekend geworden feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. 11. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 12. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

13. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 14. In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 15. Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wetbestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Om de aanpak van ondermijning te versterken, is dit artikel in de APV opgenomen, gericht op het stimuleren van een gezond ondernemingsklimaat. Dit nieuwe artikel 2:50b geeft de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. Het betreft hier geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester.

3. Voorstel Politie Oost- Nederland, Team Rivierenland West De politie stelt voor -zoals in APV Enschede- om artikel 2:26 Ordeverstoring aan te vullen en een nieuw artikel 2:50c toe te voegen zoals hierna aangegeven.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de orde te verstoren. 3. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 4. Het verbod in het derde lid geldt niet voor zover daarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.

Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Toelichting: Deelneming aan de voortzetting van door de rechter verboden of ontbonden organisaties, waaronder uiterlijk vertoon kan worden begrepen, is strafbaar gesteld in artikel 140, tweede lid Wetboek van Strafrecht. Deze strafbaarstelling geldt echter pas op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is geworden. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie nog open staan en niet zijn afgewikkeld kan tegen dergelijk uiterlijk vertoon dus niet op grond van het Wetboek van Strafrecht handhavend worden opgetreden. Om toch op te kunnen treden tegen de aanwezigheid bij evenementen in de openbare ruimte wordt in dit artikel een verbod opgenomen van uiterlijk vertoon van door de rechter verboden of ontbonden organisaties.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst Artikel 2:50c Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht. Toelichting: Zie de toelichting op artikel 2:26. Door dit nieuwe artikel kan handhavend worden opgetreden bij uiterlijk vertoon in de openbare ruimte van door de rechter verboden of ontbonden organisaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=OverBetuwe&id=bc7fd21d-6f28-421a-9d7b-abb672e0c262