C05.2 Bijlage B - Ontwerpbegroting VRU 2027 en geactualiseerde begroting VRU 2026.pdf
Tekst van het document
56
gebouwen die eigendom zijn van de VRU, worden bij de VRU geactiveerd. De kosten voor rente en afschrijving worden doorbelast aan de gemeenten die de gebouwen aan de VRU hebben overgedragen. Ten aanzien van de investeringen in overige kapitaalgoederen (inventaris en installaties, automatisering, vervoersmiddelen en materiaal) hanteren wij een meerjarig investeringsplan (MIP) dat jaarlijks wordt geactualiseerd. In de begroting is een constant bedrag (structureel budget) opgenomen voor kapitaallasten, dat jaarlijks wordt geïndexeerd om de vervangingswaarde van de activa te waarborgen. De werkelijke kapitaallasten fluctueren. Tezamen met het MIP is daarom ook een egalisatiereserve kapitaallasten ingesteld om de verschillen tussen begrote en werkelijke kapitaallasten op te vangen. De egalisatiereserve kapitaallasten heeft naast de egalisatiefunctie ook een dekkingsfunctie. De dekkingsfunctie heeft vooral betrekking op vaste activa met een incidenteel karakter, waarvoor de kapitaallasten uit de kapitaallastenreserve worden gedekt. Deze items zijn in het MIP als incidenteel aangemerkt en hiervoor zijn geen vervangingsinvesteringen opgenomen. Deze activa-items kennen dus geen structurele kapitaallast. Dit betekent dat voor incidentele lasten in de exploitatie die direct gerelateerd zijn aan (geplande) investeringen een onttrekking aan de egalisatiereserve kapitaallasten is geraamd.
Bij besluitvorming wordt getoetst of de reserve gedurende de afschrijvingstermijn toereikend is. Meerjarig wordt gestuurd op een sluitende investeringsbegroting. Jaarlijks wordt in mei de investeringsbegroting bijgesteld op basis van de reële verwachting. Vervolgens wordt bepaald wat de financieringsbehoefte is en welke renteomslag binnen de kaders van BBV kan worden toegepast. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari en jaarlijks ten laste van de exploitatie gebracht. Aan de geactiveerde investeringen wordt voor geactualiseerde begroting 2026 een omslagrente van 2,65% toegerekend7. De fluctuaties van de kapitaallasten ten opzichte van het structureel budget voor kapitaallasten worden beschouwd als incidentele baten en lasten. In bijlage 6.7 is een overzicht opgenomen van de geplande investeringen en de begroting van de kapitaallasten. 4.4.2 Onderhoud gebouwen en installaties Het hoofdkantoor van de VRU is gehuisvest in het Provinciehuis en dit betreft huur. Het onderhoud voor deze locatie is daarmee onderdeel van de servicekosten die wij naast de huursom aan de provincie Utrecht betalen. De kosten voor het beheer en onderhoud van de decentrale huisvestingen en de brandweerkazernes zijn voor rekening van de gemeenten. 4.4.3 Onderhoud materieel Preparatie Brandweer is ingericht binnen het organisatieonderdeel Brandweer.
Hiermee borgen we dat we beschikken over vakbekwaam repressief personeel en daarnaast over voldoende en
7 Dit percentage kan nog wijzigen als gevolg van de actualisatie van de investeringsplanning in mei 2026.
57
inzetbaar materieel en gereedschappen voor de uitvoering van onze operationele taak. Onderhoud van het materieel vindt regionaal plaats door de afdeling Materieel & Logistiek.
4.5
Financiering
4.5.1 Financieringsportefeuille Wij zijn externe financiering overeengekomen bij: ▪ Gemeente Amersfoort (onderhandse lening) ▪ Bank Nederlandse gemeenten (BNG Bank) ▪ De Nederlandse Waterschapsbank (NWB Bank) In tabel 30 wordt het verloop en de omvang van de huidige leningen weergegeven. Tabel 30 Leningenportefeuille dr
x € 1.000
Type lening
13-10-1997/30 jr 6,05% l i nea i r 14-07-1999/30 jr 5,43% l i nea i r Onderhandse lening Gemeente Amersfoort
Saldo 31-122025
Saldo 31-122026
Saldo 31-122027
Saldo 31-122028
Saldo 31-122029
Saldo 31-122030
7 212 218
3 159 159
0 106 106
0 53 53
0 -
0 -
BNG l eni ng 40.106325 BNG l eni ng 40.106326 BNG l eni ng 40.116478 BNG l eni ng 40.116479 Onderhandse lening Bank BNG
667 6.400 8.000 9.500 24.567
6.000 7.000 9.000 22.000
5.600 6.000 8.500 20.100
5.200 5.000 8.000 18.200
4.800 4.000 7.500 16.300
4.400 3.000 7.000 14.400
NWB Ba nk l eni ng NK/1-29713 NWB Ba nk l eni ng NK/1-30919 Lening Nederlandse Waterschapsbank
13.000 13.600 26.600
12.000 12.750 24.750
11.000 11.900 22.900
10.000 11.050 21.050
9.000 10.200 19.200
8.000 9.350 17.350
Totale vaste schulden
51.385
46.909
43.106
39.303
35.500
31.750
Bij BNG Bank is een rekening-courantfaciliteit beschikbaar ter grootte van € miljoen om te voorzien in de kortlopende financieringsbehoefte. De financieringsbehoefte voor de langere termijn betreft de financiering van nieuwe (vervangings-)investeringen. Zie bijlage 6.7 voor een overzicht van de geplande investeringen in 2026 en 2027. De VRU past een renteomslagmethodiek toe die wordt voorgeschreven vanuit het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV). Door middel van deze methodiek worden aan investeringen de gemiddelde rentekosten toegerekend die voortvloeien uit de opgenomen geldleningen en/of eigen middelen waarmee zij zijn gefinancierd. In onderstaande tabel is het verwachte financieringsresultaat weergegeven aan de hand van het rekenschema zoals voorgeschreven vanuit BBV.
58
Tabel 31 Renteschema dr
x € 1.000
Realisatie
Begroting
Begroting
2025
2026
2027
1.567
1.519
1.479
-89
-
1.478
1.519
-45
-33
-32
Totaal aan taakvelden toe te rekenen integrale rente (A):
1.433
1.485
1.447
De aan taakvelden toegerekende rente (omslagrente)
1.669
1.632
1.865
Aan taakvelden toegerekende rente via renteomslag (B):
1.669
1.632
1.865
236
147
419
Renteschema
Totale rentelasten Rentebaten die zijn toe te rekenen aan investeringen in activa Saldo rentelasten en rentebaten Doorbelaste rente projectfinanciering/ maatwerk
Renteresultaat op taakveld Treasury (B-A)
1.479
4.5.2 Risicobeheer Om de risico’s van het treasurybeleid te beheren zijn er normen vastgesteld in de Wet ido. Deze normen bestaan uit een: - Kasgeldlimiet - Renterisiconorm Kasgeldlimiet De kasgeldlimiet laat het maximum bedrag zien waarop een gemeente of gemeenschappelijke regeling haar financiële bedrijfsvoering met kortlopende middelen (looptijd < 1 jaar) mag financieren. Deze norm bedraagt 8,2% van het begrotingstotaal aan lasten vóór bestemming. Voor 2026 bedraagt de limiet 8,2% van € 146 miljoen (omvang begroting) = € 12 miljoen. De liquide middelen bestaan uit rekening-courant tegoeden en deposito’s. er kwartaal controleren wij de kasgeldlimiet. De ruimte die de kasgeldlimiet biedt, wordt zoveel mogelijk benut. De reden hiervoor is dat kort geld aanzienlijk goedkoper is dan lang geld. Indien nodig worden langlopende leningen aangegaan om een overschrijding van de kasgeldlimiet tegen te gaan. De huidige financiële positie geeft geen aanleiding om op korte termijn maatregelen voor te stellen. Tabel 32 Kasgeldlimiet dr
x € 1.000
Kasgeldlimiet
2026
2027
2028
2029
2029
Norm % begrotingstotaal
8,2%
8,2%
8,2%
8,2%
8,2%
12.002
11.401
11.681
11.675
11.705
Kasgeldlimiet
Renterisiconorm De renterisiconorm wil het renterisico bij herfinanciering beheersen. Dat houdt in, dat de jaarlijkse renteherzieningen en de verplichte aflossingen niet meer mogen bedragen dan 20% van het begrotingstotaal bij aanvang van het jaar.
59
De renterisiconorm zal binnen het vastgestelde percentage van 20% blijven. In onderstaande tabel is het verwachte renterisico weergegeven. Tabel 33 Renterisiconorm dr
x € 1.000
Renterisiconorm
2026
2027
2028
2029
2029
omvang begroting
146.371
139.040
130.450
130.155
130.155
Renterisiconorm (20% begroting)
29.274
27.808
26.090
26.031
26.031
Aflossingen van leningen
4.473
3.806
3.803
3.803
3.750
Ruimte onder renterisiconorm
24.801
24.002
22.287
22.228
22.281
60
4.5.3 Verloop reserves Tabel 34 geeft een overzicht met het verloop van de reserves zoals dit tot en met ultimo 2027 wordt voorzien8. Tabel 34 Reserves 2026 en 2027 dr
x € 1.000
Boekwaarde Resultaat- Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde 31-12-2025 bestemming 2026 2026 31-12-2026 2027 2027 31-12-2027 2025
Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserves
2.641 2.641
Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve incidentele crisistaken Bestemmingsreserve meldkamer Bestemmingsreserves Totaal reserves
1.850 1.850
-
1.487 1.487
3.004 3.004
-
-
3.004 3.004
23.596 1.279 1.551 1.119 895 63 28.503
150
150
3.148 54 247 1.920 5.369
632 1.243 535 37 2.448
26.112 1.333 1.798 26 2.280 26 31.575
2.445 60 197 2.702
355 111 466
28.202 1.394 1.995 26 2.169 26 33.811
31.144
2.000
5.369
3.935
34.579
2.702
466
36.815
8 Jaarlijks worden in mei de investeringsbegroting en bijbehorende kapitaallasten bijgesteld op basis van de reële verwachting. Dit betekent dat het verloop van de egalisatiereserve kapitaallasten nog kan wijzigen.
61
4.5.3.1 Bedrijfsvoeringsreserve Door het aanhouden van een reserve is de VRU in staat om een deel van de risico’s op te vangen, zonder dat dit direct gevolgen heeft voor de hoogte van de gemeentelijke bijdrage. De schommelingen die optreden kunnen worden opgevangen met deze reserve. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve (weerstandvermogen) is minimaal gelijk aan de benodigde weerstandscapaciteit (zie § 4.6). Het weerstandsvermogen is net toereikend om de geïnventariseerde risico’s af te dekken. De omvang van de bedrijfsvoeringreserve met 1,03% van het begrotingsvolume valt net binnen de afgesproken bandbreedte (1% - 2%). 4.5.3.2 Egalisatiereserve kapitaallasten Via het meerjarig investeringsplan wordt gestuurd op een meerjarig evenwicht tussen de begrote en gerealiseerde kapitaallasten (afschrijving en rente). Om de kosten van afschrijving en rente over de jaren te egaliseren wordt gebruik gemaakt van een egalisatiereserve. Jaarlijks wordt in mei de prognose van de kapitaallasten geactualiseerd en opgenomen in de (geactualiseerde) begroting. Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke kapitaallasten en baten zijn geweest. Tekorten op de kapitaallasten worden aan deze reserve onttrokken. Overschotten worden aan deze reserve gedoteerd.
Boekwinst (opbrengst activa) of –verlies (versnelde afschrijving) bij afstoten van activa wordt ten gunste of ten laste van de exploitatie gebracht en vervolgens via een dotatie/onttrekking gemuteerd in de reserve egalisatie kapitaallasten. Via de egalisatiereserve kapitaallasten creëren we rust in de VRU-begroting en voorkomt dit sterke mutaties in de gemeentelijke bijdragen. 4.5.3.3 Egalisatiereserve FLO-overgangsrecht De egalisatiereserve ‘ O-overgangsrecht’ wordt ingezet om de kosten voor het Oovergangsrecht meerjarig te kunnen egaliseren. Hiermee wordt een (structurele of incidentele) stijging van de gemeentelijke bijdrage voorkomen en ontstaat een beperkte buffer om fluctuaties die het gevolg zijn van de afspraken in het FLO-overgangsrecht in meerjarig perspectief op te vangen. Ten opzichte van het structureel beschikbare budget wordt op begrotingsbasis bepaald welke lasten wij voor het FLO-overgangsrecht kunnen verwachten. Indien er voor het begrotingsjaar nog geen Cao-akkoord is vastgesteld, wordt de verwachte loonontwikkeling geraamd door middel van een stelpost. Bij de jaarrekening wordt vervolgens bepaald wat de werkelijke lasten en baten voor het FLO-overgangsrecht zijn geweest. Tekorten op de begrote baten en lasten worden aan deze reserve onttrokken en overschotten worden aan deze reserve gedoteerd.
4.5.3.4 Egalisatiereserve tweede loopbaanbeleid Vanwege het wegvallen van het O voor repressief brandweerpersoneel is ‘tweede loopbaanbeleid’ geïntroduceerd. Om hieraan uitvoering te kunnen gaan geven, is de egalisatiereserve tweede loopbaan gevormd. In de begroting is structureel budget beschikbaar voor de kosten voor onder andere om-/bijscholing en vervanging. De werkelijke kosten voor tweede loopbaanbeleid fluctueren en worden jaarlijks bij aan het einde van het boekjaar met deze reserve verrekend. Vanwege een vierjarig landelijk onderzoek naar de duurzame inzetbaarheid van mensen in een repressieve brandweerfunctie, mede in het licht van het tweede
62
loopbaanbeleid verwachten wij voor 2026 geen significante stijging van de kosten voor het tweede loopbaanbeleid. 4.5.3.5 Ontwikkel- en egalisatiereserve Het algemeen bestuur heeft bij aanvang van de vorige beleidsperiode een besluit genomen om een ontwikkel- en egalisatiereserve in te stellen die gevoed kan worden met positieve rekeningresultaten. De ontwikkel- en egalisatiereserve heeft tot doel om fluctuaties en (incidentele) verhogingen van de gemeentelijke bijdragen zoveel als mogelijk te voorkomen (egalisatiefunctie). Dit leidt tot financiële stabiliteit in de begroting van de VRU en in de bijdrage van de gemeenten. De middelen uit de reserve zijn bestemd voor: - Het mogelijk maken van incidentele/projectmatige (beleids-)activiteiten om de beleidsdoelstellingen uit de bestuursagenda of structurele efficiencyvoordelen te realiseren; - Het dekken van incidentele kosten die voortvloeien uit exogene factoren.
Bij het instellen van de reserve zijn de volgende spelregels vastgesteld over de besteding en verantwoording van de middelen: ▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (beleids)activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ Bij uitloop van een project, het doorschuiven van een project naar een volgend boekjaar, of in het geval van meerjarige projecten zal het niet bestede budget teruggestort worden in de egalisatiereserve voor besteding aan dat project in een volgend boekjaar; ▪ De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze ontwikkel- en egalisatiereserve zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; ▪ Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en wat de totale omvang van de reserve is per balansdatum (maximaal € ,8 miljoen).
63
Tabel 35 Inzet middelen ontwikkel- en egalisatieserve dr
x € 1.000
Ontwikkel- en egalisatiereserve
2026
2027
Resultaat bestemming 2025
Beginsaldo (1-1-2026) Toevoeging vanuit rekeningresultaat 2025 Totaal toevoegingen
1.119 150 150
-
150 150
Onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming BrandVeiligLeven Vakbekwaamheid brandweer Subtotaal onttrekkingen op basis van eerdere besluitvorming
-38 -190 -228
-
Onttrekkingen voor doorlopende activiteiten 202 → 202 Programma Veerkracht Gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing Digitale Veiligheid Versterking crisisbeheersing (activiteiten gedekt uit taakgelden BDUR) Subtot o ttr kk voor door op d ct v t t 2025 → 2026
-560 -145 -98 -62 -865
-
Onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming 2025 Inzet MDIEU-subsidie voor uitvoering programma 'Great Place to work' Diverse posten Subtotaal onttrekkingen op basis van inzet via resultaatbestemming Totaal onttrekkingen Eindsaldo (31-12)
-150
-
-
-150
-
-150 -150
-1.243
-
-150
26
26
-
Eerdere besluitvorming Besluitvorming over de inzet van deze middelen voor genoemde activiteiten heeft eerder plaatsgevonden (€ 228k). Doorlopende activiteiten Enkele activiteiten die volgens de begroting in 2025 gepland waren, lopen door in 2026. De doorschuif van middelen (€ 8 k) heeft betrekking op taakgelden die specifiek beschikbaar zijn gesteld voor vastgestelde programma- en projectactiviteiten. Resultaatbestemmingsvoorstel 2025 Bij de voorlopige jaarstukken 2025 is voorgesteld om € 150k van het voordelig rekeningresultaat te bestemmen voor activiteiten in het kader van goed werkgeverschap, die gefinancierd worden via een MDIEU-subsidie (Maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden). Deze subsidie is in 2025 toegekend, maar een deel van de activiteiten loopt door in 2026. Zo kan het resterende subsidiebedrag alsnog worden besteed aan het doel waarvoor het is toegekend.
64
4.5.3.6 st mm sr s rv ‘Incidentele crisistaken’ In de afgelopen jaren heeft de VRU, op verzoek van het Rijk en de gemeenten, extra crisistaken uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is de VRU-opvangsupport. Crises zijn vaak onvoorspelbaar en vragen om een hoge mate van flexibiliteit. Het algemeen bestuur heeft in 2024 het besluit genomen om de organisatie zo in te richten dat snel en effectief op- en afgeschaald kan worden, met een zogenaamde waakvlam-stand. Deze structuur zorgt ervoor dat de VRU snel kan worden geactiveerd wanneer nodig, terwijl de reguliere taken zo min mogelijk worden verstoord door extra crisistaken. Om deze flexibiliteit te waarborgen, wordt een kernbezetting in stand gehouden die de komende jaren door het Rijk wordt gefinancierd. Deze kernbezetting zorgt ervoor dat waardevolle kennis, vaardigheden en ervaring die de afgelopen jaren binnen de VRU zijn opgebouwd, behouden blijven. De rijksfinanciering voor deze kernbezetting wordt over een periode van vijf jaar ingezet t/m 2029). Om te waarborgen dat deze middelen beschikbaar blijven gedurende de volledige vijf jaar is besloten om hiervoor een bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken' in te stellen. De komende vijf jaar zullen de kosten voor het in stand houden van de kernbezetting, gefinancierd vanuit het Rijk, uit deze reserve worden gedekt.
Bij het aanvragen en vaststellen van de bijdragen is rekening gehouden met de verwachte loon- en prijsontwikkelingen voor de komende jaren. Dit maakt het mogelijk om de kernbezetting op een stabiele manier te financieren zonder dat dit van invloed is op de gemeentelijke bijdrage. We hanteren de volgende spelregels voor de reserve ‘ ncidentele crisistaken’. ▪ De besteding van de middelen uit de reserve is uitsluitend voorbehouden voor aanwending gekoppeld aan de doelen van de reserve; ▪ De onttrekking aan de reserve voor een in de begroting opgenomen incidentele (formatiegerelateerde) activiteit mag nooit meer bedragen dan het bedrag dat daadwerkelijk in een boekjaar is besteed; ▪ De activiteiten die worden ondernomen met dekking uit deze reserve voor ‘ ncidentele crisistaken’ zullen worden gepland en beschreven in de begroting en verantwoord in de jaarstukken; ▪ Bij de begroting wordt een apart overzicht opgesteld van de mutaties in de reserve, zodat de gemeenten jaarlijks in één oogopslag kunnen zien waar de middelen voor worden ingezet en wat de totale omvang van de reserve is per balansdatum.
65
Tabel 36 Inzet middelen reserve ‘Incidentele crisistaken’ dr
x € 1.000
Rekening
Begroting
Totaal
Bestemmingsreserve 'Incidentele crisistaken'
2025
2026
2027
2028
2029 2025-2029
Beginsaldo
368
895
2.280
2.169
2.055
287
Rijksbijdrage ministerie v.BZK Rijksbijdrage ministerie v.J&V- DG Oekraïne Rijksbijdrage ministerie v.J&V- DG Asiel Geoormerkte middelen voor kernbezetting Reservering TGO (CNO-)-overheadvergoeding Totaal toevoegingen Uitvoeringsorganisatie incidentele crisistaken Totaal onttrekkingen Eindsaldo (31-12)
527 527
1.920 1.920
-
-
-
82 2.447 2.529
-
-535 -535
-111 -111
-114 -114
-118 -118
-878 -878
895
2.280
2.169
2.055
1.937
1.937
De TGO (voorheen CNO)-overheadvergoeding voor 2026 is nog onzeker, aangezien de duur van de opvang op verschillende locaties nog niet is vastgesteld en de bijbehorende begroting nog kan wijzigen en moet worden afgestemd met het COA. Het bedrag aan overhead voor 2026 dat niet direct wordt ingezet voor dekking van de kosten van de uitvoeringsorganisatie in 2026, wordt gereserveerd en gestort in de bestemmingsreserve ‘incidentele crisistaken’ voor de uitvoering van crisistaken na 2026. Bijlage 6.8 geeft inzicht in de begroting van de crisisprojecten.
4.6
Weerstandsvermogen en risicobeheersing
Het weerstandsvermogen kan worden omschreven als de mate waarin de organisatie in staat is om omvangrijke financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat het beleid behoeft te worden aangepast. Risicobeheersing is erop gericht om de schadelijke gevolgen van risico’s zo veel mogelijk te voorkomen of te beperken. De bedrijfsvoeringreserve laat de weerstandscapaciteit van de VRU zien. Binnen deze capaciteit kunnen de risico’s (mogelijke toekomstige financi le tegenvallers) worden opgevangen.
66
Tabel 37 Beschikbare weerstandscapaciteit dr
x € 1.000
Beschikbare weerstandscapaciteit Bedrijfsvoeringsreserve per 1 januari Onttrekking ter dekking van 10% BDuR korting* Onttrekking ter dekking knelpunten 2026 * Resultaatbestemming 2025 Subtotaal bedrijfsvoeringsreserve Ophoging bedrijfsvoeringsreserve voor weerstandscapaciteit Totaal weerstandscapaciteit
2026
2027
2.641 -287 -1.200 1.200 2.354
3.004
650 3.004
3.004
* conform kadernota VRU 2027
Bij de kadernota VRU is voorgesteld om een deel van het verwachte positieve rekeningresultaat van 2025 in te zetten ter dekking van knelpunten in 2026 die gerelateerd zijn aan de toekomstscenario’s. Vooruitlopend hierop is een bedrag van € ,2 miljoen in 202 onttrokken aan de algemene reserve. Via het resultaatbestemmingsvoorstel 2025 vloeit dit bedrag weer terug naar de algemene reserve. Vervolgens is bij actualisatie van de risico’s gebleken dat het benodigde weerstandsvermogen ontoereikend is om alle risico’s af te dekken. Dit betekent dat de algemene bedrijfsvoeringreserve aanvullend moet worden opgehoogd met € 0, miljoen. n de volgende tabel zijn de belangrijkste financi le risico’s weergegeven, voor zover bekend ten tijde van het opstellen van de ontwerpbegroting VRU 2027 en geactualiseerde begroting VRU 2026. Daarbij is een analyse gemaakt van de omvang en de kans dat het risico zich voordoet waaruit de benodigde weerstandscapaciteit volgt. De risico’s worden vervolgens nader toegelicht. Tabel 38 Benodigde weerstandscapaciteit dr
x € 1.000
Nr.
Risico
Status
4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.6.4 4.6.5 4.6.6 4.6.7 4.6.8
Omgevingswet/ wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) Vrijwilligheid brandweerpersoneel Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel (OVO's) Milieurisico PFAS- aansprakelijkheidsstelling Vitaalverklaring veiligheidsregio's Indexeringssystematiek (per 1%) Overige (onvoorziene) exploitatierisico's Bedrijfscontinuïteit/ stroomuitval
Bijgesteld Bestaand Bestaand Nieuw Nieuw Nieuw Bestaand Nieuw
Totaal
Effect
Kans
Bedrag risico 2026
Bedrag risico 2027
pm 3.084 600+/jr 250 pm 900 1.300 pm
pm 25% 50% 50% 75% 50% 50% 50%
pm 771 613 125 pm 450 650 pm
pm 771 938 125 pm 450 709 pm
2.609
2.993
4.6.1 Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging bouwen (Wkb) De Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging bouwen zijn per 1 januari 2024 ingevoerd. Het Rijk en de bestuurlijke partners hebben afspraken gemaakt over het monitoren en evalueren van de
67
financiële gevolgen van de stelselherziening Omgevingsrecht. De minister heeft de gemeenten toegezegd naar oplossingen te zoeken als uit de financiële evaluatie blijkt dat de invoeringskosten substantieel hoger zijn dan eerder voorzien. Deze evaluatie is nog niet gereed. De veiligheidsregio’s hebben geen extra middelen gekregen vanuit de rijksoverheid voor de structurele gevolgen van deze stelselherziening. Omdat het uitgangspunt is dat de (structurele) meerkosten worden vergoed door het Rijk, is het risico voor onvoorziene kosten voor de VRU nihil. De implementatie en effecten van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) zijn op dit moment nog onvoldoende duidelijk. Op landelijk niveau is nog geen volledig beeld voor welke gebouwtypen de Wkb zal gaan gelden. Dit zorgt voor onzekerheid in de uitvoeringspraktijk. Een mogelijk risico is dat bij onvoldoende functioneren van kwaliteitsborgers, de verantwoordelijkheid voor niet-gecertificeerde gebouwen alsnog bij gemeenten komt te liggen. Dit raakt ook onze organisatie, specifiek op het terrein van brandveiligheid. Dit kan leiden tot complexe hercontroles waarbij niet altijd kan worden vastgesteld of aan de brandveiligheidseisen is voldaan. Om deze situaties adequaat te kunnen afhandelen, is inzet van gespecialiseerde inspecteurs noodzakelijk.
Dit brengt extra kosten met zich mee, waarvan de omvang en frequentie op dit moment niet zijn in te schatten. Gezien deze onzekerheden achten wij het op dit moment niet passend om dit risico al in de kadernota op te nemen. Om dit risico te blijven volgen hebben we de status aangepast en in de tabel opgenomen als pm. 4.6.2 Vrijwilligheid brandweerpersoneel Het huidige brandweerstelsel is gebaseerd op een combinatie van vrijwillige en beroepsbrandweer, waarbij alle brandweermensen dezelfde taak- en opleidingsvereisten hebben. Vooral de kazernering en consignatie van vrijwilligers blijken echter strijdig met de Europese wetgeving (deeltijdrichtlijn). Volgens juridische experts ontstaat er een 'verplichtend karakter' wanneer vrijwilligers tegen een vergoeding in een gepland rooster werken (kazernering) of beschikbaar zijn (consignatie), waardoor ze aanspraak kunnen maken op dezelfde rechten als werknemers in loondienst. Dit omvat onder meer dezelfde uurlonen, pensioenopbouw en vakantiedagen. Binnen onze regio wordt op een aantal plaatsen gewerkt met roosters, piketten en kazernering van vrijwilligers. In 2022 heeft een inventarisatie plaatsgevonden om de omvang voor de VRU in kaart te brengen. Dit leverde het volgende beeld op: • 141 gekazerneerde vrijwilligers. • 441 geconsigneerde vrijwilligers en 43 vrijwillige piketfunctionarissen.
Er vindt op landelijk niveau overleg plaats over een implementatieplan en de voorwaarden voor invoering, inclusief mogelijke aanpassing van de arbeidstijdenwetgeving en aanvullende financiële middelen. Kazernering vrijwilligers Bij kazernering verblijven vrijwilligers tijdens een ingeroosterde dienst op een brandweerpost. Dit kunnen zij doen naast hun reguliere vrijwillige taken. Voor deze gekazerneerde diensten ontvangen zij een vergoeding op basis van hun vrijwilligersaanstelling. In Zeist, bijvoorbeeld, worden vrijwilligers gekazerneerd in de avond en nacht. Als dit door Europese regelgeving zou
68
moeten worden omgezet naar een 24-uursdienst, bedragen de meerkosten naar verwachting € , miljoen per jaar. Naast de kazernering in Zeist kunnen vrijwilligers ook via een poolregeling 24-uursdiensten draaien op beroepsposten. Dit vult roostertekorten aan en voorkomt inhuur of het buiten dienst zetten van voertuigen op beroepsposten. Consignatie vrijwilligers Bij consignatie ontvangt een vrijwilliger een vergoeding om beschikbaar te zijn voor uitrukken, met een rooster dat opkomst garandeert. De huidige kosten voor deze beschikbaarheidsvergoedingen bedragen circa € , miljoen per jaar. Als dit in de vorm van een parttime aanstelling zou worden georganiseerd, zouden de kosten naar schatting vier keer hoger uitvallen, van € , naar € miljoen. Met het wegvallen van de huidige vergoedingen (€ , miljoen) zouden de meerkosten circa € 4, miljoen per jaar bedragen. Dit bedrag is indicatief en afhankelijk van de precieze organisatievorm en de keuze om wel of niet te eisen dat de opkomst bij een vrijwilligerspost (op basis van vrije instroom) gegarandeerd is. Vergoeding eventuele meerkosten door het Rijk De VRU is van mening dat de huidige werkwijze moet worden voortgezet totdat er landelijk besluitvorming plaatsvindt over de bouwsteen ‘verplichtend karakter’ en de financiering hiervan door het Rijk.
Omdat het Rijk verantwoordelijk is voor het brandweer- en crisisbeheerstelsel, zouden wijzigingen hierin ook door het Rijk gefinancierd moeten worden. Toelichting effect en kans Ondertussen blijft het risico bestaan dat op grond van de Europese regelgeving aanspraak wordt gemaakt op de deeltijdrichtlijn. De omvang van het risico wordt ingeschat op € , miljoen per jaar (meerkosten omzetting naar 24-uursdienst). 4.6.3 Overeenkomst van opdracht (OvO) Bij actualisatie van dit risico is gebleken dat het fiscale risico met betrekking tot de overeenkomst van opdracht (OVO’s) voor instructiewerkzaamheden per jaar in omvang toeneemt. Voor 202 is dit risico gekwantificeerd op € 0, miljoen maar inclusief indexatie is de omvang van dit risico tot en met 2027 opgelopen naar € 0,9 miljoen. Een deel van de instructiewerkzaamheden wordt op basis van een overeenkomst van opdracht (OvO) uitgevoerd. Ditzelfde geldt voor een beperkt aantal andere taken. De OvO’s worden meestal verstrekt aan VRU-medewerkers, die deze werkzaamheden vervullen naast hun reguliere werkzaamheden. Gelet op de aard en de omstandigheden van de werkzaamheden bestaat het risico dat er geconstateerd wordt dat er - ondanks de toepassing van de modelovereenkomst (inhuur) - feitelijke sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben(9).
Uitgevoerde beoordelingen (beoordeling arbeidsrelatie externe inhuur) voor de instructiewerkzaamheden wijzen op een (fictieve) dienstbetrekking. Dit geldt in het bijzonder voor
9 in het geval van een dienstbetrekking moet de werkgever loonheffingen en premies inhouden en afdragen. Daarnaast moet de werkgever loon
doorbetalen bij ziekte en vakantie en zijn de arbeidsvoorwaarden van toepassing (zoals opbouw IKB en specifieke regels bij ontslag) en moet worden voldaan aan de arbeidstijdenwet.
69
OvO’s die worden verstrekt aan eigen personeel. Mede om die reden is in 202 en 2022 geprobeerd om de OvO’s voor eigen medewerkers af te bouwen. Er is onderzocht of er een wijze van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Helaas blijkt geen van de onderzochte mogelijkheden in de praktijk te matchen met het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en daarmee uiteindelijk onze repressieve paraatheid vraagt. De werkwijze met OvO’s wordt ook gehanteerd bij andere veiligheidsregio’s. In dit licht is besloten om te werken naar een landelijke oplossing die aansluit op de ophanden zijnde ontwikkelingen in het landelijke brandweeronderwijs en de uitkomsten van de onderzoeken rond de mogelijke impact van de zaken rond het verplichtend karakter (vrijwilligheid). In de tussentijd blijven we een deel van de werkzaamheden op basis van een OvO door eigen medewerkers te laten verrichten, waarmee de arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s blijven bestaan. Toelichting effect en kans Voor het berekenen van de extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd.
Tot op heden was het fiscale risico beperkt door het zogenaamde handhavingsmoratorium op de van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA). Per 1 januari 2025 is het handhavingsmoratorium op schijnzelfstandigheid in Nederland afgeschaft. Dit betekent dat de Belastingdienst vanaf die datum zal gaan handhaven op schijnzelfstandigheid en weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes kan opleggen. Vanaf 2025 worden er boetes opgelegd, mits bedrijven kunnen aantonen dat ze actief werken aan het voorkomen van schijnzelfstandigheid. De omvang van dit risico neemt elk jaar (cumulatief) toe. De kans dat dit risico zich voordoet in 2026 is ingeschat op 50% (rekening houdend met een scherpere controle). 4.6.4 Milieurisico PFAS Het Veiligheidsberaad heeft de RCDV gevraagd de landelijke ontwikkelingen rond PFAS inzichtelijk te maken en te coördineren. Voor veiligheidsregio’s liggen de belangrijkste risico’s op twee terreinen: gezondheidsrisico’s voor medewerkers door blootstelling via blusschuim en bluspakken, en mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging op (oefen)locaties door het gebruik van PFAShoudend blusschuim. Een eerste landelijke verkenning laat zien dat dit vraagstuk complex is en zowel arbeidsomstandigheden als milieuschade raakt.
Structurele middelen voor eventuele sanering of aanvullende beschermingsmaatregelen zijn nu niet beschikbaar. De huidige regionale situatie is dat de VRU aansprakelijk gesteld is door een grondeigenaar van een voormalige brandweerlocatie. Juridisch onderzoek wordt verricht naar de mogelijke verantwoordelijkheid van de VRU. Tegelijkertijd is de provincie Utrecht gestart met onderzoek naar 13 (voormalige) brandweerlocaties. Bestuurlijke afstemming vindt plaats over de wijze van omgaan met de huidige en de te verwachten toekomstige aansprakelijkheidstelling(en). Toelichting effect en kans Formeel kan de veiligheidsregio aansprakelijk worden gesteld voor sanering of herstel, omdat zij gebruiker is geweest van PFAS-houdend blusschuim. Tegelijkertijd is dit schuim jarenlang in
70
opdracht en conform landelijke normen toegepast. De omvang van het financiële risico is nog onzeker en afhankelijk van de uitkomsten van het landelijke onderzoek dat onder regie van de RCDV wordt uitgevoerd. De kans dat veiligheidsregio’s met kosten worden geconfronteerd wordt vooralsnog ingeschat op middel (50%). Bij de begroting 2027 wordt dit risico opnieuw beoordeeld en opgenomen in de risicoparagraaf. 4.6.5 Vitaalverklaring veiligheidsregio’s Met de aanwijzing als vitale aanbieder (brief JenV 10 juli 2025) is de VRU primair verantwoordelijk voor de continuïteit van drie vitale processen: inzet brandweer, crisiscoördinatie en besluitvorming, en communicatie- en informatievoorziening met en tussen hulpdiensten en crisispartners. Uit een recente audit blijkt dat de VRU onvoldoende scoort op digitale veiligheid, terwijl van vitale aanbieders wordt verwacht dat zij structureel hun weerbaarheid op orde hebben. Het uitvoeren van de impacttoets zelf heeft geen directe financiële consequenties, maar de te treffen versterkingsmaatregelen kunnen leiden tot aanzienlijke structurele kosten waarvoor nu geen middelen beschikbaar zijn. Toelichting effect en kans De kans dat aanvullende investeringen noodzakelijk zijn wordt ingeschat als groot (75%). De omvang van het financiële risico is nog onzeker en wordt zichtbaar bij de uitkomsten van de impacttoets (2026).
Dit risico wordt daarom opgenomen in de risicoparagraaf als pm en geactualiseerd bij het opstellen van de begroting 2027. 4.6.6 Indexeringssystematiek De aanpassing van de indexeringsmethodiek van het gemeentefonds vormde voor een aantal gemeenten aanleiding om samen met de VRU een verkenning te starten naar een werkbare indexeringssystematiek. Deze zou beter moeten aansluiten op de inflatiecorrectie die gemeenten via het gemeentefonds van het Rijk ontvangen. In dit kader is een analyse gemaakt van zowel de indexeringsmethodiek van de VRU als die van het gemeentefonds. Laatstgenoemde methodiek is per 2024 van kracht geworden. Een eventuele aanpassing van de huidige indexeringssystematiek van de VRU — bijvoorbeeld ten aanzien van de gehanteerde indexen of de timing daarvan — brengt financi le risico’s met zich mee. De omvang van deze risico’s is afhankelijk van de mate waarin de aangepaste methodiek afwijkt van de daadwerkelijke loon- en prijsontwikkelingen binnen de VRU. Toelichting effect en kans Eén procent minder loonbijstelling ten opzichte van de werkelijke loonontwikkeling leidt tot een structureel tekort van € 0,9 miljoen.
agere prijsbijstellingen ten opzichte van de werkelijke prijsontwikkeling zijn nu niet in omvang bepaald maar zullen mogelijk tot een tekort leiden in de exploitatie met het risico dat deze kosten bij de jaarrekening door gemeenten gedragen moeten worden.10
10
n de bijdrageverordening van de VRU staat: “Na afsluiting van het boekjaar vindt de nacalculatie van de werkelijke realisatie van de kosten van de gezamenlijke basistakenpakket plaats. De nacalculatie, bedoeld in de vorige volzin wordt opgenomen in de jaarrekening, overeenkomstig artikel 4.5 van de GR VRU.”
71
4.6.7 Overige onvoorziene exploitatierisico’s De veiligheidsregio kan worden geconfronteerd met onvoorziene kosten binnen het begrotingsjaar als gevolg van exogene ontwikkelingen (zoals premiestijgingen, claims, kostenfluctuaties die samenhangen met incidenten en crises). In de begroting van de VRU zijn geen posten voor onvoorziene uitgaven opgenomen. Toelichting effect en kans Als dit risico zich voordoet, zal bijsturing plaatsvinden via de begroting. Het geraamde risico gaat ervan uit dat het maximaal een jaar duurt voordat de maatregelen zijn geëffectueerd. Het geraamde risico wordt ingeschat op 0,5% van de totale kosten (exclusief dotatie reserves). 4.6.8 Bedrijfscontinuïteit/ stroomuitval11 Het risico op langdurige stroomuitval neemt toe door elektrificatie en netcongestie. Dit kan leiden tot uitval van digitale systemen, communicatie en vitale processen, met grote gevolgen voor inwoners en organisaties. De VRU bereidt zich hierop voor via risicobeheersing, operationele planvorming en samenwerking met partners in de energietransitie, waarbij kennisontwikkeling en het vertalen van risico’s naar concrete werkinstructies en centraal staan. Daarnaast vraagt langdurige uitval om de inzet van noodstroomvoorzieningen, noodverbindingen extra crisiscommunicatie en de activering van lokale netwerken om maatschappelijke weerbaarheid te vergroten.
Zulke maatregelen vergen in de praktijk extra personele inzet, logistieke middelen en ondersteunende voorzieningen, wat leidt tot aanvullende kosten. Toelichting kans en effect De kans op langdurige stroomuitval wordt als middelmatig (50%) ingeschat, doordat elektrificatie en netcongestie de kwetsbaarheid van het elektriciteitsnet vergroten. De effecten kunnen aanzienlijk zijn, zoals uitval van digitale systemen en vitale processen, waardoor extra inzet en maatregelen nodig zijn. De hiermee samenhangende kosten zijn nu nog niet betrouwbaar te bepalen. 4.6.9 Kengetallen Volgens de richtlijnen van het BBV zijn hieronder vier van de zes verplichte kengetallen weergegeven. De overige twee voorgeschreven kengetallen (grondexploitatie en belastingcapaciteit) zijn niet van toepassing op onze organisatie. De wetgever wil met deze kengetallen inzicht hebben in de financiële weerbaarheid en wendbaarheid (de mate waarin bij een tegenvaller financieel kan worden bijgestuurd). De kengetallen geven aan over hoeveel financiële ruimte wij beschikken om structurele en incidentele lasten te dekken of op te vangen. De kengetallen dienen te worden beoordeeld in samenhang met elkaar en met de financiële positie.
11 Dit risico is nieuw opgenomen ten opzichte van de ontwerpbegroting die in het AB is behandeld op 30 maart 2026
72
Tabel 39 Kengetallen dr x € 1.000 Omschrijving
Rekening 2025
Actualisatie 2026
Begroting 2027
A Eigen vermogen (cf.art.42 BBV) B Balanstotaal
33.890 102.180
31.876 106.535
31.744 125.746
Solvabiliteit (A/B) x 100%
33,1%
29,9%
25,2%
dr x € 1.000 Omschrijving A Totale structurele lasten B Totale structurele baten C Totale structurele toevoegingen aan de reserves D Totale structurele onttrekkingen aan de reserves E Totale baten (excl.projectfinanciering crisisprojecten & reserves) Structurele exploitatieruimte ((B-A)+(D-C))/E x 100%
Structurele exploitatieruimte Rekening 2025 Actualisatie 2026 Begroting 2027 121.085 121.178 361 128.072
128.629 128.745 402 129.403
139.586 139.880 264 138.573
-0,2%
-0,2%
0,0%
Rekening 2025
Netto schuldquote Actualisatie 2026
Begroting 2027
51.385 4.855 11.093 29.187 410 5.898 138.729
56.412 5.000 12.500 29.549 500 2.000 129.403
75.606 5.000 12.500 42.377 500 2.000 138.573
23,0%
32,4%
34,8%
Tabel 39 Kengetallen (vervolg) dr x € 1.000 Omschrijving A Vaste schulden (cf.art. 46 BBV) B Netto vlottende schuld (cf.art. 48 BBV) C Overlopende passiva (cf.art. 49 BBV) D Financiële vaste activa (cf.art. 36 lid d, e en f) E Uitzettingen < 1 jaar (cf.art. 39 BBV) F Liquide middelen (cf.art. 40 BBV) G Overlopende activa (cf.art. 40a BBV) H Totale baten (cf.art. 17 lid c BBV, dus excl. onttrekking reserves) Netto schuldquote (A+B+C-D-E-F-G)/H x 100% dr x € 1.000 Omschrijving A Vaste schulden (cf.art. 46 BBV) B Netto vlottende schuld (cf.art. 48 BBV) C Overlopende passiva (cf.art. 49 BBV) D Financiële vaste activa (cf.art. 36 lid d, e en f) E Uitzettingen < 1 jaar (cf.art. 39 BBV) F Liquide middelen (cf.art. 40 BBV) G Overlopende activa (cf.art. 40a BBV) H Totale baten (cf.art. 17 lid c BBV, dus excl. onttrekking reserves) Netto schuldquote (A+B+C-D-E-F-G)/H x 100%
Netto schuldquote gecorrigeerd voor leningen Rekening 2025 Actualisatie 2026 Begroting 2027 51.385 4.855 11.093 13 29.187 410 5.898 138.729
56.412 5.000 12.500 10 29.549 500 2.000 129.403
75.606 5.000 12.500 7 42.377 500 2.000 138.573
23,0%
32,3%
34,8%
73
5 Financiën 5.1
Baten en lasten 2026 & 2027
5.1.1
Baten en lasten per programma
Tabel 40 Baten en lasten per programma Bedragen x € 1.000
Programma VRU baten en lasten
Rekening 2025
Begroting 2026
Actualisatie 2026
Begroting 2027
134.674
128.522
141.002
136.338
Lasten exploitatie Storting reserves
4.561
948
5.369
2.702
Totaal Lasten
139.235
129.470
146.371
139.040
Baten exploitatie
138.729
127.596
142.437
138.573
Onttrekking reserves Totaal Baten Saldo
3.253
1.875
3.935
466
141.982
129.470
146.371
139.040
2.747
-
-
-
Op basis van artikel 7 van het ‘ esluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten’ (BBV) is in de financiële begroting het volgende overzicht van baten en lasten opgenomen waarbij de kosten van overhead apart inzichtelijk worden gemaakt. Tabel 41 Baten en lasten per programma met overheadspecificatie dr
x € 1000
Rekening 2025
Actuele begroting 2026
Begroting 2027
lasten
baten
saldo
lasten
baten
saldo
lasten
baten
saldo
Veiligheidsregio Utrecht
109.517
137.460
27.943
111.229
142.063
30.834
107.867
138.322
30.456
Overhead
25.157 134.674
1.269 138.729
-23.889
29.773 141.002
374 142.437
-29.399 1.435
28.471 136.338
251 138.573
-28.220
4.055 saldo
dotatie onttrekking
saldo
dotatie
onttrekking
saldo
Veiligheidsregio Utrecht
3.478
2.285
-1.193
4.703
3.459
-1.244
2.266
378
-1.888
Overhead
1.083 4.561
968 3.253
-114
667 5.369
476 3.935
-191
-1.308
-1.435
436 2.702
88 466
-2.236
139.235
141.982
2.747
146.371
146.371
-
139.040
139.040
-
Overzicht van baten en lasten
Saldo van baten en lasten Mutaties in reserves
Saldo mutaties in reserves Totaal
2.236
-348
74
5.1.2
Baten en lasten per categorie
Tabel 42 Baten en lasten per categorie Bedragen x € 1.000
Rekening 2025
Begroting 2026
Actualisatie 2026
Begroting 2027
105.624
100.874
110.674
103.513
8.721
11.759
9.388
11.491
LASTEN Personele kosten Kapitaallasten Materiële kosten
20.330
15.889
20.940
21.334
Totaal Lasten
134.674
128.522
141.002
136.338
Bijdragen en vergoedingen gemeenten
103.998
111.427
111.708
119.799
Rijksbijdrage
16.881
14.014
16.678
16.278
Overige baten
17.850
2.154
14.050
2.496
Totaal Baten
138.729
127.596
142.437
138.573
Saldo van baten en lasten
4.055
-927
1.435
2.236
Storting reserves
4.561
948
5.369
2.702
Onttrekking reserves
3.253
1.875
3.935
466
Resultaat
2.747
-
-
BATEN
De volgende mutaties zijn verwerkt: Mutaties met effect op de gemeentelijke bijdragen: - Toepassing financieel kader (zie § 2.3) - Beleidsontwikkelingen (zie hoofdstuk 3) Mutaties zonder effect op de gemeentelijke bijdragen: - Mutaties in de reserves (zie § 4.5.3) - Overige technische saldoneutrale mutaties binnen en tussen categorieën
75
5.1.3
Incidentele baten en lasten
In tabel 43 zijn de bestuurlijk relevante projecten opgenomen die incidenteel gefinancierd zijn door het Rijk/ derden of worden gedekt uit bestemmingsreserves. Het onderscheid tussen incidentele en structurele baten beschouwen wij vanuit de structurele of incidentele toekenning van middelen. Hieruit volgt dat wij alle middelen die wij toegekend krijgen van onze VRU-gemeenten voor het basistakenpakket (GBTP) en het maatwerk (IGPP) als structureel aanmerken. De middelen die wij voor specifieke projecten ontvangen van derden (Rijk, Provincie en COA) en middelen die wij vanuit de resultaatbestemming van een voorgaand jaar kunnen inzetten zien wij als incidentele baten. Dit is vooral van toepassing op het jaar 2026. Vanuit deze beschouwing is de storting of onttrekking uit een aantal reserves als egalisatiefunctie door de VRU als structureel aangemerkt. Tabel 42 geeft het overzicht van incidentele baten en lasten zoals voorgeschreven in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Dit is een verplicht onderdeel van de gemeentelijke begroting en jaarrekening. Het doel is om inzicht te geven in de posten die het begrotingssaldo tijdelijk beïnvloeden, zodat beoordeeld kan worden of de begroting structureel in evenwicht is. Tabel 43 Overzicht incidentele baten en lasten programma’s en projecten dr
x € 1.000
Categorie
Totaal 2026
Bijstelling Paraatheid roosterfactor inzet pers.
Digitale Veiligheid
Bedrijfs& ITcontinuïteit
Vakbekw. heid
Programma Veerkracht
Natuurbrandbeh.
Versterking Crisisbeh.
Great place to work
Regeling PTSS
Brandveilig leven
Uitv.org. crisisproj.
CNO Asiel
Opvang Oekraïners
Evacuees Gaza
LASTEN Personele kosten Kapitaallasten Materiële kosten Totaal Lasten
10.736 5.171 15.907
500 500
168 168
1.553 250 1.803
448 448
290 290
440 520 960
145 145
62 62
150 150
48 48
38 38
716 716
5.849 3.300 9.149
687 110 797
273 360 633
BATEN Bijdragen gemeenten Rijksbijdrage Overige baten Totaal Baten
1.721 2.058 11.069 14.848
500 500
168 168
505 505
448 448
100 100
400 400
-
-
-
48 48
-
180 180
11.069 11.069
797 797
633 633
Saldo van baten en lasten
-1.059
-
-
-1.298
-
-190
-560
-145
-62
-150
-
-38
-535
1.920
-
-
Storting reserves Onttrekking reserves
1.920 2.978
-
-
1.298
-
190
560
145
62
150
-
38
535
1.920 -
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Resultaat
76
Tabel 44 geeft het overzicht van incidentele baten en lasten zoals voorgeschreven in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Dit is een verplicht onderdeel van de gemeentelijke begroting en jaarrekening. Het doel is om inzicht te geven in de posten die het begrotingssaldo tijdelijk beïnvloeden, zodat beoordeeld kan worden of de begroting structureel in evenwicht is. Tabel 44 Overzicht incidentele baten en lasten dr
x € 1.000
Incidentele baten en lasten
Financieel effect GBTP Begroting Actualisatie Begroting 2026 2026 2027
LASTEN Knelpunten brandweer Digitale Veiligheid Bedijfs- en IT-continuïteit Subtotaal incidentele lasten knelpunten 2026 (kadernota 2027)
-
768 1.705 448 2.921
Projectkosten Veiligheidsregio's Meldkamer Midden-Nederland Frictiekosten overgang naar nieuwe Meldkamer Implementatiekosten Meldkamer Midden-Nederland Subtotaal incidentele lasten nieuwe meldkamer
199 63 263
-
-
Uitvoeringsorganisatie crisistaken Opvang ontheemden Oekraïne Crisisnoodopvang statushouders en asielzoekers Opvang en begeleiding van evacuees uit crisisgebieden Pilots noodsteunpunten (weerbaarheid) Subtotaal incidentele lasten crisisprojecten en noodsteunpunten
482 482
716 797 11.069 633 400 13.615
297 297
Incidentele lagere exploitatielasten loonontwikkeling cao Incidentele exploitatielasten gedekt uit kapitaallastenreserve Incidenteel lagere kapitaallasten Incidentele storting in kapitaallastenreserve (egalisatie) Incidentele FLO-lasten gedekt uit FLO-egalisatiereserves FLO Incidentele kosten voor ontwikkelactiviteiten en doorschuif projecten** Subtotaal incidentele lasten via reserves overig
245 -356 356 190 435
-1.495 632 -3.148 3.148 1.093 230
-2.748 267 -2.354 2.354
Inzet MDIEU 2025 uitvoering programma 'Great Place to work' (via RB'25) Uitvoering landelijke regeling PTSS 2026-2028 Vervanging gedetacheerde medewerkers Subtotaal incidentele lasten VRU-breed
-
150 48 257 455
48 134 182
Totaal incidentele LASTEN
1.180
17.221
-2.002
BATEN Projectbijdrage Veiligheidsregio's Meldkamer Midden-Nederland Incidentele bijdrage nationale politie (via reserve meldkamer) Incidentele rijksbijdrage (via reserve meldkamer) Subtotaal incidentele baten nieuwe meldkamer
-199 -63 -263
-
Rijksbijdrage en overige bijdragen uitvoeringsorganisatie crisistaken Incidentele (rijks)bijdrage voor opvang ontheemden Oekraïne Incidentele bijdrage van het centraal orgaan asielzoekers (COA) Incidentele rijksbijdrage voor uitvoeringskosten opvang evacuees Pilots noodsteunpunten (weerbaarheid) Subtotaal incidentele baten crisisprojecten en noodsteunpunten
-194 -
-185
-194
-180 -797 -11.069 -633 -400 -13.079
Incidentele onttrekking egalisatiereserve kapitaallasten Incidentele onttrekking egalisatiereserves FLO Incidentele onttrekking ontwikkel- en egalisatiereserve** Incidenteel lagere gemeentelijke bijdrage GBTP financieel kader Incidenteel hogere gemeentelijke bijdrage GBTP beleidsontwikkelingen Onttrekking uitvoeringsorganisatie crisistaken Subtotaal incidentele baten via reserves overig
-245 -190 -289 -724
-632 -1.243 1.495 -1.721 -535 -2.636
-267
Incidentele onttrekking algemene reserve t.b.v. financieel kader Incidentele onttrekking algemene reserve t.b.v. beleidsontwikkelingen
-1.088 -1.088
-287 -1.200 -1.487
-
-
-48 -257 -305
-48 -134 -182
Totaal incidentele BATEN
-2.268
-17.508
2.002
Totaal saldo van incidentele baten en lasten*
-1.088
-287
0
Rijksbijdrage uitvoering landelijke regeling PTSS 2026-2028 Detacheringsinkomsten Subtotaal incidentele baten VRU-breed
-
-2.481
-
-185
2.748 -111 2.369
* De 10%-korti ng op de BDuR wordt i n 2026 i nci denteel gedekt en va na f 2027 s tructureel bi nnen begroti ng ** Zi e pa ra gra a f 4.5.3.5 Ontwi kkel - en ega l i s a ti eres erve
77
5.2
Meerjarenraming 2027-2031
5.2.1
Meerjarenraming 2026-2031
Tabel 45 Meerjarenraming Bedragen x € 1.000
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Begroting 2030
Begroting 2031 e.v.
Personele kosten
103.513
107.401
107.362
107.048
110.187
Kapitaallasten
11.491
12.834
13.511
13.928
15.151
LASTEN
Materiële kosten
21.334
20.782
20.771
20.770
20.770
Totaal Lasten
136.338
141.017
141.644
141.747
146.109
Bijdragen en vergoedingen gemeenten
119.799
123.328
123.326
123.972
128.266
Rijksbijdrage
16.278
16.283
16.241
16.045
16.045
Overige baten
2.496
2.362
2.362
2.362
2.362
Totaal Baten
138.573
141.973
141.928
142.378
146.672
Saldo van baten en lasten
2.236
956
284
631
563
Storting reserves
2.702
1.435
731
996
830
466
479
447
364
267
-
-
-
-
-
BATEN
Onttrekking reserves Resultaat
78
5.2.2
Raming meerjarig verloop reserves Tabel 46 dr
x € 1.000
Boekwaarde Resultaat- Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde 31-12-2025 bestemming 2026 2026 31-12-2026 2027 2027 31-12-2027 2025
Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserves
2.641 2.641
Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve incidentele crisistaken Bestemmingsreserve meldkamer Bestemmingsreserves Totaal reserves dr
x € 1.000
Bedrijfsvoeringsreserve Algemene reserves
1.850 1.850
-
1.487 1.487
3.004 3.004
-
-
3.004 3.004
23.596 1.279 1.551 1.119 895 63 28.503
150
150
3.148 54 247 1.920 5.369
632 1.243 535 37 2.448
26.112 1.333 1.798 26 2.280 26 31.575
2.445 60 197 2.702
355 111 466
28.202 1.394 1.995 26 2.169 26 33.811
31.144
2.000
5.369
3.935
34.579
2.702
466
36.815
Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde Toevoeging Onttrekking Boekwaarde 2028 2028 31-12-2028 2029 2029 31-12-2029 2030 2030 31-12-2030
-
-
3.004 3.004
-
-
3.004 3.004
-
-
3.004 3.004
Egalisatiereserve kapitaallasten Egalisatiereserve FLO overgangsrecht Egalisatiereserve tweede loopbaan Ontwikkel- en egalisatiereserve Bestemmingsreserve incidentele crisistaken Bestemmingsreserve meldkamer Bestemmingsreserves
1.175 63 197 1.435
364 114 479
29.012 1.456 2.192 26 2.055 26 34.766
472 63 197 731
329 118 447
29.155 1.519 2.389 26 1.937 26 35.051
736 63 197 996
364
364
29.527 1.581 2.585 26 1.937 26 35.682
Totaal reserves
1.435
479
37.770
731
447
38.055
996
364
38.686
79
5.3
Gemeentelijke bijdrage 2026-2031
5.3.1 Ontwikkeling gemeentelijke bijdrage 2026-2031 In de volgende tabel zijn de mutaties opgenomen die een effect hebben op de gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket (GBTP). Tabel 47 Ontwikkeling gemeentelijke bijdrage voor het gezamenlijke basistakenpakket (GBTP) 2026-2031 dr
x € 1.000
Ontwikkeling gemeentelijke bijdrage GBTP
2026
2027
2028
2029
2030
2031 e.v.
108.842
109.930
109.930
109.930
109.930
109.930
Invulling 10% korting BDuR kadernota VRU 2027 (str.) Mutatie financieel kader 2027/ 2026a (structureel) Mutatie financieel kader 2027/ 2026a (incidenteel) Subtotaal mutaties financieel kader
111 -1.495 -1.384
-1.088 6.015 -2.748 2.179
-1.088 6.015
-1.088 6.015
-1.088 6.015
-1.088 6.015
4.927
4.927
4.927
4.927
Mutatie toekomstscenario's (structureel)* Knelpunten toekomstscenario's (incidenteel) Bestuurlijke opdrachten doorbelasten dienstverlening (str.) Subtotaal mutatie beleidsontwikkelingen
1.721 -94 1.627
5.120 -131 4.989
5.901 -131 5.770
5.901 -131 5.770
6.548 -131 6.417
10.843 -131 10.712
109.085
117.098
120.627
120.627
121.274
125.569
Bijdrage GBTP vastgestelde begroting VRU 2026
Bijdrage GBTP begroting 2027/ 2026a
* inclusief separate besluitvorming Natuurbrand- en waterongevallenbestrijding (vooruitlopend op besluitvorming AB 30 maart 2026)
5.3.2
Gemeentelijke bijdrage 2026-2031 per gemeente
Tabel 48 Gemeentelijke bijdrage per gemeente voor het GBTP 2026-2031 (b dr
x € 1.000)
Gemeente
Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP Bijdrage GBTP begroting VRU begroting VRU begroting VRU begroting VRU begroting VRU begroting VRU begroting VRU begroting VRU begroting VRU begroting VRU 2026a 2026a 2026a 2027 2027 2027 2028 2029 2030 2031 e.v. structureel incidenteel structureel incidenteel
Amersfoort Baarn Bunnik Bunschoten De Bilt De Ronde Venen Eemnes Houten IJsselstein Leusden Lopik Montfoort Nieuwegein Oudewater Renswoude Rhenen Soest Stichtse Vecht Utrecht Utrechtse Heuvelrug Veenendaal Vijfheerenlanden Wijk bij Duurstede Woerden Woudenberg Zeist
12.503 2.033 1.194 1.423 3.416 3.362 740 3.087 2.194 2.159 984 987 4.783 756 415 1.370 3.472 4.892 34.900 4.000 4.244 4.289 1.803 3.846 940 5.069
26 4 2 3 7 7 1 7 5 4 2 2 10 2 1 3 7 10 72 8 10 8 4 8 2 10
12.529 2.037 1.196 1.426 3.423 3.369 741 3.094 2.199 2.163 986 989 4.793 758 415 1.373 3.479 4.901 34.972 4.008 4.255 4.297 1.806 3.854 941 5.079
13.765 2.235 1.311 1.564 3.748 3.690 812 3.433 2.429 2.376 1.078 1.081 5.277 830 454 1.506 3.817 5.365 38.422 4.384 4.753 4.700 1.976 4.230 1.031 5.576
-316 -51 -29 -35 -83 -82 -18 -87 -59 -54 -23 -24 -123 -18 -10 -34 -86 -119 -881 -96 -127 -103 -43 -96 -23 -127
13.449 2.184 1.281 1.529 3.665 3.608 794 3.347 2.370 2.322 1.054 1.058 5.153 811 444 1.472 3.731 5.247 37.541 4.288 4.626 4.597 1.933 4.134 1.008 5.449
13.855 2.249 1.319 1.574 3.772 3.713 817 3.458 2.446 2.392 1.084 1.088 5.312 835 457 1.516 3.842 5.399 38.673 4.411 4.790 4.730 1.988 4.258 1.038 5.613
13.855 2.249 1.319 1.574 3.772 3.713 817 3.458 2.446 2.392 1.084 1.088 5.312 835 457 1.516 3.842 5.399 38.673 4.411 4.790 4.730 1.988 4.258 1.038 5.613
13.929 2.261 1.326 1.583 3.791 3.733 821 3.478 2.459 2.405 1.090 1.094 5.341 839 459 1.524 3.862 5.427 38.880 4.434 4.820 4.754 1.999 4.280 1.043 5.642
14.422 2.340 1.372 1.638 3.921 3.861 849 3.614 2.551 2.490 1.127 1.131 5.534 868 474 1.577 3.997 5.612 40.257 4.584 5.019 4.915 2.066 4.430 1.079 5.841
Totaal
108.859
226
109.085
119.845
-2.748
117.098
120.627
120.627
121.274
125.569
80
5.3.1
Gemeentelijke bijdrage en vergoedingen 2026-2031 per gemeente
Tabel 49 Gemeentelijke bijdrage (GBTP) en vergoeding per gemeente (IGPP) dr
x € 1.000
Gemeente
GBTP 2026
IGPP 2026
Bijdrage 2026
GBTP 2027
IGPP 2027
Bijdrage 2027
GBTP 2028
IGPP 2028
Bijdrage 2028
GBTP 2029
IGPP 2029
Bijdrage 2029
GBTP 2030
IGPP 2030
Bijdrage GBTP IGPP Bijdrage 2030 2031 e.v. 2031 e.v. 2031 e.v.
Amersfoort Baarn Bunnik Bunschoten De Bilt De Ronde Venen Eemnes Houten IJsselstein Leusden Lopik Montfoort Nieuwegein Oudewater Renswoude Rhenen Soest Stichtse Vecht Utrecht Utrechtse Heuvelrug Veenendaal Vijfheerenlanden Wijk bij Duurstede Woerden Woudenberg Zeist
12.529 2.037 1.196 1.426 3.423 3.369 741 3.094 2.199 2.163 986 989 4.793 758 415 1.373 3.479 4.901 34.972 4.008 4.255 4.297 1.806 3.854 941 5.079
496 34 24 21 53 18 124 25 69 207 601 93 73 151 11 234 389
13.025 2.071 1.196 1.450 3.423 3.369 762 3.147 2.217 2.287 986 989 4.793 783 415 1.373 3.548 5.108 35.574 4.101 4.328 4.448 1.818 4.088 941 5.468
13.449 2.184 1.281 1.529 3.665 3.608 794 3.347 2.370 2.322 1.054 1.058 5.153 811 444 1.472 3.731 5.247 37.541 4.288 4.626 4.597 1.933 4.134 1.008 5.449
511 35 26 22 52 18 127 25 72 214 621 95 77 151 12 241 401
13.961 2.220 1.281 1.555 3.665 3.608 816 3.399 2.389 2.449 1.054 1.058 5.153 837 444 1.472 3.803 5.460 38.163 4.383 4.703 4.749 1.945 4.375 1.008 5.850
13.855 2.249 1.319 1.574 3.772 3.713 817 3.458 2.446 2.392 1.084 1.088 5.312 835 457 1.516 3.842 5.399 38.673 4.411 4.790 4.730 1.988 4.258 1.038 5.613
511 35 26 22 52 18 127 25 72 214 621 92 77 151 12 241 401
14.366 2.285 1.319 1.600 3.772 3.713 839 3.510 2.464 2.519 1.084 1.088 5.312 860 457 1.516 3.914 5.613 39.294 4.503 4.866 4.881 2.001 4.499 1.038 6.013
13.855 2.249 1.319 1.574 3.772 3.713 817 3.458 2.446 2.392 1.084 1.088 5.312 835 457 1.516 3.842 5.399 38.673 4.411 4.790 4.730 1.988 4.258 1.038 5.613
511 35 26 22 51 18 127 25 72 214 621 91 77 151 12 241 401
14.366 2.285 1.319 1.600 3.772 3.713 839 3.509 2.464 2.519 1.084 1.088 5.312 860 457 1.516 3.914 5.613 39.294 4.502 4.866 4.881 2.001 4.499 1.038 6.013
13.929 2.261 1.326 1.583 3.791 3.733 821 3.478 2.459 2.405 1.090 1.094 5.341 839 459 1.524 3.862 5.427 38.880 4.434 4.820 4.754 1.999 4.280 1.043 5.642
511 35 26 22 51 18 127 25 72 214 621 91 77 151 12 241 401
14.441 2.297 1.326 1.609 3.791 3.733 843 3.529 2.478 2.532 1.090 1.094 5.341 865 459 1.524 3.934 5.641 39.501 4.525 4.896 4.905 2.011 4.521 1.043 6.043
14.422 2.340 1.372 1.638 3.921 3.861 849 3.614 2.551 2.490 1.127 1.131 5.534 868 474 1.577 3.997 5.612 40.257 4.584 5.019 4.915 2.066 4.430 1.079 5.841
511 35 26 22 51 18 127 25 72 214 621 91 77 151 12 241 401
14.934 2.376 1.372 1.664 3.921 3.861 871 3.664 2.569 2.617 1.127 1.131 5.534 893 474 1.577 4.069 5.826 40.878 4.675 5.095 5.066 2.079 4.672 1.079 6.242
Totaal
109.085
2.623
111.708
117.098
2.702
119.800
120.627
2.698
123.325
120.627
2.696
123.323
121.274
2.696
123.970
125.569
2.696
128.265
81
5.4
Uiteenzetting financiële positie12
5.4.1
Geprognosticeerde balans
Tabel 50 Geprognosticeerde balans dr
x € 1.000
Gerealiseerd
Prognose
Prognose
Prognose
Prognose
Prognose
Geprognosticeerde balans
31-12-25
31-12-26
31-12-27
31-12-28
31-12-29
31-12-30
VASTE ACTIVA Materiële vaste activa:
66.673
74.475
80.862
84.058
82.600
89.207
Financiële vaste activa:
13
10
7
4
2
-
29.187
29.549
42.377
39.856
37.642
36.738
Liquide middelen:
410
500
500
500
500
500
Overlopende activa:
5.898
2.000
2.000
2.000
2.000
2.000
102.180
106.535
125.746
126.418
122.744
128.445
VLOTTENDE ACTIVA Uitzettingen met een rentetypische looptijd ≤ jaar:
Totaal activa dr
x € 1.000
Gerealiseerd
Prognose
Prognose
Prognose
Prognose
Prognose
Geprognosticeerde balans
31-12-25
31-12-26
31-12-27
31-12-28
31-12-29
31-12-30
VASTE PASSIVA Eigen vermogen Algemene reserve:
2.641
3.004
3.004
3.004
3.004
3.004
Bestemmingsreserves:
28.502
28.872
28.740
27.370
26.201
23.060
Gerealiseerde resultaat:
2.747 33.890
31.876
31.744
30.374
29.205
26.064
957
746
896
1.075
1.290
1.548
Langlopende schulden met een rentetypische looptijd ≥ jaar:
51.385
56.412
75.606
77.470
74.750
83.333
VLOTTENDE PASSIVA Netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd ≤ jaar:
4.855
5.000
5.000
5.000
5.000
5.000
Overlopende passiva:
11.093
12.500
12.500
12.500
12.500
12.500
Totaal passiva
102.180
106.535
125.746
126.418
122.744
128.445
Voorzieningen
12 Kan nog wijzigen als gevolg van de jaarlijkse actualisatie van de investeringsbegroting en bijbehorende financieringsbehoefte in mei van het
lopend jaar.
82
Toelichting: De ramingen van de materiële vaste activa en de langlopende schulden zijn ontleend aan de het meerjarig investeringsplan en de daaruit voortvloeiende financieringsbehoefte. De VRU heeft alleen investeringen met economisch nut, geen investeringen met maatschappelijk nut. Zie bijlage 6.7 voor een overzicht van de investeringskredieten voor 2026 en 2027. Het verloop van het eigen vermogen is ontleend aan de staat van reserves (zie § 5.2.2).
5.4.2 EMU-saldo In de begroting moet volgens artikel 20 lid 1c van het BBV ook het EMU-saldo over het vorig begrotingsjaar en de berekening van het geraamde bedrag over het begrotingsjaar alsmede het jaar volgend op het begrotingsjaar worden opgenomen. Het EMU-saldo is van belang voor de berekening van het totale begrotingstekort of –overschot van de Nederlandse overheid. Het EMU-saldo wordt als volgt berekend: de som van de mutaties van de vaste en vlottende financiële activa minus de som van de mutaties van de vaste en vlottende schuld (bron BBV). De geraamde EMU-saldi voor 2026, 2027 en 2028 zijn als volgt: Tabel 51 EMU-saldo dr
x € 1.000
EMU-saldo
2026
2027
2028
-6.582
-19.197
-1.867
Het negatieve EMU-saldo wordt met name veroorzaakt door de (geplande) financiering van de investeringen (toename vaste schulden). De geprognosticeerde boekwaarde van de materiële activa groeit mee en is in overeenstemming met de boekwaarde van de langlopende leningen.
83
6 Bijlagen 6.1
Overzicht bijstelling gemeentelijke bijdrage gezamenlijk basistakenpakket (GBTP)
Tabel 52 Bijstelling gemeentelijke bijdrage GBTP t.o.v. begroting VRU 2026 en kadernota VRU 2027 dr
x € 1.000