CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 'Zienswijze concept Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16' - Bijlage 5 (Overzicht moties en amendementen contour).pdf

Gemeenteraad 15 juli 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 16.: Raadsvoorstel ‘Zienswijze concept Integraal Ruimtelijk Perspectief (IRP) U16’4.675 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beantwoording moties en amendementen (contour) 1. Bunnik – participatie in de regionale samenwerking aan de REP Omschrijving: Roept het college op om: ▪ Zo snel mogelijk een start te maken met participatie; ▪ Daarbij niet alleen te denken aan informeren maar ook hogere vormen van participatie zoals meedenken; ▪ Dat zowel op het lokale niveau als het subregionale als het regionale niveau te organiseren; ▪ Om dit op een niet vrijblijvende manier te borgen in het plan van aanpak fase 3. Reactie: Wat betreft participatie zijn in fase 3 diverse regionale belangenorganisaties uitgenodigd om inzichten te leveren op het IRP, dit zijn o.a. organisaties die thematisch de belangen van inwoners vertegenwoordigen. Daarnaast wordt er per gemeente geïnventariseerd waar er behoefte is aan ondersteuning o.g.v. lokale participatie. Deze behoefte is afhankelijk van welke status de vorming van de omgevingsvisie heeft, of hier al een participatieproces voor ingericht is en hoeverre de ambities van het IRP hier al in opgenomen zijn. Het REP kan hierin ondersteunen op het gebied van strategisch advies maar de uitvoer hiervan is de verantwoordelijkheid van de gemeente.

2. De Bilt – inwonersparticipatie en communicatie Ruimtelijk Economisch Programma U10 (REP) Omschrijving: Vraagt het college: ▪ Om de U10 te vragen in fase 3 inwoners te betrekken in de U10-communicatie (b.v. via gemeentenieuws, digitale communicatie) en in regionale participatieve sessies (in welke vorm dan ook digitaal/fysiek) Reactie: Wat betreft participatie zijn in fase 3 diverse regionale belangenorganisaties uitgenodigd om inzichten te leveren op het IRP, dit zijn o.a. organisaties die thematisch de belangen van inwoners vertegenwoordigen. Daarnaast wordt er per gemeente geïnventariseerd waar er behoefte is aan ondersteuning o.g.v. lokale participatie. Deze behoefte is afhankelijk van welke status de vorming van de omgevingsvisie heeft, of hier al een participatieproces voor ingericht is en hoeverre de ambities van het IRP hier al in opgenomen zijn. Het REP kan hierin ondersteunen op het gebied van strategisch advies maar de uitvoer hiervan is de verantwoordelijkheid van de gemeente.

3. De Bilt – Raad blijft aan zet, ook bij U10 samenwerking Omschrijving: Draagt het college op om: ▪ Binnen U10 verband aan te dringen op minimaal een actuele en transparante U10 website en nieuwsbrief met onder andere vooraf de te bespreken onderwerpen aan de U10 bestuurstafels; ▪ Binnen U10 verband erop aan te dringen om de gemeenteraden eens per kwartaal op de hoogte te houden van de ontwikkelingen binnen de U10 samenwerking; ▪ Binnen U10 verband aan te dringen op: o Minimaal een gelijke informatiepositie voor alle gemeenteraden o Een transparant en democratisch besluitvormingsproces voor gemeenteraden van de deelnemende gemeenten bij voorstellen vanuit de U10. Reactie: Zowel de raden als de colleges dragen, gezien het fundamentele karakter van de onderwerpen van de U10samenwerking, geen van hun bevoegdheden over aan een regionaal gremium zoals de U10. In elke gemeente is het aan het college om te borgen dat de gevraagde besluiten passen binnen de door de raad vastgestelde of opnieuw vast te stellen kaders. Daarover dient in een voorstel duidelijkheid te bestaan. Ook bieden voorstellen inzicht in eventuele spanning tussen lokale en regionale belangen. Dit betekent dus ook

dat een regionaal voorstel – volgens de U10 governance - altijd wordt voorzien van een lokale toelichting. College en/of raad wegen deze eventuele belangenverschillen. We hechten aan onze filosofie dat de U10 een netwerk is van colleges met de raden als besluitvormend orgaan. In die rol krijgen de U10 raden besluiten voorgelegd door hun eigen college. Soms aan het begin van een proces (kaderstellend) en soms aan het eind. In deze rol worden raden geïnformeerd door hun eigen college en vindt besluitvorming plaats volgens de eigen procedures. Desgewenst kan een vertegenwoordiging van de U10 worden uitgenodigd ter ondersteuning. Vanuit het REP worden de raden met raadsinformatiebijeenkomsten geïnformeerd over de ontwikkelingen. In april/mei zal tevens een Tour langs de raden worden georganiseerd om de raden te informeren over het concept IRP. Verder worden via de bestaande kanalen zoals de website, twitter-account en digitale nieuwsbrief raadsleden geïnformeerd over het U10 netwerk. In hoeverre bijeenkomsten en de website worden bezocht is uiteraard aan ieder raadslid zelf.

4. De Ronde Venen – Behoud vitale kernen na vaststellen van de REP Omschrijving: Roept het college op om: Het belang van iedere gemeente in de U16 afzonderlijk te waarborgen in het proces, zodat er voor elke gemeente ruimte is en blijft om eigen doelstellingen te realiseren omtrent wonen, werken, bereikbaarheid en duurzaamheid. Reactie: Zowel de raden als de colleges dragen, gezien het fundamentele karakter van de onderwerpen van de U10samenwerking, geen van hun bevoegdheden over aan een regionaal gremium zoals de U10. In elke gemeente is het aan het college om te borgen dat de gevraagde besluiten passen binnen de door de raad vastgestelde of opnieuw vast te stellen kaders. Daarover dient in een voorstel duidelijkheid te bestaan. Ook bieden voorstellen inzicht in eventuele spanning tussen lokale en regionale belangen. Dit betekent dus ook dat een regionaal voorstel – volgens de U10 governance - altijd wordt voorzien van een lokale toelichting. College en/of raad wegen deze eventuele belangenverschillen. We hechten aan onze filosofie dat de U10 een netwerk is van colleges met de raden als besluitvormend orgaan. In die rol krijgen de U10 raden besluiten voorgelegd door hun eigen college. Soms aan het begin van een proces (kaderstellend) en soms aan het eind. In deze rol worden raden geïnformeerd door hun eigen college en vindt besluitvorming plaats volgens de eigen procedures.

Desgewenst kan een vertegenwoordiging van de U10 worden uitgenodigd ter ondersteuning. De gemeenteraden worden in het najaar van 2021 gevraagd met deze visie toe te stemmen (consent). Met deze toestemming ontstaat er lokaal commitment op de integrale regionale opgave. Het IRP kan hiermee doorwerken in de gemeentelijke omgevingsvisies en lokale beleidsstukken die de komende jaren worden opgesteld. Hiermee is het IRP een belangrijke schakel richting de uitvoering. En kunnen we als regio slagvaardig aan de slag in verschillende allianties.

5. Stichtse Vecht – Raad blijft aan zet, ook bij U10 samenwerking Omschrijving: Draagt het college op om: ▪ Binnen U10 verband aan te dringen op minimaal een actuele en transparante U10 website en nieuwsbrief met onder andere vooraf de te bespreken onderwerpen aan de U10 bestuurstafels; ▪ Binnen U10 verband erop aan te dringen om de gemeenteraden eens per kwartaal op de hoogte te houden van de ontwikkelingen binnen de U10 samenwerking; Reactie: Zowel de raden als de colleges dragen, gezien het fundamentele karakter van de onderwerpen van de U10samenwerking, geen van hun bevoegdheden over aan een regionaal gremium zoals de U10. In elke gemeente is het aan het college om te borgen dat de gevraagde besluiten passen binnen de door de raad vastgestelde of opnieuw vast te stellen kaders. Daarover dient in een voorstel duidelijkheid te bestaan. Ook

bieden voorstellen inzicht in eventuele spanning tussen lokale en regionale belangen. Dit betekent dus ook dat een regionaal voorstel – volgens de U10 governance - altijd wordt voorzien van een lokale toelichting. College en/of raad wegen deze eventuele belangenverschillen. We hechten aan onze filosofie dat de U10 een netwerk is van colleges met de raden als besluitvormend orgaan. In die rol krijgen de U10 raden besluiten voorgelegd door hun eigen college. Soms aan het begin van een proces (kaderstellend) en soms aan het eind. In deze rol worden raden geïnformeerd door hun eigen college en vindt besluitvorming plaats volgens de eigen procedures. Desgewenst kan een vertegenwoordiging van de U10 worden uitgenodigd ter ondersteuning. Vanuit het REP worden de raden met raadsinformatiebijeenkomsten geïnformeerd over de ontwikkelingen. In april/mei zal tevens een Tour langs de raden worden georganiseerd om de raden te informeren over het concept IRP. Verder worden via de bestaande kanalen zoals de website, twitter-account en digitale nieuwsbrief raadsleden geïnformeerd over het U10 netwerk. In hoeverre bijeenkomsten en de website worden bezocht is uiteraard aan ieder raadslid zelf.

6. Stichtse Vecht – Cumulatie van geluid Omschrijving: Draagt het college op om: ▪ Ervoor zorg te dragen dat in het beoordelingskader een passage wordt opgenomen dat een toetsing plaats moet vinden ter voorkoming van een cumulatie van geluidseffecten waardoor mensen excessief overlast zouden kunnen ervaren en dat over de afweging ook gerapporteerd wordt; ▪ De aanpassing tevens te betrekken bij de omgevingsvisie. Reactie: 1) In het beoordelingskader is geluid een van de kernindicatoren. Bij de beoordeling daarvan wordt op meerder manieren naar mogelijke geluidsoverlast gekeken. Zo gaat het om: ruimtelijke ontwikkeling op locaties waar verschillende niveaus van geluidbelasting bestaan, effecten van nieuwe infrastructuur op bestaande en nieuwe woningen en de extra geluidsbelasting van nieuw verkeer als gevolg van nieuwe plekken waar wordt gewoond of gewerkt. Door ook de combinaties van deze effecten mee te wegen zit cumulatie van geluidsoverlast wel in het beoordelingskader. Er is dus geen aanleiding het beoordelingskader aan te passen. Overigens worden in dit stadium geen gedetailleerde geluidsberekeningen gemaakt maar vindt een kwalitatieve beoordeling plaats. 2) Het Integraal Ruimtelijk Perspectief heeft niet de status van Omgevingsvisie. Bij een verdere uitwerking van de plannen zullen de geluidseffecten door gemeenten worden getoetst aan de wettelijke kaders.

Eventueel kan dat leiden tot compenserende en mitigerende maatregelen.

7. Utrecht – Werken binnen de grenzen van de aarde Omschrijving: Verzoekt het college: ▪ Zich in te zetten om de Contour REP te laten wijzigen zodat aan de uitgangspunten voor de pijler werken wordt toegevoegd: Circulariteit: de ruimtelijke en economische ontwikkelingen in de regio blijven binnen de grenzen van de aarde (boven het sociale minimum, onder het ecologisch plafond) Reactie: De uitgangspunten over de te accommoderen vraag van de verschillende functies (dus ook ‘Werken’) zijn bestuurlijk vastgesteld. Het Integraal Ruimtelijk Perspectief is het resultaat van de zoektocht hoe de verschillende opgaven het beste kunnen worden geaccommodeerd. Voor het thema Werken zijn daarbij de volgende vragen geformuleerd: Hoe maken we de slag naar een circulaire economie in 2050? Hoe zorgen we voor voldoende werkgelegenheid voor iedereen? Hoe behouden en versterken we ons economisch regionaal profiel?

De gedachtenvorming over de sociale en ecologische grenzen waarbinnen een duurzame economische ontwikkeling en welvaart voor iedereen op termijn houdbaar is staan, onder meer door de klimaatverandering en sociale vragen van deze tijd in hernieuwde belangstelling. Zo gaan bijvoorbeeld ook de in VN-verband afgesproken Sustainable Development Goals (SDGs) over deze thema’s. Deze SDGs komen voor een groot deel terug in het beoordelingskader (zie Aangepast beoordelingskader Integraal Ruimtelijk Perspectief (REP), maart 2020). Niet alle SDG’s komen in het beoordelingskader terug: onderwijs, gelijke rechten etc. vallen buiten de fysiek ruimtelijke invloedssfeer van het IRP. Een complexiteit bij de in de motie genoemde grenzen is dat deze (nog) niet exact zijn vast te stellen. Er wordt daarom gestreefd naar het zo veel mogelijk beperken van ecologische impacts en het bevorderen van inclusiviteit. Het bevorderen van circulariteit in de economie is daarom ook een van de subdoelen in het beoordelingskader. In (sub)beoordelingscriteria wordt verder gekeken naar indicatoren die ingaan op sociale aspecten en aspecten van een duurzame en gezonde leefomgeving.

Zo wordt er ingegaan op emissies, veiligheid, klimaatadaptatie, energietransitie, aantal banen en de ruimteintensiteit daarvan, gezonde en veilige arbeidsomstandigheden, de complementariteit van werklocaties (om circulariteit te bevorderen), innovatie in de economie, maar ook naar natuur en biodiversiteit.

8. Utrechtse Heuvelrug – De impact van alles1 Omschrijving: Besluit: ▪ Een passage toe te voegen aan de zienswijze onder punt 5, als een punt 6 of bij de slotalinea (keuze College): ‘Een onderzoeksvraag te wensen gericht op alle bovenlokale ruimtelijke consequenties van de verstedelijkingskeuze. Daarmee wordt de manier waarop de keuze bovenlokaal doorwerkt, evenals de beperkingen van deze keuze voor onze leefomgeving, inzichtelijk, bespreekbaar en onderdeel van de afweging." En verzoekt daarnaast het resultaat/antwoord op deze vraag mee te nemen in het beoordelingskader’. Reactie: In het Integraal Ruimtelijk Perspectief wordt integraal naar de opgaven en de oplossingsrichtingen gekeken. Daarbij zijn de uitgangspunten over de te accommoderen vraag van de verschillende functies bestuurlijk vastgesteld. De effecten van het accommoderen van die vraag worden zowel lokaal, bovenlokaal als regionaal beschouwd. In het IRP is er een indeling in vijf deelgebieden waarin de verdeling van effecten duidelijk wordt. In het beoordelingskader wordt ook integraal gekeken naar de effecten van de verschillende ruimtelijke keuzes die worden gemaakt waarbij in beeld wordt gebracht welke consequenties keuzes hebben voor verschillende functies. Ook het ruimtebeslag van (agrarische) functies komt aan bod.

9. Bunnik – Natuur-inclusief bouwen/op de natuur gebaseerde oplossingen (Nbs) in het REP Omschrijving: Roept het college op om: ▪ De term Natuur-inclusief/Nbs bouwen in te brengen in het vervolgproces van het REP en hiermee het thema Natuur en Landschap te versterken. ▪ We zien graag dat in de uitwerking van de beoordelingskader de economische meerwaarde van natuur-inclusief bouwen/Nbs (in al zijn aspecten) zo goed mogelijk wordt meegenomen. ▪ De indicatoren en doelstellingen waarmee natuur-inclusief bouwen/Nbs is verweven (zoals een gezonde levensstijl en het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit) in de verschillende hoofd- en subdoelen zo goed mogelijk onder de aandacht brengen. Reactie: Natuur-inclusief bouwen is benoemd in perspectief 1: in 2040 leven we in een groene en gezonde leefomgeving en redeneerlijn 1: de Utrechtse trots als basis.

1

Met de beantwoording van deze motie beogen wij tevens te voorzien in de beantwoording van de zienswijzen.

10. Houten – Groene schaalsprong Omschrijving: Roept het college op: ▪ Aan te dringen op een groene schaalsprong met concrete doelen in het Ruimtelijk-Economisch Programma, waarin behoud en versterking van natuur ter hand wordt genomen in combinatie met de andere doelstellingen in het REP. ▪ De raad op de gebruikelijke wijze te informeren over de uitkomsten van het overleg hierover. Reactie: Groen- en landschapsopgaven zijn in het IRP randvoorwaardelijk gekoppeld aan de verstedelijkingsopgave. De groen- en landschapsopgaven zijn gekwantificeerd in het pijlerrapport. Dit staat in perspectief 1: in 2040 leven we in een groene en gezonde leefomgeving benoemd en is de titel van redeneerlijn 1: de Utrechtse trots als basis. In redeneerlijn 1 wordt daar nader op ingegaan en is de randvoorwaardelijkheid gespecificeerd. Ook bij de inleiding van redeneerlijn 4: nieuwe metropoolpoorten maken van Utrecht het polycentrische hart van de regio en redeneerlijn 6: nieuwe uitleglocaties (beperkt) nodig, is dit benoemd. Bij de thematische verdieping landschap wordt dit uitgelegd in relatie tot meekoppelkansen. Tot slot wordt in het ontwikkelpad 4.1 deze randvoorwaardelijkheid herhaald.

11. Houten – Het behouden en versterken van de agrarische sector Omschrijving: Het college op te roepen om zich in U16 verband sterk te maken om in de Contour en het Integraal Ruimtelijk Perspectief meer aandacht te besteden aan ‘het behouden en versterken van de agrarische sector’ en subkernindicatoren zoals: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Aantal innovaties in de agrarische sector; Kansen en mogelijkheden voor nieuwe verdienmodellen voor agrariërs als compensatie voor extensivering; Invulling van agrarische bestemmingen voor combinaties met zorg-, woon-, en recreatiefuncties, energie en kleinschalige bedrijvigheid; Voldoende (ondernemings-)ruimte voor vitale landbouw, en Steun en positieve campagne van de omgeving en de agrarische sector.

Reactie: Het belang van de agrarische sector is een aandachtspunt en is onderdeel van de landelijke discussie over de transitie naar circulaire en bio diverse landbouw in evenwicht met het landschap en een eerlijk verdienmodel voor de agrariër. Deze aspecten staan ook beschreven in de pijlerrapporten omtrent landschap. De inhoud van de pijlerrapporten is besproken aan de bestuurstafel Groen & Landschap en de opmerkingen daarvan zijn meegenomen in het IRP. De discussie wordt niet enkel in het IRP opgelost, maar wordt ook op provinciaal niveau gevoerd (o.a. in de gebiedscommissie Utrecht-West). De agrarische sector komt in het IRP aan bod in opgave 1: landschap, water en groen, in perspectief 1: in 2040 leven we in een groene en gezonde leefomgeving, in perspectief 7: in 2040 leven we in een klimaatadaptieve en waterrobuuste regio en in redeneerlijn 1: de Utrechtse trots als basis. Daarnaast is het onderdeel van de thematische verdiepingen voor landschap, water en groen, in de algemene gebiedsopgaven: stimuleren van transitie van reguliere landbouw naar economisch-rendabele kringlooplandbouw en de specifieke gebiedsopgave 7: agrarische groenblauw netwerk. In dat hoofdstuk staat bij uitvoeringsvraagstukken ‘perspectief agrarische sector’ nadrukkelijk genoemd voor nadere uitwerking.

12. Lopik – Het belang van de vijfde pijler Omschrijving: De raad heeft zich unaniem uitgesproken om extra nadruk te leggen op de vijfde pijler. Dit is als opmerking toegevoegd aan het raadsbesluit. Reactie:

Redeneerlijn 1 geeft invulling aan deze motie: Utrechtse Trots als basis (waarbij Utrechtse Trots staat voor de hoge intrinsieke kwaliteit van het landschap). Bovendien is nu gesteld dat de landschappelijke opgaven randvoorwaardelijk zijn voor de stedelijke ontwikkeling.

13. Oudewater – Belang van het Groene Hart Omschrijving: Spreekt uit als zijn mening: ▪ Dat het Nationaal Landschap “het Groene Hart” een erkenning verdient als dragend element in de ruimtelijke contour; ▪ Dat het Groene Hart ook op de kaartbeelden opgenomen moet worden en als onderdeel van het “natte Westen” wordt ingebouwd. ▪ Dat de reeds aanwezige grote kwaliteiten van het Groene Hart als zodanig benut moeten worden en niet slechts ingepast moeten worden in de ontwikkelingen vanuit het stedelijk gebied (landschappen voor de toekomst in plaats van landschappen van de toekomst); ▪ Dat samen met de landbouw, als belangrijke beheerder van het cultuurlandschap, ontwikkelingen en kansen voor die sector worden gezocht, in het belang van duurzame (regionale) voedselproductie, mede ter behoud van het karakteristieke landschap. Reactie: In redeneerlijn 1: de Utrechtse trots als basis, is opgenomen dat wordt aangesloten bij de agenda van het NOVI-gebied Het Groene Hart en de daarbij horende overleggen en afspraken voor Het Groene Hart. Daarnaast wordt het Groene Hart genoemd als onderdeel van de landschappelijke gebiedsopgave in paragraaf 2.3 en in de deelgebiedsopgaven in hoofdstuk 3.

14. Utrecht – Klimaatcrisis en biodiversiteit zijn ook urgent Omschrijving: Verzoekt het college: ▪ In overleg te gaan met de U16 partners met als inzet de Contour REP te laten wijzigen en niet alleen urgenties te benoemen op bijvoorbeeld de woningmarkt en mobiliteitsopgave, maar ook ten aanzien van de klimaatcrisis of biodiversiteitscrisis. Bijvoorbeeld door deze punten toe te voegen op pagina 18, paragraaf 1.7 in de tweede kolom bij het eerste puntje. Reactie: Het wijzigen van de Contour REP is niet mogelijk. De strekking van deze motie is meegenomen bij het IRP. Zo is klimaatadaptatie benoemd in perspectief 7: in 2040 leven we in een klimaatadaptieve en waterrobuuste regio, en komt het onderwerp ook terug in diverse redeneerlijnen (o.a. landschap, vitale kernen, werken). Daarnaast is klimaatadaptatie onderdeel van de verschillende gebiedsopgaven in hoofdstuk 3. Biodiversiteit heeft de aandacht in het IRP en wordt benoemd in opgave 1: landschap, water en groen en redeneerlijn 1: de Utrechtse trots als basis. Natuur-inclusief bouwen beoogt een bijdrage te leveren aan de biodiversiteit.

15. Utrechtse Heuvelrug – Niet-toegankelijke natuur en stiltegebieden2 Omschrijving: Besluit toe te voegen aan het voorgestelde besluit, “met dien verstande dat, bij… Aandachtspunt 5: groen en landschap:

2 Met de beantwoording van deze motie beogen wij tevens te voorzien in de beantwoording van de zienswijzen.

“Wat ons betreft…teveel nadruk op recreatief groen…en er is te weinig aandacht voor het versterken van de intrinsieke waarden van natuur en de landschappen in de buitengebieden.” De zin: “Bij een verdere uitwerking zou dit expliciete aan de orde moeten komen” Aangevuld wordt met: “, waarbij juist ook aandacht is voor niet toegankelijke natuur en stiltegebieden.” Reactie: In opgave 1 is het behouden en verbeteren van de ‘Utrechtse Trots’, waaronder natuurwaarden, helder benoemd. In redeneerlijn 1: de Utrechtse trots als basis is het versterken van de intrinsieke kwaliteit van natuur en landschap daarnaast benoemd als een van de keuzes. Verdere uitwerking daarvan volgt in fase 4.

16. Utrechtse Heuvelrug – Wateropvang en natuur3 Omschrijving: Toe te voegen aan het voorgestelde besluit, “met dien verstande dat,…. 1. Bij het aandachtspunt 5 (groen en landschap) wordt gevraagd om bij de uitwerking van de U10 produkten en het Perspectief ook aandacht te geven aan het ontwikkelen/versterken van nieuwe (natte) natuur voor het vasthouden en opvangen van water en dit te koppelen aan de doelstellingen voor klimaatadaptatie van de regio. 2. De uitkomsten hiervan te bespreken aan de bestuurstafel Natuur en Landschap en op te nemen en te verwerken in het Integraal Ruimtelijk Perspectief U16. Reactie: De input vanuit de bestuurstafel Groen en Landschap is meegenomen en verwerkt in het IRP. Het ontwikkelen en versterken van nieuwe (natte) natuur voor het vasthouden en opvangen van water en de koppeling met klimaatadaptatie is opgenomen in opgave 1: landschap, groen en water en staat daarnaast benoemd in perspectief 1: in 2040 leven we in een groene en gezonde leefomgeving en in perspectief 7: in 2040 leven we in een klimaatadaptieve en waterrobuuste regio. De combinatie van natuur-en wateropgaven is benoemd in redeneerlijn 1: de Utrechtse trots als basis. In de redeneerlijn 3: een gezonde regio begint met vitale kernen wordt deze opgave bijvoorbeeld specifiek gekoppeld aan stedelijke ontwikkelingen.

In de thematische verdieping 2.3 (landschap – gebiedsopgave) en in hoofdstuk 3 omtrent de deelgebieden is eveneens aandacht voor dit onderwerp. Klimaatadaptatie is benoemd in perspectief 7: in 2040 leven we in een klimaatadaptieve en waterrobuuste regio en komt het onderwerp ook terug in diverse redeneerlijnen (o.a. landschap, vitale kernen, werken). Daarnaast is klimaatadaptatie onderdeel van de verschillende gebiedsopgaven in hoofdstuk 3.

17. Wijk bij Duurstede – Gebied rond Gravenbol Omschrijving: Spreekt uit: Dat Wijk bij Duurstede zich nadrukkelijk vanuit de Kromme Rijn Delta inzet voor ontwikkeling van de Groen en Blauwe Recreatiezone in het gebied rond de Gravenbol, dat van groot belang is voor de regio in zijn algemeenheid en Wijk bij Duurstede in het bijzonder. Reactie: De ontwikkeling van Gravenbol en de verplaatsing van het recreatiegebied richting de stad waardoor op de huidige locatie meer ruimte is voor natuurontwikkeling in de Lunenburgerwaard is opgenomen in deelgebiedbeschrijving 3.1. Kromme Rijn Vallei.

3 Met de beantwoording van deze motie beogen wij tevens te voorzien in de beantwoording van de zienswijzen.

18. Woerden – Vastleggen huidige toestand landschappelijke kwaliteit Omschrijving: Verzoekt het college: 1. Bij de U16 gemeenten er op aan te dringen de huidige toestand van de landschappelijke kwaliteit met meetbare gegevens te onderbouwen. Reactie: In het 1e pijlerrapport van BVR (Ontwikkelbeeld Groen en Landschap) zijn de kernkwaliteiten en structuurdragers in grotere eenheden en in grote lijnen benoemd. De kaarten en beelden uit het eerste pijlerrapport hebben de basis gevormd voor de ontwikkelingskaarten uit het derde rapport en vervolgens ook het IRP. In de contour is een beschrijving gegeven van de Utrechtse Trots en de kwaliteiten zoals ze aanwezig zijn in de regio. In het IRP is bekeken welke ontwikkelingen en toevoegingen op het gebied van groen en landschap wenselijk zijn. De inbreng vanuit de bestuurstafel groen en landschap is daarin leidend geweest.

19. Bunnik – Mobiliteit Omschrijving: Roept het college op: In U16 verband zich sterk te maken om een paragraaf voor de mobiliteit toe te voegen aan de Contour, of althans de REP. Dit inclusief het daarbij behorende kaartmateriaal en daarbij eveneens een pleidooi te houden voor de voor Bunnik (en buurgemeenten) belangrijke volledige aansluiting op de A12 bij de Limesbaan, niet in de laatste plaats i.v.m. de omlegging van de N229. Reactie: De genoemde infrastructurele mogelijkheden en opties in relatie tot verstedelijkingslocaties zijn weergegeven in de teksten voor mobiliteit in het ontwerp IRP. De opties voor de volledige aansluiting Limesbaan en omlegging N229 zijn daarin opgenomen.

20. De Ronde Venen – Verbreding verstedelijkingsprincipes Omschrijving: Verzoekt het college: In het verdere proces van de REP zich in te zetten voor verbreding van de verstedelijkingsprincipes met als doel het niet alleen mogelijk maken van woningbouw rond OV-knooppunten, maar ook langs hoogwaardige OV-lijnen. Reactie: In zowel de thematische teksten over verstedelijking rond knooppunten, vitale kernen en in de teksten over deelgebieden is de verbreding van verstedelijkingsprincipes overgenomen.

21. Houten – Mobiliteit Omschrijving: Ondergetekenden stellen de volgende motie voor: ▪ Het college op te roepen om zich in U16 verband sterk te maken om een paragraaf voor de auto(mobiliteit) toe te voegen aan de Contour. Dit inclusief het daarbij behorende kaartmateriaal en daarbij tevens een pleidooi te houden voor de voor Houten belangrijke aansluiting op de A12. Reactie: De genoemde infrastructurele mogelijkheden en opties in relatie tot verstedelijkingslocaties zijn weergegeven in de teksten voor mobiliteit in het ontwerp IRP. De opties voor de volledige aansluiting Limesbaan en omlegging N229 zijn daarin opgenomen.

22. Stichtse Vecht – Aanscherpen denkrichtingen knooppunt Loenersloot Omschrijving: Verzoekt het college om: 1. In de verdere uitwerking van de contour REP (onderzoeksagenda) te pleiten voor verschillende denklijnen/scenario’s voor het eventuele nieuwe knooppunt bij Loenersloot/N201, zodat de raad van Stichtse Vecht en inwoners in het participatieproces beter geïnformeerd zijn over de wenselijkheid van een ontwikkelopgave op deze locatie. Reactie: Knooppunt Loenersloot is afgevallen als optie voor verstedelijking en/of OV-knooppunt in het ontwerp IRP.

23. De Ronde Venen – Overleg met Rijk en Provincie over woningbouw in de Ronde Venen Omschrijving: Roept het college op: ▪ De Minister van BZK te melden dat wij met onze gemeente willen voldoen aan de door haar geschetste behoefte voor woningbouw en de beschikbare locaties hebben om 4.800 woningen te bouwen tot 2040. ▪ En met haar, gezamenlijk met provincie Utrecht in overleg te treden om te zien hoe er snel samengewerkt kan worden om deze woningbouw in de gemeente Ronde Venen mogelijk te maken. Reactie: Geen actie voor het IRP.

24. Nieuwegein – Regionaal gelijkere verdeling Omschrijving: Verzoek het college: ▪ Aan de verschillende bestuurstafels U10/U16 te bespreken op welke wijze regionaal beleid kan worden ontwikkeld waardoor er een gelijkere in- en uitstroom van hoge en lage inkomens kan worden gerealiseerd in gemeenten, met als doel dat de toevoeging in de diverse segmenten goed over de gemeenten wordt verdeeld. Verzoekt de griffier: ▪ De brief alsmede de concept motie toe te zenden aan de U10/U16 gemeenten. ▪ In de U16 voor te stellen om de gemeenteraden over dit thema, op een gepast moment, met elkaar in gesprek te laten gaan. Reactie: Het gesprek is gestart met een raadsbijeenkomst over dit onderwerp georganiseerd door de raad van Nieuwegein. In het IRP is vooral de noodzaak om de regio betaalbaar te houden voor iedereen en de vraag naar woonmilieus opgenomen. Daarnaast is een kwalitatieve analyse opgenomen in het IRP. Verdere uitwerking daarvan volgt in fase 4 en in het regionaal programmeren.

25. Utrecht – van Stadsakkoord naar Regionaal Akkoord Wonen (RAW) Omschrijving: Draagt het college op: ▪ In gesprek te gaan met Provincie, buurgemeenten, ontwikkelaars, corporaties en andere marktpartijen in de regio (U16) met het doel om te komen tot een Regionaal Akkoord Wonen (RAW);

▪ ▪ ▪

De raad tussentijds over de voortgang te informeren; Voor het afsluiten van het Regionaal Akkoord Wonen (RAW) gebruik te maken van de kennis en ervaring die zijn opgedaan bij het “stads akkoord wonen”; Hiervoor het Stedelijk Actieplan Studentenhuisvesting, Actieplan Middenhuur en prestatieafspraken met corporaties te gebruiken als bouwsteen en als voorbeeld.

Reactie: De gesprekken hierover worden in de regio gevoerd. Verdere uitwerking daarvan vindt plaats in fase 4 en in het regionaal programmeren.

26. Utrechtse Heuvelrug – Regionale woningverdeling4 Omschrijving: Besluit: Om het raadsbesluit 2020-228, titel: “U10/U16 Contour Ruimtelijk Economisch Programma en aangescherpt beoordelingskader” te wijzigen door ▪ Het bestaande beslispunt te schrappen; ▪ Een beslispunt 1 toe te voegen, dat luidt: In de voorgestelde brief: “Zienswijze college Utrechtse Heuvelrug op U10 Contour Ruimtelijk Economisch Perspectief” aan paragraaf 2. Wonen, toe te voegen: Ook op regionaal niveau vragen wij bijzondere aandacht voor de woonruimteverdeling t.b.v. de lagere inkomensgroepen. Het z.g. ‘sociale huurwoningsegment’. Bij gebrek aan deze woningen, en door het ontbreken van geschikte voldoende huur-middenwoningen, vindt in verschillende gemeenten (en plaatsen) geen goede doorstroming van woningen plaats. Hierdoor vindt onder anderen het zogenaamde “scheef wonen” plaats. Met als uiteindelijk gevolg bijzonder lange wachttijden van soms 8 tot 10 jaar voor mensen in met name lagere inkomensgroepen. Hiervoor, samen met de woningcorporaties, een oplossing zien te vinden is ons inziens zeker een noodzakelijk, regionaal aandachtspunt. ▪ Een beslispunt 2 toe te voegen, dat luidt: In te stemmen met de aldus gewijzigde brief van het college (zienswijze) aan de bestuurlijke opdrachtgevers REP U10 in reactie op de voorliggende Contour en het geactualiseerde beoordelingskader.

Reactie: In het IRP is de noodzaak om de regio betaalbaar te houden voor iedereen en de vraag naar woonmilieus opgenomen. Daarnaast is een kwalitatieve analyse opgenomen in het IRP. Verdere uitwerking daarvan volgt in fase 4 en in het regionaal programmeren.

4 Met de beantwoording van deze motie beogen wij tevens te voorzien in de beantwoording van de zienswijzen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/397/documents/12483