CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel 'Vaststellen bestemmingsplan Tappersheul III - bedrijventerrein en sportvoorzieningen' - Bijlage 4 (Toelichting - bijlage 6).pdf

Gemeenteraad 16 december 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan Tappersheul III - bedrijventerrein en sportvoorzieningen10.877 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA IEPENWEG EN TOLEIND TE OUDEWATER

Rapportage quickscan flora en fauna Iepenweg en Toleind te Oudewater Opdrachtgever

Gemeente Oudewater Postbus 100 3420 DC Oudewater

Rapportnummer Versienummer

4223.006 D3

Status

Eindrapportage

Datum

17 oktober 2019

Vestiging

Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 010 - 7640828 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

M. Mougenot, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.N. de Keijzer

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 6

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 7 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................. 10 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 7 Soortenbescherming ........................................................................................................ 7 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 8 Houtopstanden ................................................................................................................. 9

Broedvogels .................................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 16 Heikikker ......................................................................................................................... 16 Algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieën .................................... 17 Vissen ............................................................................................................................. 17 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 18

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 19 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 19 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 20

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 22

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 4223.006

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van gemeente Oudewater opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Iepenweg en Toleind te Oudewater. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Binnen de onderzoekslocatie is de initiatiefnemer voornemens een bedrijfsterrein te realiseren. De quickscan flora en fauna heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 1 van 31

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (15 ha) ligt aan de Iepenweg en Toleind, circa 1 kilometer ten noordoosten van de kern van Oudewater en bevindt zich in de Polder Noord-Linschoten. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie is volledig onbebouwd en voor zover bekend is de onderzoekslocatie nimmer bebouwd geweest. De locatie is op meerdere plekken gescheiden door watergangen. De westelijke helft van het plangebied is als parkje ingericht en het oostelijk deel bestaat uit weilanden. Langs de noordwestelijke grens en in het midden van het plangebied loopt een wandelpad. Daarnaast loopt dit wandelpad langs de watergangen gelegen ten noorden, noordoosten en noordwesten van het plangebied. Verder bevinden zich op het plangebied bosjes, houtopslagen met struiken, watergangen, twee ondiepe poeltjes omringd door bosschages en in het noorden een moerasje begroeid met riet en lisdodde. De bodem van het park is begroeid met ruigtekruiden typerend voor voedselrijke graslanden zoals fluitenkruid, brandnetels, vogelmuren, raapzaad, pitrus en akkerdistels. Daarnaast bevinden zich enkele populieren verspreid over het zuidwestelijke deel van de onderzoekslocatie. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich het bedrijventerrein Tapersheul. Ten noorden, oosten en zuiden bevindt zich een uitgestrekt weidegebied met enkele agrarische percelen. De percelen zijn langgerekt noord/zuid georiënteerd, ingericht volgens de typische cope verkaveling.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 2 van 31

In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 17 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 3 van 31

Figuur 3. Zicht op het plangebied vanaf de Toleindop, richting het noorden.

Figuur 4. Foto van knobbelzwaan waargenomen naast de zuidelijkgelegen watergang.

Figuur 5. Zicht op de centraal gelegen watergang (zuidelijk deel van het plangebied).

Figuur 6. Foto van de oostelijk gelegen watergang, foto richting het zuiden.

Figuur 7. Foto van een rustende ransuil.

Figuur 8. Foto van een van de meerdere aangetroffen nesten.

Figuur 9. Zicht vanaf het noorden van de Iepenweg op de begrenzing van het onderzoeksgebied.

Figuur 10. Overzichtsfoto richting het noorden. Foto genomen vanaf de zuidelijke deel van de Iepenweg.

Figuur 11. Foto van de ingang (Iepenweg), richting het oosten.

Figuur 12. Foto van biddende torenvalk boven het plangebied.

Figuur 13. Foto van een buizerd buiten het plangebied (oostelijk gelegen weiland).

Figuur 14. Zicht op de ten oostelijk gelegen watergang.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 4 van 31

Figuur 15. Ondiep poeltje (zie figuur 2, poeltje 1).

2.2

Figuur 16. Tweede ondiep poeltje (zie figuur 2, poeltje 2).

Figuur 17. Noordgrens plangebied met aan de rechterzijde derde ondiep poeltje met rietvegetatie (zie figuur 2, poeltje 3).

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens een bedrijventerrein te realiseren. Dat betreft meerdere bedrijf gerelateerde gebouwen. Ten behoeve van de werkzaamheden zullen de bomenrijen, houtopstanden, struiken en poeltjes binnen het plangebied worden verwijderd. Het moerasgebied, gelegen in het noordelijke deel van de onderzoekslocatie (zie figuur 2, nummer 3), blijft behouden alsmede de bomenrijen langs de westelijke grens.

Figuur 18. Beoogde plannen.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 5 van 31

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. De veldbezoeken zijn afgelegd op 15 november 2017 en 18 maart 2019. Tijdens deze veldbezoeken is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende deze veldbezoeken is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Utrecht geraadpleegd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 6 van 31

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 7 van 31

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 8 van 31

De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 9 van 31

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit zijn: huismus, kerkuil, steenuil, roek, buizerd, ooievaar, slechtvalk, boomvalk, ransuil en sperwer. Van deze soorten kunnen de gebouwgebonden broedvogels op voorhand worden uitgesloten, zoals de huismus en kerkuil. Deze soorten broeden enkel in bebouwing welke geheel ontbreekt op de onderzoekslocatie. Steenuil Binnen de onderzoekslocatie bevindt zich potentieel broedgebied voor de steenuil. Graslanden afgewisseld met dichte struiken en bosschages vormen een potentieel leefgebied voor steenuil. Volgens de NDFF zijn steenuilen waargenomen binnen 1 kilometer van het plangebied. Plangebied is in potentie geschikt als broedlocatie en foerageergebied, evenals de omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen van de steenuil gedaan, maar de aanwezigheid kan niet worden uitgesloten (niet het goede seizoen en onoverzichtelijke stukken). Indien het plangebied gebruikt wordt door de steenuil als broedgebied of essentieel foerageergebied dan zullen ingrepen mogelijk verstorend of schadelijk zijn (zie hoofdstuk 6). Ransuil Volgens NDFF bevinden zich ten westen van de tennisclub Heksenmeppers bekende rustplekken van deze soort.

De omgeving alsmede het plangebied is geschikt als potentieel leef-, foerageer- en broedgebied voor deze soort, vanwege het voorkomen van bosjes, houtopstanden, muizenrijke weilanden en verlaten kraaien en eksternesten. Tijdens het veldbezoek (18 maart 2019) is een rustende ransuil waargenomen binnen het zuidwestelijk gelegen bosje (zie figuren 2 en 7). Ransuil broedt voornamelijk in oude kraaien/eksternesten welke binnen de bosjes aangetroffen zijn. Bij de voorgenomen plannen (uitbreiden van bedrijfsterrein) is verstoring ten aanzien van de ransuil niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). Buizerd Tijdens het veldbezoek zijn enkele jagende buizerds op de onderzoekslocatie waargenomen. Op basis van het veldbezoek kan op voorhand worden uitgesloten dat deze soort de onderzoekslocatie gebruikt als broedlocatie, er zijn geen geschikte bomen aanwezig en er zijn geen nesten waargenomen. De onderzoekslocatie is geschikt foerageergebied voor deze soort, en daarmee onderdeel van het functioneel leefgebied. In de omgeving is echter een overvloed aan geschikt foerageergebied beschikbaar zodat de onderzoekslocatie geen essentieel foerageergebied is. Het eventueel verlies van de onderzoekslocatie als foerageergebied zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de lokale buizerd populatie.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 10 van 31

Sperwer Volgens het literatuur onderzoek is de sperwer waargenomen op de onderzoekslocatie en in de omgeving. De omgeving en het plangebied zelf bestaat uit open boerenland met bosjes en windsingels en is in potentie geschikt als foerageergebied. Als broedlocatie is deze minder geschikt. Er zijn geen nesten aangetroffen. De omgeving biedt een overvloed aan alternatieve foerageergebied. Naar verwachting zal het eventueel verlies van het plangebied door de ontwikkeling geen negatief effect hebben op de lokale sperwer populatie. Boomvalk Volgens het literatuuronderzoek is de boomvalk waargenomen op de onderzoekslocatie. Daarnaast is de boomvalk waargenomen tijdens het veldbezoek op de planlocatie. De omgeving is geschikt als potentieel leef- en broedgebied voor de boomvalk, vanwege het voorkomen van boerenland, houtwallen, bijna overal waar eksters broeden. Eksters zijn waargenomen op het plangebied. Het plangebied zelf is geschikt foerageergebied, er zijn geen nesten van eksters, kraaien of valken waargenomen. De omgeving biedt een overvloed aan alternatieve foerageergebied. Naar verwachting zal het eventueel verlies van het plangebied door de ontwikkeling geen negatief effect hebben op de lokale boomvalk populatie. Ooievaar, roek en slechtvalk Volgens de NDFF zijn rond de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van roek, ooievaar en slechtvalk.

De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op de aanwezigheid van nesten of holtes. Hierbij zijn geen nesten aangetroffen, ook zijn geen sporen aangetroffen welke op de aanwezigheid van nesten van (een van) deze soorten kan duiden. Op basis van het veldbezoek kan dus op voorhand worden uitgesloten dat een van deze soorten de onderzoekslocatie zullen gebruiken als broedgebied. 5.1.2

Overige broedvogels

De beplanting op de onderzoekslocatie kan onderdak bieden aan broedvogelsoorten zoals heggemus, grasmus, tjiftjaf en kleine karekiet. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Volgens de NDFF zijn rond de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van boerenzwaluw, boomkruiper, ekster, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, huiszwaluw, ijsvogel, koolmees, pimpelmees, spreeuw, tapuit, bosuil, torenvalk, blauwe reiger, zilverreiger en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn de soorten als torenvalk, blauwe reiger en zilverreiger aangetroffen. Het plangebied is onderdeel van het foerageer gebied van deze soorten. Nesten zijn niet aangetroffen en redelijkerwijs uit te sluiten binnen de planlocatie en in de directe omgeving. Op de onderzoekslocatie zijn geen boomholten aangetroffen die geschikt zijn als broedlocatie voor de voorgenoemde soorten die volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF in de omgeving voorkomen. Het plangebied zelf is geschikt foerageergebied voor deze soorten.

De omgeving biedt echter een overvloed aan alternatieve foerageergebieden. Naar verwachting zal het eventueel verlies van het

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 11 van 31

plangebied door de ontwikkeling geen negatief effect hebben op de lokale populaties van deze soorten. Door de afwezigheid van opstallen binnen het plangebied zullen broedlocaties voor de soorten als boerenzwaluw, huiszwaluw en torenvalk niet voor kunnen komen. 5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens et al. 2010), Verspreidingsatlas Zoogdieren en NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, gewone grijze grootoorvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor gebouwbewonende vleermuizen op voorhand worden uitgesloten. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rust- en verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Dit is niet aangetroffen en daarmee zijn boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevindt zich de Iepenweg met bedrijventerreinen Tapersheul en woonwijken. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de planlocatie en de aard van de ingreep, naar verwachting geen hinder van de ingreep. De gebouwen langs de Iepenweg en Toleind zijn in potentie geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, vanwege het voorkomen van o.a. open stootvoegen en gevelplaten. De betreffende soorten zijn gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de planlocatie en de aard van de ingreep, naar verwachting geen hinder van de ingreep. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig in de vorm van natte weilanden, akkers en houtwallen. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen aanwezig zijn op de onderzoekslocatie, worden potentiële vliegroutes mogelijk verstoord door de ingrepen (zie hoofdstuk 6). 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 12 van 31

Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie geen bewoningssporen van streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als bunzing, waterspitsmuis, veldmuis, haas, hermelijn, vos, wezel, konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat zonder maatregelen deze soorten schade zullen ondervinden van de ingrepen. In het kader van de algemene zorgplicht verwijzen wij naar hoofdstuk 6 van dit rapport. 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF en RAVON (van Delft et al. 2015) zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: heikikker, rugstreeppad, kleine watersalamander, gewone pad, bastaardkikker, meerkikker en bruine kikker. Hiervan is de heikikker een streng beschermde habitatrichtlijn soort die erg kritisch is ten aanzien van zijn habitat. Op de onderzoekslocatie is geschikt habitat voor de heikikker aangetroffen. De heikikker kent drie typen verblijfplaatsen: de wateren waar de eieren worden afgezet, de plekken waar ze in de actieve periode verblijven en de plekken waar ze overwinteren. Deze drie typen van verblijfplaatsen bevinden zich op de onderzoekslocatie. De drie poeltjes gelegen binnen de onderzoekslocatie kunnen een gunstige voortplantingmogelijkheden bieden, vanwege de relatieve ondiepte en het voedselarm water. Het leefgebied bestaat in de actieve periode uit vochtig half natuurlijk veengrasland afgewisseld met dichte struiken en bosschages die zich op de onderzoekslocatie bevinden. De heikikker overwintert op vorstvrije plekken buiten bereik van het grondwater en in de afgetrapte slootkanten.

Deze situatie is aanwezig op de onderzoekslocatie. Bij de voorgenomen plannen is verstoring ten aanzien van de heikikker niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). De waarnemingen van de beschermde rugstreeppad hebben betrekking op de 3 kilometer ten zuiden gelegen plassen (zuidelijke kant van de Nauwe Blokwetering), het 4 km ten noordoosten gelegen dorp (Linschoten) en de 3 kilometer ten noordwesten gelegen sloten (Driebruggen). Daarnaast is de rugstreeppad tijdens het hele veldonderzoek niet aangetroffen (juni 2018 t/m eind mei 2019). Echter is het bekend dat de rugstreeppadden kunnen worden aangetrokken tot de projectlocatie vanwege het habitat met zand- of grondhopen dat wordt gecreëerd tijdens de werkzaamheden. In het geval van dit project wordt het hele plangebied voorafgaand aan het begin van de werkzaamheden leeg gevangen (heikikker en algemene amfibieën) en met paddenschermen afgeschermd. Verder worden deze schermen tijdens de hele duur van de werkzaamheden behouden. Vanwege de grote afstand van het plangebied tot de bekende rugstreeppad populatie (3 tot 4 kilometer) en het ontbreken van de waarnemingen van deze soort binnen en in de directe omgeving van het plangebied wordt het vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet ten aanzien van deze soort niet noodzakelijk geacht.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 13 van 31

Tevens kunnen algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad op de onderzoekslocatie voorkomen, welke verstoord kunnen worden. Voor deze soorten geldt de algemene zorgplicht (hoofdstuk 6). Vissen Volgens de NDFF gegevens komen er geen streng beschermde soorten (Habitatrichtlijn) in de omgeving voor. Tijdens het veldbezoek is visactiviteit in de sloot langs de Iepenweg waargenomen. Het betreft naar verwachting algemeen voorkomende soorten zoals: baars, driedoornige stekelbaars, voorn, karper en kleine modderkruiper. De poelen vertoonden geen visactiviteit. Bij het dempen van de watergangen zal met vissoorten rekening gehouden moeten worden, in het kader van de algemene zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

De onderzoekslocatie bestaat uit vochtig grasland met hier en daar een opslag van verschillende bomen en struiken. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende algemeen voorkomende vaatplanten aangetroffen: fluitenkruid, brandnetel, vogelmuur, paardenbloem en akkerdistel. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 14 van 31

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en overige natuurwetgeving en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Broedvogels

6.1.1

Jaarrond beschermde broedvogels

Steenuil De steenuil is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in de Vogelrichtlijn. De steenuil staat als kwetsbaar vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (2004). De nesten van steenuilen zijn het hele jaar beschermd. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met de functionele leefomgeving ervan. De functionele leefomgeving moet voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten. De steenuil heeft twee relevante typen voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen. Dit zijn: • •

de plek die als nest gebruikt wordt (voortplantingsplaats) en die ook in de rest van het jaar gebruikt wordt als verblijfplaats de plekken die regelmatig door de steenuil worden gebruikt buiten het broedseizoen, maar die ook in het broedseizoen door het mannetje worden gebruikt als het vrouwtje op het nest aan het broeden is.

Op de onderzoekslocatie kan zich een geschikt habitat voor steenuil bevinden inclusief potentiele broedlocatie en essentieel foerageergebied. De geplande ingrepen zijn mogelijk verstorend of schadelijk voor de soort. Een nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor de steenuil is noodzakelijk. De geschikte onderzoeksperiode is vanaf half februari tot half april. Ransuil De broedlocaties van de ransuil is het gehele jaar beschermd en valt onder de beschermingscategorie 4 van vogelnesten. Dit zijn nesten van vogels die jaar in jaar gebruik maken van hetzelfde nest en die zelfs niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (nesten van eksters en kraaien). Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden jaarrondbeschermde broedlocaties te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten en rustplatsen van vogels. De wet verbiedt: “het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2)”. De kraaien of eksternesten die door de ransuilen in gebruik genomen zijn, zijn het gehele jaar beschermd, omdat deze soort jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest. In het bosje gelegen in het zuidelijke deel van het plangebied (zie figuur 2) is een rustende ransuil waargenomen.

Daarnaast is er een nest aangetroffen dat in potentie geschikt is als broedlocatie voor deze soort.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 15 van 31

De geplande ingrepen betrekken het kapen van dergelijke bomen met nesten. Een nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor de ransuil is noodzakelijk. De geschikte onderzoeksperiode is half maart tot eind mei. 6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Met betrekking tot soorten als koolmees, pimpelmees, ringmus en boomkruiper wordt geadviseerd om, indien de bomen met holtes worden gekapt, elders op de onderzoekslocatie nestkasten voor dergelijke soorten te plaatsen.

Hierdoor wordt voorkomen dat een uitgebreide omgevingscheck zal moeten uitwijzen of er in dit geval sprake is bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de betreffende nesten van soorten als koolmees, pimpelmees, ringmus en boomkruiper op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben en er sprake zou zijn van een overtreding bij het verwijderen van de nestlocaties. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen als vliegroute, zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die onderzocht dienen te worden zijn gewone dwerg-, ruige dwerg-, gewone grootoor - en watervleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2013). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. 6.3

Heikikker

De heikikker komt in de omgeving voor en de locatie is geschikt als leefgebied. Mogelijk zijn de poeltjes voortplantingslocaties voor deze soort. Een nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor de heikikker is noodzakelijk.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 16 van 31

De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor algemene amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4

Algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieën

Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.5

Vissen

Indien de watergangen gedempt gaan worden zullen zonder maatregelen vissen worden gedood, hetgeen een overtreding van de Wet natuurbescherming inhoudt. De te verwachten soorten vallen echter onder het provinciale soortenbeleid, zodat voor de werkzaamheden niet vooraf een ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Voor de te verwachten vissoorten geldt echter wel de zorgplicht. Dit houdt in dat het doden van individuen redelijkerwijs vermeden dient te worden. Dit kan door het afvangen van vissen voorafgaande aan de dempingswerkzaamheden en het verplaatsen van de vis in de te handhaven watergangen in de directe omgeving. Aanbevolen wordt om ten tijde van de uitvoering de werkwijze vast te leggen in een ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Aangezien een quickscan flora en fauna over het algemeen geen document is dat bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt geraadpleegd, wordt aanbevolen om voor de dempingswerkzaamheden een separaat ecologisch werkprotocol op te laten stellen. In het werkprotocol worden de benodigde maatregelen verwoord en de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen vastgelegd.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 17 van 31

6.6

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 18 van 31

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein, bevindt zich op circa 5 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 19).

Figuur 19. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 5 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (realiseren van bedrijfsterrein) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 19 van 31

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebieden bevinden zich circa 1.6 en 1.7 kilometer ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Het betreft de polder Wulverhorst (ten noordoosten) en de watergang langs de Damweg (ten zuiden). In figuur 20 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 20. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 20 van 31

8

HOUTOPSTANDEN

In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wnb. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. Op de locatie zijn houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wnb. De te vellen houtopstanden zijn gelegen buiten de door de gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom van beschermde houtopstanden en vallen daarnaast niet onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming. Op de te vellen houtopstanden is een meldingsplicht en herplantplicht van toepassing. Voor de velling van de houtopstanden dient een melding gedaan te worden bij de provincie. Daarnaast dient herplant binnen 3 jaar plaats te vinden. 4A. Aangezien herplant niet op dezelfde locatie kan plaatsvinden, dient conform artikel 4.5 Wnb een ontheffing bij de provincie Utrecht te worden aangevraagd om de herplantplicht elders te laten plaatsvinden. 4B.

Aangezien de herplant op dezelfde locatie kan plaatsvinden, is een ontheffing geachtd en kan volstaan worden met een melding en herplant binnen 3 jaar ter plaatse. Op de onderzoekslocatie bevinden zich in totaal 16.314 m2 bosjes (meer dan 1000 m 2, Wnb) en drie bomenrijen die onder houtopstanden vallen. In figuur 21 zijn verschillende locaties van houtopstanden en bomenrijen (meer dan 20 Wnb) op het plangebied aangegeven. De bomenrijen, gelegen in het noordwestelijke deel van de onderzoekslocatie (zie figuur 21), blijven behouden en er wordt in de toekomstige situatie veel groen gerealiseerd in vorm van bosjes, bomenrijen en losse bomen, zie figuur 18. Geadviseerd wordt om bij de gemeente na te vragen of op de te vellen houtopstanden de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing is.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 21 van 31

Figuur 21. Ligging houtopstanden.

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van gemeente Oudewater een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Iepenweg en Toleind te Oudewater. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een bedrijfsterrein te realiseren. Er wordt verder binnen het gebied afschermende beplanting aangebracht en er komt een water-opvangcapaciteit waar water compensatie plaats gaat vinden. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 22 van 31

Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Broedvogels

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

Bijzonderheden / opmerkingen

algemeen

ja

ja

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren, of in het broedseizoen voordat de werkzaamheden plaats vinden een broedvogelinspectie uitvoeren

jaarrond beschermd

ja

ja

ja

mogelijk

essentieel foerageergebied van steenuil broedlocatie van ransuil

Vleermuizen

verblijfplaatsen

nee

nee

nee

nee

aandacht voor verlichting van bosrand

foerageergebied

ja

nee

nee

nee

mits vleermuisvriendelijke verlichting wordt toegepast.

vliegroutes

ja

mogelijk

ja

mogelijk

Grondgebonden zoogdieren

ja

mogelijk

nee

nee

Amfibieën

ja

ja

ja

mogelijk

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

ja

ja

nee

nee

bij drooglegging aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten.

Libellen en dagvlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Gebiedsbescherming

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Houtopstanden

Rapport 4223.006 versie D3

bij verwijderen bomenrij aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten. aanvullend onderzoek naar heikikker

5 km

nee

nee

nee

-

1.6 en 1.7 km

nee

nee

nee

-

ja

ja

nee

nee

Geadviseerd wordt om bij de gemeente na te vragen of op de te vellen houtopstanden de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn.

Pagina 23 van 31

Conclusie Omdat het voorkomen van de heikikker bekend is in de omgeving van het plangebied, zal een aanvullend onderzoek moeten plaatsvinden naar het voorkomen van de heikikker en de functie van het onderzoeksgebied voor deze soort. Mogelijk is het plangebied essentieel foerageergebied voor een in de omgeving broedende steenuil en de broedlocatie voor binnen het plangebied rustende ransuil. Geadviseerd wordt een aanvullend onderzoek naar het voorkomen en de functie van het plangebied voor deze soorten uit te laten voeren. Voor de overige vogelsoorten geldt dat het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitgevoerd kan worden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd moeten worden dan moet voordat de werkzaamheden plaats vinden een broedvogelinspectie uitgevoerd worden. De bosranden en de bomen langs de Iepenweg betreffen een potentiele vliegroute voor vleermuizen. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie kan verstoring ten aanzien van vliegroutes worden voorkomen. Geadviseerd wordt een aanvullend onderzoek naar de functie van de bomen (vliegroutes) uit te laten voeren. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde.

Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Met betrekking tot houtopstanden wordt geadviseerd om bij de gemeente na te vragen of op de te vellen houtopstanden de meldingsplicht en herplantplicht van toepassing zijn. Met betrekking tot gebiedsbescherming zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten.

Econsultancy Rotterdam, 17 oktober 2018

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 24 van 31

GERAADPLEEGDE BRONNEN Algemene Literatuur van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge 2015. Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. van Harxen, R. & P. Stroeken 2011. De Steenuil. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Limpens, H.J.G.A., K. Mostert & W. Bongers (red.) 1997. Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Oudewater, periode 2007-2017 Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Oudewater, periode 2013-2019 SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.

Algemene websites www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.floron.nl (soortgegevens planten) www.bij12.nl (Kennisdocumenten Soorten – Natuurbescherming) www. provincie-utrecht.nl (Natura 2000, Natuur Netwerk Nederland)

Econsultancy Rotterdam, 17 oktober 2018

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 25 van 31

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 4223.006 versie D3

Pagina 26 van 31

Tabel III.

Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming

Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/429/documents/13435