D01. bijlage Concept Afstemmingsverordening 2015 GR Ferm Werk.pdf
Tekst van het document
Het derde lid regelt het opleggen van de sanctie als sprake is van één verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedraging is (ééndaadse samenloop). In dat geval, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. Er wordt dan één sanctie opgelegd en individueel wordt beoordeeld welke sanctie. Naar analogie met het eerste lid is het uitgangspunt dat de zwaarste sanctie wordt opgelegd. Vaak zal dat de boete zijn. Als het dagelijks bestuur besluit een boete op te leggen, dan wordt geen verlaging meer opgelegd. Het vierde lid regelt in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van meerdere gedragingen waarbij zowel het opleggen van een maatregel als van een boete aan de orde kan zijn (meerdaadse samenloop). In beginsel wordt dan elke gedraging afzonderlijk gesanctioneerd. Dit kan dus een maatregel zijn, maar ook een boete. Voor zover een enkele gedraging zowel beboetbaar als maatregelwaardig is, wordt in beginsel een boete opgelegd. Daarnaast kan het dagelijks bestuur in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen. In het geval van meerdaadse samenloop dient wel beoordeeld te worden of het totaal van de sancties proportioneel is. In dit kader kan de hoogte van de maatregel gematigd worden.
Bij de hoogte van de maatregel wordt rekening gehouden met evt. andere maatregelen én de hoogte van de bestuurlijke boete (vierde lid). Artikel 15. Recidive Verdubbeling duur verlaging Als binnen twaalf maanden na een verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, kan de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking worden gebracht in een verdubbeling van de hoogte of van de duur van de verlaging. In deze verordening is gekozen voor verdubbeling van de duur. Hiermee wordt aangesloten bij het beleid van Ferm Werk en van de deelnemende gemeenten zoals dat gold vóór 2015 (onder de WWB). Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Als eerste dag van de termijn van twaalf maanden, geldt de datum waarop het eerste besluit tot verlaging is verzonden. Eenzelfde gedraging vereist voor recidive Voor het toepassen van de recidivebepaling als bedoeld in het eerste lid geldt als voorwaarde dat dezelfde verplichting wordt geschonden.
Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende, dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde Pagina 18 van 19 Onderwerp Afstemmingsverordening 2015
Indiener Dagelijks Bestuur
Datum 15 december 2016
Gericht aan Algemeen Bestuur
Versie 2023
gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht. Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen Als een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, wordt de duur van de laatst opgelegde maatregel verdubbeld. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting De toepassing van de recidivebepaling bij schending van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is afwijkend. Hierbij is het niet noodzakelijk dat dezelfde verplichting is geschonden. Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan wordt de verdubbeling van de duur toegepast. Bij schending van de verplichting tot het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is de duur van de maatregel bepaald op twee maanden. De maximale duur van de maatregel bij de eerste recidive bedraagt drie maanden.
Daarom is ervoor gekozen om bij een eerste recidive van schending van geüniformeerde arbeidsverplichtingen de duur van de maatregel te bepalen op drie maanden als bij de eerste of de tweede keer de verplichting tot het aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet is nagekomen. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden. Dit volgt uit de wet (artikel 18, zevende en achtste lid, Participatiewet).
Pagina 19 van 19 Onderwerp Afstemmingsverordening 2015
Indiener Dagelijks Bestuur
Datum 15 december 2016
Gericht aan Algemeen Bestuur
Versie 2023