Toelichting (131605).pdf
Tekst van het document
Toelichting Opsteller: Team: Kenmerk: Datum: Vertrouwelijkheid:
Corlijn Doedens Juridische Zaken Z/24/065959 / D/24/131605 2 januari 2024 Openbaar
Onderwerp:
Toelichting APV Oudewater
Toelichting De Algemene plaatselijke verordening gemeente Oudewater 2024 (hierna: APV) is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Met deze toelichting wordt ingegaan op de wijzigingen ten opzichte van de vorige APV. Eerst worden hieronder de algemene wijzigingen besproken. Vervolgens zullen de wijzigingen die niet onder de algemene wijzigingen vallen, per gewijzigd artikel besproken worden. Algemene wijzigingen De titel van de APV is gewijzigd naar 2024. Artikelkopjes van verwijderde artikelen zijn verwijderd. De paragraafindeling is vereenvoudigd en paragraaftitels zijn aangepast om beter aan te sluiten bij de inhoud van de paragraaf. Opsommingen zijn, waar mogelijk, korter opgeschreven. Formuleringen zijn aangepast naar voorbeeld van de modelverordening van de VNG. De verwijzingen naar het al dan niet van toepassing zijn van de lex silencio positivo (paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht) zijn nagelopen en waar de verwijzing overbodig was is deze verwijderd, in overeenstemming met de modelverordening van de VNG. De lex silencio positivo is immers enkel geldig indien deze bij wet van toepassing is verklaard. Verwijzingen naar wetsartikelen zijn gecorrigeerd, zoals de verwijzingen naar de Drank- en Horecawet (oud) aan de Alcoholwet. Er zijn eveneens enkele kleine taal en typefoutjes verbeterd.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen De definities van ‘motorvoertuig’, ‘parkeren’ en ‘voertuig’ stonden in artikel 5:1, en 5:31a, maar de termen worden ook buiten hoofdstuk 5 gebruikt, daarom zijn ze naar artikel 1:1 verplaatst. De definitie van ‘rechthebbende’ is in overeenstemming met de modelverordening van de VNG gebracht. Artikel 1:7 Termijnen Dit artikel is aangepast om beter aan te sluiten bij de Europese regelgeving met betrekking tot schaarse vergunningen. Artikel 1:8 Algemene weigeringsgronden Naast de tekstuele wijzigingen van de eerste twee leden van dit artikel is er een nieuw lid toegevoegd om het mogelijk te maken evenementenvergunningen te weigeren indien deze
te laat zijn ingediend waardoor een behoorlijke behandeling niet meer mogelijk is. Dit stond eerder in artikel 2:25, maar is logischer in 1:8.
Hoofdstuk 2 Openbare orde Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen Verduidelijking van het eerste lid dat niet alle in het artikel genoemde belangen tegelijk aan de orde moeten zijn, één ervan is ook al voldoende om een plaats aan te wijzen. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg Naast enkele tekstuele wijzigingen is aan het vijfde lid onderdeel c, het maken en hebben van geveltuinen, toegevoegd. Op grond van het aangepaste derde lid kan het college daarnaast nadere regels omtrent de geveltuintjes stellen. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het derde lid is toegevoegd in verband met het mogelijk maken van het aanleggen van geveltuinen. Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg Het aanleggen van een inrit is vergunningplichtig in Oudewater. Het vierde lid had betrekking op het doen van een melding, wat niet van toepassing is in Oudewater, dus dit is verwijderd. Artikel 2:25 Evenementenvergunning De nummering van de leden van dit artikel is logischer gemaakt. Aan het tweede lid (nieuw) zijn de onderdelen c, d en e toegevoegd, deze onderdelen zien op enkele specifieke aandachtspunten bij een evenement.
Hierbij wordt bezien of het verkeer nog op een aanvaardbare wijze kan plaatsvinden met waarborging van de verkeersveiligheid en/of in hoeverre het evenement mogelijk nadelige gevolgen heeft voor de veiligheid van deelnemers aan het evenement. In het (uiterste) geval dat de organisator voorafgaand aan het evenement niet aannemelijk maakt dat deze punten aantoonbaar geborgd zijn, opent het artikel de mogelijkheid het evenement geheel te weigeren. Aan het derde lid (nieuw) is onderdeel h toegevoegd, waarmee het voor meldingplichtige evenementen niet toegestaan wordt om objecten groter dan 25m2 te plaatsen. De indientermijn voor meldingen is korter gemaakt, zodat deze beter aan sluit bij de praktijk. Het zesde lid is verplaatst naar artikel 1:8 APV. Artikel 2:27 Begripsbepalingen onder Toezicht op openbare inrichtingen De onderdelen c, d en e zijn toegevoegd, hierin worden de definities gegeven van een leidinggevende, een exploitant en afhaal- en bezorgcentra. Voor wat betreft lid e, dit lid is toegevoegd omdat het wenselijk is om voor dit soort ‘restaurants’ in een vergunning aanvullende voorwaarden te kunnen stellen over bijvoorbeeld openingstijden. Met de toevoeging van dit lid kan de vergunningplicht niet meer worden omzeild door alleen bezorging te faciliteren.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Het niet kunnen aanleveren van een geldige verklaring omtrent het gedrag is verwijderd als weigeringsgrond voor een exploitatievergunning. Artikel 2:28a Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden Terminologie is gecorrigeerd. Artikel 2:30 Sluitingstijden
Het derde lid is aangepast zodat dit beter aan sluit bij de eerdere aanpassing dat de sluitingstijd van openbare inrichtingen wordt opgenomen in de exploitatievergunning. Artikel 2:39 Speelgelegenheden Het tweede lid is, in overeenstemming met de modelverordening van de VNG, korter opgeschreven. Aan het derde lid is voor de duidelijkheid toegevoegd dat de weigeringsgronden uit artikel 1:8 onverkort gelden. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten ‘telefooncellen’ uit de opsomming verwijderd, er staan in heel Nederland geen telefooncellen meer. Artikel 2:50a Messenverbod In de praktijk blijkt behoefte aan dit verbodsartikel. Dit artikel geeft een handvat om handhavend te kunnen optreden. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden De leden een en twee zijn zo gewijzigd dat een hond als hinderlijk of gevaarlijk kan worden aangemerkt alvorens een aanlijngebod of aanlijn- en muilkorfgebod wordt opgelegd. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Dit artikel bepaalt dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als er voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is.
Daarin zijn de volgende drie cumulatief geldende voorzieningen benoemd: - een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord dat vanaf de weg zichtbaar is; - een buiten het terrein geplaatste brievenbus of aanbelmogelijkheid, en - een deugdelijke afrastering die voorkomt dat de hond zelfstandig buiten het terrein kan komen. Deze bepaling is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen. 2:65 Bedelarij Op grond van artikel 2:65 is het verboden te bedelen op openbare plaatsen in een door het college aangewezen gebied. Daar wordt het motief ‘voorkoming of beëindiging van overlast’ aan toegevoegd. Aanleiding is een uitspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, waarin hij oordeelt dat de menselijke waardigheid wordt aangetast als iemand niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen en dat deze beschermd wordt door artikel 8 EVRM (het recht op de eerbiediging van het privéleven). Dit recht kan op grond van artikel 8, tweede lid, EVRM beperkt worden, mits deze beperking een legitiem doel dient, een wettelijke basis heeft en noodzakelijk is voor de democratische samenleving. De laatste voorwaarde vereist een afweging van de belangen van het individu en die van de maatschappij. Veiligheidshalve wordt daarom het motief ‘voorkomen of beëindiging van overlast’ opgenomen in artikel 2:65.
Artikel 2:71 Definitie Dit artikel is gewijzigd in overeenstemming met de najaarswijziging van de modelverordening van de VNG. Bij ministeriële regeling op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie is overbodig. Artikel 2:73a Carbid schieten In dit artikel wordt het schieten van carbid in beginsel verboden gesteld. Enkel onder de voorwaarden genoemd in het artikel mag carbid afgeschoten worden. Deze voorwaarden
houden in dat enkel carbid geschoten mag worden tijdens de jaarwisseling, buiten de bebouwde kom, met zachte materialen, indien er veiligheidsmaatregelen genomen worden, het vrije schootveld minimaal 75 meter is en er niet wordt geschoten in de richting van woonbebouwing. Reden voor het verbod en de voorwaarden is het bevorderen van de veiligheid, of beschermen van personen en goederen. Artikel 2:78 Gebiedsontzegging Het kan voorkomen dat er in het kader van de bestrijding van verstoringen van de openbare orde en veiligheid behoefte bestaat aan bijzondere instrumenten. Een instrument ter voorkoming van verstoringen van de openbare orde die veroorzaakt wordt door veelplegers, verslaafden, alcoholverslaafden en andere (ernstige) overlast veroorzakers is de inzet van een gebiedsontzegging. Indien een gebiedsontzegging aan een persoon wordt opgelegd betekent het dat de burgemeester een besluit neemt inhoudende dat de persoon voor een bepaalde tijd de toegang tot een bepaald gebied wordt ontzegd. Indien de betrokkene, dan toch tijdens het van kracht zijnde verbod het gebied betreedt, begaat de persoon een misdrijf in de zin van artikel 184 Wetboek van Strafrecht. Indien een persoon een gebied wordt ontzegd in de zin van dit artikel impliceert het een inbreuk op de grondrechten van de betrokkenen. Om die reden mag een dergelijk besluit “niet zomaar” worden genomen.
Er moet worden voldaan aan de eis van proportionaliteit en subsidiariteit. Omdat een gebiedsontzegging een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zijn de procedure eisen die voortkomen uit de Algemene wet bestuursrecht eveneens van toepassing. Van toepassing is bijvoorbeeld artikel 4:8 Awb. Daaruit volgt dat de betrokkene, in de regel de mogelijkheid dient te krijgen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Verder mag een gebiedsontzegging niet gelden voor de plek waar betrokkene woont of werkt/beroep uitoefent. Het artikel is aangepast om beter aan te sluiten bij de modelverordening van de VNG, met behoud van de mogelijkheid om na twee overtredingen van een gebiedsontzegging een verbod van ten hoogste vier weken op te leggen. Samenloop met het Wetboek van Strafvordering, artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a is in het vijfde lid uitgesloten. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d van de Gemeentewet In artikel 2:79 van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huur- als koopwoningen en aan verhuurders.
De gedragsaanwijzing aan verhuurders was alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) is die beperking vervallen. In verband hiermee is artikel 2:79 aangepast. Om woonoverlast beter tegen te gaan, geldt de zorgplicht voortaan in alle gevallen voor verhuurders van woonruimten. Dat betekent dat verhuurders zorgdragen dat de woningen die zij verhuren geen ernstige en herhaaldelijke hinder veroorzaken. Als de verhuurder zich niet of op een verkeerde manier inzet tegen ernstige en herhaaldelijke hinder, kan de burgemeester direct een verhuurder aanspreken en hoeft de burgemeester daarvoor niet eerst de huurder te hebben aangesproken. Dit is wenselijk wanneer verschillende huurders van dezelfde verhuurder hinder hebben veroorzaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in panden waar meerdere huurders wonen of waar huurders snel wisselen. De burgemeester kan dan dus – als ultimum remedium – direct aan een verhuurder een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen.
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf Dit artikel geeft de burgemeester de mogelijkheid over te gaan tot sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als overlast, verstoring van de openbare orde of aantasting van het woon- en leefklimaat dreigt.
De burgemeester kan met behulp van artikel 2:80 optreden als in of vanuit een voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf strafbare feiten plaatsvinden waardoor de openbare orde of het woon- of leefklimaat nadelig wordt beïnvloed of als ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals garages, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op andere wijze toestaan. Ook geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden als er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen. Als sprake is van een illegaal gokpand is zonder meer sprake van een aantasting van de openbare orde (in ruime zin te verstaan). Gokpanden die tevens als woning in gebruik zijn, kunnen niet op basis van dit artikel uit de APV worden gesloten, maar op grond van artikel 174a Gemeentewet. Het artikel strekt niet tot uitvoering van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet. Een bevel op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet is pas op zijn plaats als er geen reguliere bevoegdheden toepasselijk zijn, bijvoorbeeld op grond van de APV, en onverwijlde spoed onmiddellijk optreden vergt.
De situatie moet tot onmiddellijk ingrijpen noodzaken: de bevelen op grond van artikel 174, tweede lid, moeten zien op concrete, zich direct aandienende, situaties die de veiligheid of de gezondheid bedreigen. Naast de bekendmaking aan belanghebbende wordt ter plaatse een afschrift van het besluit tot sluiting aangebracht. Zo is voor eenieder voldoende kenbaar dat gedurende de sluiting niemand het gebouw of daarbij behorende erf zonder toestemming van de burgemeester mag betreden. Het is verboden dat afschrift te verwijderen. Het zesde lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting. Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat Dit artikel geeft de burgemeester de bevoegdheid om bedrijfsmatige activiteiten aan te wijzen waarvoor een verbod geldt om deze zonder vergunning uit te oefenen.
Hij kan deze bevoegdheid inzetten als dat nodig is om verstoring van de openbare orde of nadelige beïnvloeding van de leefbaarheid tegen te gaan, als die wordt veroorzaakt door een onveilig en malafide ondernemersklimaat vanuit een gebouw, een branche of in een gebied. Daarom wordt het ook wel de ‘ondermijningsvergunning’ genoemd. Uit de jurisprudentie volgt dat het juridisch-technisch mogelijk is om de vergunningplicht bij een onveilig en malafide ondernemersklimaat in te zetten, maar dat de inzet van deze bevoegdheid wel goed moet worden gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de uitoefening van een bedrijf in de regel kwalificeert als het verrichten van een dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn. Op een vergunningstelsel dat de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert, heeft artikel 9 van de Dienstenrichtlijn betrekking. Dit betekent dat de burgemeester dient te onderbouwen dat een aanwijzingsbesluit tot het onderwerpen van dienstverrichters aan een vergunningstelsel een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt (de openbare orde en veiligheid zijn een dwingende reden van algemeen belang), niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt (de maatregel is geschikt, noodzakelijk en evenredig).
Aandachtspunten bij de onderbouwing kunnen zijn: De kwetsbaarheid van het aangewezen gebied of de aangewezen branche. Waarom staat de openbare orde en/of de leefbaarheid door de bedrijfsmatige activiteit daar onder druk? De mate waarin de vergunningplicht geschikt is om deze problematiek aan te pakken. Welk doel wordt met de introductie van de vergunningplicht bereikt? Hoe draagt de vergunningplicht bij aan de oplossing? De vraag of in het aangewezen gebied of branche malafide bedrijven zijn gevestigd. Waaruit blijkt dat bedrijven zijn gelieerd aan een malafide ondernemersklimaat?
De ervaringen van buurtbewoners of inwoners van de gemeente. Welke signalen ontvangt de gemeente van hen over de bedrijven of het aangewezen gebied? Het type bedrijf dat in het aangewezen gebied of in de branche aanwezig is. Zijn dit in zijn algemeenheid ‘ondermijningsgevoelige’ bedrijven? Een bredere aanpak van een bepaald gebied of een bepaalde branche. Is de vergunningplicht ingebed in een bredere aanpak van een bepaalde branche, wijk of gebied? Sluit de vergunningplicht goed aan bij het doel van deze bredere aanpak en de daarvoor genomen maatregelen? In het eerste lid worden veel voorkomende begrippen omschreven. Bij de uitoefening van een bedrijfsmatige activiteit gaat het om bedrijfsmatige activiteiten in voor het publiek openstaande gebouwen of op daarbij behorende erven, zoals winkels (al dan niet met een horecacomponent) of dienstverlenende bedrijven. Als bedrijfsmatige activiteit wordt niet aangemerkt (de uitoefening van) een slijtersbedrijf, horecabedrijf of andere openbare inrichting of een seksbedrijf, waarvoor al een vergunningplicht geldt op grond van artikel 3 van de Alcoholwet, respectievelijk artikel 2:28 of artikel 3:4 van de APV. Bij die vergunningaanvragen vindt al een vergelijkbare toetsing plaats. Ook de weigeringsen intrekkingsgronden zijn vergelijkbaar. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke persoon of op de rechtspersoon.
Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder berusten. Er wordt dus in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. De systematiek van dit artikel gaat uit van een gebouw-, gebieds- of branchegerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de gemeente geleverd worden. De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. De burgemeester wijst een bedrijfsmatige activiteit en gebouw of gebied uitsluitend aan als naar zijn oordeel de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed. Dit criterium drukt uit dat het voor een aanwijzing niet noodzakelijk is dat zich concrete incidenten hebben voorgedaan. Een aanwijzing kan ook preventief worden gegeven voor een branche, gebouw of gebied waar extra aandacht nodig is bijvoorbeeld om de leefbaarheid en openbare orde en veiligheid ten goede te keren.
Het belang van de verbetering van de situatie kan zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen gebouw verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak. De noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, wordt zorgvuldig gemotiveerd. De uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Bij een gebiedsgewijze aanpak wordt de noodzaak van de aanwijzing mede bezien in samenhang met de andere maatregelen in een gebied. De vergunning wordt op grond van artikel 1.7 verleend voor de duur van het aanwijzingsbesluit. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche. Dit maakt het voor de gemeente ook mogelijk om deze vergunningplichtige branches te screenen door middel van een Bibob-toets. Sinds 2013 is het toepassingsbereik van de wet Bibob uitgebreid, waardoor elke gemeentelijke vergunning die wordt afgegeven voor een bedrijfsmatige activiteit aan zo’n toets kan worden onderworpen. De algemene weigeringsgronden staan vermeld in artikel 1:8.
In het vijfde lid staan specifieke weigeringsgronden vermeld. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet.
Om oog te kunnen houden op relevante veranderingen moet de vergunningverlener daarvan weet hebben. De vergunninghouder is verplicht wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezette bedrijfsmatige activiteit, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet ook worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen. Ook als slechts een van de exploitanten stopt. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden als de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen. De algemene intrekkings- of wijzigingsgronden staan vermeld in artikel 1:6. In het negende lid staan de specifieke intrekkings- en wijzigingsgronden vermeld. Toezicht op en handhaving van de vergunningplicht is mogelijk door intrekking van een reeds verstrekte vergunning of door sluiting van het bedrijf. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Alcoholwet.
Als de exploitant zijn verplichtingen uit het artikel of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan er reden zijn de vergunning in te trekken. Onderdeel f is opgenomen om constructies van schijnbeheer tegen te kunnen gaan als de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals op de vergunning vermeld. Artikel 2:80 biedt de mogelijkheid overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten. Artikel 2:81 bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid wanneer sprake is van een vergunningplicht. Het toetsingskader voor sluiting is anders dan voor een vergunning. Als een sluiting op grond van artikel 2:80 in dezelfde situatie leidt tot het aanwijzen als vergunningplichtig, gevolgd door een weigering van de vergunning, dient de burgemeester ervoor te waken dat het oordeel over de vergunning niet vermengd raakt met het oordeel over de sluiting. Een besluit tot sluiting biedt de mogelijkheid tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb als het besluit niet wordt opgevolgd. Toepassen van bestuursdwang is een herstelsanctie en is gericht op het beëindigen van de gedragingen. Naast de bekendmaking aan belanghebbende wordt ter plaatse een afschrift van het besluit tot sluiting aangebracht. Zo is voor eenieder voldoende kenbaar dat gedurende de sluiting niemand het gebouw of daarbij behorende erf zonder toestemming van de burgemeester mag betreden.
Het is verboden dat afschrift te verwijderen. Het veertiende lid biedt de burgemeester de mogelijkheid om een sluiting op te heffen. De burgemeester zal daartoe in de regel alleen overgaan op het moment dat er voldoende garanties aanwezig zijn waaruit blijkt dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het pand gewaarborgd zijn. Hiervan is geen sprake als er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de situatie die heeft geleid tot een sluiting. De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten, gelden voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen en/of op een andere locatie dan voorheen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken.
Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.
De openbare orde en veiligheid vormen de reden om van een lex silencio positivo (van rechtswege verleende vergunning bij niet tijdig beslissen) af te zien. Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Artikel 4:1 Begripsbepalingen In dit artikel zijn de begrippen op alfabetische volgorde gezet. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten In dit artikel zijn de geluidsnormen meer gespecificeerd per tijdstip. De verwijzingen naar artikelen in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn aangevuld. Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten In dit artikel zijn concrete geluidsnormen opgenomen in plaats van een verwijzing naar de reguliere geluidsnormen. Daarnaast zijn de verwijzingen naar artikelen in het Activiteitenbesluit milieubeheer aangevuld. Artikel 4:5 Onversterkte muziek In dit artikel zijn twee leden toegevoegd. Het nieuwe zevende lid maakt de definitie van geluidsgevoelige ruimten waar de geluidsnormen voor gelden duidelijker. Het nieuwe achtste lid zorgt dat indien geluidsmetingen door de gebruiker van de geluidsgevoelige gebouwen niet toegelaten worden, de geluidsnormen niet gelden. Als niet gemeten kan worden of geluid over bepaalde normen heen gaat, dan kan hier ook niet op gehandhaafd worden en heeft een verbod geen zin.
Artikel 4:20 Verbod om de weg te gebruiken als slaapplaats Dit artikel is toegevoegd om handhaving op het slapen op openbare plaatsen mogelijk te maken.
Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Artikel 5:1 Begripsbepalingen De begrippen die in dit artikel beschreven waren werden ook in andere hoofdstukken van de APV gebruikt, om de uitleg van deze begrippen uniform te maken voor de hele APV zijn ze verplaatst naar artikel 1:1. Artikel 5:5 Voertuigwrakken Bij de uitvoering van dit artikel liep handhaving er tegenaan dat voertuigen niet altijd zowel rijtechnisch in onvoldoende staat waren als in kennelijk verwaarloosde toestand verkeerden. Daarom is het eerste lid aangepast zodanig dat niet beide zaken voorwaarden zijn om onder het verbod te vallen, maar één van beide zaken al voldoende is. Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. Aan onderdeel a ‘op de weg’ toegevoegd, zonder dit zinsdeel zou het verboden zijn om een kampeermiddel langer dan drie dagen in je bezit te hebben. Dat zou een veel te grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van inwoners zijn en is niet de intentie van dit artikel. De bedoeling is het voorkomen van te lang parkeren van campers en dergelijken op of aan de weg, op deze manier komt de inhoud van het artikel weer overeen met de intentie. Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen Het vierde lid beschreef hoe vergunningen bekend gemaakt moesten worden, dat is in hogere wetgeving geregeld en onnodig om in dit artikel te noemen.
Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water De gronden in verband waarmee de gedragingen beschreven in dit artikel verboden zijn stonden dubbel beschreven. Artikel 5:26 Aanwijzing ligplaats Het derde lid verplaatst naar artikel 5:27, aangezien daarin het desbetreffende verbod staat.
Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats Het tweede lid toegevoegd, dat stond per abuis bij artikel 5:26, maar hoort bij het verbod voor het innemen van een ligplaats. Artikel 5:31a Begripsbepalingen Het begrip ‘motorvoertuig’ wordt ook in andere hoofdstukken van de APV gebruikt, om de uitleg hiervan uniform te maken voor de hele APV is deze verplaatst naar artikel 1:1. Het begrip ‘bromfiets’ is duidelijk genoeg zonder gedefinieerd te worden.