CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

C08.1 handreiking_ontheffingsbevoegdheid_wet_veilige_jaarwisseling

Gemeenteraad 1 oktober 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 5: Vaststellen wijze van afdoening van de ingekomen stukken13.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Handreiking Ontheffingsbevoegdheid Wet veilige jaarwisseling Voor het lokaal bestuur, beleidsadviseurs en samenwerkingspartners

2 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Colofon Onder regie van Mariëlle Kant en Kayleigh Smilda. 3 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Inhoud Voorwoord 4 1 Inleiding 5 2 Wet veilige jaarwisseling 6 2.1 Achtergrond 6 2.2 Uitwerking bij AMvB: Besluit veilige jaarwisseling 6 2.3 Ontheffingsbevoegdheid burgemeester 6 2.4 Beleidsruimte en aandachtspunten voor gemeenten 7 3 Afwegingskader ontheffingsbevoegdheid 8 3.1 Draagvlak ontheffing onder inwoners en positie gemeenteraad 8 3.2 Huidige problematiek jaarwisseling 9 3.3 Mogelijke alternatieven 10 3.4 Toezicht en handhaving 10 3.5 Aansprakelijkheid 11 3.6 Haalbaarheid uitvoering nieuwe taak en tijdpad 11 3.7 Geen ontheffingen 12 4 Stappenplan ontheffingsprocedure 13 5 Vervolg 28 6 Bijlagen 29 6.1 Model aanwijzingsbesluit ontheffing vuurwerkverbod 29 6.2 Model ontheffingsbesluit vuurwerkverbod 31 4 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Voorwoord Een landelijk vuurwerkverbod: het gaat er na jarenlang debat in het land en in de politiek nu echt van komen. De Vereniging van Nederlands Gemeenten (VNG) heeft een aantal jaar geleden stelling genomen en zich uitgesproken voor een landelijk vuurwerkverbod. Gemeenten ervaren namelijk de gevolgen van vuurwerkoverlast. Denk aan schade, letsel en de druk op hulpdiensten tijdens de jaarwisseling. De wens om het afsteken van vuurwerk landelijk te reguleren is dan ook niet nieuw.

Al in 1955 pleitte de gemeente Zwolle bij de VNG en het Rijk voor een verbod op het afsteken van vuurwerk binnen de bebouwde kom. Ruim een halve eeuw later wordt met het landelijke vuurwerkverbod een belangrijke stap gezet richting een veiligere jaarwisseling. Dit zal tegelijkertijd nog een grote inzet van gemeenten en andere partners gaan vragen in de komende jaren. Voor u ligt de Handreiking Ontheffingsbevoegdheid Wet Veilige Jaarwisseling. Als onderdeel van deze nieuwe wet heeft de Tweede Kamer namelijk bepaald dat de burgemeester lokaal ontheffingen kan verlenen om in georganiseerd verband toch vuurwerk af te steken tijdens de jaarwisseling. Deze mogelijkheid legt een nieuwe bevoegdheid bij het bestuursorgaan burgemeester en brengt daarmee ook nieuwe afwegingen met zich mee. Lokaal wel of geen ontheffingen verlenen? En zo ja, hoe wordt de afweging gemaakt waar wel en waar niet? Deze handreiking biedt praktische ondersteuning bij de invulling van die bevoegdheid. Het document bevat juridische duiding, aandachtspunten voor beleid en uitvoering, en voorbeelden van afwegingen die gemeenten kunnen maken. Daarmee willen we burgemeesters, beleidsmedewerkers en andere betrokkenen helpen om goed voorbereid invulling te geven aan hun rol.

Deze handreiking is tot stand gekomen in nauwe samenwerking met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, het ministerie van Justitie en Veiligheid, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en diverse gemeenten. De kennis, ervaringen en inzichten van deze partners waren onmisbaar bij het opstellen van een praktisch handelingsperspectief voor gemeenten. Onze dank gaat uit naar iedereen die aan deze handreiking heeft bijgedragen. De komende jaren zullen gemeenten, inwoners en maatschappelijke organisaties samen vormgeven aan een nieuwe invulling van de jaarwisseling. De inwerkingtreding van de Wet Veilige Jaarwisseling is daarin een belangrijke eerste stap. Laten we samen aan de slag gaan om nieuwe tradities te ontwikkelen. Gerdo van Grootheest Burgemeester Gemeente Oosterhout Portefeuillehouder Vuurwerk/Jaarwisseling, Commissie Bestuur en Veiligheid Vereniging van Nederlandse Gemeenten 5 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 1 Inleiding Deze handreiking biedt gemeenten praktische handvatten voor de inrichting van het proces rondom de ontheffingsbevoegdheid, inclusief een afwegingskader, stappenplan en bijbehorende formats. Op 1 juli 2025 is de Wet veilige jaarwisseling (hierna: de Wet) door de Eerste Kamer aangenomen.

De Wet beoogt de risico’s op het gebied van openbare orde, veiligheid en leefbaarheid te beperken en ordeverstoringen te voorkomen door het instellen van een vuurwerkverbod voor consumenten (met uitzondering van F1-vuurwerk). In de Wet is een bevoegdheid voor de burgemeester opgenomen om aan verenigingen en stichtingen ontheffing te verlenen om tijdens de jaarwisseling vuurwerk op een veilige plek af te laten steken. Het landelijke vuurwerkverbod kon pas ingaan nadat aan drie belangrijke voorwaarden was voldaan: a. Er ligt een effectief handhavingsplan van de politie en gemeenten; b. Er ligt een algemene maatregel van bestuur (hierna: AMvB) waarin is uitgewerkt hoe en onder welke voorwaarden dorps- en buurtverenigingen tijdens de jaarwisselingen op een verantwoorde en veilige manier voor hun lokale gemeenschap vuurwerk kunnen afsteken op een daartoe aangewezen plek met een ontheffing van de burgemeester; c. Er ligt een eerlijke en nette compensatieregeling voor de vuurwerkbranche. Inmiddels is aan alle voorwaarden voldaan en treedt de Wet op 1 augustus 2026 in werking. Naast deze handreiking is er onder regie van het ministerie van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat samen met de VNG, gemeenten en andere partners gewerkt aan een communicatiestrategie1.

Een communicatietoolkit voor gemeenten maakt onderdeel uit van deze strategie en sluit aan op de handreiking. Ook heeft het Rijk een voorlichtingspakket voor ontbranders en supervisors ontwikkeld. Met deze drie instrumenten wordt getracht gemeenten zo goed mogelijk te ondersteunen bij de implementatie van de Wet. Leeswijzer De handreiking is als volgt opgebouwd: in Hoofdstuk 2 wordt de Wet nader toegelicht. Hoofdstuk 3 biedt een afwegingskader voor het inzetten van de ontheffingsbevoegdheid. In Hoofdstuk 4 volgt een uitgebreid stappenplan voor wanneer een burgemeester besluit om ontheffingen te verlenen; dit hoofdstuk is meer juridisch en uitvoeringsgericht van aard. In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het vervolg, de implementatie van de wet. Tot slot zijn aan het eind van de handreiking twee modellen opgenomen, namelijk een Model aanwijzingsbesluit ontheffing vuurwerkverbod en een Model ontheffingsbesluit vuurwerkverbod. 1 De communicatiestrategie en de toolkit zijn via deze links beschikbaar vanaf 10 augustus 2026. De landingspagina blijft in ontwikkeling en wordt waar nodig aangevuld en geactualiseerd. 6 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2 Wet veilige jaarwisseling De Wet regelt een landelijk vuurwerkverbod voor consumenten om de jaarwisseling veiliger, rustiger en beter beheersbaar te laten verlopen.

In dit hoofdstuk wordt het landelijk vuurwerkverbod met de bijbehorende ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester nader toegelicht. 2.1 Achtergrond Op 1 augustus 2026 is de Wet in werking getreden. Deze Wet wijzigt de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten en zorgt er daarmee voor dat er een algemeen verbod voor consumentenvuurwerk in categorie F2 geldt. Meer specifiek is geregeld dat het bezit, het gebruik en de verkoop van vuurwerk in de categorie F2 voor en aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis verboden is. De burgemeester heeft echter wel de bevoegdheid om ontheffingen te verlenen aan verenigingen of stichtingen. Hiermee kunnen zij tijdens de jaarwisseling categorie F2- vuurwerk tot ontbranding brengen. Op grond van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de voorwaarden waaronder de burgemeester de ontheffing kan verlenen, de voorschriften die de burgemeester aan de ontheffing kan verbinden en de verkoop van vuurwerk aan degene die in het bezit is van een ontheffing. Deze regels staan in het Besluit veilige jaarwisseling (hierna: het Besluit) en worden opgenomen in het Vuurwerkbesluit.

2.2 Uitwerking bij AMvB: Besluit veilige jaarwisseling In het Besluit wordt de ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester nader uitgewerkt op de volgende punten: • Welk F2-vuurwerk (en hoeveelheden) in aanmerking komt voor ontheffing; • Welke minimale voorwaarden gelden voor het verlenen van een ontheffing; • Welke minimale voorschriften van toepassing zijn op het afsteken van vuurwerk met ontheffing; • De verkoopvoorwaarden van aangewezen F2-vuurwerk aan ontheffinghouders. 2.3 Ontheffingsbevoegdheid burgemeester Voorop staat dat het aan de burgemeester is om te bepalen of die al dan niet ontheffingen wil verlenen. Als de burgemeester dit wil, zal de burgemeester vervolgens na moeten gaan hoeveel ontheffingen die wil verlenen, welke afwegingen daarbij gemaakt moeten worden en of die daar nog aanvullende voorschriften aan wil verbinden. De ontheffingsbevoegdheid is bedoeld voor georganiseerde groepen inwoners met lokale binding, zoals buurt- of dorpsverenigingen of stichtingen. De burgemeester beoordeelt per aanvraag of, en zo ja onder welke voorwaarden, een ontheffing wordt verleend. Voor het beoordelen van de aanvraag kan de burgemeester advies vragen aan de brandweer, omgevingsdienst en de lokale driehoek. Ook biedt het Besluit ruimte aan de burgemeester om aanvullende lokale voorwaarden te stellen voor het verlenen van een ontheffing.

7 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Om in aanmerking te komen voor een ontheffing moet een aanvrager aan een aantal voorwaarden en voorschriften voldoen. Deze voorwaarden en voorschriften staan in de nieuwe artikelen 2.3.2, 2.3.2a, 2.3.2b en 2.3.6 en worden hier alvast kort benoemd: • De aanvrager (uitsluitend verenigingen en stichtingen) is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en heeft een lokale binding met de desbetreffende gemeente; • Er wordt een veiligheidsplan opgesteld, inclusief situatietekening; • Er geldt een maximum van 200 kg van vuurwerk van categorie F2; • Het afsteekterrein voldoet aan de gestelde veiligheidseisen; • De vereiste minimale veiligheidsafstanden dienen in acht te worden genomen; • Het vuurwerk wordt uitsluitend tot ontbranding gebracht tussen 31 december 18.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar; • Er zijn één of twee supervisors met een minimale leeftijd van 18 jaar aanwezig tijdens het afsteken; • Het vuurwerk mag tot ontbranding worden gebracht door maximaal acht ontbranders met een minimale leeftijd van 18 jaar per ontheffing; • Zowel de supervisors als de ontbranders hebben kennisgenomen van het voorlichtingspakket beschikbaar gesteld vanuit het Rijk. De burgemeester heeft daarnaast de bevoegdheid aanvullende voorschriften aan een ontheffing te verbinden zodat ook een lokale invulling van de ontheffing mogelijk is.

Ook heeft de burgemeester de mogelijkheid om bij onjuiste gegevens, niet-naleving, gewijzigde omstandigheden of onveilig weer een ontheffing in te trekken (artikel 2.3.2b). In Hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de voorschriften en voorwaarden uit de Wet. 2.4 Beleidsruimte en aandachtspunten voor gemeenten De invoering van de ontheffingsbevoegdheid zorgt ervoor dat de burgemeester expliciet beleid moet vormen over de vraag of, en onder welke (aanvullende) voorwaarden, ontheffingen voor het afsteken van F2-vuurwerk tijdens de jaarwisseling worden toegestaan. Er wordt aangeraden om deze afweging zorgvuldig en multidisciplinair te maken, waarbij minimaal de domeinen openbare orde en veiligheid (OOV), vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH), juridische zaken en communicatie betrokken zijn. Ook is afstemming in de lokale driehoek nodig. Er dient te worden vastgelegd welke beleidslijn wordt gehanteerd, welke criteria worden toegepast bij besluitvorming en welke aanvullende voorschriften eventueel nodig zijn om een veilige, uitvoerbare en handhaafbare toepassing van de ontheffingsregeling te borgen. De afweging om wel of geen ontheffingen toe te staan binnen een gemeente, is niet eenvoudig.

Er zijn verschillende dimensies die hierbij een rol spelen, een aantal belangrijke zijn: • Draagvlak ontheffing onder inwoners en positie gemeenteraad; • Bestaande problematiek jaarwisseling; • Zijn er alternatieven die haalbaar zijn; • Toezicht en handhaving; • Aansprakelijkheid; • Uitvoering nieuwe taak (tijdslijnen haalbaar + extra capaciteit). Afhankelijk van de afweging in bovenstaande punten, kan er een besluit genomen worden over het al dan niet toestaan van ontheffingen. Daarna ontstaat een aanvullend vraagstuk: • Specifieke lokale voorwaarden. In het volgende hoofdstuk vindt u een afwegingskader voor de ontheffingsbevoegdheid. 8 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 3 Afwegingskader ontheffingsbevoegdheid In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de afweging die door de burgemeester moet worden gemaakt, evenals op de bijbehorende consequenties en risico’s. Ook wordt toegelicht hoe deze afweging moet worden vastgelegd in een beleidsregel. Het is aan iedere burgemeester om zelf een afweging te maken om al dan niet ontheffingen te verlenen op grond van het Besluit. Het is van belang op te merken dat er wel expliciet sprake is van een ontheffing. Dit betekent dat het in beginsel gaat om een verboden activiteit.

De ontheffingsbevoegdheid maakt het slechts mogelijk van dit verbod af te wijken indien het ‘te beschermen belang door een aangevraagde activiteit niet of amper wordt geschaad.’ Het uitgangspunt van de ontheffingsbevoegdheid is dus altijd ‘nee, tenzij’.2 Het kan zijn dat het verlenen van een ontheffing binnen een gemeente niet wenselijk is. Het doel van de Wet is immers het realiseren van een veiligere jaarwisseling. Daarom is het noodzakelijk om allereerst inzicht te krijgen in de mogelijke risico’s en te beoordelen of het verlenen van ontheffingen deze risico’s niet vergroot. Daarnaast zal er ook gekeken moeten worden naar de uitvoerbaarheid: hoe verhoudt het verlenen van ontheffingen zich tot de beschikbare handhavingscapaciteit? Om te bepalen of een burgemeester ontheffingen wil verlenen is het van belang om een analyse uit te voeren, waarbij de onderstaande dimensies een rol spelen. 3.1 Draagvlak ontheffing onder inwoners en positie gemeenteraad Draagvlak inwoners Het draagvlak onder inwoners speelt een belangrijke rol bij de afweging rondom het verlenen van ontheffingen voor vuurwerk. Binnen de gemeente komen verschillende, soms tegengestelde belangen naar voren. Voor een deel van de inwoners vormt het afsteken van vuurwerk een waardevolle traditie die onlosmakelijk verbonden is met de viering van de jaarwisseling.

Tegelijkertijd zijn er zorgen over de impact op milieu en natuur, aangezien vuurwerk leidt tot uitstoot van fijnstof en CO₂ en zorgt voor afval dat schadelijk kan zijn voor de leefomgeving. Ook dierenwelzijn weegt zwaar mee: zowel huisdieren als wilde dieren kunnen stress en gezondheidsklachten ervaren door harde knallen en lichtflitsen. Daarnaast speelt de druk op de zorg een rol, doordat er jaarlijks letsel ontstaat door vuurwerkgebruik. Tot slot zijn er veiligheidsaspecten, zoals het risico op branden, vernielingen en verstoringen van de openbare orde. Omdat deze belangen per gemeente en per buurt kunnen verschillen, is het van belang om deze zorgvuldig mee te nemen in de afweging om wel of geen ontheffingen te verlenen. 2 Willem Konijnenbelt, 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever, 4e druk, 2023, p. 56. Positie gemeenteraad Voor de inwerkingtreding van de Wet hadden veel gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) in het kader van veiligheid, overlastbeperking en bescherming van de openbare orde de bevoegdheid opgenomen om binnen de gemeentegrenzen vuurwerkvrije zones aan te wijzen. Ook kwam het voor dat gemeenten via deze bepaling het gehele grondgebied van de gemeente als vuurwerkvrij had aangewezen, waardoor feitelijk sprake was van een vuurwerkverbod.

Met de Wet en het Besluit wordt nu een nationale regeling getroffen die voorziet in hetzelfde onderwerp als de hiervoor geschetste gemeentelijke regeling. Aangezien de Wet geen ruimte biedt voor uitwerking of aanvulling in een gemeentelijke verordening, heeft dit tot gevolg dat de gemeenteraad niet langer bevoegd is om door middel van wetgeving de ontheffingsbevoegdheid in te kaderen of te normeren. Daarom schrapt de VNG bij eerstvolgende mogelijkheid Hoofdstuk 2, afdeling 10 (Consumentenvuurwerk) uit de Model-APV. 3 Wel zal de gemeenteraad zal in veel gevallen al eerder regels hebben vastgesteld voor evenementen. Deze regels staan veelal in de APV. De burgemeester zou deze regels kunnen raadplegen bij het verlenen van een ontheffing. In een deel van de gevallen zal naast een ontheffing voor het afsteken van vuurwerk namelijk ook een evenementenvergunning nodig zijn. Bijvoorbeeld omdat het vuurwerk op een publiek toegankelijke plek wordt afgestoken of omdat er veel publiek op afkomt. Of een evenementenvergunning vereist is, is afhankelijk van de regels die daarover zijn gesteld door de gemeenteraad van de betrokken gemeente. De Wet en het Besluit brengen hier geen verandering in.

3.2 Huidige problematiek jaarwisseling Bij deze afweging wordt gekeken naar eerdere jaarwisselingen vóór het landelijke vuurwerkverbod en beoordeeld of het verlenen van ontheffingen passend is, gezien de lokale vuurwerkproblematiek en de benodigde inzet. De jaarwisseling gaat immers vaak gepaard met incidenten zoals letsel, branden, vernielingen en verstoringen van de openbare orde. Het gaat hier om een beoordeling of de ontheffing past in het lokale risicobeeld (incidenten, vernielingen, agressie) en de mate waarin een veilige uitvoeringspraktijk realistisch is. Het vaststellen van impact vraagt om analyse van incidentgegevens uit voorgaande jaren en inschatting van effecten bij ontheffingen. Gemeenten zullen in veel gevallen over gegevens beschikken over vuurwerkoverlast, schade, letselincidenten, geweld en andere relevante gebeurtenissen tijdens en rondom de jaarwisseling. Deze gegevens kunnen inzicht geven in veel voorkomende risico’s, risicogebieden en andere patronen. | 4 Veel gemeenten stellen ieder jaar een draaiboek op waar ‘taken, bijzonderheden en scenario’s (zoals risicolocaties en -groepen)’ worden vastgelegd. | 5 De burgemeester kan dit draaiboek gebruiken bij de afweging om de bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing wel of niet te gebruiken.

Daarnaast kunnen er op basis van dit draaiboek gericht maatregelen genomen worden wanneer de bevoegdheid wel wordt gebruikt, om zo risico’s te verkleinen en herhaling van verstoringen te voorkomen. Het bespreken van al bekende scenario’s zal er immers voor zorgen dat er sneller en adequater opgetreden kan worden indien deze scenario’s zich voordoen. | 6 Bovendien kunnen de taken en 3 | Dit betreft de afdelingstitel en artikelen 2:71, 2:72 en 2:73 van de Model-APV. 4 | Rapport VNG, Uitvoeringstoets Wet veilige jaarwisseling 2025, december 2025, p. 16. 5 | Ministerie van Justitie en Veiligheid, Handhavingsplan, maart 2026, p. 6. 6 | Ministerie van Justitie en Veiligheid, Handhavingsplan, maart 2026, p. 22. 9 verantwoordelijkheden op basis van dit draaiboek beter verdeeld worden. Zo weet elke partij wat er van hen wordt verwacht en ontstaat er tijdens de jaarwisseling geen miscommunicatie.7 3.3 | Mogelijke alternatieven Bij een landelijk vuurwerkverbod kunnen, naast het verlenen van ontheffingen, ook verschillende alternatieven worden overwogen. Dit kan invloed hebben op de keuze om wel of geen ontheffingen te verlenen. Denk bij alternatieven bijvoorbeeld aan een centrale vuurwerkshow binnen de gemeente, sportieve en culturele evenementen, buurtactiviteiten of andere manieren om de jaarwisseling gezamenlijk te vieren.

Jongerenwerk en straatcoaches spelen hierin een verbindende rol door het stimuleren van initiatieven uit de buurt en samenwerking te zoeken met scholen en andere lokale partners. Hierdoor kan de sociale cohesie worden versterkt. Gemeenten vervullen een faciliterende rol door ruimte en ondersteuning te bieden, terwijl de bewoners en partners de verantwoordelijkheid voor de uitvoering dragen.8 Bij de beoordeling van deze alternatieven is het belangrijk om na te gaan wat de kosten zijn en of zij in de praktijk uitvoerbaar zijn. Daarnaast moet worden gekeken naar de gevolgen voor de openbare orde en veiligheid. Deze factoren dienen te worden betrokken bij de uiteindelijke afweging. 3.4 | Toezicht en handhaving Toezicht en handhaving zijn belangrijke aandachtspunten bij de beslissing om wel of geen ontheffingen te verlenen. Gemeenten moeten beoordelen of het in de praktijk mogelijk is om voldoende toezicht te houden op locaties waarvoor een ontheffing geldt. Dit toezicht kan worden uitgevoerd door buitengewoon opsporingsambtenaren (hierna: boa’s), maar ook door andere (gemeentelijke) medewerkers die toezichthouder zijn. De VNG heeft eerder aangegeven dat de mogelijkheden voor toezicht en handhaving door gemeenten zeer beperkt zijn tijdens de jaarwisseling.

In sommige gemeenten worden boa’s en toezichthouders wel ingezet, maar in het merendeel van de gemeenten zijn deze tijdens oudjaarsavond- en nacht niet aanwezig in verband met de gevaarzetting. | 9 In aanloop naar oudjaarsavond- en nacht zou een boa en/of toezichthouder wel een rol kunnen spelen in het kader van een ontheffing, maar op oudjaarsavond- en nacht vaak niet. Ook blijkt uit de Uitvoeringstoets Wet veilige jaarwisseling, uitgevoerd door de Nationale Politie, dat verwacht wordt dat er eerst juist een groter beroep gedaan zal worden op de politiecapaciteit na de invoering van de wet dan in de huidige situatie. | 10 Wanneer het toezicht en handhaving onvoldoende vormgegeven kan worden, kan dit een reden zijn om geen ontheffingen af te geven. Tegelijkertijd kan het beperken van ontheffingen leiden tot ongewenst gedrag, zoals het afsteken van vuurwerk zonder ontheffing. Dit vraagt om een zorgvuldige en integrale afweging. De verantwoordelijkheid voor het toezicht en de handhaving op verleende ontheffingen ligt primair bij degene die de ontheffing aanvraagt. Vervolgens dient op lokaal niveau invulling te worden gegeven aan de wijze waarop toezicht en handhaving moet worden 7 | Ministerie van Justitie en Veiligheid, Handhavingsplan, maart 2026, p. 22. 8 | Ministerie van Justitie en Veiligheid, Handhavingsplan, maart 2026, p. 20.

9 | Ministerie van Justitie en Veiligheid, Handhavingsplan, maart 2026, p. 20. 10 | Rapport VNG, Uitvoeringstoets Wet veilige jaarwisseling 2025, december 2025, p. 8. 10 11 Vereniging van Nederlandse Gemeenten georganiseerd. Hierover worden landelijke afspraken gemaakt. Voor meer informatie, zie het Handhavingsplan. 3.5 Aansprakelijkheid Aansprakelijkheid is een belangrijk aandachtspunt in de afweging voor het toestaan van ontheffingen of niet. Want, kan de houder van de ontheffing dit verzekeren? En loopt de gemeente een risico om aansprakelijk te worden gesteld, bijvoorbeeld vanwege de handhaving? Een aansprakelijkheidsverzekering is niet verplicht, maar kan wel door de burgemeester als aanvullend voorschrift aan de ontheffing worden verbonden. De vraag is echter of verzekeringsmaatschappijen (betaalbare) aansprakelijkheidsverzekeringen zullen aanbieden in verband met de verwachte risico’s bij het afsteken van vuurwerk door consumenten. Uit contacten met het Verbond van Verzekeraars blijkt dat dit maatwerk blijft en dat de mogelijkheden duidelijker zullen worden nadat de wet in werking is getreden. In de Nota van toelichting van het Besluit is het volgende over aansprakelijkheid opgenomen: Civielrechtelijke aansprakelijkheid Vuurwerk is een product dat jaarlijks zorgt voor schade en letsel.

Wanneer er sprake is van schade of letsel is het van belang dat het slachtoffer iemand aansprakelijk kan stellen voor de geleden schade. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan het slachtoffer het schadeveroorzakende individu, maar ook de ontheffinghouder aansprakelijk stellen. Doordat in het wijzigingsbesluit is geregeld dat een ontheffing kan worden aangevraagd door een vereniging of stichting, is er sprake van een rechtspersoon die aangesproken kan worden. In de regel geldt voor een organisator een zorgplicht om het risico op schade en letsel te voorkomen. In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij onzorgvuldig handelen, kan de burgemeester aansprakelijk gesteld worden. Bij het beoordelen in hoeverre een (rechts)persoon civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden is ook van belang of het slachtoffer zelf (ook) schuld treft. Om te bepalen wie voor de schade aansprakelijk is, is het algemene recht en de bestaande jurisprudentie van toepassing; onderhavig wijzigingsbesluit stelt geen nadere regels hierover. Het kan nuttig zijn voor een ontheffinghouder om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. Het is aan de burgemeester om te bepalen of die dit ook adviseert aan de ontheffinghouder (en bijvoorbeeld op te nemen als aanvullende voorwaarde), zodat een persoon die schade lijdt dit ook effectief kan verhalen.

Deze afweging wordt aan de burgemeester gelaten, die heeft immers het beste zicht op de aanvraag en kan daarom goed inschatten of dit in de rede ligt. Zie voor meer informatie Hoofdstuk 4, Stap 3 (Mogelijk aanvullende eis: aansprakelijkheid). 3.6 Haalbaarheid uitvoering nieuwe taak en tijdpad Tot slot is het belangrijk om in de afweging rekening te houden met de uitvoerbaarheid van deze nieuwe taak in relatie tot de nog beschikbare tijd tot de jaarwisseling van 2026 naar 2027. De inwerkingtreding van de wetgeving per 1 augustus 2026 laat een relatief korte periode voor gemeenten om processen in te richten, samenwerkingen met ketenpartners te organiseren en voldoende capaciteit vrij te maken voor de behandeling van aanvragen. De beperkte voorbereidingstijd tot de aankomende jaarwisseling kan voor gemeenten dan ook aanleiding zijn om tijdens de jaarwisseling van 2026/2027 nog geen ontheffingen te 12 Vereniging van Nederlandse Gemeenten verlenen. Aan het einde van Hoofdstuk 4 staat een schematisch overzicht van een tijdpad met de te hanteren aanvraag en beslistermijnen. 3.7 Geen ontheffingen In de vorige paragrafen staan een aantal afwegingen voor het wel of niet verlenen van ontheffingen door de burgemeester.

Wanneer de burgemeester besluit om geen gebruik te maken van de ontheffingsbevoegdheid, is die niet verplicht om dit kenbaar te maken, aangezien de ontheffingsbevoegdheid van de burgemeester een discretionaire bevoegdheid betreft. Niettemin kan het uit een oogpunt van transparantie en behoorlijk bestuur wenselijk zijn om hierover actief te communiceren, bijvoorbeeld door publicatie in het Gemeenteblad. Wanneer de burgemeester besluit om wel gebruik te maken van de ontheffingsbevoegdheid, dient er een aantal stappen te worden doorlopen. Dit stappenplan wordt toegelicht in Hoofdstuk 4. 13 Vereniging van Nederlandse Gemeenten 4 Stappenplan ontheffingsprocedure Voorop staat dat het aan de burgemeester is om te bepalen of die al dan niet ontheffingen wil verlenen. Hier kan het afwegingskader in het vorige hoofdstuk bij ondersteunen. Als de burgemeester ervoor kiest om ontheffingen te verlenen, zal deze burgemeester vervolgens na moeten gaan hoeveel ontheffingen die wil verlenen, welke afwegingen daarbij gemaakt moeten worden en of die daar nog aanvullende voorschriften aan wil verbinden. In dit hoofdstuk wordt deze procedure stapsgewijs toegelicht. Stap 1: Locaties voor de ontheffing bepalen De burgemeester kan er allereerst voor kiezen om zelf locaties aan te wijzen waar met een ontheffing vuurwerk afgestoken mag worden tijdens de jaarwisseling.

Daarnaast kan de burgemeester er ook voor kiezen verenigingen en stichtingen een ontheffing voor een eigen voorgestelde locatie aan te laten vragen. Ook is een combinatie van deze twee opties mogelijk. Belangrijk is dat de voor- en nadelen van deze drie opties zorgvuldig worden afgewogen en dat de keuze wordt onderbouwd. Bij deze afweging dient bovendien rekening gehouden te worden met de volgende, door de Tweede Kamer in maart 2026 aangenomen motie bij de Wet: “Verzoekt de regering om de gemeenten op het hart te drukken om zo veel mogelijk rekening te houden met wilde dieren bij de afweging om een ontheffing te verlenen, bijvoorbeeld door geen ontheffingen te verlenen in de buurt van parken, het NNN en Natura 2000-gebieden.” Optie 1: Burgemeester wijst locaties aan De burgemeester kan er zelf voor kiezen om een aantal locaties in de gemeente aan te wijzen waar met een ontheffing vuurwerk afgestoken mag worden tijdens de jaarwisseling. Bij deze optie ligt er meer regie en controle bij de burgemeester. Als de burgemeester zelf locaties aanwijst, dan is een voordeel dat er vooraf grondig onderzoek kan worden gedaan naar de geschiktheid van de locaties.

Burgemeesters wordt geadviseerd om hierover advies te vragen bij de omgevingsdienst, de brandweer, de politie, lokaal beheer en andere partijen die inzicht kunnen geven of een locatie voldoet aan ontheffingsvoorwaarden en -voorschriften. De ontheffingsbevoegdheid komt voort uit het idee dat het afsteken van vuurwerk door verenigingen en stichtingen binnen dit verband een manier kan zijn om de saamhorigheid te versterken. Het aanwijzen van één of meerdere centrale locaties kan hier voor de hele gemeente aan bijdragen. Als enkel de locatie een link heeft met een vereniging of stichting, zullen er naar verwachting weinig tot geen bezoekers van buiten die vereniging of stichting samenkomen op die locatie. Op een centrale, door de burgemeester aangewezen locatie, zullen inwoners vanuit de hele gemeente zich vrij voelen om naar het vuurwerk te komen kijken en gezamenlijk het nieuwe jaar in te luiden. 14 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Daar staat tegenover dat het aanwijzen van locaties mogelijk wel kan leiden tot het ontstaan van aanvragen die meer zien op het organiseren van een evenement. Afhankelijk van het aantal te verwachte bezoekers vraagt dit om handhavingscapaciteit. Daarnaast is een nadeel van het aanwijzen van een of meerdere plekken door de burgemeester dat de verantwoordelijkheid voor het onderzoek naar deze locaties volledig naar de gemeente verschuift.

Hoewel er in veel gevallen voor de hand liggende locaties zullen zijn, moet er nog steeds bij elke locatie beoordeeld worden of er aan de ontheffingsvoorwaarden en -voorschriften uit het Besluit kan worden voldaan. Belangrijk is dat deze tijd, onderzoekscapaciteit en kosten betrokken worden bij de afweging om al dan niet zelf locaties aan te wijzen. Een aangewezen locatie kan zowel een positief als negatief effect hebben op de naleving van de ontheffingsvoorwaarden en -voorschriften. Doordat de houder van de ontheffing ‘gebruik’ maakt van de openbare ruimte, zou die ervan uit kunnen gaan dat er handhaving en controle aanwezig zal zijn, waardoor overtreding van de voorwaarden en voorschriften minder voor de hand ligt. Tegelijkertijd kan er ook gesteld worden dat de houder van de ontheffing minder verantwoordelijkheid voelt om netjes met de locatie om te gaan. Tot slot is het van belang dat de burgemeester de aangewezen locaties bekend zal moeten maken zodat verenigingen en stichtingen een aanvraag tot ontheffing voor die locaties kunnen doen. Deze locaties, en eventueel de beleidsregel over de procedure voor het aanvragen van de ontheffing, zullen moeten worden gepubliceerd in het Gemeenteblad. Als bijlage is een model voor het aanwijzingsbesluit van de burgemeester opgenomen. Zie hiervoor Bijlage 6.1. De burgemeester kan de locaties ook in de beleidsregels aanwijzen.

Een afzonderlijk aanwijzingsbesluit biedt echter meer flexibiliteit, omdat dit gemakkelijker kan worden aangepast. In het model is bovendien een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt de aanwijzing alleen voor een bepaalde periode te laten gelden. Het is dan mogelijk om bijvoorbeeld elk jaar andere locaties aan te wijzen en dus ervaring met de aanwijzing en de aangewezen locaties op te doen. Optie 2: Vereniging of stichting wijst locatie aan Er kan ook gekozen worden voor een optie waarin de vereniging of stichting die een ontheffing aanvraagt een locatie voor het afsteken van het vuurwerk aandraagt. Het initiatief ligt dan bij de vereniging of stichting. Dat biedt hen de ruimte om aan te sluiten bij de eigen gebruiken en tradities. Daarnaast zullen er, wanneer de locatie een link heeft met een vereniging of stichting, voornamelijk leden bij het afsteken van het vuurwerk aanwezig zijn. Naar verwachting beperkt dit het aantal aanwezigen. Dit in tegenstelling tot een aanvraag voor een aangewezen locatie, waar naar verwachting meer inwoners naar toe zullen komen. Wel zullen de leden en de houder van de ontheffing mogelijk een sterker verantwoordelijkheidsgevoel hebben om de eigen aangedragen locatie netjes en veilig te houden, wat kan bijdragen het naleven van de ontheffingsvoorwaarden en -voorschriften.

Een nadeel van deze optie is dat iedere vereniging of stichting een aanvraag tot ontheffing kan doen. De kwaliteit van de verschillende veiligheidsplannen kan sterk variëren, waardoor een beoordeling complexer wordt en in veel gevallen zal het wenselijk zijn controle uit te voeren op de voorgestelde locatie om te beoordelen of het veiligheidsplan ook in de praktijk realistisch is. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van de formats van veiligheidsplannen zoals opgesteld voor evenementen. Omdat van tevoren niet duidelijk zal zijn hoeveel aanvragen er ingediend zullen worden, kan deze optie zorgen voor een hoge werkdruk bij gemeenten. Ook kan de tijd voor het behandelen van de aanvragen kort zijn. 15 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Optie 3: Combinatie van aanwijzen locaties Ook is een combinatie mogelijk van de hiervoor besproken opties. Het staat burgemeesters vrij een aantal centrale locaties aan te wijzen waar verenigingen en stichtingen een ontheffing voor kunnen aanvragen en tegelijkertijd verenigingen en stichtingen toe te staan een ontheffing aan te vragen voor een eigen aan te wijzen locatie. Als de burgemeester voor deze optie wil kiezen, is het van belang stil te staan bij mogelijke extra vereisten.

Mogen verenigingen en stichtingen bijvoorbeeld een ontheffing aanvragen voor een aangewezen locatie, nadat hun aanvraag voor ontheffing voor een eigen gekozen locatie is afgewezen? Krijgen verenigingen en stichtingen die niet beschikken over een terrein waar voldaan kan worden aan de ontheffingsvoorwaarden en -voorschriften voorrang bij de aanvraag voor ontheffing op een aangewezen locatie ten opzichte van verenigingen en stichtingen die wel beschikken over een eigen terrein dat geschikt is? Ook moet er besloten worden of verenigingen en stichtingen zowel een aanvraag kunnen doen voor een ontheffing op een eigen locatie als op een aangewezen locatie of dat zij vooraf een keuze moeten maken.

Onderzoeksverant- woordelijkheid bij burgemeester Aanvrager heeft mogelijk minder binding met de locatie Wellicht grootschaligere bijeenkomsten Iedere vereniging of stichting kan een aanvraag doen (hoge werklast bij beoordeling) Minder gemeenschapsgevoel (niet toegankelijk) Extra vereisten aanvraagprocedure en verdeling Meer regie en controle bij burgemeester Mogelijkheid om vooraf onderzoek te doen Meer gemeenschaps- gevoel (voor anderen toegankelijk) Burgemees- ter wijst zelf locaties aan Vereniging of stichting wijst locatie aan Combinatie Onderzoeksverantwoor- delijkheid bij aanvrager Aanvrager heeft mogelijk meer binding met de locatie Wellicht kleinschaligere bijeenkomsten Aanvrager kan kiezen; voordeliger voor aanvra- gers zonder eigen terrein NadelenVoordelen Schematisch overzicht voor- en nadelen van de drie opties 16 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Stap 2: Beleidsregel met verdeelsystematiek opstellen Wanneer er wordt gekozen om over te gaan tot het gebruiken van de ontheffingsbevoegdheid is het aan te raden om een beleidsregel op te stellen. In die beleidsregel kunnen dan regels worden opgenomen over de toewijzing van de ontheffing op basis van de in het Besluit opgenomen voorwaarden en voorschriften, eventuele aanvullende voorschriften en de aanvraagprocedure.

Aanbevolen wordt in de beleidsregel criteria op te nemen die zien op aanvrager, de locatie en de afsteektijden. Daarnaast kunnen er ook regels omtrent de veiligheidsvoorwaarden en -voorschriften en bijvoorbeeld de eisen rondom de soort en hoeveelheid vuurwerk opgenomen worden in de beleidsregel. Naast de voorwaarden die in het Besluit worden genoemd, kan de burgemeester aanvullende voorschriften stellen. Het wordt aangeraden deze ook in de beleidsregel te noemen. Met betrekking tot de regels over de aanvraagprocedure wordt aanbevolen de termijnen op te nemen die de aanvragers in acht moeten nemen, evenals de beslistermijn voor de burgemeester. Verder kunnen ook de regels rondom intrekking en wijziging van verleende ontheffingen een plaats krijgen in de beleidsregel. Daarnaast wordt het aanbevolen om in de beleidsregel een verdeelsystematiek op te nemen. Omdat het aantal locaties binnen de gemeente dat aan de voorwaarden uit het Besluit voldoet naar verwachting beperkt zal zijn, zijn de mogelijkheden voor het verlenen van ontheffingen niet onbegrensd. Hierdoor zullen de beschikbare ontheffingen kwalificeren als schaars: het aantal mogelijke aanvragers, is groter dan het aantal voor verlening beschikbare ontheffingen.11 Als sprake is van een schaars recht, dan stelt dit eisen aan de procedure die moet worden gevolgd.

De burgemeester moet zorgen voor een gelijk speelveld voor mogelijke aanvragers. Dit betekent dat de selectieprocedure transparant en onpartijdig moet zijn en dat de burgemeester mogelijke aanvragers tijdig op de hoogte moet stellen van de beschikbaarheid van de ontheffing, de aanvraagperiode, de verdeelsystematiek en de criteria voor de toewijzing. De toewijzingscriteria moeten tot slot objectief, duidelijk, transparant en niet-discriminatoir zijn.12 Bij de verdeelsystematiek kan gekozen worden uit vier stelsels. Het verlenen van ontheffingen kan geschieden door verdeling op volgorde van binnenkomst (first come, first serve), via een loting, via een vergelijkende toets of via een veiling. Meer informatie hierover is te vinden in de Handreiking Schaarse Vergunningen van de VNG. Zie: Handreiking Schaarse vergunningen. 11 VNG, ‘Handreiking Schaarse Vergunningen: Juridische inrichting en rechtmatige uitvoering’, oktober 2024, p. 6 (hierna: Handreiking Schaarse Vergunningen VNG). 12 Konijnenbelt 2023, p. 59-60 en Igr. 51. 17 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Voorgestelde onderwerpen in beleidsregel Begripsbepalingen: welke definities zijn voor de beleidsregel van belang? Toepassingsbereik: de bepalingen van de beleidsregel zien enkel op de te verlenen ontheffingen op basis van de Wet en het Besluit veilige jaarwisseling.

Aanvraagtijdvak: hoe en waar kan men een aanvraag indienen en binnen welke termijn? Aanvraagvereisten: aan welke vereisten moet de aanvraag voldoen? Beoordeling volledigheid: wat doe je met aanvragen die niet volledig zijn? Verdeelsystematiek: hoeveel ontheffingen zijn er beschikbaar en hoe worden die verdeeld? Eventueel invulling verdeelsystematiek: de keuze uit vier opties voor verdeling van schaarse rechten, namelijk op verdeling van binnenkomst, een vergelijkende toets, een veiling of een loting. Weigeringsgronden: als er niet wordt voldaan aan de eisen uit artikel 2.3.2. van het Besluit. Voorwaarden en voorschriften: zowel de wettelijke als eventuele aanvullende van de burgemeester. Intrekking en wijziging: artikel 2.3.2b van het Besluit bevat bepalingen over het intrekken van de ontheffing, maar onder omstandigheden is ook een wijziging denkbaar. Vorm van verantwoording: hoe wordt nagegaan hoe het gebruik van de ontheffing is verlopen? Evaluatie: wanneer en hoe wordt de beleidsregel geëvalueerd? Inwerkingtreding: wanneer treedt de beleidsregel in werking? Publicatie: waar wordt de beleidsregel gepubliceerd? Stap 3: Inhoudelijke eisen aanvraag ontheffing verbinden Eisen aan de aanvraag en aanvrager Als een vereniging of stichting een ontheffing wil aanvragen, zal de vereniging of stichting die aanvraag moeten indienen bij de burgemeester.

Die is op grond van artikel 2.3.2 van het Besluit het bevoegde bestuursorgaan om op die aanvraag te beslissen. Belangrijk is ook dat de aanvraag voldoet aan de algemene eisen uit artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat de aanvraag in ieder geval de naam en het adres van de aanvrager en de datum van de aanvraag moet bevatten, maar ook dat uit de aanvraag moet blijken dat het om een ontheffing van het vuurwerkverbod gaat. Om dit makkelijker te maken, is denkbaar dat voor de aanvraag een aanvraagformulier wordt vastgesteld, dat eventueel ook digitaal ingediend kan worden. Naast de algemene aanvraageisen die uit de Awb voortvloeien, worden in artikel 2.3.2 van het Besluit ook verschillende specifieke eisen genoemd waaraan een aanvraag tot ontheffing moet voldoen. Ten eerste moet de aanvrager een vereniging of stichting zijn 18 Vereniging van Nederlandse Gemeenten die staat ingeschreven in het handelsregister.13 Het Besluit stelt geen eisen aan de type vereniging of stichting. In de praktijk kan het dus gaan om vuurwerkverenigingen, maar ook om sportverenigingen en wijk- of buurtverenigingen. Ten tweede moet er sprake zijn van lokale binding.14 Het is niet de bedoeling dat verenigingen of stichting overal ontheffingen kunnen aanvragen.

Of er sprake is van lokale binding, kan blijken uit het vestigingsadres (dit ligt dit binnen de gemeente), eerdere activiteiten of de statutaire doelstelling van de vereniging of stichting.15 Naast deze twee vereisten voor de aanvrager, worden in het Besluit ook specifieke eisen gesteld aan de aanvraag zelf. Deze zijn als volgt: a. De aanvraag moet een veiligheidsplan met een situatietekening en een overzicht van het af te steken vuurwerk bevatten, waarin wordt beschreven hoe de veiligheidsvoorschriften zullen worden nageleefd; b. Het afsteekterrein, de plek waar het vuurwerk daadwerkelijk wordt afgestoken, moet voldoen aan de volgende eisen: - Het is niet de binnenruimte van een gebouw; - Het is goed bereikbaar voor de hulpdiensten; - Er is voldoende ruimte voor een veiligheidszone waarin zich geen kwetsbare gebouwen of locaties bevinden, geen dieren worden gehouden en geen brandbare objecten of voer- of vaartuigen aanwezig zijn; - Het is volgens de burgemeester een geschikte plek voor het veilig afsteken en bewaren van vuurwerk. c. De aanvraag heeft betrekking op maximaal 200 kg vuurwerk van categorie F2; d.

De aanvrager wijst een of twee supervisors (met een minimale leeftijd van 18 jaar) aan die ter plaatse verantwoordelijk zijn en vermeldt in de aanvraag de namen en de telefoonnummers waarop de supervisors bereikbaar zijn, daarnaast wijst de aanvrager maximaal acht personen aan die het vuurwerk zullen afsteken, de zogenoemde ontbranders. De burgemeester kan tot slot op grond van artikel 4:5 van de Awb besluiten de aanvraag buiten behandeling te laten als deze onvolledig is en de aanvrager in de gelegenheid is gesteld om de aanvraag binnen een daartoe gestelde termijn aan te vullen. Eisen aan het veiligheidsplan en locatie Bij de aanvraag moet een aanvrager een veiligheidsplan voorleggen.16 In dit veiligheidsplan moet de aanvrager de voorschriften in acht nemen die de burgemeester aan de ontheffing stelt. De wettelijke voorschriften worden genoemd in artikel 2.3.2a van het Besluit, maar de burgemeester kan aanvullende voorschriften aan een ontheffing verbinden. Bij de wettelijke voorschriften uit artikel 2.3.2a van het Besluit gaat het om: a. Het afsteekterrein en de veiligheidszone worden ingericht zoals beschreven in het veiligheidsplan en zijn goed bereikbaar voor de hulpdiensten; b.

De veiligheidsafstand bedraagt: 15 meter als alleen grondvuurwerk wordt afgeschoten, 40 meter als luchtvuurwerk met een kaliber tot en met 1 inch wordt afgeschoten en 60 meter als luchtvuurwerk met een kaliber vanaf 1 inch tot 2 inch wordt afgeschoten; de afstanden voor luchtvuurwerk worden vermenigvuldigd met 1,5 als dit schuin richting publiek wordt afgeschoten; c. Voordat het vuurwerk op het afsteekterrein wordt neergelegd, wordt het afsteekterrein afgesloten voor het publiek; d. Op het afsteekterrein wordt niet meer dan 200 kg verpakt vuurwerk van categorie F2 op 13 Artikel 2.3.2, onderdeel a van het Besluit veilige jaarwisseling. 14 Artikel 2.3.2, onderdeel a van het Besluit veilige jaarwisseling. 15 Besluit veilige jaarwisseling, paragraaf 2.2.1, p. 9. 16 Artikel 2.3.2, onder b van het Besluit veilige jaarwisseling. 19 Vereniging van Nederlandse Gemeenten veilige wijze en op ten minste 8 meter van de buitenrand van de veiligheidszone neergelegd en onder permanent toezicht geplaatst door de houder van de ontheffing; e. Op het afsteekterrein zijn aanwezig: een afschrift van de ontheffing met de daaraan verbonden voorschriften en een afschrift van de factuur waarop het aanwezige vuurwerk staat vermeld; f. Binnen de veiligheidszone is geen open vuur aanwezig en er wordt niet gerookt; g.

Op het afsteekterrein zijn ten minste twee goedgekeurde handblusapparaten met een inhoud van ten minste 6 kg ABC-poeder of 9 kg schuim aanwezig waarmee een beginnende brand zo snel mogelijk kan worden bestreden; h. Tijdens het tot ontbranding brengen van vuurwerk mag de veiligheidszone niet worden betreden door anderen dan de supervisor, de ontbranders en de toezichthouder; i. Handelingen nabij het vuurwerk die kunnen leiden tot statische elektriciteit, brand, brandgevaar of onbedoelde ontsteking zijn niet toegestaan; j. De veiligheidszone wordt direct na afloop van het tot ontbranding brengen van het vuurwerk opgeruimd en schoon opgeleverd. Het is aan te raden om in de voorwaarden van de ontheffing op te nemen dat de voorgeschreven brandblusser geen PFAS mag bevatten, vooruitlopend op de nieuwe Europese regelgeving. Daarnaast moet het veiligheidsplan een situatietekening van de afsteekplaats, het afsteekterrein en de veiligheidszone bevatten. Op die manier kan de burgemeester bepalen of de locatie geschikt is. Daarbij wordt opgemerkt dat de afsteekplaats het gedeelte van het afsteekterrein is waar het vuurwerk tot ontbranding wordt gebracht; het afsteekterrein is het terrein bestaande uit de afsteekplaats en het gebied eromheen, met een minimumafstand van 10 meter vanaf de buitenrand van de afsteekplaats tot de buitenrand van het afsteekterrein.

De veiligheidszone is het gebied rondom de afsteekplaats met een straal die ten minste gelijk is aan het aantal meter dat als veiligheidsafstand bij het tot ontbranding brengen van het vuurwerk moet worden gehanteerd. Eisen aan het afsteekterrein Omdat het veiligheidsplan bij de aanvraag wordt ingediend, kan de burgemeester aan de hand van het veiligheidsplan toetsen of de locatie geschikt is voor het afsteken van vuurwerk. Hierbij kan de hulp van de lokale driehoek, de omgevingsdienst en de brandweer worden ingeschakeld. Bij de beoordeling of een locatie geschikt is, kan de burgemeester rekening houden met de beschrijving van de locatie zoals blijkt uit de situatietekening. De burgemeester let hierbij op de beschikbare ruimte en de minimale veiligheidsafstanden. Ook wordt rekening gehouden met de nabijheid van bedrijfsmatig gehouden dieren, brandbare objecten, voer- of vaartuigen, en kwetsbare gebouwen of locaties. Binnen de veiligheidszone, oftewel het gebied rondom de afsteekplaats waarin een veiligheidsafstand tot het publiek wordt gehouden, mag in ieder geval geen sprake zijn van bedrijfsmatig gehouden dieren, brandbare objecten, voer- of vaartuigen, en kwetsbare gebouwen of locaties.

Bij kwetsbare gebouwen kan gedacht worden aan de kwetsbaarheid van de personen die zich in een specifiek gebouw bevinden, zoals een ziekenhuis, of de kwetsbaarheid van (gehouden) dieren, zoals een kinderboerderij of dierentuin. Daarnaast kan het ook gaan om de kwetsbaarheid van gebouwen zelf, zoals huizen met een rieten dak. Tot slot kan de burgemeester afwegen of het afsteken van vuurwerk dichtbij andere gebouwen, natuurgebieden, vanaf een gebouw of vanaf water in het kader van de ontheffing wenselijk is. Het is namelijk vereist dat de locatie bereikbaar is voor hulpdiensten. 20 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Eisen aan het vuurwerk en de (ver)koop Er kan voor maximaal 200 kilogram F2-vuurwerk een ontheffing worden verleend. F2 vuurwerk, ook wel eindejaarsvuurwerk, zijn bijvoorbeeld cakes, compoundboxen, grondbloemen en fonteintjes. Het type vuurwerk is af te lezen van de verpakking. Het is dan ook van belang dat er enkel voor verpakt vuurwerk een ontheffing kan worden verleend. Als de ontheffing is verleend, moet een afschrift van de ontheffing en een afschrift van de factuur voor het vuurwerk aanwezig zijn op het afsteekterrein. Bij controle kan de toezichthouder hiernaar vragen. De verkoop van F2-vuurwerk aan anderen dan personen met gespecialiseerde kennis is verboden.

Om verenigingen en stichtingen te kunnen voorzien van het vuurwerk dat zij in het kader van een ontheffing kunnen afsteken, is het dus nodig dat in Nederland vuurwerk kan worden verkocht. Om die reden is wettelijk opgenomen dat het verkoopverbod niet geldt op 29, 30 en 31 december als de koper in het bezit is van een ontheffing. In het Besluit is geregeld dat per ontheffing maximaal het aantal kilogram vuurwerk mag worden verkocht waarvoor ontheffing is verleend, met een maximum van 200 kilogram. Ook is geregeld dat verkopers verplicht zijn te controleren of een koper een ontheffing heeft. De verplichting om een verkoopvergunning te hebben is uit de APV gehaald, dus verkoop van vuurwerk is in principe vrij, afgezien van de eisen die hierboven worden genoemd. Het is een houder van een ontheffing in beginsel toegestaan om vuurwerk in andere landen te kopen, mits dit vuurwerk voldoet aan de in Nederland geldende regelgeving, waaronder de Rac. Echter, enkel op 31 december tussen 12:00 en 18:00 uur mag de ontheffinghouder er vanuit het buitenland mee naar Nederland rijden. Het is in geen enkel geval toegestaan om vuurwerk in het buitenland te kopen en via een pakket te laten versturen. Voor het vervoer van vuurwerk gelden voorschriften uit de ADR-regelgeving.

Meer informatie hierover is te vinden in het Besluit (2.6 t/m 2.9) en het voorlichtingspakket voor ontbranders en supervisors dat de Rijksoverheid beschikbaar stelt. Naast deze regels omtrent de verkoop stelt het Besluit nadere regels voor de terbeschikkingstelling van het vuurwerk aan de koper. Er geldt een verbod om vuurwerk aan een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis ter beschikking te stellen, maar dit verbod geldt niet op 31 december tussen 12.00 en 18.00 uur. Wederom mag alleen vuurwerk ter beschikking worden gesteld als het maximaal 200 kg verpakt F2- vuurwerk betreft, de koper over een ontheffing beschikt en dit voorafgaand aan de terbeschikkingstelling door de verkoper gecontroleerd wordt. De verkoper moet een kopie van de ontheffing bewaren in zijn administratie. De houder van de ontheffing mag dus op 29, 30 en 31 december vuurwerk kopen en dit op 31 december tussen 12.00 en 18.00 in ontvangst nemen. Het besluit regelt tot slot ook de teruglevering van niet afgestoken vuurwerk. Consumenten mogen, wegens het verbod, niet in bezit zijn van vuurwerk en kunnen dit daarom kosteloos retourneren. De teruglevering moet plaatsvinden op uiterlijk 1 januari om 18.00, tegen de afgifte van een retourbon of een aftekening op de oorspronkelijke factuur. De verplichting tot teruglevering geldt ook voor in het buitenland aangeschaft vuurwerk.

De provincie en de omgevingsdiensten beschikken al over uitgebreide kennis en ervaring op het gebied van vuurwerk. Gedurende de rest van het jaar zijn zij verantwoordelijk voor het toezicht op professionele vuurwerkshows en tevens voor de vergunningverlening en handhaving. De omgevingsdiensten blijven verantwoordelijk voor de toezicht- en handhavingstaken rondom vuurwerkopslag en -verkoop. Dit omvat onder meer het controleren van de opslagvoorzieningen (kluizen) op meerdere momenten: voorafgaand aan de opslag, tijdens de opslagperiode en na het leegmaken van de kluizen. Daarnaast blijven zij toezien op de naleving van de voorschriften tijdens de verkoopmomenten. Hoewel het aantal verkooppunten mogelijk afneemt, blijft sprake van opslag, verkoop en inlevering van vuurwerk, waardoor deze taken in essentie ongewijzigd blijven. Het is 21 Vereniging van Nederlandse Gemeenten daarom van belang dat gemeenten hierover in gesprek met de omgevingsdienst om deze verantwoordelijkheid expliciet te borgen. Eisen aan supervisors en ontbranders In het veiligheidsplan worden één of twee supervisors vanuit de vereniging of stichting aangewezen. Een supervisor is een door de vereniging of stichting aangewezen persoon die tijdens de ontbranding ter plaatse verantwoordelijk is voor een goede gang van zaken.

Deze houdt tijdens de ontbranding zicht op het vuurwerk, de afsteekplaats, de veiligheidszone en de ontbranders. In de voorschriften wordt niet genoemd wanneer een tweede supervisor vereist is, maar het ligt voor de hand hier wel eisen aan te stellen en dit op te nemen in de beleidsregel. Het is in elk geval redelijk dat een tweede supervisor wordt aangesteld bij een grotere veiligheidszone. Voor de supervisor geldt dat die zelf geen vuurwerk tot ontbranding brengt; dit wordt gedaan door de ontbranders. Ontbranders zijn door de vereniging of stichting aangewezen personen die vuurwerk tot ontbranding mogen brengen en onder leiding van een supervisor staan. Per ontheffing gaat het om maximaal acht ontbranders. De supervisors en ontbranders moeten een minimumleeftijd van 18 jaar hebben. Verder gelden voor de supervisor en ontbranders de volgende veiligheidsvoorschriften: • Zowel de supervisor als de ontbranders dragen een vuurwerkbril; • De ontbranders gebruiken aansteeklonten om het vuurwerk tot ontbranding te brengen; • De supervisor en de ontbranders zijn niet onder invloed van alcohol of andere verdovende of stimulerende middelen. Voor de vaststelling hiervan worden de grenswaarden van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer gehanteerd.

Van de ontbranders en de supervisors wordt verwacht dat zij kennis hebben van het veilig afsteken van vuurwerk, de tijdelijke neerlegging en het transport van het vuurwerk. Ter ondersteuning hiervan stelt de Rijksoverheid een voorlichtingspakket op. Eisen aan moment en wijze van afsteken van het vuurwerk Bij het afsteken moeten de supervisors en ontbranders zich houden aan de voorschriften uit het Besluit en de eventuele aanvullende voorschriften die de burgemeester aan de ontheffing heeft verbonden. Verder moeten supervisors en ontbranders ook specifieke veiligheidsvoorschriften in acht nemen. Verder is van belang dat het afsteken enkel plaats mag vinden tussen 31 december om 18.00 uur en 1 januari om 02.00 uur van het daaropvolgende jaar. Daarnaast is in het kader van de ontheffing alleen handmatige, niet-elektronische ontbranding toegestaan en mag het vuurwerk niet worden bewerkt. Ook moet het vuurwerk stabiel en op de grond worden opgesteld, loodrecht op het grondoppervlak, zodat het niet kan omvallen. Het is niet toegestaan om vuurwerk op bijvoorbeeld stellages of op bewegende objecten te plaatsen. Het vuurwerk moet worden afgestoken zoals beschreven in het veiligheidsplan en volgens de gebruiksaanwijzing of het veiligheidsinformatieblad behorend bij het vuurwerkartikel.

De minimale veiligheidsafstand moet te allen tijde in acht worden genomen ter bescherming van omstanders. Daarnaast kan het voorkomen dat er een onveilige situatie optreedt, waardoor het afsteken moet worden gestaakt. Dit is in ieder geval zo wanneer omstanders nabij de veiligheidszone ander vuurwerk afsteken of het publiek de veiligheidszone betreedt. Ook moet het afsteken van het vuurwerk onmiddellijk worden gestaakt in het geval van bepaalde weersomstandigheden, zoals bij onverwachte harde wind. Dat is een windsnelheid van windkracht 5 of hoger. Maar ook bij extreme droogte, of dichte mist waardoor het zicht minder dan 200 meter bedraagt moet het afsteken worden gestaakt. 22 Vereniging van Nederlandse Gemeenten Mogelijk aanvullende eis: Aansprakelijkheid Er kan worden overwogen om aanvragers te vragen aan te tonen dat zij beschikken over een passende aansprakelijkheidsverzekering. Het Besluit schrijft dit niet voor, waardoor het aan de burgemeester is om te beoordelen of dit in een concreet geval wenselijk is. Bij die afweging kan worden meegewogen dat schade als gevolg van een vuurwerkevenement aanzienlijk kan zijn. Verenigingen en stichtingen beschikken niet altijd over voldoende financiële middelen om dergelijke schade zelf te dragen. Een passende verzekering kan daarom bijdragen aan de bescherming van zowel betrokkenen als de organisator.

Als de rechtspersoon (nog) geen aansprakelijkheidsverzekering heeft die dekking biedt, zou een tijdelijke evenementenverzekering met dekking voor aansprakelijkheid een optie kunnen zijn. Of verzekeraars in de praktijk aansprakelijkheidsverzekeringen voor deze activiteiten zullen aanbieden, zal echter per situatie verschillen. Uit contacten met het Verbond van Verzekeraars blijkt dat dit maatwerk blijft en dat de mogelijkheden duidelijker zullen worden nadat de wet in werking is getreden. Daarnaast is het van belang dat de gemeente aandacht besteedt aan toezicht en de naleving van de aan de ontheffing verbonden voorschriften. De burgemeester heeft hierbij beleidsruimte, maar moet besluiten zorgvuldig voorbereiden en uitvoeren. Onder omstandigheden kan de gemeente aansprakelijk worden gesteld als sprake is van onrechtmatig handelen. Een zorgvuldige afweging van de verzekeringssituatie en een passende inrichting van toezicht en handhaving kunnen daarom bijdragen aan het beperken van risico’s. Stap 4: Beoordeling van de aanvraag Na ontvangst van een volledige aanvraag zal de burgemeester het besluit zorgvuldig moeten voorbereiden, zoals voorgeschreven in artikel 3:2 van de Awb. Dit betekent dat alle relevante feiten en belangen moeten worden verzameld en afgewogen.

Met betrekking tot de vraag of er sprake is van een volledige aanvraag, zal de burgemeester moeten beoordelen of de aanvraag alle benodigde stukken omvat. Dit betreft op zijn minst een volledig ingevulde aanvraag met daarbij een veiligheidsplan, inclusief een situatietekening en een overzicht van het af te steken vuurwerk, waarin wordt beschreven hoe de veiligheidsvoorschriften zullen worden nageleefd. Als er sprake is van een volledige aanvraag, zal de burgemeester de aanvraag inhoudelijk moeten toetsen aan de vereisten van 2.3.2 van het Besluit. Dit betekent dat er moet worden bezien of de aanvrager een vereniging en stichting met lokale binding is en of de aanvrager staat ingeschreven bij de KvK. Vervolgens zal het veiligheidsplan, inclusief een situatietekening en een overzicht van het af te steken vuurwerk, getoetst moeten worden aan de voorschriften in artikel 2.3.2a van het Besluit. Daarbij moet de burgemeester nagaan of het afsteekterrein geschikt is voor het veilig afsteken van vuurwerk waarbij van belang is dat dit geen binnenruimte betreft en deze plek goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Verder controleert de burgemeester of het af te steken vuurwerk binnen de categorie F2 valt en niet de maximumgrens van 200 kg overschrijdt. Daarnaast zal de situatietekening beoordeeld moeten worden.

Op basis van het overzicht van het af te steken vuurwerk kan de burgemeester de benodigde veiligheidsafstand tot het publiek bepalen, waarbij in ieder geval de minimale veiligheidsafstanden uit het besluit in acht moeten worden genomen. De afstand tussen de afsteekplaats en de buitenrand van het afsteekterrein is ten minste 10 meter, maar de veiligheidsafstand tot het publiek is afhankelijk van het type vuurwerk. Tenslotte wordt beoordeeld of er voldoende supervisors en ontbranders zijn aangesteld en of deze voldoen aan het leeftijdsvereiste van minimaal 18 jaar. Als de burgemeester 23 Vereniging van Nederlandse Gemeenten aanvullende voorschriften in de beleidsregel heeft opgenomen, zal de aanvraag ook daaraan getoetst moeten worden. Het ligt voor de hand dat de burgemeester bij het beoordelen van de aanvraag ook advies inwint bij de politie, brandweer, omgevingsdienst of andere partners. Daarnaast is het wenselijk om binnen de eigen Veiligheidsregio te verkennen of er regionaal afspraken kunnen worden gemaakt over een uniforme beoordeling van aanvragen en het uniform uitvoeren van het toezicht en handhaving op de verleende ontheffingen. Ook ligt het voor de hand dat de burgemeester de gemeenteraad uiteindelijk over het aantal ingediende aanvragen en het aantal verleende ontheffingen informeert.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/741/documents/21749