Bijlage 5 Advies commissie MER op PlanMER RES Herijking regio Utrecht_1.pdf
Tekst van het document
Herijking Regionale Energie Strategie (RES) Utrecht
Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 24 april 2025 / projectnummer: 3908
Advies over het MER in het kort In RES-regio Utrecht werken gemeenten, waterschappen, provincie en netbeheerder samen aan de energietransitie (hierna: U16). In de eerste Regionale Energiestrategie (hierna: RES) is vastgelegd hoeveel grootschalige opwek met zon en wind er in de periode tot 2030 door de 16 gemeenten moet worden gerealiseerd. Op dit moment vindt een herijking plaats van de eerste RES. Daarbij wordt onderzocht hoeveel energie in vooraf bepaalde zoekgebieden kan worden opgewekt. Om de milieueffecten van de energie-opwek in beeld te brengen, is een plan-milieueffectrapportage (hierna: MER) opgesteld.1 De U16 heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie) gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat staat in het MER? RES-regio U16 heeft de ambitie om in 2030 1,3 TWh per jaar aan duurzame energie op te wekken met grootschalige zonnevelden en windparken.2 Een deel van deze opgave is al gerealiseerd en een aantal projecten bevinden zich in de fase van het verlenen van een vergunning. De herijking van de RES moet bijdragen aan het invullen van de resterende opgave van 0,67 TWh/jaar.3 Het MER onderzoekt 70 zoekgebieden4 voor zonne-energie en 18 voor windenergie, zie figuur 1. Voor de beoordeling van de effecten van de mogelijke windlocaties, gebruikt het MER de onderzoeksinformatie uit het provinciale MER voor windenergie uit 2024 (hierna: het provinciale MER wind).5 Uit het MER blijkt dat alle zoeklocaties voor wind en zon een positief effect hebben op de energieproductie. Tegelijkertijd hebben ze in meer of mindere mate negatieve effecten op onder andere leefomgeving, natuur en landschap. Een aantal zoekgebieden voor zon scoort negatief op zwaarwegende criteria zoals beschermde natuurgebieden of werelderfgoed. In het MER is verkend in hoeverre effecten beperkt of voorkomen kunnen worden; enkele zoekgebieden in Nieuwegein, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug en Bunnik zijn hierdoor volledig vervallen.6
1 2
Digitaal MER: PlanMER Herijking RES U16. De totale opgave van RES U16 voor 2030 is de opwek van 1,8 TWh. De opgave voor grootschalige opwek met zonnevelden
en windparken is 1,3 TWh. De overige 0,5 TWh wordt opgewekt met zon op daken. Dit deel van de opgave is geen onderdeel van voorliggend MER.
3
Daarvan is 0,24 TWh/jaar al gerealiseerd, 0,11 TWh/jaar is vergund en 0,28 TWh/jaar aan projecten bevindt zich in de
4
De zoekgebieden voor zon hebben samen de potentie voor opwek van 2,1 TWh/jaar. De energiepotentie van de
5
PlanMER Windenergie Utrecht: PlanMER windenergie Utrecht. De Commissie heeft geadviseerd over dit MER en
vergunningenfase. Daarmee is de ‘restopgave’ waarop dit MER betrekking heeft 0,67 TWh/jaar. zoekgebieden voor wind is in totaal 1,8 TWh/jaar.
geconstateerd dat nog belangrijke informatie ontbrak: a3719ts. Naar aanleiding van het advies, is aan het digitale MER een pagina toegevoegd, waarin wordt ingegaan op de adviespunten van de Commissie: Toevoeging n.a.v. advies Commissie mer.
6
Het gaat om zoekgebieden in Nieuwegein (31, 32, 76), Utrecht (49, 51c), Utrechtse Heuvelrug (57) en Bunnik (74a, b, c).
-1-
Wat is het advies van de Commissie? Het MER geeft veel nuttige informatie over de mogelijke milieueffecten van de verschillende zoekgebieden voor zon- en windenergie uit RES 1.0. De Commissie vindt de uitgevoerde milieuonderzoeken over het algemeen van goede kwaliteit. Het detailniveau van de analyses is passend bij het strategische karakter van de RES-herijking. Desondanks constateert de Commissie dat nog belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van deze informatie is essentieel, zodat de betrokken overheden het belang van de leefomgeving volwaardig mee kunnen wegen bij de herijking van RES 1.0. Het gaat om de volgende punten:
Maak duidelijk waar de herijking over gaat. Geef een duidelijk overzicht van de kaders en van de nieuwe informatie en ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden tussen het vaststellen van RES 1.0 (2021) en de herijking (2025). Maak duidelijk waarover de herijking gaat en binnen welke kaders een besluit wordt genomen. Geef daartoe ook aan hoe de zoekgebieden uit het provinciale MER wind en het MER voor de herijking zich tot elkaar verhouden.
Beschrijf keuzeruimte en onderzoek alternatieven. De zoekgebieden hebben meer technische energiepotentie dan nodig is voor invulling van de regionale energiedoelstelling voor 2030. Onderbouw welke keuzeruimte er nog is binnen de kaders van hetgeen al is vastgesteld door betrokken overheden. Ontwikkel en beoordeel binnen die keuzeruimte alternatieven. Dit helpt de betrokken overheden om transparant te zijn over (de gevolgen van) de te maken keuzes.
Geef aan wat de onderzoeken uit het MER betekenen voor de individuele gemeenten. Gemeenten kunnen de informatie uit het MER gebruiken om binnen de eigen gemeente keuzes te maken over de ontwikkeling van zoekgebieden. Daarvoor is het belangrijk om in beeld te brengen in hoeverre milieueffecten veranderen als gekozen wordt voor een andere inrichting of opstelling dan die van het ‘standaard zonneveld’ dat in het MER is onderzocht. Ook helpt het de betrokken overheden als duidelijk uit het MER blijkt welke (delen van) zoekgebieden op basis van de onderzoeksresultaten uitvoerbaar zijn en welke niet. Zo ontstaat een realistisch beeld van de energiepotentie van de zoekgebieden.
Geef een nadere onderbouwing van effecten op natuur en landschap (inclusief werelderfgoed). Mogelijk zijn de effecten op natuur en landschap te gunstig ingeschat voor een deel van de zoekgebieden. Dit komt doordat gewerkt is met generieke effect(afstand)en. Maatwerk is in sommige gebieden (bijvoorbeeld bij werelderfgoedgebieden en bij zoekgebieden op water) nodig om te komen tot een realistische inschatting van effecten.
De Commissie adviseert pas een besluit te nemen over de herijking, als deze informatie is aangevuld in het MER. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar beoordeling toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolg.
-2-
Aanleiding MER RES U16 is een samenwerking van 16 gemeenten, vier waterschappen, de provincie Utrecht en netbeheerder Stedin. Gezamenlijk hebben zij in 2021 de RES 1.0 opgesteld. In de RES 1.0 staat beschreven hoeveel, hoe en waar in de regio U16 duurzame elektriciteit (met zonnevelden en windturbines) wordt opwekt in 2030. De RES wordt iedere twee jaar herijkt. RES-regio U16 kijkt daarbij opnieuw naar de in RES 1.0 aangewezen gebieden voor grootschalige opwek en wijzigt, als daar aanleiding toe is, in de herijking de eerder aangewezen locaties voor zonnevelden of windturbines. De herijking is een programma onder de Omgevingswet. De herijking kan kaderstellend zijn voor merplichtige projecten. Het gaat om categorie C2 “windparken” uit bijlage V van het Omgevingsbesluit. Daarom is een plan-MER opgesteld. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag besluit over de herijking. In dit geval zijn de deelnemende overheden van de RES-regio U167 gezamenlijk bevoegd gezag. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies.
De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3908 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
7
Het gaat om de Gedeputeerde Staten van Provincie Utrecht en de colleges van burgemeester en wethouders van de
gemeenten Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist en het dagelijks bestuur van de betrokken waterschappen.
-3-
Figuur 1 Zoekgebieden voor wind (blauw) en zon (geel). Bron: MER.
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar beoordeling toe. Aan deze beoordeling koppelt zij adviezen en aanbevelingen. Adviezen staan in een tekstkader. Het uitvoeren daarvan is essentieel voor het volwaardig meewegen van het belang voor de leefomgeving bij de herijking van de RES. Dit moet volgens de Commissie gebeuren voordat de betrokken overheden een besluit nemen over de herijking. Aanbevelingen staan niet in een kader. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming – nu en in de toekomst – te verbeteren.
-4-
Doelstelling en besluiten In de onderstaande paragrafen doet de Commissie een aantal constateringen over het doel van het MER, het voorliggend besluit over de herijking en over (gemeentelijke) vervolgbesluiten. Deze constateringen bevatten op zichzelf geen advies, maar zijn relevant voor de adviezen in de volgende paragrafen of voor het vervolgproces van de betrokken overheden.
Doel van het MER De Commissie ziet in het MER onduidelijkheden over het doel van het MER en over de besluiten waarvoor het MER is opgesteld. In het MER zijn twee doelen aangegeven:
in beeld brengen van de milieueffecten van grootschalige windparken en zonnevelden;
de mogelijkheid bieden voor het integraal onderzoeken van de effecten van verschillende invullingen van de zoekgebieden.
De Commissie constateert dat aan (de mogelijkheid conform) het tweede doel geen invulling is gegeven doordat geen alternatieven zijn onderzocht, zie ook paragraaf 2.3 van dit advies.
Doorkijk naar 2050 In de herijking wordt een doorkijk gemaakt naar de energie-ambities voor de periode na 2030. Verwacht wordt dat in 2050 drie keer zoveel stroom nodig is als nu voor een energieneutrale regio. Dit betekent dat ongeveer 7,3 TWh aan opwek nodig is.8 De Commissie constateert dat in het MER geen beschouwing is opgenomen van de ruimtelijke mogelijkheden voor de invulling van deze opgave.
Voorliggend besluit Het MER is opgesteld voor de besluitvorming over Herijking RES 1.0. De Commissie constateert dat in de herijking (hoofdstuk 5) het MER wordt benut om aan te tonen dat de potentie van de zoekgebieden voldoende is om de regionale energiedoelstelling voor 2030 te kunnen halen. In de herijking worden de zoekgebieden niet gewijzigd (verfijnd of bijgesteld) naar aanleiding van het MER en er wordt geen prioritering voorgesteld voor de ontwikkeling van zoekgebieden, zie ook paragraaf 2.4 van dit advies.
Vervolgbesluiten De Commissie merkt op dat de mer-plicht niet automatisch vervalt voor gemeentelijke plannen of programma’s, omdat nu bij de regionale herijking een MER is opgesteld. Immers, altijd moet beoordeeld en gemotiveerd worden dat de inhoud van het MER past bij het plan of programma en ook moet de mer-procedure worden doorlopen. De Commissie verwacht dat veel van de informatie uit het regionale MER daarbij kan worden (her)gebruikt.
8
In de herijking is aangegeven dat dit met de bestaande opwektechnieken voor de regio een mogelijke energiemix betekent van ongeveer 100 windturbines en 2500 hectare zonnevelden in 2050.
-5-
Context en afbakening van het MER In 2021 is de RES 1.0 vastgesteld.9 Hierbij is destijds geen MER opgesteld. In dit document heeft de regio de ambitie vastgelegd om in 2030 1,8 TWh duurzame energie op te wekken, waarvan 1,3 TWh door grootschalige opwek met zon- en windparken. Het MER gaat over de herijking van RES 1.0.10 In de herijking worden de aangewezen locaties voor zonnevelden en windturbines herbevestigd of gewijzigd. De Commissie constateert dat het MER onvoldoende duidelijk is over:
de invloed van nieuwe inzichten en trends op het startpunt van de herijking;
de status van ontwikkelingen en invloed daarvan op de afbakening;
de verhouding tussen dit MER en het provinciale MER wind.
De Commissie licht dit nader toe in de onderstaande paragrafen.
Invloed van nieuwe inzichten en trends op startpunt herijking RES 1.0 is in 2021 vastgesteld en de herijking vindt plaats in 2025. In de tussenliggende jaren hebben verschillende ontwikkelingen plaatsgevonden en kunnen nieuwe inzichten naar voren zijn gekomen. Het gaat bijvoorbeeld om ontwikkelingen op gebied van netcongestie of over de energievraag (vanuit trends in de warmtetransitie en/of elektrische mobiliteit). Deze (en andere) ontwikkelingen kunnen leiden tot wijzigingen in de zoekgebieden of uitgangspunten ten opzichte van RES 1.0. Inzicht in ontwikkelingen of voortschrijdende inzichten tussen RES 1.0 en de herijking en duiding van de betekenis hiervan is belangrijk voor de afbakening van de herijking en het MER.
Status van ontwikkelingen en invloed daarvan op de afbakening In het MER is alleen het Programma Wonen en Werken als autonome ontwikkeling genoemd. Daarnaast zijn op verschillende plaatsen in het MER andere ontwikkelingen genoemd, waarvan niet duidelijk is wat de status is (of ze onderdeel zijn van de referentiesituatie) en welke invloed ze daarmee hebben op de afbakening van het plan en op de effectbepaling. Het gaat om de volgende ontwikkelingen die op verschillende plaatsen in het MER zijn genoemd:
In de samenvatting worden verschillende ‘relevante ontwikkelingen’ genoemd: in gemeente Utrechtse Heuvelrug zijn eerder aangewezen zoekgebieden voor zonnevelden vervallen, maar worden wel een aantal aanvullende zoekgebieden onderzocht. Gemeente IJsselstein heeft daarnaast besloten geen windturbines te willen plaatsen, daarom zijn in deze gemeente extra zoekgebieden voor zon onderzocht.
Tijdens het opstellen van het MER zijn verschillende parallelle besluiten genomen: o
een windlocatie in gemeente Wijk bij Duurstede, waarin de provincie de bevoegd-gezag-rol heeft opgenomen voor de ontwikkeling van een windpark;
o
in gemeente Utrecht zijn al een aantal gebieden (inclusief focusgebieden11) aangewezen voor de grootschalige opwek van zon en wind;
o
in gemeente Stichtse Vecht en in de gemeenten Montfoort en Oude Water heeft de provincie twee gebieden aangewezen waar zij de ontwikkeling van een windpark mogelijk willen maken.12
9 10 11 12
RES 1.0 U16, 31 mei 2021. Herijking RES 1.0.
Dit zijn de gebieden met ‘goede mogelijkheden’.
Provincie Utrecht kiest twee locaties voor windenergie | provincie Utrecht
-6-
Onder ‘Uitgangspunten’ is aangegeven dat op verzoek van de gemeenten Ronde Venen en Stichtse Vecht geen zoekgebieden voor windenergie zijn onderzocht in het MER.
Provinciaal MER wind Voor windenergie zijn de zoekgebieden, effectanalyses en -beoordelingen één op één overgenomen uit het provinciale MER wind. De Commissie kan zich hierin vinden, omdat de zoekgebieden aansluiten bij de zoekgebieden uit RES 1.0 en het detailniveau van de uitgevoerde onderzoeken passend is voor de herijking van RES 1.0. De regio gaat uit van het startpunt van het provinciale MER. Het bouwt niet voort op het voorkeursalternatief van het provinciale MER, waarin de realistisch uitvoerbare zoekgebieden zijn opgenomen. De Commissie kan deze keuze volgen, omdat het ‘speelveld’ voor de regio daarmee zoveel mogelijk open blijft en de betrokken overheden zelf kunnen besluiten over de windlocaties uit RES 1.0 die ze daadwerkelijk willen ontwikkelen. Een uitleg van deze keuze kan helpen in de communicatie met belanghebbenden, omdat het verwarrend kan zijn dat zoekgebieden die op basis van het provinciale MER niet kansrijk zijn, toch opnieuw zijn meegenomen in het regionale MER.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, het startpunt van de herijking, de uitgangspunten, samenhang met andere ontwikkelingen en gemaakte keuzes nader toe te lichten in het MER. Dit is belangrijk voor de afbakening van de herijking en het MER en voor de navolgbaarheid van de effectbeoordelingen.
Alternatieven Geen alternatieven onderzocht De zoekgebieden hebben samen meer technische energiepotentie (3,8 TWh) dan nodig is voor de invulling van de resterende energieopgave van de regio voor 2030 (0,67 TWh). Hierdoor kan op verschillende manieren aan de doelstelling worden voldaan (keuzeruimte). Het is belangrijk om alternatieven te ontwikkelen en beoordelen op milieueffecten, omdat daarmee:
de (milieu)gevolgen van verschillende keuzes in beeld komen, dit bevordert een transparante besluitvorming;
de gezamenlijke effecten (cumulatie) in beeld komen voor verschillende combinaties van zoekgebieden;
de effecten in beeld komen als wordt gevarieerd in de verhouding zonne- en windenergie;
duidelijkheid ontstaat over de robuustheid (of het doel wordt gehaald) als (delen van) zoekgebieden afvallen vanwege effecten op het milieu.
-7-
Vanwege de getrapte13 besluitvorming over wind- en zonprojecten, is het belangrijk om in deze fase een alternatievenonderzoek uit te voeren. Zo zal voor een aantal concrete projecten geen project-MER meer worden opgesteld, dit geldt met name voor zonne-energieprojecten. Bovendien worden de effecten in project-MERen niet meer op regionale schaal beschouwd. Geef daarom aan welke keuzeruimte bestaat binnen de kaders van hetgeen al is vastgesteld in de besluitvorming van betrokken overheden. Ontwikkel en beoordeel binnen deze keuzeruimte alternatieven.
Ontwikkeling van alternatieven Het is belangrijk dat alternatieven samen een goed beeld geven van de ontwikkelmogelijkheden en milieueffecten op regionaal en gemeentelijk niveau. Daarmee komen de keuzemogelijkheden en de gevolgen daarvan in beeld en zijn de betrokken overheden in staat om onderbouwde keuzes te maken, bijvoorbeeld over de (prioritering van) te ontwikkelen zoekgebieden en over de inrichting daarvan. Bij de ontwikkeling van alternatieven kan gevarieerd worden in combinaties van zoekgebieden. Ook variaties in de verhouding tussen wind- en zonne-energie kunnen een basis zijn voor de ontwikkeling van alternatieven.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, te onderbouwen welke keuzeruimte er nog is binnen de kaders van hetgeen al is vastgesteld door betrokken overheden. Ontwikkel en beoordeel binnen die keuzeruimte alternatieven. Dit is belangrijk om inzicht te krijgen in de milieueffecten van de keuzemogelijkheden en om de cumulatieve effecten daarvan te kunnen beoordelen.
Uitgangspunten en doorwerking gemeentelijke besluiten Na vaststelling van de herijking zijn provinciale en/of gemeentelijke besluiten nodig om de beoogde zonne- en windparken daadwerkelijk te ontwikkelen. Niet voor al deze besluiten geldt een mer-(beoordelings)plicht. Belangrijk is daarom dat gemeenten dit MER kunnen gebruiken om keuzes te kunnen maken binnen de eigen gemeente. Het MER geeft hiervoor op een aantal punten nog onvoldoende richting. Dit is in de onderstaande paragrafen toegelicht.
Uitgangspunten standaard zonneveld en andere inrichtingsmogelijkheden Bij het beoordelen van de effecten van zonneparken, is uitgegaan van een ‘standaard zonneveld’. Er is niet gevarieerd in opstellingsrichtingen (zuid en oost-west), ruimtelijke inpassing of in dichtheid (aantal GWh/ha). Het standaard zonneveld sluit echter niet per definitie aan bij lokale voorkeuren van gemeenten. Het is belangrijk om – in ieder geval op kavels met bijzondere vormen (lijnen langs wegen bijvoorbeeld) - ook de effecten van andere realistische inrichtingsopties in het MER in beeld te brengen om recht te doen aan locatiespecifieke (on)mogelijkheden voor de plaatsing en opwekpotentie van zonnepanelen.
13
Nu wordt op regionaal niveau een besluit genomen. Gemeenten nemen vervolgens voor hun eigen grondgebied een of
meerdere vervolgbesluiten, bijvoorbeeld de wijziging van het omgevingsplan en ten slotte vindt besluitvorming plaats over vergunningaanvragen.
-8-
Als gemeenten andere randvoorwaarden stellen dan waar in het MER vanuit is gegaan, kan dit onder andere leiden tot een wezenlijk andere energieopbrengst, een ander landschappelijk beeld en andere effecten op natuur.
Betekenis van onderzoeksresultaten voor gemeenten Na de algemene beoordeling van de effecten per zoekgebied, is in het MER beschouwd wat dit per gemeente betekent (hoofdstuk ‘Beschouwing per gemeente’). In de beschouwing is aangegeven in hoeverre de in het MER bepaalde opwekpotentie van de verschillende zoekgebieden aansluit bij de ambitie van de gemeente voor het betreffende zoekgebied. Uit de analyse blijkt dat de potentie en ambitie in verschillende gebieden niet op elkaar aansluiten. Gevolg is dat de ambitie van drie gemeenten volgens het MER niet haalbaar is binnen de zoekgebieden.14 Voor twee van deze gemeenten (Nieuwegein en Utrecht) worden aanvullende zoekgebieden gezocht. Voor gemeente Zeist heeft dit geleid tot aanpassing van de ambitie. De Commissie waardeert de intentie om met een beschouwing per gemeente duidelijk te maken wat de onderzoeksresultaten betekenen voor de invulling van de ambitie van de verschillende gemeenten. De informatie kan op een aantal punten worden aangescherpt om de bruikbaarheid ervan voor gemeenten bij vervolgbesluiten te vergroten:
Uitgangspunten lijken in een aantal gevallen te rigide te zijn toegepast, waardoor de potentie mogelijk niet goed is ingeschat. Het gaat bijvoorbeeld om zoekgebieden langs de snelweg (zoals in gemeente Montfoort), waarin de potentie laag is ingeschat doordat er onvoldoende ruimte zou zijn voor een landschappelijke rand. De vraag is of een landschappelijke rand op een locatie langs de snelweg relevant of wenselijk is (zie ook paragraaf ‘Standaard zonneveld’).
De zoekgebieden zijn niet gewijzigd op basis van de informatie uit het MER. Het herbevestigen of wijzigen van de zoekgebieden op basis van de onderzoeken is wel een beoogd doel voor de herijking van de RES. Voor de besluitvorming van gemeenten, is het belangrijk om te weten welke (delen van) zoekgebieden binnen de eigen gemeente wel of niet kansrijk zijn vanuit milieuperspectief.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, meer duidelijkheid te geven aan gemeenten over de betekenis van de effectanalyses en -beoordelingen uit het MER. Maak hiertoe inzichtelijk:
wat de milieugevolgen zijn als gekozen wordt voor een andere opstelling of inrichting dan het ‘standaard zonneveld’. Neem hiertoe bijvoorbeeld een beschouwing op van de milieugevolgen als gevarieerd wordt in de opstellingsrichting, dichtheid en landschappelijke inpassing van zonneparken;
aan te geven voor welke zoekgebieden de uitgangspunten mogelijk te strikt zijn toegepast en wat dit betekent voor de potentie binnen deze zoekgebieden;
de begrenzing van de onderzochte zoekgebieden waar relevant aan te passen op basis van de onderzoeksresultaten, zodat voor gemeenten duidelijk is welke (delen) van de zoekgebieden uitvoerbaar zijn.
14
Het gaat om de gemeenten Nieuwegein, Zeist en Utrecht.
-9-
Natuur, landschap en cultureel erfgoed In deze paragraaf geeft de Commissie een aantal adviezen en aanbevelingen mee over de onderzoeken die zijn uitgevoerd voor het beoordelen van de effecten op natuur, landschap en cultureel erfgoed.
Natuur De effecten van zonnevelden op natuur zijn in het MER op drie punten mogelijk onderschat:
Ten aanzien van de effecten op biodiversiteit wordt het plaatsen van zonnevelden in agrarisch gebied positief gescoord. Daarmee wordt voorbijgegaan aan de natuurbasiskwaliteit in veel agrarisch gebieden, vooral waar het gaat om de betekenis als foerageergebied en rustgebied van grootschalig open gebieden voor verschillende soorten.
In het MER wordt onvoldoende rekening gehouden met de betekenis van open agrarische gebieden voor niet-broedvogels en daarmee onvoldoende met de externe werking, ook gedurende de exploitatiefase. Verschillende soorten niet-broedvogels – zoals ganzen en smienten - maar ook broedvogels zoals de purperreiger, foerageren in de wijde omgeving van Natura 2000-gebieden. Deze actieradius is veel groter (kilometers) dan de 300 meter die in de effectbeoordeling wordt aangehouden.
In de effectbeoordeling wordt geen onderscheid gemaakt tussen land en water (zoekgebied 43). Water is vaak van belang als pleisterplaats voor niet-broedvogels, waardoor het plaatsen van zonnevelden op water een ander effect kan hebben dan het plaatsen van zonnevelden op land.
De Commissie adviseert met bovenstaande punten rekening te houden bij de beoordeling van de effecten op natuur. De effecten van windenergie op Natura 2000-gebieden is in voldoende detail beoordeeld in het provinciale MER wind. Voor zonnevelden is geen separate ecologische beoordeling uitgevoerd. Dit is ook pas zinvol als er meer duidelijkheid is over de positionering van zonnevelden binnen de (nu soms nog omvangrijke) zoekgebieden. Een voortoets is voor vervolgbesluiten nodig om de effecten op Natura 2000-gebieden in te schatten.
Landschap en cultureel erfgoed De provincie Utrecht kent een grote verscheidenheid aan landschappen en het is goed dat het MER terdege aandacht schenkt aan de landschappelijke effecten. Dat dit voor zon met steekproeven is gedaan, is een logische stap in verband met de vele onzekerheden die er spelen. De draagkrachtanalyse is een interessante uitwerking die nog wel hypothetisch van karakter is. Voor de beoordeling van de effecten op cultuurhistorische en aardkundige waarden zijn generieke effectafstanden aangehouden.15 Niet duidelijk is waar deze afstanden op gebaseerd zijn en of beleving hierbij een rol speelt. De Commissie geeft mee dat het bepalen van een passende afstand in hoge mate situationeel is. Het hangt sterk af van de openheid van het landschap ter plaatse, de mate van gebiedsvreemdheid van de opwekvoorziening en van de kwaliteit van de landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarde.
15
Voor de effecten op cultuurhistorische en aardkundige waarden is voor windparken een afstand van 1 km aangehouden en
voor zonnevelden een afstand van 250 meter.
-10-
Als bijvoorbeeld een aardkundig object bijzonder is vanwege het uitzicht, dan past het niet om daar op 250 meter afstand een zonneweide aan te leggen. Ook voor de beoordeling van de effecten op werelderfgoed is een generieke effectafstand aangehouden. In dit geval is aangesloten bij het Afwegingskader Energietransitie Hollandse Waterlinies, waarin een effectafstand van 1500 meter is genoemd. De Commissie wijst erop dat deze afstand nog niet adequaat onderbouwd is met onafhankelijk onderzoek. Het is daarom nodig om (gebiedsspecifiek) te onderbouwen waarom buiten deze afstand geen effecten op werelderfgoed te verwachten zijn, of waar nodig de gehanteerde effectafstand aan te passen.16 Geef aan wat dit betekent voor de uitvoerbaarheid van de zoekgebieden.17
Cumulatieve effecten van wind- en zonneparken op natuur en landschap Het ontwikkelen van wind- en zonneparken in elkaars nabijheid leidt mogelijk tot versterking van effecten op natuur en landschap. Dit kan zowel in negatieve als positieve18 zin het geval zijn. De keuze voor verschillende combinaties van zoekgebieden kan dus van invloed zijn op de cumulatieve effecten (zie paragraaf 2.3). Omdat de zoekgebieden alleen ‘individueel’ zijn beoordeeld en geen combinaties zijn onderzocht van verschillende zoekgebieden, zijn deze cumulatieve effecten niet te beoordelen.
De Commissie adviseert om de onderzoeken naar natuur en landschap aan te vullen, voorafgaand aan de besluitvorming over de herijking. Het gaat ten minste om de volgende informatie:
een nadere onderbouwing of nuancering van effectbeoordelingen op natuur van zonnevelden in agrarisch gebied en op water;
een gebiedsspecifieke onderbouwing van effectafstanden tot landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden en op werelderfgoed. Pas hierop waar nodig de effectbeoordelingen aan en geef aan wat dit betekent voor de uitvoerbaarheid van zoekgebieden.
een beschouwing van de cumulatieve effecten van wind- en zonneparken voor verschillende combinaties van zoekgebieden (zie ook paragraaf 2.3 van dit advies).
16
Daarbij is het ook belangrijk om na te gaan in hoeverre de referentieturbines uit het MER qua afmetingen overeenkomen
met de referentieturbines uit het afwegingskader (tiphoogte 240 meter). 17
Negatieve effecten op de ‘uitzonderlijke universele waarden’ van UNESCO Werelderfgoed zijn op grond van de
Omgevingswet niet toegestaan. 18
Bijvoorbeeld doordat andere gebieden als gevolg van de concentratie van activiteiten minder belast worden.
-11-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie
De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of
onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de
ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit
wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het
gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Peter van der Boom MA ir. Oscar Breugelmans dr. Roeland During ir. Kees Slingerland (voorzitter) Michelle Vanderschuren MSc (secretaris) ing. Eddy Wymenga Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Herijking RES 1.0. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor projecten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een milieueffectrapport (MER) vereist zijn. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet volgt om welke projecten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om het project C2 “windparken”. Daarom wordt een plan-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluit De deelnemende overheden van de RES-regio U16:
de Gedeputeerde Staten van Provincie Utrecht;
colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bunnik, De Bilt, De Ronde Venen, Houten, IJsselstein, Lopik, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Stichtse Vecht, Utrecht, Utrechtse Heuvelrug, Vijfheerenlanden, Wijk bij Duurstede, Woerden en Zeist;
dagelijks bestuur van waterschappen De Stichtse Rijnlanden, Amstel Gooi en Vecht, Vallei en Veluwe en Rivierenland.
Initiatiefnemer besluit De deelnemende overheden van de RES-regio U16. Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?
Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.
Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3908 in te vullen in het zoekvak.