D04. Rechtbank Midden-Nederland, uitspraak in de beroepszaak inwoner inz. realisatie, exploitatie en beheer nieuw zwembad (geanonimiseerd).pdf
Tekst van het document
de
Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland L IAANTEKENEN | [PER POST [ J EMAIL
de gemeenteraad van de gemeente Oudewater Postbus
100
3420
Oudewater
DC
Bestuursrecht
bezoekadres
Vrouwe Justitiaplein 1 3511
EX
Utrecht
correspondentieadres Postadres: datum onderdeel
contactpersoon
2 maart Team
2023
3
mevr A.F. Klomp
088-3611754
ons kenmerk
aknummer
kenmerk
bijlage(n) onderwerp
Postbus
16005,
Utrecht
UTR
rechtspraak.nl(ContacUMNL
www.rechtspraak.nl 22 / 3965
BESLU
V195
zaaknr.Z/22/048316
Bij beantwoording de datum en ons
kenmerk
lechts
(geanonimiseerd) « Oudewater het beroep van B
Geachte
DA
1088 36 20000
doorkiesnummer
uw
3500
s
éé1
vermelden. k
Wilt u brief
é zak n w b
heer/mevrouw,
Over het beroep met zaaknummer UTR 22 / 3965 BE
U V195 deel ik u het volgende mee.
De rechtbank heeft uitspraak gedaan. Ik stuur u een kopie van de uitspraak.
Indien n deze uitspraak
wordt verwezen naar een uitspraak met een ECLl-nummer, is de tekst van de betreffende uitspraak onder dat nummer gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. In uw beroepschrift moet u vermelden waarom u het niet eens bent met de uitspraak. U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep.
Als u naar aanleiding van deze brief vragen hebt, kunt u contact opnemen met de administratie van de rechtbank op het hierboven vermelde doorkiesnummer. Als u de rechtbank belt of schrijft. verzoek ik u het zaaknummer te vermelden. Hoogach
de griffie
BE022
(geanonimise rd)
Uw persoonsgegevens en indien van toepassing die van uw cliënt worden,
registratiesystemen van de Rechtspraak
voor zower nodig,
voor een goec
procesvoering verwerkt n de
uitspraak RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Zitingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer:
UTR
22/3965
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2023 in de zaak tussen (geanonimiseerd) i Oudewater, ciser B en
de gemeenteraad van de gemeente Oudewater, de gemeenteraad (geanonimiseerd) < B (geanonimiseerd) Cgemachtisden: . N
Inleiding
1 De gemeenteraad heeft op 24 februari 2022 een raadsbesluit genomen dat kort gezegd gaat over de realisatie, exploitatie en het beheer van een nieuw zwembad in Oudewater. In dat besluit geeft de gemeenteraad op meerdere punten aan geen wensen of bedenkingen te hebben, als bedoeld in artikel 169 van de Gemeentewet. Daarnaast geeft de gemeenteraad aan welke budgetten voor door het college van burgemeester en wethouders
(het college) te verstrekken subsidies beschikbaar worden gesteld en ten laste van welke begrotingsposten de extra lasten komen. Daarnaast wijst de gemeenteraad de exploitatie en het beheer en onderhoud van het zwembad aan als een dienst van algemeen economisch belang (DAEB). Eiser
is het niet eens met de manier waarop de selectie voor de realisatie,
exploitatie en het beheer van het nieuwe zwembad is verlopen en vindt dat er in strijd met de Gedragscode integriteit politiek ambtsdragers gemeente Oudewater 2013 is gehandeld. Ook heeft hij twijfels over de financiële gevolgen voor de gemeente en de gevolgde regels Eiser heeft daarom op 28 februarí 2022 een brief aan het college gestuurd en heeft verzocht
die brief ook te behandelen als een bezwaarschrift.
In antwoord op vragen van de
bezwaarschriftencommissie van de gemeente heeft eiser vervolgens aangegeven dat hij en Stichting Statenbad Oudewater (SSO) bezwaar maken tegen het raadsbesluit. Onder
verwijzing naar een advies van de bezwaarschriftencommissie heeft de gemeenteraad op 7 juli 2022 het bezwaar van eiser vervolgens niet-ontvankelijk verklaard. omdat het raadsbesluit geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat waartegen bezwaar openstaat.
3
Eiser is het niet eens met dit besluit en heeft beroep ingesteld. De gemeenteraad
heeft in reactie daarop een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 14
februari 2023 op zitting behandeld. van verweerder.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden
zaaknummer:
UTR 22/3965
2
Beoordeling door de rechtbank Wat is de reikwijdte van de beoordeling van de rechtbank?
4 De rechtbank stelt voorop dat eiser een rechterlijk oordeel wil krijgen over de beslissing van de gemeenteraad om zijn bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Dit is een actueel belang dat hij met deze procedure kan bereiken en dat voor hem ook van feitelijke
betekenis is. Eiser heeft dan ook procesbelang! bij dit beroep. 5.
De rechtbank stelt wel vast dat eiser vooral aan de orde wil stellen dat de selectie
voor het nieuwe zwembad niet naar behoren is gelopen en dat de opdracht voor het nieuwe zwembad niet aan Stichting Beheer Zwembad Oudewater (SBZO), maar aan SSO moet
worden gegund. Dat is echter zeen onderwerp van deze procedure en ook niet van het raadsbesluit waar het in deze procedure om draait. Dat betekent dat zelfs als de gemeenteraad inhoudelijk naar het bezwaar tegen het raadsbesluit zou kijken en dit gegrond zou verklaren, dit niet tot gevolg heeft dat het selectieproces over moet en dat de realisatie, exploitatie en het beheer van het nieuwe zwembad aan SSO wordt gegund. Als eiser dit aan
de orde wil stellen, dan moet hij — voor zover dat (nog) mogelijk is? - (eivielrechtelijke) rechtsmiddelen tegen de uitkomst van het selectieproces aanwenden Bevat punt 9 van het raadsbesluit een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb?
6.
Eiser stelt zich op het standpunt dat punt 9 van het raadsbesluit een besluit in de
zin van artikel 1:3 van de Awb is. In punt 9 wijst de gemeenteraad namelijk de exploitatie, het beheer
en het onderhoud
van het zwembad
als DAEB
aan. Daarmee
houdt het
|
raadsbesluit cen publiekrechtelijke rechtshandeling in en is er dus wat dat betreft sprake van een appellabel besluit. Eiser wijst in dat verband op een uitspraak van het College van
beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 21 december 2016° 7. Volgens de gemeenteraad is er geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Op de zitting heeft de gemeenteraad toegelicht dat met de DAEB-aanwijzing geen rechtsgevolg in het leven wordt geroepen. Eerst met besluitvorming van het college wordt namelijk daadwerkelijk subsidie verstrekt en is er dus pas sprake van een
rechtsgevolg. De uitspraak van het CBb waarnaar eiser verwijst, gaat volgens de gemeenteraad niet op. Die uitspraak ziet op de vaststelling dat een activiteit plaatsvindt in het algemeen belang op grond van artikel 25h, zesde lid, van de Mededingingswet en niet op
de aanwijzing van een DAEB 8.
in de zin van het staatssteunrecht.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 1:3, eerste lid, van de Awb volgt dat onder
een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met een “rechtshandeling’ wordt een handeling gericht op rechtsgevolg bedoeld. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen te doen ontstaan of teniet te
doen, of om de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen.! ! Procesbelang
is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure.
Daarbij
gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is.
? Dat kan de rechtbank op basis van de beschikbare informatie in het dossier niet beoordelen * ECLENL:CBB:2016:414
* Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 maart 2022, ECLI:NL:RVS$:2022:754
zaaknummer:
UTR
22/3965
9 De rechtbank is van oordeel dat het raadsbesluit voor zover dat ziet op de DAEBaanwijzing een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. De aanwijzing van een dienst als DAEB heeft namelijk gevolgen voor de vraag welke staatssteunrechtelijke regels van toepassing zijn op de maatregelen die een overheid wilt nemen ten behoeve van die dienst, zoals het verstrekken van subsidie. Het gevolg van een aanwijzing van een dienst als DAEB kan zijn dat de maatregel ten behoeve van die dienst geen staatssteun is of wel
kwalificeert als staatssteun maar er een vrijstelling geldt, waardoor de maatregel niet hoeft
te worden aangemeld bij de Europese Commissie.* Dit zijn rechtsgevolgen van de aanwijzing als DAEB, omdat het iets verandert in de juridische status van de dienst en de op de voorgenomen maatregelen van toepassing zijnde regels. Dit rechtsgevolg ontstaat dus ook niet voor het eerst bij de feitelijke subsidieverstrekking, maar ontstaat al met het aanwijzen van de dienst als DAEB. Op dat moment moet kunnen worden getoetst of cen
dienst terecht als DAEB is aangemerkt waardoor andere staatssteunrechtelijke regels gelden. De rechtbank wijst in dat verband nog op uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 28
maart 2013° en deze rechtbank van 20 mei 20217 waaruit ook (impliciet) volgt dat de aanwijzing van een DAEB een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is
10;
Dat betekent dat het raadsbesluit voor zover dat ziet op de DAEB-aanwijzing een
bezwaar
van eiser dus ten onrechte om niet-ontvankelijk verklaard. omdat het raadsbesluit
besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. De gemeenteraad heeft het geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zou inhouden. Conclusie en gevolgen
n
Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Uit de
vernietiging van het besluit volgt dat de gemeenteraad binnen de wettelijke beslistermijn
opnieuw op het bezwaar moet beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet om de hieronder genoemde redenen geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke us toe te passen. . Voorafgaand aan het nieuwe besluit moet de gemeenteraad vaststellen van wie het bezwaar afkomstig is. De gemeenteraad had er namelijk niet zonder meer vanuit mogen
gaan dat alleen eiser bezwaar heeft ingesteld. Eiser heeft het bezwaarschrift namens zichzelf en SSO ingediend en ondertekend en heeft daarbij een uittreksel van de Kamer van Koophandel van SSO gevoegd, waarop hij als bestuurslid staat vermeld. Uit dat uittreksel blijkt niet dat eiser ook daadwerkelijk bevoegd is om SSO te vertegenwoordigen in de bezwaarprocedure, maar dat neemt niet weg dat de gemeenteraad daarnaar moet kijken en zo nodig aanvullende stukken moet opvragen bij eiser waaruit de vertegenwoordigingsbevoegdheid blijkt. Daarnaast moet de gemeenteraad ook SBZO betrekken in de bezwaarfase als mogelijke derde-belanghebbende en zal de gemeenteraad eiser, eventueel SSO en SBZO moeten horen voordat hij een nieuw besluit op bezwaar neemt
‘an de * Zie in dit verband onder andere de artikelen 107-109 van het Verdrag betreffende de werkin Europese Unie; de DAEB-de-minimisverordening (Verordening 360/2012): het DAEBvrijstellingsbesluit (PPEU 2012, L 7/3); en de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C8/03) © ECLENL:RBROT:2013:2062
7 ECLENL:RBMNE:2021:2255.
zaaknummer:
UTR
22/3965
4
13. Verder merkt de rechtbank op dat de gemeenteraad in het verweerschrift en op de zitting zich subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat eiser en eventueel SSO — ook als de DAEB-aanwijzing een besluit is - niet-ontvankelijk zijn in bezwaar, omdat zij geen
procesbelang hebben n bezwaar en geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb! bij de aanwijzing van de DAEB. Als de gemeenteraad dit vindt, dan zal hij dit nader moeten onderzoeken en motiveren in bezwaar. In het kader van de
belanghebbendheid wijst de rechtbank er daarbij op dat de omstandigheid dat SSO niet als winnaar uit de bus is gekomen bij de selectie voor het nieuwe zwembad en momenteel geen zwembad in beheer hecft, niet meteen betekent dat zij geen concurrent is en geen actueel
belang heeft (zoals volgens de gemeenteraad het geval is). SSO heeft immers wel meegedaan aan de selectieprocedure en eiser stelt dat er in 2016 een intentieovereenkomst voor het nieuwe zwembad met zijn bedrijf is gesloten. Bovendien wil SSO juist het nieuwe zwembad ontwikkelen en voor de financiering daarvoor in aanmerking komen. De rechtbank geeft aan de gemeenteraad mee dit te betrekken bij het onderzoek naar de vraag of eiser en eventueel SSO belanghebbenden zijn. De rechtbank zegt dus overigens niet dat
eiser en SSO belanghebbenden zijn, maar alleen dat de gemeenteraad dit moet meenemen 14. _ Omdathet beroep gegrond is, moet de gemeenteraad het griffierecht aan eiser vergoeden. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond: - vernietigt het bestreden besluit van 7 juli 2022
- bepaalt dat de
gemeenteraad het griffierecht van € 184.- aan eiser moet vergoeden.
* Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectiefen actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld
in dit artikel
zaaknummer:
UTR
22/3965
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter. in aanwezigheid van mr.
M.M. van Luijk-Salomons, griffier. l maart
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
2023.
(geanonimiseerd) griffier
(geanonimiseerd) TET
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
D7ú
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afiwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stale vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen