CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

bp Papekopperstraatweg 18 - plantoelichting.pdf

Gemeenteraad 21 april 2022, gemeente OudewaterBij agendapunt: 13: Bestemmingsplanwijziging Papekopperstraatweg 1813.437 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

23

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Woningen zijn kwetsbare objecten. Daarom dient de externe veiligheid voor de beoogde ontwikkeling getoetst te worden.

Voor het in kaart brengen van de externe veiligheid is een Quikscan externe veiligheid uitgevoerd (Kragten, 18 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4). Transport over het water De planlocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Een verantwoording is niet aan de orde. Transport over de weg Voor het plangebied zijn de rijksweg A12, de provinciale weg N228 en de Johan J. Vierbergenweg binnen een straat van 4.000 meter mogelijk relevant. Op circa 2,7 kilometer ten noorden van het plangebied bevindt zich de rijksweg A12 (wegvak Z19). Deze weg is opgenomen in Basisnet. Het plaatsgebonden risico en het plasbrandaandachtsgebied (PAG) vormen geen aandachtspunt voor de planontwikkeling. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (LT3). De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (toxisch scenario) zijn meegenomen in deze beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op een afstand van circa 2,8 kilometer ten zuiden van het plangebied is de provinciale weg N228 aanwezig, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De N228 is niet opgenomen in het Basisnet weg.

Aangezien het plangebied op meer dan 200 meter van de weg is gelegen, is het ook niet noodzakelijk de invloed van de planvorming op de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Op

24

grond van de jaarintensiteiten van Rijkswaterstaat (juni 2019) blijkt dat over de N228 ter hoogte van het plangebied uitsluitend sprake is van LF1-, LF2- en GF3-transporten. Het plangebied ligt hiermee niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Deze weg vormt derhalve geen aandachtspunt voor de planvorming. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde. Aangrenzend aan het plangebied ligt de Johan J. Vierbergenweg. Deze weg is niet opgenomen in het Basisnet, maar is wel als route voor gevaarlijke stoffen aangewezen. Het plaatsgebonden risico vormt geen aandachtspunt voor de planontwikkeling. Gezien de ligging binnen 200 meter van de weg, is middels de vuistregels van de HART aangetoond dat geen sprake is van een groepsrisico. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze weg. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze weg (plasbrand en BLEVE-scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Transport over het spoor Op circa 55 meter ten westen van het plangebied bevindt zich de spoorlijn Gouda – Harmelen aansl. (Route 30AZ), waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plaatsgebonden risico en het PAG vormen geen aandachtspunt voor de planontwikkeling.

Gezien de ligging binnen 200 meter van de weg, is middels de vuistregels van de HART aangetoond dat de hoogte van het groepsrisico als gevolg van deze spoorlijn lager is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Een RBM II-berekening is derhalve niet noodzakelijk. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van deze spoorlijn. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over deze spoorlijn (BLEVE-scenario en toxisch scenario) dienen meegenomen te worden in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan het invloedsgebied tot over het plangebied reikt. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Uitwerking verantwoordingsplicht Door Kragten is onderzocht op welke wijze de hoogte van het groepsrisico moet worden verantwoord en wordt invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht ('Verantwoording hoogte groepsrisico', 18 oktober 2021); zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5. Het Bevt geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht.

De adviestaak omvat de mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omgang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten. Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A12, de Johan J. Vierbergenweg en de spoorlijn Gouda – Harmelen aansl., dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met een toxisch scenario, een BLEVEscenario en een plasbrandscenario. In de rapportage 'Verantwoording hoogte groepsrisico' is aangegeven welke maatregelen ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid hiervoor geadviseerd worden. Conclusie De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg en het spoor zijn meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierbij is onderzocht op welke wijze de hoogte van het groepsrisico moet worden verantwoord en wordt invulling gegeven aan de verantwoordingsplicht. Dit dient voor advies te worden voorgelegd aan de regionale Brandweer dan wel de Veiligheidsregio. De aanvullende adviezen van de brandweer of veiligheidsregio dient de gemeente Oudewater mee te wegen in haar besluitvorming.

25

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:

• • •

bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.

Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:

• • •

vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:

• •

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Planspecifiek Het voorliggende plan voorziet in de functiewijziging van het plangebied en de transformatie van de schuur tot woning. De transformatie ziet voornamelijk toe op bouwkundige aanpassingen binnen de schuur, maar ook op de vervanging van de kap van de schuur. Om die reden is een quickscan Wet natuurbescherming door Blom Ecologie uitgevoerd (rapport d.d. 15 oktober 2021): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling betreft het splitsen van het perceel, een functiewijziging en het vernieuwen van het dak van de schuur aan de Papekopperstraatweg 18 te Papekop. Deze ontwikkeling is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Ten behoeve van soortenbescherming wordt in het rapport

26

geconcludeerd dat geen aanvullend onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Hierover is nog een discussie gaande met Omgevingsdienst regio Utrecht die in hun 'Advies ecologie Papekopperstraatweg 18 in Papekop' d.d. 20 december 2021 aan hebben gegeven dat de onderbouwing om de aanwezigheid van (vaste rust- en verblijfplaatsen van) vleermuizen in de schuur uit te sluiten onvoldoende is en dat nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Om die reden is in het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen om veilig te stelen dat een dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd en dat zonodig in voldoende mate zeker is gesteld dat een ontheffing van de wet natuurbescherming kan worden verleend. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 5 km afstand van het Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein'. Gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van de gewenste ontwikkeling zijn effecten op Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie, uitgesloten. De dichtstbijzijnde gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland liggen op ca. 2 km afstand van de planlocatie. Er zijn geen weidevogelleefgebieden in de omgeving van het plangebied. Bij beide gebieden is geen sprake van externe werking.

Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS module (AERIUS 2020) van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouwfase gepaard met zeer weinig uitstoot, omdat het vooral interne verbouwingen betreft waarvoor geen op diesel werkende zware machines nodig zijn. Daarbij zijn er thans op basis van de nieuwe redeneerlijn ook wat ruimere mogelijkheden in de bouwfase. In de gebruiksfase wijzigt er niet veel.

De bestaande woning wordt gehandhaafd en er wordt een nieuwe woonfunctie gecreëerd in de schuur. De nieuwe woning wordt gasloos uitgevoerd en zal gebruik maken van een waterpomp. Gelet op de grote afstand tot natura 2000-gebieden en op de kleinschalige omvang en de aard van het project, is het niet nodig om AERIUS-berekeningen uit te voeren. Er zijn geen significant negatieve effecten te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht).

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het

27

verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek In het vigerende bestemmingsplan 'LG Hekendorp Papekop - 1e herziening' hebben de gronden van het plangebied de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 6'. Met de beoogde ontwikkeling vinden er geen bodemverstorende werkzaamheden plaats. Derhalve hoeft er bij de beoogde ontwikkeling geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen aan de Papekopperstraatweg. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. In en rondom het plangebied zijn daarbij ook geen gemeentelijke of rijksmonumenten aanwezig. Op de locatie bevindt zich een historische schuur. Deze schuur zal worden omgebouwd om wonen mogelijk te maken, waarbij het uiterlijk van de schuur zoveel als mogelijk behouden blijft. Conclusie Gezien het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Waterhuishouding Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

28

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het Rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 wordt het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Dit nieuwe Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Waterschapsbeleid Per 1 mei 2019 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Planspecifiek Watertoets De watertoets is een standaard overleg met het Hoogheemraadschap dat gevoerd moet worden wanneer de planologische situatie op een locatie wijzigt.

Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Op 1 juli 2021 is de online watertoets ingevuld, hieruit blijkt dat er geen waterschapsbelang is voor de beoogde ontwikkeling. Watercompensatie Als een toename van verhard oppervlak van meer dan 500 m² aan de orde is, is volgens het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden watercompensatie noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling betreft een functiewijziging van het plangebied, waarbij wellicht delen van het terrein worden heringericht. Dat zal veeleer gepaard gaan met het afnemen van de hoeveelheid verharding. Watercompensatie is voor de beoogde ontwikkeling dan ook niet nodig. Waterafvoer De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het waterschap over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Het hemelwater zal bij de schuur (en wellicht de woning) opgevangen worden. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en dat het vuilwater via het gemeentelijk rioolstelsel afgevoerd wordt. Conclusie

29

Geconcludeerd kan worden dat het aspect water vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Verkeer Voor het bepalen van verkeersgeneratie wordt gebruik gemaakt van de kengetallen van CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen'. Hierbij is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad 'niet stedelijk' en 'buitengebied'. De nieuwe woning valt onder de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Per woning geldt een verkeersgeneratie van 8,2 voertuigbewegingen per etmaal. Gelet op dit minimale aantal voertuigbewegingen kan gesteld worden dat dit opgevangen kan worden met de huidige verkeersstructuur. Daarbij ging het voormalige gebruik als bedrijvenlocatie eveneens gepaard met verkeersbewegingen, met ook (middel-)zwaar vrachtverkeer. Met de beoogde ontwikkeling wordt het perceel gesplitst. Dit heeft geen negatieve gevolgen voor de verkeersgeneratie van het plangebied. Beide percelen maken gebruik maken van één bestaande inrit. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van twee woningen in 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. Voor deze categorie geldt een parkeernorm van gemiddeld 2,4 parkeerplaatsen per woning. Voor het plangebied geldt een totale parkeerbehoefte van 4.8 parkeerplaatsen.

In de toekomst wordt eventueel een B&B gerealiseerd. Hiervoor geldt per kamer parkeernorm van 1. Met de beoogde ontwikkeling worden 6 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op het eigen terrein is voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op te vangen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 49 % reductie van de CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. In 2030 dient verder de bijdrage van duurzame energie 32 % van het totale energieverbruik te zijn. In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam en CO2-neutraal zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 40 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden. Energie Agenda Oudewater Op 11 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Oudewater de Concept Energie Agenda Oudewater vastgesteld en op 14 november 2019 is het uitvoeringsplan Energie Oudewater vastgesteld. Deze beleidsdocumenten

30

geven richting aan de energietransitie in Oudewater. Een van de belangrijke uitgangspunten is bijvoorbeeld dat nieuwbouw energieneutraal wordt gerealiseerd. Ook is aandacht voor het verduurzamen van bestaande bouw.

31

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden meerdere maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid, zoals zonnepanelen, warmtepomp, extra isolatie en duurzaam materiaalgebruik. Bedoeling is de nieuwe woning gasloos uit te voeren (d.m.v. warmtepomp). Verder is het plan om op zowel de hoofdbebouwing als de schuur zonnepanelen aan te leggen om zoveel als mogelijk te voorzien in eigen energieverbruik. Voorts wordt voldaan aan de minimum isolatiewaarden uit het Bouwbesluit. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling worden diverse duurzaamheidsmaatregelen getroffen. Zodoende kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de verscheidene duurzaamheidseisen en met de Energie Agenda Oudewater.

32

5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen Voor het wijzigingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (BGT en/of kadastrale kaart).

5.4 Plansystematiek In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De planregels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.4.1 Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

33

5.4.2 Bestemmingsregels Voor wat betreft de bestemmingsregels is aangesloten bij de regeling van het bestemmingsplan 'LG Hekendorp Papekop - 1e herziening'. Tuin Het deel van het plangebied voor de voorgevels van de hoofdgebouwen heeft de bestemming 'Tuin' gekregen. Deze gronden zijn bestemd voor tuin met de daarbij behorende paden. Wonen Met de boogde ontwikkeling dienen de gronden van het plangebied de bestemming ‘Wonen’ te krijgen. De gronden krijgen daarnaast een aanduiding voor betreft het maximale aantal woningen. Voor het plangebied geldt een maximum van twee wooneenheden. Tevens is voorzien in een regeling voor de beoogde twee zorgwoningen. Net als in het bestemmingsplan 'LG Hekendorp Papekop - 1e herziening' beslaat het bouwvlak het volledige bestemmingsvlak. Hierbij is geregeld dat de maximale inhoudsmaat van een woning 1.200 m³ mag bedragen, conform de huidige inhoudsmaat. Ook zijn er maten opgenomen voor de maximum goot- en bouwhoogte en de maximum grondoppervlakte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen, met een regeling voor als in de bestaande situatie een grotere maat aanwezig is. In dat geval geldt die grotere maat als maximaal toelaatbaar. Voorts worden de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten geboden.

Met bedrijfsmatige activiteiten wordt het opzetten van een gezinshuis in samenwerking met Driestroom bedoeld. In deze samenwerking is ook de opzet van de zorgwoningen bedoeld om tijdelijke en begeleide huisvesting te bieden aan oudere jeugd om deze voor te bereiden op zelfstandig wonen. Op basis daarvan is de (bestaande) kantoorruimte toegestaan. Ook zijn de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor Bed & Breakfast en toeristisch-recreatieve verblijfseenheden opgenomen. Tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen om veilig te stellen dat, alvorens de schuur verbouwd gaat worden en in gebruik wordt genomen voor het wonen, nader onderzoek wordt uitgevoerd naar de aanwezigheid van (vaste rust- en verblijfplaatsen van) vleermuizen in de schuur en dat op grond daarvan de aanwezigheid van vleermuizen in de schuur kan worden uitgesloten, danwel dat in voldoende mate zeker is dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming kan worden verkregen. Waarde archeologie De gronden van het plangebied hebben de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde Archeologie 6'. Deze gronden zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

5.4.3 Algemene regels In de algemene regels zijn de regels opgenomen welke voortvloeien uit het vigerende bestemmingsplan.

5.4.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

34

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Initiatiefnemer heeft een positief gesprek gevoerd met bewoners van het naastliggende perceel. Verder is een flyer opgesteld met de bedoeling om deze flyer persoonlijk te overhandigen aan de buurtbewoners (ca 20 stuks). In deze flyer stellen de nieuwe bewoners zich kort voor en geven een toelichting op de plannen met het perceel. Ook is in de flyer aangegeven dat de nieuwe bewoners graag in gesprek gaan met de bestaande buurtbewoners om de plannen verder toe te lichten en/of in te gaan op mogelijke vragen rondom de voorgenomen bestemmingswijziging en perceelsplitsing.

35

6.2.2 Vooroverleg In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de resultaten van het wettelijk vooroverleg opgenomen. 6.2.3 Zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het bestemmingsplan samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien.

36

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/459/documents/14163