Bijlage 6 Reactie advies commissie MER op PlanMER RES Herijking regio Utrecht_1.pdf
Tekst van het document
Reactie op het advies van de commissie MER Bijlage bij de RES Herijking regio Utrecht versie 6 mei 2025
Inleiding Ten behoeve van de RES Herijking is het planMER RES Herijking regio Utrecht opgesteld. Het concept planMER is voor advies voorgelegd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie MER). Deze reactie geeft aan hoe de RES met het advies van de commissie MER over onze planMER is omgegaan. De commissie constateert dat het MER veel nuttige informatie bevat en vindt de uitgevoerde milieuonderzoeken over het algemeen van goede kwaliteit met een detailniveau passend bij het strategisch karakter van de RES Herijking. Desondanks stelt de commissie dat aanvullende informatie essentieel is zodat het belang van de leefomgeving volwaardig kan worden meegewogen. Zij vraagt aanvulling aan de hand van 4 adviezen: overzicht kaders en nieuwe ontwikkelingen, alternatieven t.b.v. onderling afstemmen/afwegen, verduidelijk betekenis individuele gemeenten en maatwerk bij sommige zoekgebieden. Reactie op het advies Om de RES 1.0 van de RES regio Utrecht te actualiseren op basis van ontwikkelingen en genomen besluiten sindsdien, hebben wij 54 zoekgebieden milieutechnisch onderzocht. Dit gaat gemeenten helpen bij het maken van verdere keuzes en realiseren van plannen. De commissie MER heeft een advies uitgebracht op het milieuonderzoek. Dit advies nemen we ter harte. We verduidelijken en verdiepen het onderzoek op een aantal punten.
Het doel van de actualisatie is om voort te bouwen op reeds genomen besluiten, het lukt daarom niet om alle adviezen van de commissie volledig over te nemen. Hieronder geven we per advies aan hoe we er opvolging aan geven.
1
Advies 1: Overzicht kaders en nieuwe ontwikkelingen Advies Hoofdstuk 1, p.2 Maak duidelijk waar de herijking over gaat. Geef een duidelijk overzicht van de kaders en van de nieuwe informatie en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden tussen het vaststellen van RES 1.0 (2021) en de herijking (2025). Maak duidelijk waarover de herijking gaat en binnen welke kaders een besluit wordt genomen. Geef daartoe ook aan hoe de zoekgebieden uit het provinciale MER wind en het MER voor de herijking zich tot elkaar verhouden. Kader p.6 De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, het startpunt van de herijking, de uitgangspunten, samenhang met andere ontwikkelingen en gemaakte keuzes nader toe te lichten in het MER. Dit is belangrijk voor de afbakening van de herijking en het MER en voor de navolgbaarheid van de effectbeoordelingen.
Opvolging Op basis van het advies van de Commissie MER wordt de insteek en de reikwijdte van de RES Herijking en het planMER toegevoegd aan het planMER. Onderstaande tekst vervangt in hoofdstuk 1 (Over dit planMER) de bestaande paragraaf Reikwijdte van het planMER. Het hoofdstuk is uitgebreid en redactioneel aangepast:
Insteek en reikwijdte RES Herijking en planMER RES Herijking Regio Utrecht en planMER RES Herijking In de RES 1.0 is afgesproken dat periodiek wordt geactualiseerd. Dit wordt de RES Herijking genoemd. In de actualisatie wordt gekeken of de regio op koers ligt de ambities uit de RES 1.0 te realiseren, wordt rekening gehouden met ontwikkelingen in de afgelopen periode en kan de strategie indien nodig worden aangepast. Ten behoeve van de RES Herijking is dit planMER opgesteld. Een RES Herijking is onder de nieuwe Omgevingswet planMER-plichtig. Een planMER is ook een goed instrument om de milieueffecten van de beoogde zoekgebieden voor zonneparken en windturbines in beeld te brengen en te toetsen of met deze zoekgebieden de in de RES 1.0 afgesproken opwekambitie van 1,8 TWh in 2030 gerealiseerd kan worden. Daarnaast levert dit planMER ook waardevolle informatie op voor overheden en initiatiefnemers bij de verdere uitwerking van zoekgebieden en concrete zon- en windprojecten. Regionale opwekambitie RES 1.0 wordt ingevuld met gemeentelijke bijdragen In de RES 1.0 is een gezamenlijke opwekambitie van 1,8 TWh in 2030 vastgesteld. Daarbij is het uitgangspunt dat deze ambitie wordt ingevuld met de afgesproken opwekbijdragen van alle gemeenten, naast een permanent zoeken naar mogelijkheden om planuitval op te vangen.
Zo kan het beste rekening worden gehouden met de specifieke lokale context en omstandigheden bij de besluitvorming door gemeenten. Deze gemeentelijke bijdragen tellen op tot de regionale ambitie. De opwekambitie van 1,8 TWh in de RES 1.0 was onderbouwd met plannen, zoekgebieden en de afspraak dat mogelijke planuitval wordt opgevangen doordat RES-partners dan blijven zoeken naar aanvullende gebieden. Gemeenten zijn voortvarend aan de slag met de invulling van hun bijdrage Na de vaststelling van RES 1.0 zijn de gemeenten aan de slag gegaan met beleidskaders voor zon- en windprojecten, de verdere (beleidsmatige) uitwerking van diverse zoekgebieden en plannen uit de RES 1.0 en vergunningverlening van concrete opwekprojecten. Initiatiefnemers hebben verschillende zon- en windprojecten gerealiseerd. Tegelijkertijd zijn er bij de nadere uitwerking ook zoekgebieden en plannen afgevallen omdat deze niet haalbaar bleken. Om dit op te vangen zijn door gemeenten ook nieuwe zoekgebieden vastgesteld (ten opzichte van de RES 1.0). Dit resulteert in een vernieuwde lijst van zoekgebieden en plannen voor zon- en windontwikkeling waarmee de bijdragen worden ingevuld en waarover de gemeenteraden een besluit hebben genomen.
2
Provincie Utrecht neemt twee inpassingsbesluiten voor windlocaties Ondanks alle inspanningen door gemeenten om de opwekambitie uiterlijk in 2030 te realiseren, concludeert de provincie op basis van een door haar uitgevoerde tussenbalans dat een extra inspanning nodig is om het opwekdoel in de regio en in de provincie Utrecht te halen. Daarop heeft de provincie in januari 2025 zelfstandige inpassingsbesluiten genomen. In de voorbereiding van deze besluiten heeft de provincie een planMER Windenergie Utrecht opgesteld. En op basis van dit planMER heeft Gedeputeerde Staten van Utrecht een besluit genomen over de meest kansrijke windlocaties in de provincie Utrecht. Met deze inpassingsbesluiten wordt windontwikkeling mogelijk gemaakt op een locatie in Stichtse Vecht en op een locatie Montfoort-Oudewater. Dit is voor de RES Herijking een lopende ontwikkeling waarvoor de provincie het initiatief neemt voor projectbesluiten. Reikwijdte planMER met betrekking tot grootschalige opwek Binnen de RES-regio is een afspraak gemaakt over de gezamenlijke opwekambitie tot 2030. Er wordt in de RES Herijking geen gezamenlijk regionaal opwekdoel gesteld voor na 2030. Na zorgvuldige lokale processen en integrale afweging zijn in alle gemeenten raadbesluiten genomen over beleidskaders, zoekgebieden en/of concrete plannen voor zon- en windgebieden.
Voor diverse gebieden is voortvarendheid in vervolgbesluiten nodig om de opwek uiterlijk in 2030 te realiseren. Daarom is het uitgangspunt voor de RES Herijking en daarmee ook voor dit planMER dat de bekende zoekgebieden en plannen niet ter discussie worden gesteld tenzij uit onderzoek blijkt dat gebieden niet haalbaar blijken. Dat betekent ook dat dit planMER niet tot doel heeft om nieuwe zoekgebieden en/of alternatieven met combinaties van zoekgebieden te identificeren. In het planMER worden geen alternatieven onderzocht In dit planMER is bewust gekozen om geen alternatieven met combinaties van zoekgebieden mee te nemen voor het realiseren van de regionale opwekambitie in 2030. Het formuleren van combinaties van zoekgebieden past niet bij de bevoegdheidsverdeling en de werkafspraken binnen de RES regio Utrecht. Daarnaast is er, met de door gemeenten en provincie vastgestelde zoekgebieden, ook weinig te kiezen. (vrijwel) Alle zoekgebieden zijn nodig om de regionale ambitie van 1,3 TWh aan grootschalige opwek in 2030 te kunnen realiseren. Het planMER bevat ook geen scenariostudies voor de periode na 2030. Er is nog geen regionaal doel na 2030 vastgesteld waaraan deze scenario’s getoetst kunnen worden en binnen gemeenten zijn hiervoor ook nog geen kaders vastgesteld.
In de RES Herijking is wel opgenomen dat op (sub)regionaal niveau scenario’s wordt uitgewerkt die inzicht geven in de lokale en bovenlokale opwekpotentie op de middellange en lang termijn. Dit wordt gedaan in samenhang met het energiesysteem van de toekomst en in samenhang met ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Deze scenario’s geven de beslisinformatie om keuzes te maken over de integrale opwekopgaven voor individuele gemeenten en de regio als geheel. De keuzes worden vastgelegd in een de volgende RES Herijking (naar verwachting 2029).
In de periode tussen het vaststellen van het concept planMER en het definitieve planMER is een aantal besluiten genomen. Deze worden opgenomen in het planMER in de paragaaf Inleiding van het hoofdstuk Effectbeoordeling zoekgebieden wind. Na afronding van het concept planMER RES Herijking, maar voor publicatie ervan, zijn enkele gemeentelijke en provinciale besluiten genomen die betrekking hebben op grootschalige opwek in de zoekgebieden uit het planMER. Hieronder volgt een korte beschrijving: •
In december 2024 hebben provincie Utrecht en gemeente Wijk bij Duurstede een bestuursovereenkomst ondertekend waarin is afgesproken dat de provincie de ruimtelijke procedure voor een windpark in zoekgebied 78 oppakt, rekening houdend met de wensen van de gemeente.
•
In december 2024 heeft de gemeenteraad van Utrecht de beleidsnota Opwekgebieden voor schone energie in Utrecht vastgesteld. Hiermee worden de in dit planMER onderzochte zoekgebieden herbevestigd.
3
•
In december 2024 heeft de provincie Utrecht een brief gestuurd aan de gemeente Oudewater waarin zij aangeeft dat windenergie in windzoekgebied 7 niet mogelijk is vanwege weidevogelkerngebieden en stiltegebieden.
•
In januari 2025 hebben GS van de provincie Utrecht een besluit genomen om in twee gebieden een projectprocedure voor windenergie op te starten. Het betreft een project in Oudewater en Montfoort (zowel in dit regionale als in het provinciale planMER aangeduid als zoekgebied 8) en een project in Stichtse Vecht (buiten de scope van het regionale planMER, maar in het provinciale planMER Windenergie aangeduid als zoekgebied 43). Zie het besluit van de provincie Utrecht van 16 januari 2025 hier .”
Deze besluiten hebben geen nader gevolg voor (de resultaten van) het planMER.
Advies 2: Alternatieven t.b.v. onderling afstemmen/afwegen Advies Hoofdstuk 1, p.2 Beschrijf keuzeruimte en onderzoek alternatieven. De zoekgebieden hebben meer technische energiepotentie dan nodig is voor invulling van de regionale energiedoelstelling voor 2030. Onderbouw welke keuzeruimte er nog is binnen de kaders van hetgeen al is vastgesteld door betrokken overheden. Ontwikkel en beoordeel binnen die keuzeruimte alternatieven. Dit helpt de betrokken overheden om transparant te zijn over (de gevolgen van) de te maken keuzes. Kader p.7 De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, te onderbouwen welke keuzeruimte er nog is binnen de kaders van hetgeen al is vastgesteld door betrokken overheden. Ontwikkel en beoordeel binnen die keuzeruimte alternatieven. Dit is belangrijk om inzicht te krijgen in de milieueffecten van de keuzemogelijkheden en om de cumulatieve effecten daarvan te kunnen beoordelen.
Opvolging In het planMER is bewust gekozen om geen alternatieven met combinaties van zoekgebieden mee te nemen. Deze expliciete keuze is toegevoegd aan de nieuwe paragraaf Reikwijdte van het planMER in hoofdstuk 1 Over dit planMER onder het kopje In het planMER worden geen alternatieven overzocht. De tekst: In het planMER worden geen alternatieven overzocht In dit planMER is bewust gekozen om geen alternatieven met combinaties van zoekgebieden mee te nemen voor het realiseren van de regionale opwekambitie in 2030. Het formuleren van combinaties van zoekgebieden past niet bij de bevoegdheidsverdeling en de werkafspraken binnen de RES regio Utrecht. Daarnaast is er, met de door gemeenten en provincie vastgestelde zoekgebieden, ook weinig te kiezen. (vrijwel) Alle zoekgebieden zijn nodig om de regionale ambitie van 1,3 TWh aan grootschalige opwek in 2030 te kunnen realiseren. Het planMER bevat ook geen scenariostudies voor de periode na 2030. Er is nog geen regionaal doel na 2030 vastgesteld waaraan deze scenario’s getoetst kunnen worden en binnen gemeenten zijn hiervoor ook nog geen kaders vastgesteld. In de RES Herijking is wel opgenomen dat op (sub)regionaal niveau scenario’s wordt uitgewerkt die inzicht geven in de lokale en bovenlokale opwekpotentie op de middellange en lang termijn.
Dit wordt gedaan in samenhang met het energiesysteem van de toekomst en in samenhang met ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. Deze scenario’s geven de beslisinformatie om keuzes te maken over de integrale opwekopgaven voor individuele gemeenten en de regio als geheel. De keuzes worden vastgelegd in een de volgende RES Herijking (naar verwachting 2029).
4
Op basis van het advies van de Commissie MER is aan de het hoofdstuk Effectbeoordeling zoekgebieden zon een kwalitatieve beschouwing toegevoegd over de effectbeoordeling van extensiever ingerichte zonnevelden ten opzichte van “standaard” zonnevelden.
Effectbeoordeling Extensiever ingerichte zonnevelden De effectbeoordeling in het planMER kijkt naar de ligging van de zoekgebieden en niet zozeer naar de inrichting ervan. Dat betekent dat kiezen voor extensievere zonneparken, op het regionale schaalniveau van dit planMER op alle beoordelingscriteria tot dezelfde score leidt, met uitzondering van de opwekpotentie. Los van de beoordelingscriteria uit het planMER zullen de lokaal optredende milieueffecten van een extensief zonnepark verschillen van een intensief zonnepark. Onderstaande lijst beschrijft kwalitatief voor alle milieuthema’s wat het gevolg is van het toepassen van extensievere zonneparken. ➢ Energieopbrengst: Literatuur1 geeft de volgende opwekpotenties: Opstelling Opwekpotentie (GWh/ha/jr) Zuid 11,5°
1,4
Zuid 30° (intensief)
1,2
Zuid 30° (extensief)
0,7
Oost-West (intensief)
1,6
Oost-West (extensief)
0,9
Toepassing van extensieve zonneparken (met een opwek van 0,7 i.p.v. 1,0 GWh/ha/jr) leidt tot 30% lagere opwekpotentie (wanneer uit wordt gegaan van de beschikbare technische ruimte/draagkracht). Wanneer juist wordt uitgegaan van de potentie die gemeenten aan de zoekgebieden toekennen betekent het werken met extensieve zonneparken dat er 30% meer ruimte nodig is. ➢ Leefomgeving: de effecten van een zonnepark op de leefomgeving zijn nauwelijks afhankelijk van de inrichting ervan: mogelijk dat er minder transformatoren per hectare in een extensief zonnepark komen, maar voor een waarnemer zal dit geen merkbaar verschil opleveren. Wel betekent het werken met extensievere zonneparken dat er in totaal meer areaal voor zonneparken moet worden ingezet, wat zal betekenen dat er meer mensen op korte afstand van een zonnepark komen te wonen. ➢ Ecologie: een extensief zonnepark biedt meer ruimte voor beschermde flora- en faunasoorten en heeft minder negatief effect op het bodemleven. Ook betekent het grotere ruimtebeslag dat er in absolute zin meer areaal aan landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, met bijbehorende ecologische voordelen. Een extensief zonnepark kan een rol spelen in de blauwgroene dooradering van een gebied.
Er is nog weinig bekend over de mate waarin vogelsoorten extensieve zonneparken als foerageergebied gebruiken, maar in ieder geval zal deze mogelijkheid bij intensieve zonneparken minder zijn. Een ondergeschikt negatief effect van extensieve zonneparken is dat het grotere ruimtebeslag kan betekenen dat de afstand tot bepaalde beschermde en/of waardevolle gebieden kleiner wordt. ➢ Landschap: Voor een waarnemer in het gebied oogt een extensief zonnepark niet anders dan een intensief zonnepark, mits er landschappelijke omranding is aangelegd. Tegelijkertijd betekent het grotere ruimtebeslag van extensieve zonneparken dat er meer zonnepark-areaal nodig is. Afhankelijk van het landschap zal dit in meer of mindere mate zichtbaar zijn. Wanneer vanaf bepaalde zichtpunten het zonnepark alsnog zichtbaar is zal een extensiever zonnepark groener en minder industrieel ogen. Een extensief zonnepark kan groene zichtlijnen bevatten, wat in sommige gebieden de beleving van het landschap kan versterken of de aantasting kan m ➢ Cultuurhistorie: Het grotere ruimtebeslag van werken met extensieve zonneparken kan betekenen dat de afstand tot bepaalde cultuurhistorische gebieden kleiner wordt. Tegelijkertijd kunnen zonneparken ook een bijdrage leveren aan het terugbrengen van kleinschaligheid in bepaalde landschappen waarin dat gewenst is.
➢ Netinpassing: Voor netinpassing is bundeling van opweklocaties gewenst. Dit staat in principe haaks op extensieve zonneparken. ➢ Ondergrond: Bij extensieve zonneparken valt meer zonlicht en neerslag direct op de bodem dan bij intensieve zonneparken, wat de bodemkwaliteit en waterbergingsfunctie ten goede komt.
1
Bron: Ruimtelijk Potentieel van zonnestroom in Nederland, Generation Energy, 2021.
5
➢ Recreatie: Het grotere ruimtebeslag van werken met extensieve zonneparken kan betekenen dat de afstand tot recreatiegebieden en -bestemmingen kleiner wordt. Tegelijkertijd kan een extensief zonnepark in sommige gevallen ook een (kleine) bijdrage aan recreatie leveren, bijvoorbeeld op het gebied van educatie of als onderdeel van een wandelpad. ➢ Veiligheid: Wat betreft natuurbrand zal een extensief zonnepark iets minder effect hebben, doordat binnen een zonnepark de begroeiing lager is en een batterij dus op grotere afstand van de omliggende natuur gelegen kan zijn. Verkeersveiligheid speelt vooral bij zonneparken op smalle stroken direct langs (rijks)wegen. Extensieve zonneparken op smalle langgerekte percelen zijn economisch niet of vrijwel niet uitvoerbaar.
Advies 3: Verduidelijk betekenis individuele gemeente Advies Hoofdstuk 1, p.2 Geef aan wat de onderzoeken uit het MER betekenen voor de individuele gemeenten. Gemeenten kunnen de informatie uit het MER gebruiken om binnen de eigen gemeente keuzes te maken over de ontwikkeling van zoekgebieden. Daarvoor is het belangrijk om in beeld te brengen in hoeverre milieueffecten veranderen als gekozen wordt voor een andere inrichting op opstelling dan die van het ‘standaard zonneveld’ dat in het MER is onderzocht. Ook helpt het gemeenten als duidelijk uit het MER blijkt welke (delen van) zoekgebieden op basis van de onderzoeksresultaten uitvoerbaar zijn en welke niet. Zo ontstaat een realistisch beeld van de energiepotentie van de zoekgebieden. Kader p. 8 De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, meer duidelijkheid te geven aan gemeenten over de betekenis van de effectanalyses en -beoordelingen uit het MER. Maak hiertoe inzichtelijk: - Wat de milieugevolgen zijn als gekozen wordt voor een andere opstelling of inrichting dan het ‘standaard zonneveld’. Neem hiertoe bijvoorbeeld een beschouwing op van de milieugevolgen als gevarieerd wordt in de opstellingsrichting, dichtheid en landschappelijke inpassing van zonneparken.
- Aan te geven voor welke zoekgebieden de uitgangspunten mogelijk te strikt zijn toegepast en wat dit betekent voor de potentie binnen deze zoekgebieden; - De begrenzing van de onderzochte zoekgebieden waar relevant aan te passen op basis van de onderzoeksresultaten, zodat voor gemeenten duidelijk is welke (delen) van de zoekgebieden uitvoerbaar zijn.
Opvolging Op basis van het advies van de Commissie MER wordt aan hoofdstuk 1 (Over dit planMER) aan paragaaf Doel van dit planMER toegevoegd: Dit planMER is bedoeld om de geschiktheid van zoekgebieden voor grootschalige duurzame windparken en zonnevelden te onderzoeken door de verwachte milieueffecten inzichtelijk te maken. Het planMER ondersteunt hiermee de Herijking van de RES regio Utrecht. Daarnaast kan de vergaarde milieu-informatie gebruikt worden door gemeenten die de zoekgebieden op hun grondgebied willen vergelijken of verfijnen om zo het milieubelang te laten meewegen bij het uitwerken van hun RES-bijdrage. Het nader verfijnen van zoekgebieden is geen doel van dit regionale planMER en de RES Herijking. Zie voor een uitgebreidere toelichting op de manier waarop gemeenten met de informatie uit het planMER aan de slag kunnen het hoofdstuk ‘Beschouwing per gemeente’. Naast het in beeld brengen van de milieueffecten biedt het planMER ook nader inzicht in de haalbaarheid van het doelbereik van de RES regio Utrecht.
6
Daarnaast wordt in de RES Herijking in hoofdstuk 5 (Grootschalige Opwek) onder het kopje Aanvullende locaties zijn nodig bij de planMER expliciet aangegeven dat de informatie uit het planMER meerwaarde heeft voor gemeenten en initiatiefnemers bij de verdere uitwerking van zoekgebieden op projectniveau. In het hoofdstuk Beschouwing per gemeente wordt aan de Inleiding toegevoegd: Naast de rol van het planMER als onderbouwing van de Herijking van de RES 1.0 kan de vergaarde milieuinformatie ook van waarde zijn voor individuele gemeenten. Het planMER bevat geografisch informatiemateriaal en onderstaande kaarten tonen per gemeente de zoekgebieden, waarbij de gebruiker ook alle lagen kan aanzetten die in het MER zijn gebruikt voor de effectbeoordeling. De belangrijkste mogelijke toepassingen van het planMER voor individuele gemeenten zijn: ➢ Een signaalfunctie: welke aandachtspunten zijn er waar mogelijk bij het aanwijzen van een zoekgebied nog niet bij stil was gestaan, en waar nabij of in het zoekgebied treden deze aandachtspunten op. ➢ Een ontwerpfunctie: indien een gemeente zoekgebieden heeft die meer ruimte bieden dan nodig voor haar doelstelling kan de milieu-informatie uit het MER gebruikt worden voor het aanpassen van het zoekgebied. Het hoofdstuk Beschouwing per gemeente geeft per zoekgebied inzicht in de relatie tussen: ➢ De in het planMER berekende opwekpotentie.
➢ De opwekpotentie waar de betreffende gemeente vanuit is gegaan bij het bepalen van haar RES-bijdrage. Daarbij wordt verwezen naar de de afwijkende milieueffecten bij toepassing van extensievere zonneparken en een berekening van de ‘Potentie binnen ambitie’ bij toepassing van extensieve zonneparken van 0,7 GWh/ha/jr.”
Advies 4: Maatwerk bij sommige zoekgebieden Advies Hoofdstuk 1, p.2 Geef een nadere onderbouwing van effecten op natuur en landschap (inclusief werelderfgoed). Mogelijk zijn de effecten op natuur en landschap te gunstig ingeschat voor een deel van de zoekgebieden. Dit komt doordat gewerkt is met generieke effect(afstand)en. Maatwerk is in sommige gebieden (bijvoorbeeld bij werelderfgoedgebieden en bij zoekgebieden op water) nodig om te komen tot een realistische inschatting van effecten. Kader p.10 De Commissie adviseert om de onderzoeken naar natuur en landschap aan te vullen, voorafgaand aan de besluitvorming over de herijking. Het gaat ten minste om de volgende informatie: - Een nadere onderbouwing of nuancering van effectbeoordelingen op natuur van zonnevelden in agrarisch gebied en op water; - Een gebiedspecifieke onderbouwing van effectafstanden tot landschappelijke, cultuur- historische en aardkundige waarden en op werelderfgoed. Pas hierop waar nodig de effectbeoordelingen aan en geef aan wat dit betekent voor de uitvoerbaarheid van zoekgebieden. - Een beschouwing van de cumulatieve effecten van wind- en zonneparken voor verschillende combinaties van zoekgebieden.
Opvolging Milieugevolgen bij een natuurinclusief zonnepark
7
Aan de het hoofdstuk Effectbeoordeling zoekgebieden zon is aan de paragaaf Ecologie een kopje Biodiversiteit toegevoegd. “Als een perceel een lage natuurwaarde heeft, en daarmee een lage biodiversiteit, kan het plaatsen van een zonnepark een positief effect hebben op deze natuurwaarde. Door een zonnepark natuurinclusief te maken door het aanleggen van groenstroken, struweelhagen, kruidenrijk grasland of andere landschappelijke elementen zoals natuurviendelijke oevers en poelen kan de biodiversiteit verhoogd worden. Is de plaatselijke natuurwaarde al hoog, dan kan een zonnepark een beperkt negatieve invloed hebben. De beoordeling van dit criterium baseert zich in eerste instantie op het huidige gebruik van de grond, voor agrarische grond aangevuld met een beoordeling op basis van het aantal waargenomen soorten zoals gerapporteerd in de Nationale Databank Flora en Fauna in hokken van 5 km bij 5 km (NDFF, 15 april 2025). Zoekgebieden gelegen in gevoelig gebied scoren in alle gevallen ‘beperkt negatief’. Zoekgebieden die in gemengd gebied liggen, of in agrarisch gebied met veel waargenomen soorten, scoren neutraal. Zoekgebieden in agrarisch gebied met een lage biodiversiteit (minder dan 2000 waargenomen soorten in het 5x5km hok) scoren ‘beperkt positief’. Als een zoekgebied in meerdere 5x5km hokken lag, werd het zoekgebied ingedeeld bij het hok waarmee deze het meest overlapte.
Bij de beschouwing van het aantal soorten zijn alle soortgroepen meegenomen. De aantallen bevatten dus zowel flora- als faunasoorten.” Naar aanleiding van het gesprek met de commissie MER is aan het hoofdstuk Effectbeoordeling zoekgebieden zon aan de paragaaf Ecologie een kopje Effectbeoordeling zon N2000 exploitatiefase toegevoegd. De plaatsing van een zonnepark kan van invloed zijn op vogels die zijn aangewezen voor omliggende Natura 2000-gebieden. Deze vogels kunnen soms op tientallen kilometers afstand foerageren. In dit planMER is het effect van zonneparken beoordeeld op basis van het voorkomen van voor Natura 2000-gebieden aangewezen vogelsoorten in de zoekgebieden. De daadwerkelijke functie van de zoekgebieden voor deze soorten wordt in een latere fase onderzocht, dit past niet bij het detailniveau van een planMER. Uit data van de NDFF is het aantal waargenomen individuen van 28 vogelsoorten per 5x5km hok gebruikt voor de beoordeling van de zoekgebieden. De indeling van zoekgebieden per 5x5km hok zoals bij de beoordeling van biodiversiteit is hier ook aangehouden. Zoekgebieden zijn beoordeeld op basis van het totaal aantal waargenomen individuen van de aangewezen vogelsoorten. Als er veel individuen van aangewezen soorten voorkomen in een zoekgebied, is de kans dat het zoekgebied een functie heeft (bijv. als foerageergebied) voor deze soorten groot.
Voor de onderlinge beoordeling van de zoekgebieden is gekozen voor een verdeling van minder dan 3000 individuen, tussen de 3000 en 10000 individuen en meer dan 10000 individuen. Aangewezen vogelsoorten omliggende Natura 2000-gebieden Aalscholver
Krakeend
Slobeend
Blauwborst
Kuifeend
Smient
Dodaars
Kwartelkoning
Snor
Fuut
Meerkoet
Tafeleend
Grauwe gans
Nonnetje
Watersnip
Grote karekiet
Oeverzwaluw
Woudaap
Grote zilverreiger
Porseleinhoen
Zwarte stern
IJsvogel
Purperreiger
Zwartkopmeeuw
Kleine zwaan
Rietzanger
Kolgans
Roerdomp
Naar aanleiding van het advies van de Commissie MER is in het hoofdstuk Effectbeoordeling zoekgebieden zon de paragaaf Cultuurhistorie aangevuld met: Het planMER gebruikt 1 effectafstand als het gaat om de ligging ten opzichte van cultuurhistorisch waardevolle objecten. Het moge duidelijk zijn dat de openheid van het landschap invloed heeft op de mate waarin een
8
zonnepark op 250 meter afstand zichtbaar is vanuit of nabij een cultuurhistorisch waardevol object. Tegelijkertijd is de invloed op openheid al beoordeeld onder het milieuthema landschap. Ook in gesloten gebieden waar de visuele relatie tussen een zonnepark en een cultuurhistorisch waardevol object ontbreekt kan er invloed optreden, bijvoorbeeld in de beleving van wandelaars en fietsers. Daarom is er voor deze regionale beoordeling voor gekozen om de beoordelingsafstand niet te differentiëren naar gebiedstype. De effectafstand van 250 meter is op basis van ‘expert judgment’ gekozen als middenweg tussen open gebieden (waar al sprake kan zijn van visuele belanghebbendheid’ bij een afstand van 450 meter (cf. een Raad van Stateuitspraak uit juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1981) en zeer kleinschalige gebieden waar het zicht op een zonnepark al na enkele tientallen meters verhinderd is. Naar aanleiding van het advies van de Commissie MER is het hoofdstuk Cumulatieve effecten zon en wind aangevuld met: Wanneer een zonnepark en windturbines op dezelfde locatie worden gebouwd en geëxploiteerd, kunnen cumulatieve ecologische effecten ontstaan die groter zijn dan wanneer deze projecten afzonderlijk worden gerealiseerd.
Zonneparken hebben vooral tijdens de aanlegfase en door hun ruimtebeslag invloed op natuurwaarden, terwijl windturbines vooral in de exploitatiefase verstorend zijn en leiden tot aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen. Daarnaast is er bij het plaatsen van zowel een windpark als een zonnepark op dezelfde locatie sprake van een verhoogde stikstofdepositie, wat de negatieve effecten op nabijgelegen stikstofgevoelig habitat vergroot. Wat stikstof betreft is het daarbij wel goed om te vermelden dat de stikstofuitstoot bij zonne- en windparken vrijwel alleen tijdens de bouwfase optreedt. Tijdens de exploitatiefase zorgen zonne- en windparken juist voor een verlaging van de totale stikstofemissie. Landschap: de beïnvloeding van het landschap door windparken is wezenlijk anders dan door zonneparken. Daarom zijn er geen effecten die enkel optreden wanneer zonne- en windparken in elkaars nabijheid worden gerealiseerd. Voor windparken die in elkaars nabijheid worden gerealiseerd geldt dat visuele interferentie kan optreden (windparken op de voor- en achtergrond gaan dan door elkaar lopen (verrommeling) en windparken die voor het oog naast elkaar staan leiden tot een groter horizonbeslag. De visuele impact van zonneparken is overwegend op kleine afstand van het zonnepark waarneembaar, waardoor visuele interferentie van meerdere bij elkaar gelegen zonneparken beperkt is.
9