CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

C10.3 Bijlage 1c. Kadernota VRU 2027.pdf

Gemeenteraad 5 februari 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 7: Ingekomen stukken11.903 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Kadernota VRU 2027 Kaders begroting 2027 & geactualiseerde begroting 2026 Algemeen bestuur (vastgesteld 1 december 2025)

1

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3

Inleiding Context Opbouw kadernota Proces

4 4 4 4

2 2.1

Financieel kader Verdelingsgrondslag 2.1.1 Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds 2.1.2 Compensatiemechanisme Loon- en prijsontwikkeling 2.2.1 Indexeringsgrondslag 2.2.2 Loonontwikkeling 2.2.3 Prijsontwikkeling FLO-overgangsrecht en tweede loopbaanbeleid Rijksbijdrage Brede doeluitkering Rampenbestrijding Samenvatting mutaties GBTP financieel kader

5 5 5 6 8 8 8 9 11 12 15

Ontwikkelingen Toekomstscenario’s Knelpunten 2026 3.2.1 Autonome ontwikkelingen 3.2.2 Goed werkgeverschap 3.2.3 Voortschrijdend inzicht 3.2.4 Financieel effect knelpunten 2026 Bestuurlijke opdrachten 3.3.1 Doorbelasten liftopsluitingen 3.3.2 Doorbelasten dienstverlening ambulancezorg 3.3.3 Analyse AED-taak 3.3.4 Toekomstbestendigheid waterongevallenbestrijding 3.3.5 Samenwerkingsmogelijkheden 3.3.6 Volumecomponent in financieringssystematiek Overige ontwikkelingen 3.4.1 Visie op huisvesting 3.4.2 Dekkingsplan Samenvatting mutaties GBTP Ontwikkelingen

16 16 16 17 18 18 19 20 20 20 21 21 21 21 22 22 22 23

2.2

2.3 2.4 2.5 3 3.1 3.2

3.3

3.4

3.5

2

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

Risico’s Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) Vrijwilligheid brandweerpersoneel Overeenkomst van opdracht (OvO) Rijksbijdrage (BDuR) CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU) Overige onvoorziene exploitatierisico’s Milieurisico PFAS Vitaalverklaring veiligheidsregio’s Indexeringssystematiek

24 24 25 26 27 27 27 28 28 29

5

Gemeentelijke bijdrage GBTP 2026 en 2027

30

Bijlage 1 – Financieel effect op GBTP per investering van € 1 miljoen

32

Bijlage 2 – Gemeentelijke vergoeding IGPP 2026/2027

33

Bijlage 3 – Meerjarenraming gemeentelijke bijdrage GBTP

34

3

1 Inleiding 1.1

Context

In de Kadernota 2027 schetsen we de financiële en beleidsmatige kaders voor het opstellen van de begroting 2027 en de actualisatie van de begroting 2026, zoals staat in artikel 4.3 van de gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht. Deze kaders maken deel uit van het proces van begroting en verantwoording (zie figuur 1). Figuur 1: proces begroting en verantwoording VRU

Kaders begroting

Begroting (ontwerp/def)

Actualisatie begroting

Jaarstukken/ jaarrekening

De gemeenten worden in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders te geven. De zienswijzen betrekken we bij het opstellen van de ontwerpbegroting van 2027 en de geactualiseerde begroting 2026. Voordat het bestuur de begroting definitief vaststelt, wordt deze ook voor zienswijzen aan de gemeenten aangeboden. De gemeenten hebben op deze manier twee momenten om invloed uit te oefenen op de begroting van de VRU.

1.2

Opbouw kadernota

Bij het opstellen van de kadernota ligt de nadruk op de ontwikkelingen die effect hebben op de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. We maken hierbij het volgende onderscheid:   

Technische toepassing van het financiële kader (hoofdstuk 2). Toekomstscenario’s en bestuurlijke opdrachten (hoofdstuk 3). Risico’s (hoofdstuk 4).

In hoofdstuk 5 geven we de effecten uit hoofdstuk 2 en 3 op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP) weer. In hoofdstuk 6 brengen we de vergoeding voor het individueel gemeentelijk pluspakket (IGPP) per gemeente in beeld.

1.3

Proces

De kadernota VRU 2027 geeft de kaders voor de begroting 2027 en de actualisatie van de begroting 2026 weer. Besluitvorming hierover vindt in het algemeen bestuur plaats op 1 december 2025. Gelijktijdig ligt nog een aantal voorstellen ter besluitvorming voor, die van invloed zijn op de hoogte van de gemeentelijke bijdrage voor de komende jaren. Dit betekent dat in deze kadernota een aantal pm-posten is opgenomen. De besluitvorming over deze voorstellen, waaronder de toekomstscenario’s, wordt verwerkt in de ontwerpbegroting VRU 2027. (Bijlage 3 van deze kadernota is toegevoegd na besluitvorming door het AB op 1 december 2025.)

4

2 Financieel kader 2.1

Verdelingsgrondslag

2.1.1 Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds De ijkpuntscores van het Gemeentefonds voor het onderdeel ‘Crisisbeheersing en Brandweer’ vormen de basis voor de verdeling van de bijdrage per gemeente voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP). Dit uitgangspunt is opgenomen in artikel 4.2 A van de Gemeenschappelijke Regeling. In het verdeelmodel voor de gemeentelijke bijdrage voor het GBTP hebben we de nieuwe ijkpuntscores uit de septembercirculaire 2025 toegepast. In tabel 1 zijn de percentages voor de begroting 2027 en de geactualiseerde begroting 2026 opgenomen op basis van de septembercirculaire 2025. Tabel 1: verdelingsgrondslag (relatief aandeel ijkpuntscores) gemeentelijke bijdrage GBTP Verdelingsgrondslag bijdrage GBTP Gemeente

Begroting 2026

Amersfoort Baarn

Kaders Mutatie (q) maatstaven

begroting 2026a en 2027

11,41%

0,074%

11,49%

1,85%

-0,009%

1,84%

Bunnik

1,07%

-0,002%

1,07%

Bunschoten

1,30%

-0,008%

1,29%

De Bilt

3,04%

-0,013%

3,02%

De Ronde Venen

3,00%

-0,019%

2,99%

Eemnes

0,65%

0,005%

0,65%

Houten

3,15%

-0,003%

3,15%

IJsselstein

2,15%

-0,013%

2,13%

Leusden

1,98%

0,004%

1,98%

Lopik

0,85%

-0,001%

0,85%

Montfoort U

0,87%

-0,005%

0,86%

Nieuwegein

4,44%

0,059%

4,49%

Oudewater

0,66%

0,007%

0,67%

Renswoude

0,36%

0,001%

0,36%

Rhenen

1,24%

-0,002%

1,24%

Soest

3,15%

-0,002%

3,15%

Stichtse Vecht

4,40%

-0,091%

4,31%

Utrecht

32,02%

0,043%

32,06%

Utrechtse Heuvelrug

3,51%

-0,021%

3,49%

Veenendaal

4,60%

0,037%

4,63%

Vijfheerenlanden

3,73%

0,019%

3,75%

Wijk bij Duurstede

1,59%

-0,008%

1,58%

Woerden

3,52%

-0,023%

3,50%

Woudenberg

0,83%

0,000%

0,83%

Zeist

4,65%

-0,028%

4,62%

TOTAAL

100,00%

0,000%

100,00%

5

Sinds de herijking van het gemeentefonds heet dit subcluster ‘Crisisbeheersing en brandweer’ (voorheen ‘Brandweer en Rampenbestrijding’). De maatstaven in dit subcluster zijn: aantal bedrijfsvestigingen, aantal kernen met minstens 500 adressen, lokale centrumfunctie, omgevingsadressendichtheid en aantal woonruimten. De weging per maatstaf is vastgesteld in de Rijkscirculaire. De maatstaven en weging worden vertaald naar ijkpuntscores per gemeente. Het aandeel van de gemeente Amersfoort, Nieuwegein, Utrecht en Veenendaal is relatief meer toegenomen dan gemiddeld. Het aandeel van de gemeente Stichtse Vecht is verhoudingsgewijs het meest gedaald als gevolg van de afname van het aantal grote woonkernen. 2.1.2 Compensatiemechanisme De financieringssystematiek van de VRU is sinds 2015 gebaseerd op de verdeling van het subcluster ‘Crisisbeheersing en brandweer’ binnen het Gemeentefonds. Hierdoor draagt elke gemeente evenredig bij aan het budget voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP). Bij de vaststelling van dit nieuwe financieringsmodel is afgesproken dat gemeenten geen nadeel mogen ondervinden door de overgang naar dit model. Gemeenten die voordeel behaalden bij de invoering van deze systematiek dragen daarom een deel van hun voordeel af om gemeenten die nadeel ondervinden te compenseren. Dit wordt het compensatiemechanisme genoemd.

Bij het opstellen van de kadernota wordt jaarlijks getoetst of het relatieve aandeel in het budget van de nadeelgemeenten is afgenomen ten opzichte van de ijkpuntscore die is vastgesteld bij de overgang naar het huidige financieringsmodel. Het aandeel van de gemeente IJsselstein is in verhouding tot het basisjaar licht gedaald waardoor het te compenseren nadeel daalt met € 10K. Dit leidt tot een verlaging van de bijdrage van de voordeelgemeenten voor hetzelfde bedrag. Over het geheel gezien heeft dit geen effect op de totale omvang van de gemeentelijke bijdrage. In 2026 ontvangen vier gemeenten nog jaarlijks een compensatie via dit mechanisme: Houten (€341K), IJsselstein (€129K), Nieuwegein (€110K) en Veenendaal (€799K). Het totale nadeel van € 1,4 miljoen wordt gecompenseerd door alle voordeelgemeenten. Op dit moment kent het compensatiemechanisme een open einde, wat betekent dat er geen einddatum voor deze regeling is vastgesteld. Cebeon heeft op verzoek van de bestuurlijke adviescommissie ‘Bedrijfsvoering en financiën’ advies uitgebracht over de afbouw van het compensatiemechanisme. Uit dat advies komt naar voren dat het compensatiemechanisme als open einde-regeling onvoldoende rekening houdt met de kostenontwikkelingen per gemeente.

Dit komt voor het subcluster ‘Crisisbeheersing en brandweer’ binnen het gemeentefonds tot uitdrukking in kostenbepalende structuurkenmerken per gemeente, zoals het aantal woonruimten, de bebouwingsdichtheid en bedrijvigheid. De (ijkpunt)score van gemeenten op deze kenmerken wordt jaarlijks geactualiseerd en op basis hiervan ontvangen gemeenten middelen uit het gemeentefonds. Dit heeft tot gevolg dat de verdeling op basis van de ijkpuntscores met en zonder compensatie nog steeds aanzienlijke verschillen in de gemeentelijke bijdrage tot gevolg heeft. Het advies van Cebeon is dan ook om het compensatiemechanisme af te bouwen. Om grote wijzigingen in de bijdragen per individuele (nadeel-)gemeente te voorkomen, adviseert Cebeon om een ruime overgangsperiode aan te houden.

6

De onderstaande tabel geeft de compensatiebedragen en de mutatie weer. Tabel 2: Mutatie compensatiebedragen per gemeente Bedragen x €1.000

Kadenota 2026

Gemeente

Compensatie 2025a/ 2026

Amersfoort

0

-

0

Baarn

-29

0

-29

Bunnik

-33

0

-33

Bunschoten

-22

0

-22

De Bilt

-125

1

-124

De Ronde Venen

-113

1

-112

Eemnes

-27

0

-27

Houten

341

-

341

IJsselstein

139

-10

129

Leusden

-2

0

-2

Lopik

-58

0

-58

Montfoort

-49

0

-48

Nieuwegein

110

-

110

Oudewater

-31

0

-31

Renswoude

-25

0

-25

Rhenen

-19

0

-19

Soest

-48

0

-48

Stichtse Vecht

-198

1

-196

Utrecht Utrechtse Heuvelrug

Kadernota 2027 Mutatie

Compensatie 2026a/ 2027

0

-

0

-202

1

-200

Veenendaal

799

-

799

Vijfheerenlanden

-212

2

-211

Wijk bij Duurstede

-86

1

-85

Woerden

-39

0

-39

Woudenberg

-33

0

-33

Zeist

-37

0

-37

Totaal

-

-

-

Een voorstel over de afbouw van het compensatiemechanisme wordt separaat aan het bestuur voorgelegd. Ter voorbereiding worden gemeenten gedurende 2026 actief betrokken bij dit proces. De implementatie van de besluitvorming is gepland in de Kadernota VRU 2028.

7

2.2

Loon- en prijsontwikkeling

2.2.1 Indexeringsgrondslag Naar aanleiding van de zienswijzen op de Kadernota VRU 2026 heeft het bestuur van de VRU opdracht gegeven tot een gezamenlijke verkenning naar een werkbare afstemming tussen de prijsaanpassingssystematiek van de VRU en de indexeringssystematiek van de gemeenten (het gemeentefonds). Deze verkenning is gewenst vanwege een wijziging in de indexeringssystematiek van het gemeentefonds, waardoor gemeenten op een andere wijze worden gecompenseerd voor loon- en prijsontwikkelingen. Om invulling te geven aan deze opdracht is er een gezamenlijke werkgroep ingericht met vertegenwoordigers van zowel gemeenten als de VRU. Cebeon participeert hierbij als externe adviseur. De bestuurlijke adviescommissie bedrijfsvoering en financiën fungeert als bestuurlijke stuurgroep. In het najaar van 2025 heeft de werkgroep een eerste analyse van de verschillende methodieken opgesteld. Er worden twee varianten uitgewerkt waarbij de voor- en nadelen, evenals de financiële risico’s van de diverse methodieken en voorstellen, in kaart worden gebracht. Deze worden vervolgens ter toetsing en advisering voorgelegd aan Cebeon. De rapportage van de werkgroep wordt 25 februari 2026 ter oordeelsvorming en besluitvorming voorgelegd aan de bestuurlijke adviescommissie Bedrijfsvoering & Financiën.

2.2.2 Loonontwikkeling We indexeren de loongevoelige, structurele budgetten met het CPB indexcijfer 'Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers', omdat er voor de komende periode nog geen cao akkoord beschikbaar is. Voor de loonbijstelling volgen we de algemene loonontwikkeling 1. De ontwikkeling van dit indexcijfer en de relatie met de reeds vastgestelde begroting 2026 is weergeven in tabel 3. Tabel 3: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers' en financieel effect op GBTP Loonbijstelling loongevoelige budgetten Jaar

Financieel Bijstelling effect GBTP

Begroting 2026

Kaders 2026a

Kaders 2027

2025 2026

4,8%

4,8%

4,8%

3,4%

2,6%

2,6%

-0,8%

-638

Subtotaal 2026

8,2%

7,4%

7,4%

-0,8%

-638

2027

-

-

5,7%

5,7%

4.881

Subtotaal 2027

-

-

5,7%

5,7%

4.881

8,2%

7,4%

13,1%

4,9%

4.243

Totaal

(x € 1.000)

0,0%

-

1 Bijdrageverordening VRU 2015 artikel 1: ‘de loonontwikkeling conform de Collectieve Arbeidsregeling (CAR) en mutaties in de premieplichtigen

van de werkgever op basis van wet CAR en rechtspositieregeling’.

8

Voor de jaren 2025 tot en met 2027 is een stelpost voor loonontwikkeling opgenomen, omdat het huidige cao-akkoord tot 1 augustus 2025 loopt en we de omvang van de loonontwikkeling voor de periode daarna nog niet weten. Vooralsnog is er geen zicht op een principeakkoord, omdat de onderhandelingen medio september 2025 door de vakcentrales eenzijdig zijn opgeschort. Eind oktober 2025 hebben de vakcentrales laten weten dat zij de onderhandelingen willen hervatten. Voor het actualiseren van de stelpost voor de loonontwikkeling 2026 is aangesloten bij de meest recente raming van de index 'Prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers' uit de macroeconomische verkenning (MEV26). In de vastgestelde begroting VRU 2026 is reeds een stelpost van 8,2% voor de nieuwe cao vanaf 1 augustus 2025 opgenomen. De stelpost voor de loonontwikkeling wordt nu bij de actualisatie van de begroting VRU 2026 met 0,8% verlaagd naar 7,4%. Dit is in lijn met de loonontwikkeling bij gemeenten. Voor 2027 is de loonontwikkeling door het Centraal Planbureau (CPB) op basis van de septembercirculaire 2025 geraamd op 5,7%. De stelpost voor loonontwikkeling verwerken we in de (ontwerp)begroting VRU 2027. De kosten die ten laste van de stelpost loonontwikkeling worden gebracht, komen voort uit de cao en worden uitgewerkt in de CAR(-UWO) Veiligheidsregio’s.

Hierin worden ook de kosten meegenomen die voortkomen uit de invoering van de landelijke ‘Regeling erkenning en aanspraken Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) als beroepsziekte’. Deze PTSS-regeling zal op 17 november 2025 worden vastgesteld door het dagelijks bestuur en treedt per 1 februari 2026 in werking. Een klein deel dat ziet op een extra aanvulling voor repressieve vrijwilligers is echter niet opgenomen in de landelijke regelgeving. Na instemming van de Ondernemingsraad is afgesproken dat dit onderdeel van het reeds bestaande coulancebeleid gecontinueerd wordt tot en met 31 december 2028. Het aangepaste coulancebeleid wordt eveneens vastgesteld door het dagelijks bestuur en verwerkt in de begroting van de VRU. De stelpost voor loonontwikkeling wordt na vaststelling van een nieuwe cao voor de veiligheidsregio’s 2 en de bijbehorende (werkgevers)lasten structureel verrekend met de gemeentelijke bijdrage voor het GBTP, waarbij een eventueel overschot wordt teruggegeven aan gemeenten.3 2.2.3 Prijsontwikkeling Voor de prijsbijstelling van de prijsgevoelige budgetten hanteert de VRU op basis van het gangbare financieel beleid de procentuele mutatie van het indexcijfer ‘Prijs bruto binnenlands product’ (pbbp) zoals gepubliceerd in de meest recente septembercirculaire conform de berekeningen van het CPB4. Dit staat beschreven in artikel 1 sub j van de Bijdrageverordening VRU.

In aansluiting op de gegeven indices die het Rijk heeft opgenomen in de septembercirculaire voor het gemeentefonds, hebben wij de indexatie van specifiek de investeringsbudgetten gebaseerd op het (doorgaans lagere) CPB indexcijfer ‘prijs bruto overheidsinvesteringen’ (iboi)5.

2 De huidige CAO voor de veiligheidsregio’s kent een looptijd tot 1 augustus 2025.

3 Een eventueel tekort wordt via de gemeentelijke bijdrage voor het GBTP doorbelast aan gemeenten 4 Prijsindexen CPB MEV 2025 (m.b.t. 2025) en CEP 2024 (m.b.t. 2023,2024,2026).

5 Voor het eerst gepubliceerd in tabel 4.2.2 van de septembercirculaire 2023 en direct toegepast in de gerelateerde Kadernota VRU 2025.

9

Op basis van bestaand beleid vindt jaarlijks een correctie plaats aan de hand van de geactualiseerde cijfers over de voorliggende twee jaren ten opzichte van de begroting. Zo indexeren we nooit te veel of te weinig en sluiten we zo goed mogelijk aan op de werkelijke prijsontwikkeling. De ontwikkeling van de prijsindexcijfers (pbbp en iboi) en de relatie met de vastgestelde begroting 2026 inclusief bijstelling is weergeven in respectievelijk tabel 4 en 5. Tabel 4: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs bruto binnenlands product (pbbp)' en financieel effect op GBTP Prijsbijstelling algemene prijsgevoelige budgetten Jaar

Financieel Bijstelling effect GBTP

Begroting 2026

Kaders 2026a

Kaders 2027

2024

4,0%

5,1%

5,1%

1,1%

288

2025 2026

2,7%

3,6%

3,6%

0,9%

236

2,6%

2,5%

2,5%

-0,1%

-26

Subtotaal 2026

9,3%

11,2%

11,2%

1,9%

498

(x € 1.000)

2027

-

-

2,5%

2,5%

668

Subtotaal 2027

-

-

2,5%

2,5%

668

9,3%

11,2%

13,7%

4,4%

1.166

Totaal

Tabel 5: Ontwikkeling CPB indexcijfer 'Prijs bruto overheidsinvesteringen (iboi)' en financieel effect op GBTP Prijsbijstelling investeringsbudgetten Jaar

Financieel Bijstelling effect GBTP

Begroting 2026

Kaders 2026a

Kaders 2027

2024

3,0%

3,5%

3,5%

0,5%

70

2025 2026

2,3%

3,3%

3,3%

1,0%

139

2,2%

2,5%

2,5%

0,3%

42

Subtotaal 2026

7,5%

9,3%

9,3%

1,8%

251

(x € 1.000)

2027

-

-

2,5%

2,5%

354

Subtotaal 2027

-

-

2,5%

2,5%

354

7,5%

9,3%

11,8%

4,3%

605

Totaal

10

2.3

FLO-overgangsrecht en tweede loopbaanbeleid

Het financiële kader van de lasten van het Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) met betrekking tot het overgangsrecht bestaat uit een structurele en een incidentele component. Schommelingen in de kostenprognose worden geëgaliseerd via de bestemmingsreserve ‘Lasten FLO-overgangsrecht’. De actualisatie van de kostenprognose is verwerkt in de kaders voor de meerjarenraming van de begroting 2027 en de geactualiseerde begroting van 2026. Op basis van de huidige inzichten en cao-afspraken over het FLO-overgangsrecht zien we geen aanleiding het huidig meerjarig financiële kader bij te stellen. De huidige cao kent een looptijd tot 1 augustus 2025. Na vaststelling van een volgende cao maken we een nieuwe doorrekening, die ook met terugwerkende kracht een financieel effect genereert. Daarna kunnen we bepalen welke structurele financiële ruimte we verwachten in relatie tot de afbouw van de lasten voor het FLO-overgangsrecht. Dit doen we in samenhang met de landelijke afspraken over het tweede loopbaanbeleid. In 2021 is hiervoor een vierjarig onderzoek gestart door de Universiteit Maastricht in opdracht van het Landelijk Overleg Brandweer Arbeidsvoorwaarden (LOBA). Dit onderzoek moet de basis vormen voor herziening van het tweede loopbaanbeleid en wordt afgerond in 2026. Besluitvorming wordt in de tweede helft van 2026 verwacht.

Dit betekent dat we de budgetten voor het FLO-overgangsrecht bij het opstellen van de kaders voor de begroting 2027 en geactualiseerde begroting 2026 nu alleen verhogen met de reguliere loon- en prijsaanpassing. In tabel 6 is de geactualiseerde meerjarenraming voor het FLOovergangsrecht weergegeven. Tabel 7 geeft een actueel inzicht in het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket (GBTP) voor het jaar 2026 en 2027. Tabel 6: meerjarenraming FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan 2026-2030 Bedragen x € 1.000

Meerjarenraming FLO overgangsrecht en tweede loopbaan

2026

2027

2028

2029

2030

Lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan

2.948

3.091

3.091

3.091

3.091

Storting/ onttrekking reserves FLO-overgangsrecht

215

66

66

66

66

Storting/ onttrekking reserves FLO-tweede loopbaan

183

189

189

189

189

3.346

3.346

3.346

3.346

3.346

Lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan

2.911

2.988

2.988

2.988

2.988

Storting/ onttrekking reserves FLO-overgangsrecht

250

350

350

350

350

Storting/ onttrekking reserves FLO-tweede loopbaan

183

189

189

189

189

Lasten FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan begroting 2026a en 2027

3.344

3.527

3.527

3.527

3.527

Mutatie structurele lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan

-2

181

181

181

181

Begroting 2026

Lasten FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan begroting 2026 Begroting 2026a en 2027

De actualisatie van de meerjarenraming leidt niet tot een mutatie van de gemeentelijke bijdrage. Begin 2026 wordt de kostenprognose voor de FLO nog geactualiseerd en als incidentele mutatie budgetneutraal verwerkt in de geactualiseerde begroting 2026 en ontwerpbegroting 2027.

11

Tabel 7: Financieel effect mutatie lasten FLO-overgangsrecht Bedragen x € 1.000

FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan

Financieel effect 2026a en 2027 Begroting 2026

Kaders 2026a

Kaders 2027

3.346

3.346

3.346

-

3.344

3.527

Mutatie lasten FLO-overgangsrecht en tweede loopbaan

-

-2

181

Correctie loon- en prijsaanpassing *

-

2

-181

Financieel effect op gemeentelijke bijdrage (GBTP)*

-

-

-

FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan begroting 2026 FLO-overgangsrecht & 2e loopbaan kaders 2026a en 2027

*De loon- en prijsaanpassing met betrekking tot de FLO-lasten is onderdeel van de totale loon- en prijsaanpassing (zie paragraaf 2.2.2 en 2.2.3). Om dubbeltelling te voorkomen is een correctie toegepast.

De lasten voor het FLO-overgangsrecht volgen de loonontwikkeling conform de cao-afspraken. We indexeren het structureel FLO-budget op dezelfde wijze als de overige loon- en prijsgevoelige budgetten.

2.4

Rijksbijdrage Brede doeluitkering Rampenbestrijding

Op grond van het Hoofdlijnenakkoord en de uitwerking in het regeerprogramma is de rijksbijdrage Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) vanaf 2026 met 10% gekort voor alle veiligheidsregio’s. In de voorjaarsnota 2025 van het Rijk is de korting van 10% niet gerepareerd. De korting is evenredig over alle onderdelen van de BDuR toegepast. De omvang van de rijksbijdrage BDuR voor de VRU bedraagt voor 2026 volgens de laatste prognose6 € 14,1 miljoen. Hierin is de structurele korting van 10% (€ 1,4 miljoen) verwerkt. Na verrekening met de eerder gereserveerde stelpost voor loon- en prijsontwikkeling (LPO) van de BDuR (€ 0,4 miljoen), leidt dit zonder aanvullende maatregelen vanaf 2026 tot een structurele verhoging van de gemeentelijke bijdrage voor het GBTP (€ 1,0 miljoen)7. Voor het jaar 2026 is ter dekking van deze verhoging een incidentele onttrekking aan de bedrijfsvoeringsreserve (algemene reserve) begroot. In de meerjarenraming van de vastgestelde begroting 2026 is vanaf 2027 een verhoging van het GBTP opgenomen. Om te voorkomen dat de gemeentelijke bijdrage met ingang van 2027 structureel moet worden verhoogd stellen we nu de volgende maatregelen voor.

6 Te verwachten BDuR-rijksbijdrage voor 2026 conform de BDuR-junibrief 2025

7 In de meerjarenraming van de vastgestelde begroting VRU 2026 is een verhoging van het GBTP met € 1,1 miljoen opgenomen als gevolg van de

resterende korting van 10% op de BDuR. Dit bedrag is in de kadernota VRU 2027 naar beneden bijgesteld naar € 1 miljoen (€ 986K).

12

Tabel 8: maatregelen korting 10% rijksbijdrage BDuR Bedragen x € 1.000

Financieel effect GBTP

Brede doeluitkering Rampenbestrijding

2026

2026a 2027 incl.LPO '25 structureel

Rijksbijdrage Brede Doeluitkering BDuR (excl. korting van 10%)

14.923

15.453

15.453

Rijksbijdrage Brede Doeluitkering BDuR (incl. korting van 10%)

13.433

14.065

14.065

10% korting BDuR Invulling 10% korting structureel (surplus LPO 2024)

1.490

1.388

1.388

-402

-402

-402

Restant 10% korting

1.088

986

986

10% korting BDuR-budget versterking crisisbeheersing

-

-334

-334

Surplus LPO BDuR 2025

-

-305

-305

Mutatie stelpost LPO BDuR 2026 (stelpost van 225K naar 285K) Stelpost LPO BDuR 2027 (2%)

-

-60

-60

-

-

-287

Aanvullende maatregelen kadernota VRU 2027

-

-699

-986

-1.088

-287

-

-

-

-

Aanvullende maatregelen Kadernota VRU 2027:

Dekking '10% korting' incidenteel (onttrekking algemene reserve) Nog in te vullen korting BDuR

Bij vaststelling van de begroting VRU 2026 is uitgegaan van een korting van € 1,49 miljoen op de BDuR (10%). In de ‘BDuR-junibrief’ van het Rijk is de omvang van de korting berekend op € 1,39 miljoen. Dit betekent dat het restant van de korting dat nog moet worden ingevuld € 1 miljoen bedraagt. De 10% korting is op het totaal van de rijksbijdrage BDuR toegepast en daarmee ook doorgevoerd op de extra middelen die via de BDuR aan alle veiligheidsregio’s zijn toegekend voor de versterking van de crisisbeheersing. Het geoormerkte budget voor de VRU voor de versterking van de crisisbeheersing van € 3,3 miljoen is gefaseerd over de jaren 2023-2026 toegekend. We stellen nu voor om de korting van 10% vanaf 2026 vooralsnog conform de systematiek van het Rijk ook op dit budget toe te passen (€ 334K). Met het Rijk wordt gesproken over compensatie voor de korting op de BDUR-gelden. Dit is van belang omdat het Rijk veel vraagt van de Veiligheidsregio's in het kader van crisisbeheersing, bijvoorbeeld als het gaat om veerkracht en weerbaarheid. Hoewel het Rijk niet voornemens is om de korting ongedaan te maken, is het Rijk wel voornemens middelen ter beschikking te stellen voor veerkracht en weerbaarheid. Met deze middelen kan de versterking van crisisbeheersing doorgang vinden.

Indien deze middelen worden verstrekt, is het voorstel om de korting op de BDUR-gelden - en daarmee het achterliggende doel de versterking crisisbeheersing – in de begroting van de VRU te repareren.

13

Na vaststelling van de begroting VRU 2026 is de LPO 2025 voor de BDuR toegekend (€ 530K). Hiervoor was een stelpost van € 225K in de begroting opgenomen. Het surplus van € 305K kan nu structureel worden ingezet ter dekking van het overige deel van de 10% korting op de BDuR. In de vastgestelde begroting VRU 2026 is op basis van de kadernota VRU 2026 eveneens een stelpost voor te ontvangen LPO in 2026 in de begroting verwerkt (€ 225K). Op basis van de bijstellingen van de BDuR als gevolg van loon-en prijsontwikkeling in de afgelopen jaren wordt deze stelpost nu opgehoogd naar 2% (€ 285K voor 2026). Voor 2027 wordt eveneens een stelpost van 2% LPO geraamd (€ 287K). Dit betekent dat de gehele korting op de BDuR van 10% volledig in de begroting is verwerkt en dat de gemeentelijke bijdrage voor het GBTP in 2027 niet verhoogd wordt als gevolg van deze korting. In tabel 9 is de bijstelling van de BDuR voor 2026 en 2027 en het financiële effect op de gemeentelijke bijdrage voor het basistakenpakket (GBTP) weergegeven. Tabel 9: financieel effect mutatie BDuR op gemeentelijke bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000 Financieel effect 2026a en 2027 Effect korting Brede doeluitkering Rampenbestrijding

Begroting 2026

Kaders 2026a

Kaders 2027

Verlaging (BDuR)budget versterking Crisisbeheersing

-

-334

-334

Verlaging BDuR-budget Versterking Crisisbeheersing

-

-334

-334

Surplus LPO conform beschikking BDuR 2025

-

-305

-305

Mutatie stelpost loon- en prijsbijstelling BDuR 2026 Stelpost loon- en prijsbijstelling BDuR 2027

-

-60

-60

-

-

-287

Loon- en prijsbijstelling BDuR

-

-365

-652

Mutatie incidentele onttrekking algemene reserve

-

699

-

Mutatie stelpost loon- en prijsbijstelling BDuR 2025

-

699

-

Financieel effect op gemeentelijke bijdrage (GBTP)

-

-

-986

De verwerking van de korting heeft geen financieel effect op de gemeentelijke bijdrage voor 2026. Het heeft wel gevolgen voor de onttrekking aan de algemene reserve in 2026, want die wordt ten opzichte van de vastgestelde begroting VRU 2026 bijgesteld van € 1.088K naar € 287K (€ -699).

14

2.5

Samenvatting mutaties GBTP financieel kader

Tabel 10: effect financieel kader op gemeentelijke bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000

Mutaties financieel kader 2026a en 2027

Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds 2026a*

Structureel 2026a

Incidenteel 2026a

Totaal 2026a

Structureel 2027

Incidenteel 2027

Totaal 2027

-

-

-

-

-

Indexeringssystematiek

pm

pm

pm

pm

pm

Loonaanpassing 2026a (stelpost CAO & premies)

-638

-

-638

-638

-638

Prijsaanpassing 2026 algemeen (pBBP)

498

-

498

498

498

Prijsaanpassing 2026 investeringen (Iboi)

251

-

251

251

251

Lasten FLO-overgangsrecht 2026a

-

-

-

-

-

Brede doeluitkering Rampenbestrijding 2026a

-

-

-

-

-

111

-

111

111

111

Subtotaal mutatie bijdrage GBTP 2026a Bijstelling ijkpuntscores gemeentefonds 2027* Indexeringssystematiek Loonaanpassing 2027 (stelpost CAO & premies)

-

-

-

pm

pm

pm

4.881

-

4.881

Prijsaanpassing 2027 algemeen (pBBP)

668

-

668

Prijsaanpassing 2027 investeringen (Iboi)

354

-

354

Lasten FLO-overgangsrecht 2027

-

-

-

Brede doeluitkering Rampenbestrijding 2027**

-

-

-

Subtotaal mutatie bijdrage GBTP 2027 Totaal mutatie bijdrage GBTP

-

-

-

5.904

-

5.904

111

-

111

6.015

-

6.015

*De bijstelling van de ijkpuntscores leidt alleen tot onderlinge verschuivingen tussen de bijdragen van gemeenten. **In tabel 11 is de bijstelling van de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) weergegeven in relatie tot verwerking van de 10% korting op de BDuR conform het voorstel in deze kadernota § 2.4

Tabel 11: Bijstelling financieel kader 2026 en 2027 ten opzichte van de vastgestelde begroting 2026 Mutatie

Bedragen x € 1.000

Mutaties bijdrage GBTP 2026a en 2027

Bijdrage GBTP vastgestelde begroting 2026

Structureel 2026a

Incidenteel 2026a

Totaal 2026a

Structureel 2027

Incidenteel 2027

Totaal 2027

109.930

-1.088

108.842

109.930

-

109.930

-102

-102

-

-102

Financieel kader str.

Mutatie 10% korting BDuR

-102

Invulling 10% korting BDuR kadernota VRU 2027

-699

801

102

-986

-

-986

-986

109.129

-287

108.842

108.842

-

108.842

-1.088

111

-

111

111

111

5.904

-

5.904

5.904

Bijdrage GBTP na verwerking korting BDuR Mutaties financieel kader 2026 Mutaties financieel kader 2027 Subtotaal mutatie financieel kader Totaal bijdrage GBTP (exclusief ontwikkelingen)

111

-102

111

-

111

6.015

-

6.015

6.015

109.240

-287

108.953

114.857

-

114.857

4.927

15

3 Ontwikkelingen 3.1

Toekomstscenario’s

De kadernota die we jaarlijks vanuit de VRU aan de gemeenteraden voorleggen, is vrijwel altijd beleidsarm. Dit keer is dat anders en vragen we om ingewikkelde keuzes. Maar het is noodzakelijk. Na 14 jaar bezuinigen en het opvangen van nieuwe ontwikkelingen is er geen financiële ruimte meer in de begroting. Verdere bezuinigingen hebben directe gevolgen voor de paraatheid en de arbeidsveiligheid. Dit zal tot problemen leiden bij de (toekomstige) taakuitvoering van de veiligheidsregio en uiteindelijk ook voor gemeenten. Het algemeen bestuur heeft verzocht om toekomstscenario’s uit te werken voor de uitvoering van de bestuursagenda. Daarnaast heeft het bestuur gevraagd inzicht te geven in mogelijke besparingen en de gevolgen daarvan voor onze taakuitvoering. Alle onderdelen van de VRU zijn hierin meegenomen. Ook is verzocht om bij de middelen die noodzakelijk zijn, na te gaan welke mogelijkheden er zijn om deze gefaseerd op te nemen. Op basis van deze analyses worden er nu keuzes voorgelegd. Die maatregelen die gevraagd worden, zorgen ervoor dat we er gefaseerd voor zorgen dat we vanaf 2030 op orde zijn. Maar het moment is lastig. Het bestuur realiseert zich dat er, ook gezien de beperkte financiële ruimte bij gemeenten en bij de VRU, ingewikkelde keuzes voorliggen.

In aanloop naar de besluitvorming door het algemeen bestuur op 1 december worden gemeentesecretarissen, colleges, gemeenteraden, gemeentelijke accountfunctionarissen en gemeentelijke adviseurs geïnformeerd over de inhoud en het verdere proces. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande overlegstructuren. Daarnaast vindt op 26 november 2025 een Webinar plaats. Besluitvorming over de toekomstscenario’s vindt plaats in de vergadering van het algemeen bestuur op 1 december 2025. De Kadernota VRU 2027 ligt gelijktijdig met de besluitvorming over de toekomstscenario’s voor tijdens de vergadering van het algemeen bestuur op 1 december 2025. Het financieel effect van de besluitvorming over de toekomstscenario’s is om die reden niet in deze kadernota opgenomen. In bijlage 1 is een indicatief overzicht opgenomen van het financieel effect op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijk basistakenpakket per investering van € 1 miljoen.

3.2

Knelpunten 2026

Bij de behandeling van de ontwerpbegroting van de VRU voor 2026 heeft het dagelijks bestuur voorgesteld om een bedrag van € 4,8 miljoen uit het resultaat van 2024 te reserveren als overbruggingsmaatregel voor de jaren 2026 en 2027. Dit in afwachting van de verdere uitwerking en besluitvorming over de onderwerpen uit de toekomstscenario’s. Deze middelen zouden kunnen worden ingezet om noodzakelijke operationele en financiële knelpunten op te lossen, zodat de organisatie voldoende tijd heeft om de uitkomsten van de besluitvorming over de

16

toekomstscenario’s te implementeren, zonder dat dit gevolgen heeft voor de gemeentelijke bijdrage. Het algemeen bestuur heeft echter besloten deze middelen terug te laten vloeien naar de gemeenten. Hierdoor behouden gemeenten zelf de mogelijkheid om deze incidentele middelen te reserveren als overbruggingsmaatregel. Voor de VRU betekent dit dat enkele onderwerpen uit de toekomstscenario’s in 2026 zullen leiden tot operationele en financiële knelpunten. Het is noodzakelijk om voor 2026 maatregelen te nemen om te kunnen blijven voldoen aan onze wettelijke taakuitvoering en aan de eisen van vandaag. Overeenkomstig de uitgangspunten die zijn geformuleerd in de toekomstscenario’s zijn de voorgestelde maatregelen kosteneffectief en noodzakelijk. Deze knelpunten zijn daarmee onvermijdbaar, onoplosbaar en onuitstelbaar. 3.2.1

Autonome ontwikkelingen

Bijstelling roosterfactor De roosterfactor geeft aan hoeveel medewerkers nodig zijn om het minimale aantal personeelsleden op elk moment beschikbaar te hebben voor inzet. Door een toegenomen opleidingsbehoefte, rechtspositionele wijzigingen zoals het 2e loopbaanbeleid en ouderschapsverlof, de toegenomen uitstroom en de toename van taken staat de huidige roosterfactor onder druk. Het rooster op de beroepskazernes kan met het huidige aantal beroepsbrandweerlieden niet meer volledig gevuld worden. Om de paraatheid te blijven garanderen, is een verhoging van de roosterfactor voor beroepspersoneel noodzakelijk. De kosten voor 2026 zijn geraamd op € 500K. Digitale Veiligheid De organisatie beschikt momenteel niet over de benodigde investeringen om de continuïteit en digitale beveiliging op orde te krijgen én te behouden. De noodzaak tot investeren wordt versterkt door een veranderend dreigingslandschap. Steeds meer actoren zijn (geo)politiek of ideologisch gemotiveerd en richten zich op kritieke infrastructuren en toeleveringsketens, zowel fysiek als digitaal, via hacktivisme en ransomware. Tegen deze achtergrond is het noodzakelijk dat ook de veiligheidsregio investeert in digitale veiligheid, zodat essentiële diensten gewaarborgd worden bij digitale ontwrichting.

Daarnaast zijn de wettelijke kaders aangescherpt: de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) 2.0 is formeel bekrachtigd en de veiligheidsregio is aangewezen als vitale aanbieder binnen de sector openbare orde en veiligheid. (OOV). Dit betekent dat een vergelijkbaar weerbaarheidsniveau wordt verwacht als bij andere vitale sectoren, conform de NIS2-richtlijn en de Cyberbeveiligingswet. Het huidige niveau voldoet nog niet aan de minimale vereisten: een externe toets laat zien dat de veiligheidsregio op een volwassenheidsschaal van 1 tot 5 slechts 1,6 scoort, terwijl het streefdoel 4 is. Om substantiële verbeteringen te realiseren, is een plan voor 2026 opgesteld dat aansluit bij de uitvoeringscapaciteit van de organisatie. Dit plan brengt ons nog niet direct op het gewenste volwassenheidsniveau, maar vormt een cruciale eerste stap. De uitvoering versterkt het fundament, waardoor verdere structurele verbetering van de digitale veiligheid mogelijk wordt.

17

Ondanks dat de knelpunten en dreigingen op het gebied van digitale veiligheid zijn onderkend in de toekomstscenario’s, zijn er voor 2026 geen middelen beschikbaar gesteld. Dit tekort heeft ook in 2026 directe impact op de continuïteit en veiligheid van onze organisatie. Zonder tijdige en toereikende financiering kunnen de lopende verbetertrajecten niet worden voortgezet en is essentiële ondersteuning aan organisatieonderdelen en programma’s niet gewaarborgd. Hierdoor ontbreekt tevens de mogelijkheid om aantoonbaar ‘in control’ te zijn en te voldoen aan geldende wet- en regelgeving. De kosten voor 2026 zijn geraamd op geraamd op € 1.705K. Bedrijfs- en IT-continuïteit Het is noodzakelijk dat wij als hulpverleningsorganisatie onze dienstverlening en vitale processen altijd kunnen blijven uitvoeren, ook tijdens een crisis waarbij de VRU getroffen wordt. Beschikbaarheid en continuïteit zijn onlosmakelijk verbonden aan onze paraatheid en inzetbaarheid. Bij de uitvoering van onze taken zijn we afhankelijk van digitale middelen. Dat geldt zowel voor de bedrijfsvoeringsprocessen als voor de dienstverlening aan onze inwoners op straat. Storingen in informatiesystemen kunnen de uitvoering van onze hulpverleningstaken aanzienlijk belemmeren. Onze ICT-systemen zijn verweven en complex.

Dat betekent dat een op het eerste gezicht eenvoudige storing in één systeem grote gevolgen kan hebben voor andere (kritieke) systemen. Het is van belang dat wij onze continuïteit kunnen waarborgen zodat we onder alle omstandigheden onze taken op de meldkamer en ten aanzien van crisisbeheersing en brandweerzorg kunnen blijven uitvoeren. De middelen die benodigd zijn komen voort uit een stijging van de ICT-kosten en uitbreiding van licenties. De kosten voor 2026 zijn geraamd op € 448K. 3.2.2

Goed werkgeverschap

Versterking afdeling vakbekwaamheid De transitie naar duurzame energiebronnen beïnvloedt de fysieke leefomgeving en veiligheid van burgers, bedrijven en overheden. We worden geconfronteerd met nieuwe risico’s op het gebied van elektrificatie, grootschalige energieopslagsystemen en het toegenomen transport van gevaarlijke stoffen. Het is noodzakelijk dat medewerkers beschikken over de juiste kennis, materieel en materiaal om deze risico’s veilig te kunnen voorkomen, beperken en bestrijden. Dit vraagt investering in de kennis en vakbekwaamheid van medewerkers, zowel bij preventie als repressie. De afdeling Vakbekwaamheid is met incidentele middelen versterkt om dit mogelijk te maken. De kosten voor 2026 zijn geraamd op € 100K. 3.2.3

Voortschrijdend inzicht

Personele paraatheid Voor de bestrijding van waterongevallen beschikt de VRU over duikteams, oppervlaktereddingsteams en brandweervaartuigen. In opdracht van het bestuur wordt door een externe partij een toets gedaan op de scenario’s voor toekomstige inrichting van de bestrijding van waterongevallen die zijn opgesteld door de VRU. Voor de uitvoering van deze taak is nu echter geen volledige structurele dekking.

18

Externe invloeden vakbekwaamheid Landelijke eisen en externe ontwikkelingen en verplichtingen zijn van invloed op vakbekwaamheid. Goed opgeleid brandweerpersoneel is niet alleen noodzakelijk om aan alle eisen te voldoen en de risico’s het hoofd te bieden, maar zorgt er ook voor dat veilig opgetreden kan worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het waarborgen van de veiligheid van brandweerduikers. Door wijzigingen in EU-wetgeving is herregistratie van brandweerduikers, duikploegleiders en duikmedisch begeleiders verplicht. De meerkosten voor personele paraatheid en externe invloeden vakbekwaamheid voor 2026 zijn geraamd op € 168K. 3.2.4 Financieel effect knelpunten 2026 Tabel 12 geeft een overzicht van de overbruggingsinvesteringen die in 2026 nodig zijn en samenhangen met de toekomstscenario’s, evenals de voorgestelde maatregelen. Tabel 12: effect knelpunten 2026 op gemeentelijke bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000 Incidenteel Knelpunten 2026 2026a OVERBRUGGINGSINVESTERINGEN Autonome ontwikkelingen Bijstelling roosterfactor beroepspersoneel

500

Digitale veiligheid

1.705

Bedrijfs- en IT continuiteit

448

Subtotaal autonome ontwikkelingen

2.653

Goed werkgeverschap Versterking Vakbekwaamheid

100

Subtotaal goed werkgeverschap

100

Voortschrijdend inzicht Personele paraatheid en externe invloeden vakbekwaamheid

168

Subtotaal voortschrijdend inzicht

168

TOTAAL OVERBRUGGINGSINVESTERINGEN

2.921

Dekkingsmiddelen Onttrekking aan algemene reserve*

-1.200

Totaal dekkingsmiddelen

-1.200

Financieel effect op gemeentelijke bijdrage (GBTP)

1.721

*Voorui tl opend op bes l ui tvormi ng over res ul ta atbes temmi ng 2025 o.b.v. prognos e pos i ti ef rekeni ngresul ta a t 2025 (2e Bura p)

19

Een bedrag van € 2,9 miljoen is nodig aan incidentele middelen ter dekking van de noodzakelijke investeringen in 2026. Dit is € 1,9 miljoen lager dan de eerder gevraagde storting in de overbruggingsreserve van € 4,8 miljoen. Voorgesteld wordt om het deel van het verwachte positieve rekeningresultaat van 2025 dat vrij kan vallen (€ 1,2 miljoen), in te zetten ter dekking van de knelpunten in 2026. Dit bedrag komt overeen met de prognose van het rekeningresultaat 2025 dat is bepaald bij de tweede bestuursrapportage VRU 2025. Vooruitlopend hierop wordt een bedrag van € 1,2 miljoen in 2026 onttrokken aan de algemene reserve. Via het resultaatbestemmingsvoorstel 2025 vloeit dit bedrag weer terug naar de algemene reserve. Op basis van de huidige inzichten wordt voor het resterend benodigde bedrag de gemeentelijke bijdrage voor 2026 incidenteel verhoogd met een bedrag van € 1,7 miljoen. Wanneer het resultaat over 2025 lager is dan de geprognosticeerde € 1,2 miljoen ontstaat een incidenteel tekort voor 2026. In dat geval stellen we bij het opstellen van de begroting een aanvullende incidentele verhoging van de gemeentelijke bijdrage voor. Bij het opstellen van de begroting VRU 2027 en geactualiseerde begroting VRU 2026 wordt aanvullend bepaald of het weerstandsvermogen (de algemene reserve) van de VRU op het gewenste niveau is in relatie tot de geactualiseerde risico’s.

3.3

Bestuurlijke opdrachten

In 2024 zijn enkele onderwerpen meegegeven aan de VRU om nader uit te werken als bestuurlijke opdracht. Tijdens de vergadering van het algemeen bestuur op 7 juli 2025 is een aantal besluiten genomen over de bestuurlijke opdrachten die hierna worden beschreven. 3.3.1 Doorbelasten liftopsluitingen Het algemeen bestuur heeft ingestemd met het starten van de doorbelasting van kosten die de brandweer maakt voor de dienstverlening bij liftopsluitingen. Ook is besloten om het toepassen van deze werkwijze te verkennen voor de veiligheidsregio's Flevoland en Gooi en Vechtstreek. De kosten kunnen alleen worden doorbelast als er sprake is van dienstverlening. Bij een wettelijke (spoedeisende) inzet kan dit niet. De liftbeheerder is primair verantwoordelijk voor het afhandelen van een liftopsluiting. In de praktijk komt het veel voor dat de liftbeheerder niet in staat is om binnen de eigen opkomsttijden ter plaatste te komen. Dan wordt er vaak voor gekozen om de brandweer te alarmeren. De brandweer levert hiermee een dienst aan de liftbeheerder. In de meeste gevallen is het ook de liftbeheerder die de brandweer alarmeert. De geschatte opbrengsten voor het doorbelasten van de kosten voor liftopsluitingen door de VRU bedragen in 2026 € 94K. Een bijstelling van de begroting kan nodig zijn indien ervaringscijfers aanleiding geven tot een afwijkende opbrengst.

3.3.2 Doorbelasten dienstverlening ambulancezorg Het algemeen bestuur heeft kennisgenomen van de bestaande en voorgestelde werkwijze waarop de kosten voor de dienstverlening van de brandweer aan de ambulancedienst kunnen worden doorbelast. Ook is een besluit genomen door in te stemmen met het toepassen van de

20

voorgestelde landelijke werkwijze voor het doorbelasten van de kosten voor afhijsingen en tilassistentie aan de ambulancedienst, zodra deze werkwijze is uitgewerkt en vastgesteld. In afwachting hiervan wordt de geschatte opbrengst pro memori (pm) geraamd. 3.3.3 Analyse AED-taak Het algemeen bestuur heeft ingestemd met het continueren van de AED-taak, waarbij als uitgangspunt geldt dat de VRU zijn rol als goed werkgever kan waarborgen. Hierbij moet nader onderzocht worden of de financiering van de AED-taak kostendekkend kan worden. In het verlengde van deze bestuurlijke opdracht heeft het algemeen bestuur ingestemd met het verkennen of aanvullende financiering kan worden verkregen voor het invullen van goed werkgeverschap ten aanzien van PTSS. De VRU volgt hier ook de ontwikkelingen omtrent de landelijke regeling PTSS. 3.3.4 Toekomstbestendigheid waterongevallenbestrijding Het onderwerp waterongevallenbestrijding is in de vergadering op 7 juli 2025 beeldvormend geagendeerd. Het bestuur heeft kennisgenomen van de toekomstbestendigheid van de waterongevallenbestrijding, inclusief de uitgewerkte toekomstscenario’s. Hierbij is ook kennisgenomen van het advies om de waterongevallenbestrijding in te richten conform het Professionaliseringsscenario, waarbij het Overgangsscenario tot 2030 als tussenstap geldt.

Het bestuur heeft verzocht om een aanvullend extern onderzoek te laten uitvoeren, zodat het bestuur een weloverwogen besluit kan nemen in het voorjaar van 2026. In de tussentijd wordt de huidige organisatie gecontinueerd en blijft de waterongevallenbestrijding € 540K per jaar meer kosten dan nu is begroot. 3.3.5 Samenwerkingsmogelijkheden Het algemeen bestuur heeft kennisgenomen van de reeds lopende initiatieven waarbij door samenwerking synergievoordelen kunnen worden behaald. Het algemeen bestuur heeft ingestemd met het gezamenlijk verkennen, samen met de veiligheidsregio’s Gooi en Vechtstreek en Flevoland, van mogelijkheden om de samenwerking op het gebied van crisisbeheersing te intensiveren. De gesprekken zijn op dit moment gaande. Op basis van de uitkomsten zal een voorstel worden opgesteld over hoe deze samenwerking vorm kan krijgen. Een eventuele structurele besparing is vooralsnog pm geraamd. 3.3.6 Volumecomponent in financieringssystematiek Onze regio heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke inwonergroei doorgemaakt en blijft zich verder ontwikkelen. Tegelijkertijd nemen de risico’s waarmee we te maken hebben in aantal en in complexiteit toe. Ondanks deze ontwikkelingen is de gemeentelijke bijdrage aan de VRU de afgelopen jaren niet structureel verhoogd.

Dankzij schaalvoordelen, interne ombuigingen, organisatorische verbeteringen en samenwerking is het gelukt om binnen het bestaande budget meer te doen met minder middelen. Maar omdat de financiën de afgelopen jaren niet stapsgewijs meegegroeid zijn met het gestegen aantal

21

inwoners en risico’s, worden gemeenten en de VRU nu geconfronteerd met de noodzaak om de bijdrage substantieel te verhogen. Het dagelijks bestuur heeft gevraagd om mogelijkheden te onderzoeken van een andere financieringssystematiek, gekoppeld aan de groei van het aantal inwoners van de regio. Het doel is om structureel op een voorspelbare manier te voorzien in toekomstige capaciteitsvragen om zo te kunnen blijven voldoen aan wettelijke opgaven. De resultaten van dit onderzoek worden separaat aan het bestuur aangeboden inclusief een voorstel voor het opnemen van een volumecomponent in de financieringssystematiek van de VRU. De implementatie van de besluitvorming is gepland in de Kadernota VRU 2028.

3.4

Overige ontwikkelingen

3.4.1 Visie op huisvesting Tijdens de bestuursdag van de VRU op 3 september 2025 heeft het algemeen bestuur gesproken over de Visie op huisvesting. Daarbij stond de uitwerking van drie scenario's centraal, oplopend in de mate van collectieve sturing, uitvoering en eigendom. De komende periode worden de gemeenten op verschillende manieren betrokken bij het verder uitwerken van de rapportage ter voorbereiding op besluitvorming. In oktober wordt een ambtelijke sessie belegd met alle gemeenten. Daarnaast wordt het onderwerp geagendeerd voor het GS plenair, het overleg met alle gemeentesecretarissen, op 30 oktober. Zo wordt opgehaald wat de gemeenten belangrijk vinden en kunnen eventuele aandachtspunten tijdig worden verwerkt. In december 2025 ontvangt het algemeen bestuur hierover een mededeling. De definitieve besluitvorming is voorzien eind maart 2026. 3.4.2 Dekkingsplan Binnen de VRU wordt gewerkt aan het opstellen van een nieuw dekkingsplan voor de brandweer, conform de nieuwe landelijke systematiek van gebiedsgerichte opkomsttijden (GGO). In de bestuursagenda is hierover het volgende opgenomen: “Gedurende de beleidsperiode 2024–2027 wordt toegewerkt naar een dekkingsplan op basis van een landelijk vastgestelde uniforme werkwijze voor dekkingsplannen.

In deze uniforme werkwijze kent het dekkingsplan een dynamisch karakter en zal continu beoordeling en bijstelling van de dekking mogelijk zijn.” De inhoud van het dekkingsplan is sterk afhankelijk van keuzes die het bestuur gaat maken in het kader van de toekomstscenario’s. Dit betreft onder andere structurele financiering van materieel, besluiten over de implementatie van hulpverlening als specialisme en de effecten van de energietransitie. Deze onderwerpen kunnen pas in het dekkingsplan worden opgenomen nadat besluitvorming over de toekomstscenario’s heeft plaatsgevonden op 1 december 2025. Op 7 juli 2025 heeft het algemeen bestuur ingestemd met de uitgangspunten voor het nieuwe dekkingsplan. Besloten is dat op 1 december 2025 een eerste, beleidsarme versie van het plan wordt voorgelegd aan het algemeen bestuur. Deze versie richt zich op de implementatie van

22

gebiedsgerichte opkomsttijden, waarbij de huidige kazerneconfiguratie als uitgangspunt dient. De definitieve vaststelling van het dekkingsplan is op 1 december 2025.

3.5

Samenvatting mutaties GBTP Ontwikkelingen

Tabel 13: effect ontwikkelingen op gemeentelijke bijdrage GBTP Bedragen x € 1.000

Mutaties ontwikkelingen 2026a en 2027

Structureel 2026a

Knelpunten 2026 (Toekomstscenario's)

Incidenteel 2026a

Totaal 2026a

Structureel 2027

Incidenteel 2027

Totaal 2027

1.721

1.721

-94 + pm

pm

-94 + pm

-94

-94 + pm

Visie op huisvesting

pm

pm

pm

pm

pm

Dekkingsplan

pm

pm

pm

pm

pm

-94 + pm

1.721 + pm

1.627 + pm

pm

-94 + pm

Bestuurlijke opdrachten

Subtotaal mutatie bijdrage GBTP 2026a Toekomstscenario's

pm

pm

pm

Bestuurlijke opdrachten

pm

pm

pm

Visie op huisvesting

pm

pm

pm

Dekkingsplan

pm

pm

pm

Subtotaal mutatie bijdrage GBTP 2027

pm

pm

pm

Totaal mutatie bijdrage GBTP (exclusief pm-posten)

-94

1.721

1.627

-94

-94

23

4 Risico’s De wereld verandert en ontwikkelingen zijn complexer en doen zich steeds sneller en op grote schaal voor. Maatschappelijke onrust in Nederland, de instabiele geopolitieke situatie in de wereld, klimaatverandering en digitalisering zijn voorbeelden van ontwikkelingen die invloed hebben op onze taakuitvoering. Door de overbelasting van het elektriciteitsnet en de toenemende afhankelijkheid van digitale infrastructuur nemen ook de risico’s op grootschalige en langdurige stroomuitval toe. Deze ontwikkelingen raken aan onze eigen bedrijfscontinuïteit en onderstrepen het belang van strategische weerbaarheid. Hoewel deze ontwikkelingen relevant zijn voor ons regionaal risicoprofiel, laten hun omvang en mate van zekerheid nog geen concrete duiding toe. De mate van risico is ingedeeld in drie klassen van hoog (75%), matig (50%) en laag (25%). De risico’s worden ingedeeld op basis van de kans en impact. In de volgende tabel zijn de belangrijkste financiële risico’s weergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de kadernota VRU 2027. Hierin zijn ook de risico’s uit de vastgestelde begroting 2026 meegenomen. De risico’s die verband houden met de toekomstscenario’s zijn hier buiten beschouwing gelaten. Tabel 14 Risico’s: Bedragen x € 1.000

Nr. Risico

Status

Effect

Kans

Bedrag risico

4.1 4.2

Omgevingswet/ wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) Vrijwilligheid brandweerpersoneel

Bijgesteld Bestaand

pm 3.084

pm 25%

pm 771

4.3

Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO's)

Bestaand

600

50%

300

4.4

Rijksbijdrage (BDuR)

Vervallen

-

-

-

4.5 4.6

CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU) Overige (onvoorziene) exploitatierisico's

Vervallen Bestaand

1.300

50%

650

4.7

Milieurisico PFAS- aansprakelijkheidsstelling

Nieuw

250

50%

125

4.8

Vitaalverklaring veiligheidsregio's

Nieuw

pm

75%

pm

4.9

Indexeringssystematiek (per 1%)

Nieuw

900

50%

450

Totaal

2.296

Voor elk risico is een analyse gemaakt van de omvang en de waarschijnlijkheid dat het zich voordoet. Vervolgens worden de risico’s nader toegelicht.

4.1

Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb)

De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging bouwen zijn per 1 januari 2024 ingevoerd. Het Rijk en de bestuurlijke partners hebben afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingsrecht. De minister heeft de gemeenten toegezegd naar oplossingen te zoeken als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien. Deze evaluatie is nog niet gereed. De

24

veiligheidsregio’s hebben geen extra middelen gekregen vanuit de rijksoverheid voor de structurele gevolgen van deze stelselherziening. Omdat het uitgangspunt is dat de (structurele) meerkosten worden vergoed door het Rijk, is het risico voor onvoorziene kosten voor de VRU nihil. De implementatie en effecten van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zijn op dit moment nog onvoldoende duidelijk. Op landelijk niveau is nog geen volledig beeld voor welke gebouwtypen de Wkb zal gaan gelden. Dit zorgt voor onzekerheid in de uitvoeringspraktijk. Een mogelijk risico is dat bij onvoldoende functioneren van kwaliteitsborgers, de verantwoordelijkheid voor niet-gecertificeerde gebouwen alsnog bij gemeenten komt te liggen. Dit raakt ook onze organisatie, specifiek op het terrein van brandveiligheid. Dit kan leiden tot complexe hercontroles waarbij niet altijd kan worden vastgesteld of aan de brandveiligheidseisen is voldaan. Om deze situaties adequaat te kunnen afhandelen, is inzet van gespecialiseerde inspecteurs noodzakelijk. Dit brengt extra kosten met zich mee, waarvan de omvang en frequentie op dit moment niet zijn in te schatten. Gezien deze onzekerheden achten wij het op dit moment niet passend om dit risico al in de kadernota op te nemen. Om dit risico te blijven volgen hebben we de status aangepast en in de tabel opgenomen als pm.

4.2

Vrijwilligheid brandweerpersoneel

Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een combinatie van vrijwillige en beroepsbrandweer, waarbij alle brandweermensen dezelfde taak- en opleidingsvereisten hebben. Vooral de kazernering en consignatie van vrijwilligers blijken echter strijdig met de Europese wetgeving (deeltijdrichtlijn). Volgens juridische experts ontstaat er een 'verplichtend karakter' wanneer vrijwilligers tegen een vergoeding in een gepland rooster werken (kazernering) of beschikbaar zijn (consignatie), waardoor ze aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Dit omvat onder meer dezelfde uurlonen, pensioenopbouw en vakantiedagen. Binnen onze regio wordt op een aantal plaatsen gewerkt met roosters, piketten en kazernering van vrijwilligers. In 2022 heeft een inventarisatie plaatsgevonden om de omvang voor de VRU in kaart te brengen. Dit leverde het volgende beeld op: • 141 gekazerneerde vrijwilligers. • 441 geconsigneerde vrijwilligers en 43 vrijwillige piketfunctionarissen. Er vindt op landelijk niveau overleg plaats over een implementatieplan en de voorwaarden voor invoering, inclusief mogelijke aanpassing van de arbeidstijdenwetgeving en aanvullende financiële middelen. Kazernering vrijwilligers Bij kazernering verblijven vrijwilligers tijdens een ingeroosterde dienst op een brandweerpost. Dit kunnen zij doen naast hun reguliere vrijwillige taken.

Voor deze gekazerneerde diensten ontvangen zij een vergoeding op basis van hun vrijwilligersaanstelling. In Zeist, bijvoorbeeld, worden vrijwilligers gekazerneerd in de avond en nacht. Als dit door Europese regelgeving zou

25

moeten worden omgezet naar een 24-uursdienst, bedragen de meerkosten naar verwachting € 3,1 miljoen per jaar. Naast de kazernering in Zeist kunnen vrijwilligers ook via een poolregeling 24-uursdiensten draaien op beroepsposten. Dit vult roostertekorten aan en voorkomt inhuur of het buiten dienst zetten van voertuigen op beroepsposten. Consignatie vrijwilligers Bij consignatie ontvangt een vrijwilliger een vergoeding om beschikbaar te zijn voor uitrukken, met een rooster dat opkomst garandeert. De huidige kosten voor deze beschikbaarheidsvergoedingen bedragen circa € 1,5 miljoen per jaar. Als dit in de vorm van een parttime aanstelling zou worden georganiseerd, zouden de kosten naar schatting vier keer hoger uitvallen, van € 1,5 naar € 6 miljoen. Met het wegvallen van de huidige vergoedingen (€ 1,5 miljoen) zouden de meerkosten circa € 4,5 miljoen per jaar bedragen. Dit bedrag is indicatief en afhankelijk van de precieze organisatievorm en de keuze om wel of niet te eisen dat de opkomst bij een vrijwilligerspost (op basis van vrije instroom) gegarandeerd is. Vergoeding eventuele meerkosten door het Rijk De VRU is van mening dat de huidige werkwijze moet worden voortgezet totdat er landelijk besluitvorming plaatsvindt over de bouwsteen ‘verplichtend karakter’ en de financiering hiervan door het Rijk.

Omdat het Rijk verantwoordelijk is voor het brandweer- en crisisbeheerstelsel, zouden wijzigingen hierin ook door het Rijk gefinancierd moeten worden. Toelichting effect en kans Ondertussen blijft het risico bestaan dat op grond van de Europese regelgeving aanspraak wordt gemaakt op de deeltijdrichtlijn. De omvang van het risico wordt ingeschat op € 3,1 miljoen per jaar (meerkosten omzetting naar 24-uursdienst).

4.3

Overeenkomst van opdracht (OvO)

Een deel van de instructiewerkzaamheden wordt op basis van een overeenkomst van opdracht (OvO) uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor een beperkt aantal andere taken. De OvO’s worden meestal verstrekt aan VRU-medewerkers, die deze werkzaamheden vervullen naast hun reguliere werkzaamheden. Gelet op de aard en de omstandigheden van de werkzaamheden bestaat het risico dat er geconstateerd wordt dat er - ondanks de toepassing van de modelovereenkomst (inhuur) - feitelijke sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben(8). Uitgevoerde beoordelingen (beoordeling arbeidsrelatie externe inhuur) voor de instructiewerkzaamheden wijzen op een (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt in het bijzonder voor OvO’s die worden verstrekt aan eigen personeel. Mede om die reden is in 2021 en 2022 geprobeerd om de OvO’s voor eigen medewerkers af te bouwen. Er is onderzocht of er een wijze van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Helaas blijkt geen van de onderzochte mogelijkheden in de praktijk te

8 in het geval van een dienstbetrekking moet de werkgever loonheffingen en premies inhouden en afdragen. Daarnaast moet de werkgever loon

doorbetalen bij ziekte en vakantie en zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing (zoals opbouw IKB en specifieke regels bij ontslag) en moet worden voldaan aan de arbeidstijdenwet.

26

matchen met het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en daarmee uiteindelijk onze repressieve paraatheid vraagt. De werkwijze met OvO’s wordt ook gehanteerd bij andere veiligheidsregio’s. In dit licht is besloten om te werken naar een landelijke oplossing die aansluit op de ophanden zijnde ontwikkelingen in het landelijke brandweeronderwijs en de uitkomsten van de onderzoeken rond de mogelijke impact van de zaken rond het verplichtend karakter (vrijwilligheid). In de tussentijd blijven we een deel van de werkzaamheden op basis van een OvO door eigen medewerkers te laten verrichten, waarmee de arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s blijven bestaan. Toelichting effect en kans Voor het berekenen van de extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Tot op heden was het fiscale risico beperkt door het zogenaamde handhavingsmoratorium op de van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Per 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid in Nederland afgeschaft.

Dit betekent dat de Belastingdienst vanaf die datum zal gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes kan opleggen. In het eerste jaar (2025) worden er boetes opgelegd, mits bedrijven kunnen aantonen dat ze actief werken aan het voorkomen van schijnzelfstandigheid. De kans dat dit risico zich voordoet in 2025 is nu ingeschat op 50%.

4.4

Rijksbijdrage (BDuR)

Het Rijk heeft per brief aangekondigd dat de rijksbijdrage via de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) vanaf 2026 met 10% wordt gekort voor alle veiligheidsregio’s. Daarmee heeft het risico op korting van deze rijksbijdrage zich daadwerkelijk voorgedaan. In deze kadernota is in paragraaf 2.4 een voorstel opgenomen voor de financiële verwerking van deze 10% korting op de BDuR. Hiermee wordt dit risico als vervallen beschouwd.

4.5

CAO Regeling voor vervroegd uittreden (RVU)

De tijdelijke regeling voor Vervoegd Uittreden (RVU) conform de CAO loopt op 31 december 2025 af. Dit betekent dat bij de jaarrekening 2025 de kosten voor de tijdelijke regeling in beeld zijn waarmee het opgenomen risico is komen te vervallen. Het vervolg aan RVU-afspraken is nog niet vastgelegd in een CAO. De financiële uitwerking hiervan wordt betrokken bij de begroting van de loonkosten in relatie tot de stelpost voor loonontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/699/documents/20746