Raadsvoorstel 'Bijdrage Oudewater aan regionale energiestrategie U16'.pdf
Tekst van het document
Raadsvoorstel Indiener Beek, Krispijn Vergadering van 2 februari 2021 Kenmerk Z/21/006180 / D/21/006712 Portefeuillehouder Bas Lont Portefeuille Energietransitie Onderwerp Raadsvoorstel bijdrage regionale energiestrategie U16
Inleiding Het landelijk Klimaatakkoord stuurt aan op een CO2-reductie van 49% in 2030. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat regio’s een Regionale Energie Strategie (RES) opstellen. Op 26 september 2019 heeft de raad van Oudewater middels de Startnotitie RES-U16 ingestemd om binnen de U16 te komen tot een regionale energiestrategie(19R.00613). Daarbij werkt Oudewater samen met de gemeenten Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden, Zeist, de waterschappen De Stichtse Rijnlanden, Amstel, Gooi en Vecht, Vallei en Veluwe, Rivierenland, de provincie Utrecht en netbeheerder Stedin. Ook vindt afstemming plaats met de buurgemeenten Krimpenerwaard en Bodegraven-Reeuwijk. In de regionale energiestrategie staat de bijdrage van de RES U16 aan de landelijke opgave, inclusief het concept bod voor opwek van duurzame elektriciteit. Ook heeft de raad ingestemd met het uitgangspunt ‘iedereen doet mee’ en ‘iedereen levert een bijdrage’. In het regionaal position paper Lopikerwaard (20R.00058) is opgenomen dat de Lopikerwaard gemeenten een volwaardige bijdrage aan de Regionale Energiestrategie (RES) leveren door in ieder geval op te wekken voor de eigen behoefte van de Lopikerwaard en dat we bereid zijn iets te doen voor de regio.
Op 11 juni 2020 heeft de raad ingestemd met de ontwerp-RES met concept bod (20R.00316). De raad heeft daarbij besloten om de uitkomsten van het afwegingskader grootschalige duurzame energie-opwek leidend te laten zijn voor de bijdrage die Oudewater kan leveren aan het definitieve bod voor grootschalige opwek van duurzame elektriciteit van de regionale energiestrategie (RES 1.0). In het coalitieakkoord 2018-2021 van gemeente Oudewater is opgenomen dat de coalitie de landelijke klimaatdoelstelling faciliteert en streeft naar 50% CO2 reductie in 2030. In 2019 heeft de raad daartoe de concept Energie Agenda Oudewater (19R.00370) en het Uitvoeringsplan Energietransitie Oudewater (19R.00739) vastgesteld. Daarin is vastgelegd welke acties uitgewerkt worden om hier invulling aan tegen, waaronder het opstellen van een afwegingskader voor grootschalige duurzame energie. In 2020 heeft het college meerdere inloopavonden, online avonden en webinars georganiseerd om samen met inwoners te bepalen hoe Oudewater kan bijdragen aan de landelijke klimaatopgave, daarbij zijn we in gesprek gegaan met inwoners over de manier waarop we duurzaam energie kunnen opwekken en welke gebieden we willen beschermen. Dit wordt samen met o.a. technische en ruimtelijke analyses vastgesteld in het ‘Afwegingskader’.
De gemeenteraad besluit naar verwachting in het tweede of kwartaal van 2021 over bijdrage aan de RES en in het tweede of derde kwartaal over het Afwegingskader grootschalige duurzame energie. In regionaal verband wordt momenteel gewerkt aan de totstandkoming van de definitieve regionale energiestrategie, RES 1.0. In april wordt de tekst hiervoor besproken op de bestuurstafel van de RES U16, waarna deze voor 1 juli 2021 vastgesteld dient te worden door alle gemeenteraden en ingediend bij het rijk. Vooruitlopend op de besluitvorming over de RES U16 (versie 1.0) en het Afwegingskader grootschalige duurzame energie wordt uw gemeenteraad gevraagd in te stemmen met een definitieve bijdrage aan de RES. Na instemming wordt dit bod door het college overgebracht. Het voorliggende voorstel is in lijn met het uitgangspunt dat de raad van Oudewater besluit welke bijdrage geleverd wordt aan het bod van de regionale energiestrategie U16, dat het Afwegingskader hierbij leidend is en dat Oudewater zijn verantwoordelijkheid neemt voor de eigen opgave en bereid
is iets voor de regio te doen.
De raad besluit 1. In te stemmen met een bijdrage aan de RES 1.0 om duurzame opwek te realiseren met een capaciteit die overeenkomt met 19 GWH (= 0,019 TWh). 2. De bijdrage van Gemeente Oudewater te leveren aan de regio via een gezamenlijke bijdrage met de andere gemeenten van de Lopikerwaard, te weten IJsselstein, Montfoort, Lopik en Woerden. 3. Bij de realisatie van de opgave voor 2030 samen te werken met de andere Lopikerwaard gemeenten, waarbij de bijdrage van Oudewater kan oplopen tot maximaal 38 GWh (100% van het verwachte elektriciteitsverbruik) in 2030. 4. De bijdrage voor 2030 voor Gemeente Oudewater bij voorkeur in te vullen met zon op dak, kleinschalige windmolens en één of meer grondgebonden zonneparken. 5. Te erkennen dat grootschalige windenergie op langere termijn noodzakelijk is om de doelen van het Klimaatakkoord en de regionale energiestrategie te behalen. 6. Dat het college geen besluit over grootschalige windenergie in Oudewater neemt zonder terug de raad hierbij te betrekken.
De bevoegdheid van de raad komt voort uit de volgende wet- en/of regelgeving Artikel 147, tweede lid en Artikel 108 van de Gemeentewet.
Beoogd effect Nu het afwegingskader naar achter is geschoven de raad toch in positie brengen om zeggenschap te hebben over de bijdrage van Oudewater aan het definitieve bod van de regionale energiestrategie U16 met wat al bekend is vanuit het afwegingskader. Hiermee geeft het college invulling aan het raadsbesluit Ontwerp regionale energiestrategie U16 met concept bod (20R.00320). De raad informeren over de bestuurlijke samenwerking in de Lopikerwaard (Woerden, Montfoort, Lopik en IJsselstein) waar het gaat om de bijdrage aan het definitieve bod van de regionale energiestrategie U16 en om de realisatie van deze bijdrage. De vijf gemeenten van de Lopikerwaard willen samen kijken samen naar wat de beste locaties zijn voor realisatie van de bijdrage aan het bod op basis van onder andere maatschappelijke acceptatie, landschappelijke en ruimtelijke effecten, en netwerkcapaciteit. Op 9 maart organiseren we een vijfradenbijeenkomst Lopikerwaard om de raden hier nader over te informeren. Duidelijkheid bieden aan raad en inwoners over de bijdrage van de gemeente Oudewater aan de regionale doelstelling voor 2030 en de bronnen die daarvoor bij voorkeur worden ingezet. Het kernteam van de RES U16 in staat stellen om het gezamenlijke bod van regio U16 te bepalen en onderbouwen.
Argumenten 1. In te stemmen met een bijdrage aan de RES 1.0 om duurzame opwek te realiseren met een capaciteit die overeenkomt met 19 GWH (= 0,019 TWh). 1.1. Een bijdrage van 19 GWh is draagt sterk bij aan de doelstelling om de CO2-uitstoot in 2030 met 50% te verminderen. De raad van Oudewater heeft de doelstelling 50% CO2 reductie uit het coalitieakkoord vastgesteld. In 2015 bedroeg de CO2 uitstoot van Oudewater 47.000 ton CO2 (bron Klimaatmonitor). In 2018 was de CO2-uitstoot gedaald met 7%. Wanneer deze trend doorzet tot 2030 komt de emissiereductie in 2030 op 31% ten opzichte van 2015 uit. Door 50% van de elektriciteit duurzaam te produceren kan de uitstoot ten opzichte van 2015 met 16% extra dalen. Waarmee de verwachte daling van de CO2-uitstoot in 2030 op 47% ten opzichte van 2015 uitkomt. 1.2. Maatschappelijke acceptatie voor eigen opwek. Tijdens het participatieproces voor het Afwegingskader grootschalige duurzame energie is de vraag voorgelegd welke bijdrage inwoners redelijk vinden, waarbij drie keuzes zijn voorgelegd. Enkel zon op dak, 50% van het verwachte
elektriciteitsverbruik van Oudewater in 2030 of 100% van het verwachte elektriciteitsverbruik van Oudewater in 2030. Hieruit komt naar voren dat een meerderheid van de aanwezigen tijdens de participatieavonden (60-70%) de helft van het verwachte elektriciteitsverbruik van Oudewater in 2030 wil opwekken en als redelijke bijdrage aan het bod van de RES U16 ziet. Dat betekent dat een meerderheid voorstander is van een bijdrage van 19 GWh in 2030. 1.3. Minder maatschappelijke acceptatie van opwek voor de regio. In het participatieproces kwam naar voren dat een minderheid van de aanwezigen elektriciteit voor de regio wil opwekken. Opwekken voor de regio is tot 2030 slechts beperkt nodig, omdat het bod van de regio op ongeveer 50% van het verwachte elektriciteitsverbruik van de regio in 2030 ligt. Richting 2050 ligt dat anders. Uit de regionale energieanalyse, die in 2018 is uitgevoerd, komt naar voren dat de regio als geheel in haar eigen elektriciteit kan voorzien. Daarbij zijn er gemeenten die meer duurzame elektriciteit kunnen produceren dan ze zelf verbruiken en gemeenten met een groter deel van het oppervlak bebouwd stedelijk gebied, die minder kunnen produceren dan ze in 2050 nodig hebben. 1.4.
Impact op het landschap van energieproductie met zonnevelden en windturbines Windturbines en zonnevelden hebben een grote visuele impact op het cultuurhistorisch waardevolle en open landschap van Oudewater. Dit pleit voor een bijdrage aan het bod van de RES U16 die grotendeels op de grote daken van Oudewater past. Op die manier blijft de impact op het landschap van Oudewater voorlopig beperkt blijft en het landschap visueel aantrekkelijk. Hoe dit zich ontwikkelt na 2030 hangt af van nationale keuzes ten aanzien van de elektriciteitsmix en de klimaatdoelen. 1.5. Ruimte houden voor toekomstige innovaties. Inwoners geven aan dat Oudewater niet te hard van stapel moet lopen. Er zouden innovaties kunnen plaatsvinden die ervoor zorgen dat het na 2030 niet nodig is om meer zonnevelden of windturbines te plaatsen, of waardoor minder zonnevelden of windturbines nodig zijn. 2. De bijdrage van Gemeente Oudewater te leveren aan de regio via een gezamenlijke bijdrage met de andere gemeenten van de Lopikerwaard, te weten IJsselstein, Montfoort, Lopik en Woerden. 2.1. Sterker in de regio Door samen te werken met de buurgemeenten ontstaat meer bestuurlijke slagkracht. 2.2.
Tegemoetkomen aan zorgen van inwoners en landschappelijke organisaties De inwoners die aanwezig waren tijdens de participatieavonden benadrukten het belang van overleg met buurgemeenten en goede afstemming om tezamen aan de regionale opgave te voldoen. Door samen te werken met de buurgemeenten in de Lopikerwaard zijn betere landschappelijke afwegingen mogelijk (Omgevingsagenda Lopikerwaard). Samenwerking biedt kansen tot afspraken over locaties en clustering (zie argument 3.2). 3. Bij de realisatie van de opgave voor 2030 samen te werken met de andere Lopikerwaard gemeenten, waarbij de bijdrage van Oudewater kan oplopen tot maximaal 38 GWh (100% van het verwachte elektriciteitsverbruik) in 2030. 3.1. Weinig maatschappelijke acceptatie om duurzame energie te produceren voor de regio De raad heeft besloten bereid te zijn ook 'iets voor de regio' te willen doen. Tijdens de participatieavonden bleek er een grote minderheid (30 – 40%) van de aanwezige inwoners tijdens de participatieavonden te zijn die vindt dat Oudewater 100% van het eigen elektriciteitsverbruik kan opwekken, mits dit met zonnevelden wordt opgewekt. Meest gehoorde argument: “Er is genoeg ruimte in Oudewater en omstreken om duurzame energie op te wekken. Die kans moet ook benut worden. Op voorwaarde dat het geen grootschalige windenergie is”.
Het draagvlak voor meer opwekken dan het eigen verbruik van Oudewater is beperkt. 3.2. Betere bescherming van het landschap Oudewater is een gemeente met een waardevol landschap. Het landschap van het Groene Hart houdt zich echter niet aan gemeentegrenzen. Omwille van het behoud van de kwaliteit van landschap van het Groene Hart is het van belang ook gemeentegrens overschrijdende plannen te kunnen maken. Zodat de meest kwetsbare gebieden kunnen worden ontzien en opwek van elektriciteit daar wordt gebundeld waar het landschap dat het best kan verdragen. Samenwerken met de andere Lopikerwaard gemeenten biedt de mogelijkheid om het landschap van de Lopikerwaard beter te behouden en om betere ruimtelijke afwegingen te maken. Het biedt ook kansen om bij de realisatie van duurzame energieprojecten beter aan te sluiten bij het advies "Het Groene Hart doet mee aan de energietransitie" van de provinciale adviseurs ruimtelijke kwaliteit (PARKs) van Zuid-Holland, Noord-Holland en Utrecht en bij het rapport “Energielandschappen RESU16. Ontwerpend onderzoek naar bouwstenen voor energietransitie in het landschap”. 3.3. De netwerkcapaciteit van Stedin in Oudewater is beperkt. Uit de voorlopige netwerkanalyse van Stedin komt naar voren dat de zoekgebieden voor zonnevelden in het conceptafwegingskader van gemeente Oudewater mogelijk buiten bereik van de netwerkstations van Stedin liggen.
Dat betekent dat er mogelijk geen commerciële interesse zal bestaan voor deze zoekgebieden. Uit de voorlopige analyse van Stedin blijkt dat ook de capaciteit voor zonnedaken in Oudewater beperkt is. De RES-regio voert hier samen met Stedin een nadere analyse naar uit. De uitkomsten van deze analyse worden in maart of april verwacht. De netwerkcapaciteit kan dus beperkend zijn voor het behalen van de bijdrage van Oudewater. Een gezamenlijke bijdrage met de andere
Lopikerwaard gemeenten biedt de mogelijkheid dat de andere gemeenten de resterende opgave voor 2030 van Oudewater op zich nemen. 4. De bijdrage voor 2030 voor Gemeente Oudewater bij voorkeur in te vullen met zon op dak, kleinschalige windmolens en één of meer grondgebonden zonneparken. 4.1. Grote maatschappelijke acceptatie zon op dak Bij inwoners en landschappelijke organisaties kan zon op dak op grote maatschappelijke acceptatie rekenen. Inwoners vinden daken de meest geschikte locatie voor zonne-energie. 4.2. Maatschappelijke acceptatie kleinschalige windmolens. Tijdens de participatie werd duidelijk dat de inwoners die aanwezig waren de impact op landschap en gezondheid van kleinschalige windmolens anders bezien dan van grootschalige windturbines. Kleine windmolens (maximale tiphoogte 20 meter) worden gezien als een alternatief voor of aanvulling op zonnepanelen op daken. Waarbij veel inwoners aangeven deze keus voor een kleine windmolen over te willen laten aan de agrariër of aan de huiseigenaar. Daarmee zien inwoners meer mogelijkheden voor kleine windmolens dan nu beleidsmatig toegestaan. Het college ziet dit als een ondersteuning voor het bestaande beleid van gemeente Oudewater met betrekking tot kleine windmolens. 4.3. De beschikbare netwerkcapaciteit is onvoldoende om de bijdrage van Oudewater enkel zonnedaken en kleine windmolens in te vullen.
Uit de voorlopige gegevens van Stedin over de beschikbare netwerkcapaciteit voor zon op dak en kleine windmolens op de middenspanningsringen blijkt dat dit onvoldoende is voor 19 GWh in 2030. Tijdens de eerste fase van het participatieproces gaf een meerderheid van de inwoners de voorkeur aan grootschalige windturbines boven zonneparken. In de tweede fase van het participatieproces gaven inwoners aan de eerste fase niet representatief te vinden en was er bij inwoners veel minder maatschappelijke acceptatie voor grootschalige windenergie. Tijdens de tweede fase gaven de aanwezig inwoners de voorkeur aan zonneparken boven windturbines om de bijdrage van Oudewater voor 2030 in te vullen. Zonneparken vergen wel een zorgvuldige inpassing om te zorgen dat een ze passen in het cultuurhistorisch waardevolle en open landschap van Oudewater. Ook vergt het tot stand komen van een zonnepark een participatieproces met omwonenden en wil het college het uitgangspunt van ten minste 50% lokaal zeggenschap/eigenaarschap opnemen. Het Afwegingskader zal op al deze punten nadere eisen en wensen bevatten. 4.4. Zorgen over mogelijke gezondheidseffecten van grootschalige windturbines. Inwoners hebben zorgen over het effect van grootschalige windturbines op het landschap en over het gezondheidseffect van grootschalige windturbines.
Inwoners wijzen vooral op mogelijke gezondheidseffecten door geluidshinder, laagfrequent geluid, trillingen en slagschaduw. Vanwege de zorgen van inwoners heeft het college advies gevraagd aan de GGD-regio Utrecht (GGDrU) en de omgevingsdienst (ODRU) over gezondheidseffecten van windturbines. De GGDrU adviseert de WHO-norm voor geluidshinder van windturbines aan te houden. Het college verwerkt het voorlopige advies van de GGDrU in het Afwegingskader. 4.5. Landschappelijke effect van windturbines. Inwoners en landschappelijke organisaties maken zich zorgen over het landschappelijk effect van grootschalige windturbines op het landschap. Het gaat dan met name om de openheid van het landschap en de grote afstand tot waar grootschalige windturbines zichtbaar zijn. Ter indicatie: moderne windturbines zijn 200 tot 250 meter hoog. Daarmee zijn ze bij goede meteorologische omstandigheden, en zonder blokkeringen door bijvoorbeeld bomen of gebouwen, zichtbaar op een afstand van 53 kilometer. Dat windturbines tot op die afstand zichtbaar zijn is geen gegeven, de windturbines in Houten (18 kilometer afstand) zijn in Oudewater niet zichtbaar. 4.6. De locaties voor grootschalige windenergie die voor 2030 te ontwikkelen zijn passen niet in de denklijnen van het Rapport energielandschappen RES U16 en het advies van de PARKs.
In Oudewater is enkel aan de noordkant een locatie voor grootschalige windenergie die binnen bereik van een netwerkstation van Stedin ligt. Bij de start van het participatieproces leek deze locatie aan te sluiten bij de denkrichting 'langs infrastructuur' van de regio. In de nadere uitwerking van deze denklijn door de regio in het rapport “Energielandschappen RES-U16” is de spoorlijn in Oudewater niet opgenomen als denklijn voor grootschalige windenergie. De A12 zone is wel als mogelijke denkrichting opgenomen, evenals de zuidrand van Oudewater. Het ontwikkelen van windenergie langs het spoor in Oudewater past daarmee niet in de regionale denkrichtingen. Ook de RES-regio Midden-Holland heeft voor zover het college bekend geen zoekgebieden voor windenergie langs het spoor. Dit betekent dat een windenergieproject langs de infrastructuur in gemeente Oudewater niet te clusteren valt met projecten van buurgemeenten tot een groter geheel, waarmee dit zoekgebied niet past in het advies van de PARKs. 5. Te erkennen dat grootschalige windenergie noodzakelijk is om op de langere termijn de doelen van het Klimaatakkoord en de regionale energiestrategie te behalen. 5.1. Netwerkefficiëntie (MWh per opgesteld MW zon- of windvermogen) vergt inzet op combinatie zon en wind in de regio. Windenergie is efficiënter dan zonne-energie.
Zo kan 1 MW windvermogen jaarlijks meer dan 2.500 MWh elektriciteit produceren terwijl dezelfde hoeveelheid zonvermogen nu niet meer dan 1.000 MWh opbrengt. Een windmolenpark benut gemiddeld dertig procent van de netaansluiting en een zonnepark slechts tien procent. Het gevolg is dat de energie
infrastructuur niet volledig wordt gebruikt. Door zowel op zonne-energie als windenergie in te zetten wordt de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk beter benut. Een betere benutting van de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk zorgt ervoor dat de benodigde investeringen in het netwerk en daarmee ook de netwerkkosten lager zijn. 5.2. De stabiliteit van het netwerk. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) stelt in de “Monitor concept-RES. Een analyse van de concept-Regionale Energie Strategieën” (zie bijlage) dat op nationale schaal een verhouding richting 4:1 tussen wind op land en zonneenergie de beste balans op het netwerk geeft gedurende het jaar. In de “Monitor concept-RES” constateert PBL dat op basis van de huidige biedingen de verhouding tussen de elektriciteitsproductie uit wind op land- en zonne-energie zou dalen van 2:1, gemiddeld over de laatste vier jaar, tot ongeveer 1:1 in 2030. Bij twee derde van de regio’s zou op basis van hun concept-RES’en de verhouding nog verder verschuiven richting 1:2. Voor wat betreft de stabiliteit van het netwerk wijzen veel concept-RES’en dus in de verkeerde richting. De voorgestelde bijdrage van Oudewater kent een verhouding tussen wind op land en zonne-energie van 1:16. Vanuit netwerkstabiliteit is dit zeer ongunstig. 5.3.
Alleen kiezen voor zonne-energie maakt warmtetransitie mogelijk moeilijker Veel alternatieven voor aardgas in de gebouwde omgeving vragen een toename aan stroom. Alternatieve warmteoplossingen vragen een toename aan stroom, zowel all-electric oplossingen met warmtepompen als collectieve oplossingen met bijvoorbeeld aquathermie of warmte-koudeopslag. Zonnepanelen leveren in de zomer meer stroom op dan in de winter, terwijl de vraag naar verwarming in de zomer juist laag is en in de winter hoog. De productie van windenergie komt meer overeen met de vraag naar verwarming vanuit de gebouwde omgeving, omdat windenergie in de winter juist meer oplevert dan in de zomer. Zonne-energie kan wel een rol spelen bij de koudevraag, die vooral in de zomer aanwezig is. Beperken van de koudevraag met Voor mobiliteit en industrie geldt dat de energievraag gedurende het jaar relatief stabiel is, zonne-energie is daar geen oplossing voor. Een combinatie van wind- en zonne-energie biedt op jaarbasis meer evenwicht in aanbod van en vraag naar elektriciteit. 6. Dat het college geen besluit over grootschalige windenergie in Oudewater neemt zonder terug de raad hierbij te betrekken. 6.1. Regionale gesprekken zijn nog bezig. De bestuurlijke gesprekken in de RES-U16 en binnen de Lopikerwaard over de bijdragen per gemeente aan het regionale bod zijn nog bezig.
Het college heeft daarbij een zekere mate van onderhandelingsruimte nodig. Het is daarbij denkbaar dat de onder beslispunt 4 genoemde technieken onvoldoende zijn of dat er uit de gezamenlijke analyse van de Lopikerwaard gemeenten blijkt dat windenergie aan de zuidkant van Oudewater tot de minst slecht opties behoort. Wanneer dit het geval blijkt zal de raad betrokken worden bij deze keuze. 6.2. Netwerkcapaciteit voor zon op dak, kleine windmolens en zonnevelden is beperkt. Het college wil de mogelijkheid voor windenergie aan de grens met Lopik openhouden, omdat de netwerkcapaciteit in Oudewater voor zon op dak, kleine windmolens en zonnevelden beperkt is, zie argument 5.1. Ook andere gemeenten in Lopikerwaard hebben te maken met beperkte netwerkcapaciteit. De grotere netwerkefficiëntie van windenergie maakt dat windenergie tot op grotere afstanden van netwerkstations mogelijk is. Het is daardoor mogelijk dat windenergie aan de zuidkant van Oudewater op termijn nodig is, omdat andere opties geen oplossing (meer) bieden. Het zoekgebied voor windenergie aan de zuidkant van Oudewater sluit aan bij de regionale denkrichtingen uit het rapport “Energielandschappen RES-U16”.
Een initiatief aan de zuidkant van Oudewater vergt afstemming met gemeente Lopik en gemeente Montfoort, om te zorgen voor landschappelijke inpassing en om te zorgen dat het aan te sluiten valt op het netwerk van Stedin. 6.3. De opgave voor de regio kan groter worden als nationaal doel hoger wordt t.g.v. Europese afspraken. De Europese Unie heeft de ambitie voor 2030 verhoogt naar 55% CO2 reductie en werkt aan een Europese Klimaatwet. Het is op dit moment onbekend wat de gevolgen hiervan zijn voor het nationale Klimaatakkoord of de Nederlandse Klimaatwet. Wanneer de nationale doelen voor hernieuwbare elektriciteit opgehoogd worden kan dat betekenen dat de regionale opgave verhoogd wordt en dat dit een hogere bijdrage van Oudewater vergt.
Kanttekeningen 1. In te stemmen met een bijdrage aan de RES 1.0 om duurzame opwek te realiseren met een capaciteit die overeenkomt met 19 GWH (= 0,019 TWh). 1.1. De opgave voor de regio kan groter worden als nationaal doel hoger wordt t.g.v. Europese afspraken De Europese Unie heeft de ambitie voor 2030 verhoogt naar 55% CO2 reductie en werkt aan een Europese Klimaatwet. Het is op dit moment onbekend wat de gevolgen hiervan zijn voor het nationale Klimaatakkoord of de Nederlandse Klimaatwet. Wanneer de nationale doelen voor hernieuwbare elektriciteit opgehoogd worden kan dat betekenen dat de regionale opgave verhoogd wordt en dat dit een hogere bijdrage van Oudewater vergt. 2. De bijdrage van Gemeente Oudewater te leveren aan de regio via een gezamenlijke bijdrage met de andere gemeenten van de Lopikerwaard, te weten IJsselstein, Montfoort, Lopik en Woerden.
2.1. Risico op extra opgave binnen de Lopikerwaard De uitkomst van de samenwerking met de andere gemeenten van de Lopikerwaard kan zijn dat Oudewater voor 2030 een grotere opgave moet doen dan zelfstandig, de kans hierop is gering aangezien de netwerkcapaciteit van Stedin in Oudewater waarschijnlijk de beperkende factor is. 3. Bij de realisatie van de opgave voor 2030 samen te werken met de andere Lopikerwaard gemeenten, waarbij de bijdrage van Oudewater kan oplopen tot maximaal 38 GWh (100% van het verwachte elektriciteitsverbruik in 2030). 3.1. Netwerkcapaciteit Stedin voor zon op dak, kleine windmolens en zonneparken in Oudewater is beperkt De capaciteit voor zonnedaken en kleine windmolens op het netwerk van Stedin is beperkt. De regio voert samen met Stedin een nadere analyse uit naar deze capaciteit. De uitkomsten hiervan worden in maart of april verwacht, het is dus mogelijk dat Oudewater de bijdrage van 19 tot 38 GWh niet kan halen met zon op dak, kleine windmolens en zonneparken. 3.2. Verplaatsing van opgave naar andere gemeenten in Lopikerwaard maakt halen doelstelling 50% CO2 reductie moeilijker. Wanneer Oudewater minder dan 19 GWh aan duurzame elektriciteit produceert in 2030 daalt de CO2 uitstoot minder dan de onder argument 1.1 berekende 47%. Dat betekent dat er aanvullende maatregelen nodig zijn om 50% CO2 reductie in 2030 te behalen.
3.2 Samenwerken in de Lopikerwaard kan betekenen dat de keus valt op grootschalige windenergie in Oudewater. Oudewater is niet de enige gemeente in de Lopikerwaard die te maken heeft met beperkte netwerkcapaciteit van Stedin voor zon op dak, kleine windmolens en zonnevelden. Door samen te werken in de Lopikerwaard bestaat de mogelijkheid dat het zuidelijke zoekgebied voor windenergie in Oudewater op termijn naar voren komt als minst slechte alternatief om de bijdrage van Lopikerwaard te leveren, als andere mogelijkheden uitgeput zijn. Het zoekgebied voor windenergie aan de zuidkant van Oudewater sluit aan bij de regionale denkrichtingen uit het rapport “Energielandschappen RES-U16”. Een initiatief aan de zuidkant van Oudewater vergt afstemming met gemeente Lopik en gemeente Montfoort, om te zorgen voor landschappelijke inpassing en om te zorgen dat het aan te sluiten valt op het netwerk van Stedin. De grotere netwerkefficiëntie van windenergie maakt dat windenergie tot op grotere afstanden van netwerkstations mogelijk is. 4. Te erkennen dat grootschalige windenergie noodzakelijk is om de doelen van het Klimaatakkoord en de regionale energiestrategie te behalen, mogelijk ook in onze buurgemeenten. 4.1. De landschappelijke impact van windenergie stopt niet bij de gemeentegrens. Grootschalige windturbines zijn van grote afstand zichtbaar.
Dat betekent dat ook grootschalige windturbines in buurgemeenten zichtbaar zijn voor inwoners van Oudewater, zoals grootschalige windturbines in Oudewater zichtbaar zijn voor inwoners van buurgemeenten. Ter indicatie: moderne windturbines zijn 200 tot 250 meter hoog. Daarmee zijn ze bij goede meteorologische omstandigheden, en zonder blokkeringen door bijvoorbeeld bomen of gebouwen, zichtbaar op een afstand van 53 kilometer. Tegelijkertijd zijn windturbines op land nodig voor het behalen van de doelstellingen van het Klimaatakkoord en om te voorzien in de elektriciteitsvraag. 4.2. De gezondheidseffecten van windturbines stoppen niet bij de gemeentegrens. Inwoners hebben tijdens het participatieproces hun zorgen geuit over de gezondheidseffecten van grootschalige windturbines. Daarbij wordt met name gewezen op de effecten van geluidshinder en slagschaduw. De GGD-regio Utrecht en de omgevingsdienst (ODRU) hebben een voorlopig advies uitgebracht aan het college om de afstand tussen zoekgebieden voor windturbines en woningen te baseren op de geluidsnormen van de WHO. Het college werkt het effect hiervan uit in het Afwegingskader. Het college zal er bij buurgemeenten op aandringen om dit advies te hanteren wanneer een windturbine in de nabijheid het grondgebied van Oudewater wordt geplaatst. 5.
De bijdrage voor 2030 voor Gemeente Oudewater bij voorkeur in te vullen met zon op dak, kleinschalige windmolens en één of meer grondgebonden zonneparken. 5.1. Realisatie van zonnedaken kent vele knelpunten. In de praktijk bestaan er vele hindernissen voor het realiseren van zon op dak. Het kan daarbij onder andere gaan om beperkingen vanwege de monumentale status van een gebouw, asbesthoudende daken, dakconstructies die niet berekend zijn op zonnepanelen of financiële beperkingen van de dak eigenaar. 5.2. Netwerkcapaciteit Stedin voor zonnedaken is beperkt. Grotere zonnestroominstallaties op daken worden door Stedin aangesloten op de zogenaamde middenspanningsringen. De aanleg daarvan is gebaseerd op de elektriciteitsvraag in een gebied, hoe hoger de elektriciteitsvraag hoe meer middenspanningsringen er aanwezig zijn en hoe meer capaciteit ze ringen hebben. De elektriciteitsvraag in Oudewater is van oudsher niet groot en dat geldt zeker voor de buitengebieden van Oudewater. Dit betekent dat er weinig middenspanningsringen in Oudewater liggen. Ook blijkt uit een voorlopige analyse van Stedin dat de capaciteit per middenspanningsring in Oudewater beperkt is. Momenteel wordt door de regio RES-U16 en Stedin een aanvullende analyse gedaan, waarbij een koppeling wordt gemaakt tussen beschikbare netwerkcapaciteit en geschikte daken per middenspanningsring.
5.3. De potentiële bijdrage van kleinschalige windmolens is gering. De bijdrage die kleinschalige windmolens kunnen leveren aan de totale energieopgave is gering. Wanneer 100 agrariërs in 2030 een kleine windmolen hebben geplaatst wekken deze 3,6 GWh op. Dat is ongeveer 20% van de voorgestelde bijdrage van Oudewater aan het bod van de RES U16. Voor de volledige opgave zijn ongeveer 500 kleine windmolens nodig. Ook kleine windmolens worden aangesloten op de middenspanningsringen van Stedin. 5.4. Zonneparken vergen veel grondoppervlak. Zonnevelden vergen in vergelijking met windturbines een groot grondoppervlak om dezelfde elektriciteitsproductie te behalen. De opbrengst van één windturbine van 5,6 MW (tiphoogte 240 meter) bedraagt ongeveer 17 GWh, voor dezelfde elektriciteitsproductie is een zonnepark van ongeveer 20 hectare nodig. 5.5. Negatief effect van zonnevelden op natuur, landschap en landbouw. In de planMER Omgevingsvisie provincie Utrecht staat dat zonnevelden een negatief effect kunnen hebben op natuur, landschap en landbouw. Voor natuur gaat het onder andere om effecten op vegetatie, bodem en bodemorganismen daaronder door de beperking van lichtinval en verandering van de waterhuishouding. Weidevogels en zonnevelden laten zich ook moeilijk combineren. Verschillende inwoners hebben hier tijdens de participatie zorgen over geuit en aandacht voor gevraagd.
In de planMER Omgevingsvisie provincie Utrecht staat verder dat zonnevelden het landschappelijk karakter van een gebied kunnen aantasten, doordat zonnevelden een industrieel karakter hebben. Tijdens de participatieavonden, vanuit landschappelijke organisaties en vanuit de landschappelijke experts van de gemeente zijn er zorgen geuit over het effect van zonnevelden op de (zichtlijnen in) het open landschap van Oudewater. Met de bepalingen uit de provinciale Omgevingsverordening t.a.v. zonnevelden over goede landschappelijke inpassing passend bij het landschap van Oudewater en de bij het gebied passende bodemkwaliteit wordt deels aan deze zorgen tegemoetgekomen. Daarbij kan een spanning ontstaan tussen het behouden van zichtlijnen (laag boven de grond plaatsen van zonnepanelen) en wensen ten aanzien van dubbel grondgebruik en biodiversiteit (hoger boven de grond). Een lage opstelling met meer biodiversiteit kan bereikt worden door de zonnepanelen verder uit elkaar te plaatsen, de elektriciteitsopbrengst per hectare daalt dan. 5.6. Netwerkstations Stedin mogelijk buiten bereik voor zonneparken in de zoekgebieden van het concept afwegingskader. Zonnevelden tot 10 hectare worden aangesloten op zogeheten middenspanningsstations (MS-stations), waarbij de vuistregel is dat deze maximaal 3 kilometer van het zonneveld mogen liggen.
Bij een grotere afstand zijn de kosten van kabel zo hoog dat een zonnepark momenteel niet meer rendabel is. Voor Oudewater zijn er twee mogelijk MS-stations waar zonnevelden op aan kunnen sluiten, beide zijn meer dan 3 kilometer verwijderd van de potentiële zoekgebieden. Zonnevelden die groter zijn dan 10 hectare worden aangesloten op zogeheten tussenspanningsstations. Volgens de vuistregels van Stedin kunnen zonnevelden op maximaal 5 kilometer van het tussenspanningsstation liggen. De afstand vanaf de zoekgebieden in het concept afwegingskader tot de tussenspanningsstations lijkt groter dan 5 kilometer. 5.7. Netwerkstations Stedin binnen bereik voor grootschalige windturbines of combinaties van zon- en wind. Windenergie heeft een grotere netwerkefficiëntie. Daardoor kunnen windturbines tot op grotere afstand van een netwerkstation gerealiseerd worden. Voor middenspanningsstations gaat het volgens de vuistregels van Stedin om 5 kilometer, voor tussenspanningsstations om 10 kilometer. Door grootschalige windenergie en zonneparken te combineren (cable pooling) kunnen de netwerkkosten van een project verder verlaagd worden. 5.8. Landschappelijke experts hebben voorkeur voor windenergie boven zonnevelden. Vanuit de landschappelijke experts komt een lichte voorkeur voor een beperkt aantal windturbines boven zonnevelden.
Dit heeft onder andere te maken met het ruimtebeslag, efficiency, het mogelijk agrarisch dubbelgebruik en minder effecten voor weidevogels van windturbines. Voor het vervangen van een windturbine van 5,6 MW (240 meter tiphoogte) is ongeveer 20 hectare zonneveld nodig, zie ook kanttekening 5.4 en 5.5. Ook laten hoge windturbines zich beter combineren met weidevogels dan zonneparken. Voor windenergie kunnen nog steeds specifieke voorzieningen nodig zijn om mogelijke negatieve effecten op weidevogels te beperken. 5.9 Windturbines bieden mogelijkheden voor dubbele functies van grond. De landschappelijke impact van grootschalige windturbines is groot en ze beperken de mogelijkheden voor woningen in een straal rondom de turbine. Tegelijkertijd kunnen grondbezitters de grond rondom een windturbine blijven gebruiken voor hun agrarische bedrijfsvoering. 6. Dat het college geen besluit over grootschalige windenergie in Oudewater neemt zonder terug de raad hierbij te betrekken. 6.1. Het uitsluiten van grootschalige windturbines geeft kans op een provinciaal inpassingsplan. Provincies zijn bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning voor windparken met een opgesteld vermogen tussen 5 en 100 MW. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 9f tweede lid Chw (Crisis- en Herstelwet) en betekent een afwijking van de standaard bevoegdheidsverdeling op grond van de Wabo.
Daarnaast coördineert de provincie de overige vergunningen die nodig zijn voor de ontwikkeling van een windpark (artikel 9f lid 1 van de Elektriciteitswet).
Gemeenten zijn bevoegd gezag voor windparken of windturbines met een opgesteld vermogen tot 5 MW. De provincie kan op grond van 9f lid 6 van de Elektriciteitswet bepalen dat zij de bevoegdheid voor windparken met een groter vermogen van 5 MW overdraagt aan de gemeente. Zowel gemeenten (bestemmingsplan) als provincies (inpassingsplan) hebben de bevoegdheid om een windpark ruimtelijk in te passen. Door windenergie volledig uit te sluiten bestaat de kans dat de provincie aan de zuidkant van Oudewater een provinciaal inpassingsplan voor windenergie in gang zet. Deze lijn past in de denkrichtingen van de ontwerp regionale energiestrategie en de nadere uitwerking daarvan in het rapport “Energielandschappen RES-U16”. De provincie is bij een provinciaal inpassingsplan wel menen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat op grond van de Wro moet worden aangetoond. De provincie is daarbij niet gehouden aan het gemeentelijke Afwegingskader of aan het voorlopig advies van de GGDrU.
Financiën De kosten voor advisering over RES 1.0 en voor het Afwegingskader grootschalige duurzame energie zijn opgenomen in de begroting 2021.
Uitvoering De besluitvorming over dit raadsvoorstel vormt input voor de wethouder binnen de RES discussie en legt uitgangspunten voor het Afwegingskader grootschalige duurzame energie vast. Inwoners krijgen in het tweede kwartaal de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op het afwegingskader grootschalige duurzame energie, waarna het Afwegingskader inclusief de schriftelijke reacties ter besluitvorming aan de raad wordt voorgelegd. Het Afwegingskader wordt na vaststelling geborgd in de instrumenten van de Omgevingswet. Op 9 maart 2021 organiseren we een vijfradenbijeenkomst Lopikerwaard over de afwegingskaders voor duurzame energie van de verschillende gemeenten. De regionale energiestrategie U16 (versie 1.0) wordt in het tweede kwartaal van 2021 ter besluitvorming aan de raad voorgelegd.
Communicatie In maart en in september/oktober 2020 is de gemeente met inwoners in gesprek gegaan over de manier waarop we duurzaam energie kunnen opwekken en welke gebieden we willen beschermen. Op 8 en 9 februari 2021 hebben er extra informatieavonden plaats gevonden over de belangrijkste wijzigingen die het college naar aanleiding van de inloopavonden en online avonden van september/oktober wil doorvoeren. In februari worden de wijzigingen verwerkt in het Afwegingskader, waarna inwoners in april de mogelijkheid krijgen om schriftelijk te reageren op het Afwegingskader. Na het verwerken van de schriftelijke reacties wordt het Afwegingskader ter besluitvorming aan de raad voorgelegd. Naar verwachting gebeurt dit in het tweede of derde kwartaal van 2021.
Samenhang met eerdere besluitvorming 19R.00370 Raadsvoorstel concept Agenda Energie. 19R.00613 Raadsvoorstel startnotitie regionale energiestrategie U16. 19R.00613 Bijlage 1: Startnotitie Regionale Energie Strategie. 19R.00739 Raadsvoorstel Uitvoeringsplan Energietransitie Oudewater. 20R.00079 Raadsinformatiebrief aanpak en planning afwegingskader hernieuwbare energieopwek. 20R.00058 Raadsinformatiebrief regionaal position paper Lopikerwaard. 20R.00172 Raadsinformatiebrief Reacties op moties en amendementen startnotitie regionale energiestrategie U16. 20R.00288 Raadsinformatiebrief Resultaten van de inloopavonden Afwegingskader grootschalige duurzame energie. 20R.00316 Raadsvoorstel Ontwerp regionale energiestrategie U16 met concept bod. 20R.00437 Raadsinformatiebrief Gevolgen corona voor RES en afwegingskader grootschalige duurzame energie. 20R.01211 Raadsinformatiebrief Terugkoppeling resultaten fase 2 participatieproces afwegingskader grootschalige duurzame energie.
20R.01124 Raadsinformatiebrief Afhandeling Wob-verzoek afwegingskader duurzame energie.
Bijlagen D/21/007736 Raadsbesluit bijdrage Oudewater aan regionale energiestrategie U16 (versie 1.0). D/21/007734 Monitor concept-RES, Planbureau voor de Leefomgeving. D/21/007734 RES elektriciteitsproductie uit wind op land en grootschalig zon-PV, februari 2021, Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NPRES).