Bijlage 1 RES Herijking_1.pdf
Tekst van het document
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen
• Mogelijkheden maatschappelijke business case en publieke deelname voor opwekprojecten op kansrijke locaties en opslagprojecten waar “de markt” geen interesse in heeft (financieel en organisatorisch). Gemeente Utrecht is hier voor enkele locaties al mee gestart. In RES-verband verkennen we samen met de markt en energiecoöperaties hoe projecten wel gerealiseerd en gefinancierd kunnen worden en hoe drempels kunnen worden weggenomen. In die zoektocht wordt naar de gehele keten gekeken en er wordt ruimte gezocht ten opzichte van reguliere commerciële business cases. Ook de mogelijke rollen van overheden en coöperaties bij de ontwikkeling daarbij worden verkend.
• Haalbaarheid (technisch, ruimtelijk, financieel, organisatorisch) multifunctioneel ruimtegebruik zonneparken in het licht van de zonneladder en de wens voor toepassing van agriPV. In de gemeente Houten is toepassing van agriPV een nadrukkelijke uitkomst van het burgerberaad en o.a. Wageningen University doet onderzoek naar de mogelijkheden voor multifunctioneel ruimtegebruik. • Haalbaarheid (technisch, ruimtelijk, financieel, organisatorisch) van middelgrote tot grote windturbines bij bedrijventerreinen. Gezocht wordt naar het optimum tussen energieopwek en inpassing nabij de gebouwde omgeving. • Mogelijkheden voor directe aansluiting van zonneparken en windparken bij een grote energievrager of een cluster van energievragers. Dit wordt in samenwerking met het lopende provinciale traject rondom energiehubs opgepakt. Doel is om aan de hand van praktijksituaties een concreet nieuw handelingsperspectief te vinden waarmee projecten verder worden geholpen. De kennis en ervaring die is opgedaan, wordt verbreed naar de regio zodat het handelingsperspectief ook bij andere initiatieven kan worden toegepast. Om lokale en bovenlokale keuzes te kunnen maken over de opwekopgave op de middellange termijn (2035) worden op het niveau van subregio’s scenario’s uitgewerkt. In deze scenario’s wordt rekening gehouden met het toekomstige energiesysteem (o.a.
Energievisie) en naar de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen (o.a. IRP). De scenario’s geven inzicht in toekomstgerichte zoeklocaties voor zon- en windprojecten en in de opwekpotentie binnen de regio Utrecht. Keuzes over een kwantitatieve ambitie voor opwek voor de periode tot 2035 en tot 2050 (o.a. op basis van de uitgewerkte scenario’s per subregio) worden in een volgende collegeperiode gemaakt en vastgelegd in de volgende RES Herijking.
Bijlage: PlanMER 21
Zoekgebied gerealiseerd en in voorbereiding
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
Deze kaart geeft de grootschalige opwekprojecten in de regio weer die vergund, in aanbouw of gerealiseerd zijn. Ook staan de zoekgebieden voor projecten die nog in voorbereiding zijn hierop weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen zon en wind projecten.
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Grootschalige Opwek Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER 22
6. Zon op daken & objecten Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem ENERGIE DELEN
OOST, WEST EN ZUID OPSTELLING
4. Warmtetransitie Klik op een knop om te lezen
5. Grootschalige Opwek OPSLAG IN BATTERIJ
OPWEK OP GELUIDSCHERMEN
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
SOLAR CARPORTS OPWEK OP GEVELS
Direct naar:
VRAAG EN AANBOD KOPPELEN
8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER 23
6. Zon op daken & objecten Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
We wekken het liefst zoveel mogelijk duurzame energie op grote daken op, omdat hier veel maatschappelijke acceptatie voor is. Maar ook op objecten zoals gevels, boven parkeerterreinen (ook bekend als solar carports) en geluidsschermen langs snelwegen. Zo wordt de ruimte dubbel gebruikt en wekken we bovendien energie op waar het ook gelijk verbruikt kan worden, bijvoorbeeld voor het opladen van elektrische auto’s. In de RES kijken we naar plekken waar meer dan 50 zonnepanelen op kunnen (vanaf 15 kWp). Dit blijft ook de komende jaren hard nodig om de afspraken die we in de RES 1.0 hebben gemaakt, na te komen.
niet meer vanzelfsprekend dat zonnepanelen op het elektriciteitsnet kunnen worden aangesloten. Stedin heeft voor ons uitgezocht dat er 0,81 TWh aan ruimte beschikbaar is op hun netwerk. Dit kan nu alleen niet worden gebruikt omdat de ruimte op het hoogspanningsnet van TenneT zeer beperkt is. Het is op dit moment onduidelijk hoeveel ruimte er in de toekomst precies is en waar deze ruimte precies zit. Daarom moeten we ons de komende jaren richten op andere oplossingen, zoals de opgewekte stroom op daken direct verbruiken. In het hoofdstuk Energiesysteem vindt u meer informatie over de werking van het elektriciteitsnet.
6.2 Trends & ontwikkelingen 4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
6.1 Waar staan we nu? In de RES 1.0 is afgesproken dat in de regio 1,8 TWh aan duurzame energie opgewekt wordt in 2030. Waarvan 0,3 TWh tot 0,5 TWh door zon op grote daken. Kleine daken, bijvoorbeeld van woningen, tellen op dit moment niet mee voor onze regionale ambitie. De afgelopen jaren is zon op grote daken sterk gegroeid en inmiddels zijn we de onderkant van de bandbreedte voorbij. In onze regio wordt nu 0,35 TWh opgewekt op grote daken. We verwachten dat ongeveer op de helft van alle grote daken ooit zonnepanelen komen. Dat dit niet alle daken zijn komt door technische belemmeringen zoals de daksterkte, maar ook omdat het dak in veel gevallen niet helemaal vol gelegd kan worden. Als op 50% van de grote daken zonnepanelen liggen, kunnen we 0,85 TWh opwekken in onze regio, ook na 2030. Nu wordt er op 17% van de grote daken zonnestroom opgewekt in onze regio. Naast de opwek mogelijkheden op daken en objecten, is het ook belangrijk dat de opgewekte stroom het elektriciteitsnet op kan. Zon op grote daken wordt door Stedin vaak aangesloten op de Middenspanningsringen (MS-ringen). Op de MSringen bevinden zich aansluitingen geschikt voor 500 tot 5.000 zonnepanelen. Kleinere hoeveelheden zonnepanelen worden op het laagspanningsnet aangesloten. De komende jaren is deze ruimte zeer beperkt door netcongestie. Het is daarom
Er zijn veel ontwikkelingen die invloed hebben op zon op dak, zowel positief als negatief. Zo worden zonnepanelen efficiënter en wekken daardoor steeds meer op. Ook is sinds 2022 de netaansluiting verkleind van 70 naar 50 procent van het piekvermogen van zonnepanelen. Hierdoor kunnen op dezelfde ruimte op het elektriciteitsnet meer zonnepanelen aangesloten worden. Maar er zijn ook ontwikkelingen die de groei van zon op dak vertragen. Door netcongestie moet de opgewekte stroom in de meeste gevallen ook direct verbruikt worden. Daardoor worden niet alleen minder daken benut, maar worden daken ook niet altijd vol gelegd. Slimme oplossingen, zoals direct verbruik, opslag, het tijdelijk terugschroeven van opwek of een kabel delen kunnen helpen om geen of minder stroom naar het net te sturen. Vooral opwek op daken van bedrijven(terreinen) bieden kansen voor direct verbruik. Meer dan een derde van de grote daken in onze regio bevindt zich op bedrijventerreinen. Met de juiste slimme oplossingen kunnen veel bedrijven in elk geval een deel van de opgewekte stroom zelf gebruiken. Slimme oplossingen zijn wel nog volop in ontwikkeling. Het zal dus nog even duren voordat dit op grote schaal toegepast kan worden. De komende tijd zetten we hier actief op in om deze ontwikkelingen te helpen versnellen.
24
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen
Ambities voor 2030 en daarna
Inzet komende periode
De komende jaren blijven we maximaal inzetten op zon op dak. We houden daarbij vast aan de afspraken uit de RES 1.0. Dit betekent dat we tot 0,5 TWh willen opwekken op grote daken en objecten in 2030. Het wordt een grote uitdaging om dit te halen. Door netcongestie zijn er tot 2030 vooral kansen voor opwek als de elektriciteit meteen verbruikt wordt. De verwachting is daarom dat de komende tijd de groei van zon op dak afvlakt.
• We blijven maximaal inzetten op zon op grote daken en objecten. Met als doel om de bovengrens van 0,5 TWh te realiseren in 2030.
Daarnaast kijken we niet alleen naar grote daken voor zonnepanelen, maar ook naar objecten. Onder objecten verstaan we alles waar zonne-energie opgewekt kan worden, maar wat geen dak of veld is. Zoals gevels, boven parkeerterreinen (ook bekend als solar carports) of op geluidsschermen langs snelwegen. Ook hier geldt dat, met de huidige netsituatie, bijna alle opwek direct verbruikt moet worden. We verwachten daarom dat er tot 2030 niet veel opgewekt wordt op objecten. Ook omdat deze technieken nog in ontwikkeling en daardoor duurder zijn. Op de middellange termijn worden nieuwe oplossingen steeds meer marktrijp. Bredere toepassing in de praktijk leidt meestal ook tot een daling van de kostprijs. De kansen die er zijn in onze regio, willen we wel benutten.
• We zetten de komende jaren in op slimme oplossingen die helpen om opgewekte energie direct te verbruiken. Tot het elektriciteitsnet is uitgebreid kunnen veel zonnepanelen namelijk niet aangesloten worden op het elektriciteitsnet. Daarnaast is koppelen van opwek en verbruik altijd een netbewuste keuze. Het is nog onzeker of er na 2030 overal wel voldoende ruimte op het net beschikbaar is om alle potentie te realiseren en ook is nog niet precies bekend waar die ruimte zit. Wachten tot er meer ruimte is op het elektriciteitsnet is geen optie. Met slimme oplossingen hoeft er geen of veel minder elektriciteit het elektriciteitsnet op. Hierdoor kunnen er toch zonnepanelen op daken en objecten komen. Dat is niet alleen nu belangrijk door netcongestie, maar ook in de toekomst om te zorgen dat het net niet overbelast raakt. Door in te zetten op slimme oplossingen dragen we bij aan het energiesysteem van de toekomst. • Als overheden hebben we voornamelijk indirecte invloed op of en waar zon op dak wordt geplaatst. We kunnen alleen direct sturen op het gemeentelijk vastgoed en op gemeentelijke parkeerterreinen. Daarom gaan we de komende periode initiatieven voor opwek actief ondersteunen en ook zelf projecten opzetten. Zo willen we bijvoorbeeld samen solar carports laten ontwikkelen op geschikte gemeentelijke parkeerterreinen.
• Daarnaast blijven we ons inzetten om kennis op te doen en van elkaar te leren. Zo onderzoeken we de komende periode de kansen voor zon op gevels en solar carports in onze regio (technisch, organisatorisch en financieel). De uitdaging zit daarbij in het ontwikkelen van haalbare modellen waarbij de opgewekte stroom direct wordt gekoppeld aan een verbruiker in de buurt, Ook kijken we of we in de toekomst samen op kunnen trekken om zon op dak in sommige gevallen te verplichten binnen de wettelijke mogelijkheden.
Bijlage: PlanMER 25
7. Hoe werkt de RES Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
De Regionale Energie Strategie regio Utrecht (RES regio Utrecht) is een samenwerkingsverband van 21 overheden uit 3 bestuurslagen. Het is een van de dertig RES regio’s in Nederland. We werken samen in de energietransitie en dragen bij aan het behalen van de landelijke doelstellingen op het gebied van duurzame elektriciteitsopwekking en het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Ieder werkt vanuit haar eigen bevoegdheden. Zo stemmen we vanuit ons gezamenlijke inhoudelijke doel onze rollen en inzet van bevoegdheden op elkaar af.
3. Energiesysteem
7.1 Participatie 4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
De energietransitie kan alleen slagen met inzet en beslissingen van vele inwoners, organisaties en bedrijven. Maatschappelijke betrokkenheid is essentieel. Daarom betrekken we inwoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers bij het uitvoeren van de RES. Op verschillende momenten kunnen inwoners en lokale en regionale belanghebbenden meedoen en meepraten, inspraak hebben of bezwaar maken. Participatie met inwoners De deelnemende overheden geven zelf invulling aan participatie met inwoners in het eigen gebied. Over concrete zoekgebieden voor zonnevelden en windturbines en in de warmtetransitie, spreken de gemeenten met hun inwoners en belanghebbenden. Verschillende gemeenten in de regio hebben hiervoor specifieke of algemene participatiekaders opgesteld. Naast het realiseren van lokale betrokkenheid bij energieprojecten is uitgangspunt dat er lokale zeggenschap is en financieel kan worden meegeprofiteerd; er wordt gestreefd naar minimaal 50% lokaal eigendom per project. Regionale participatie We betrekken ook regionale stakeholders in een vroegtijdig stadium. De regionale stakeholders zijn marktpartijen, maatschappelijke organisaties en coöperaties in de regio. We doen dit op twee manieren:
• Klankbordgroep: Er is een klankbordgroep met directieleden/bestuurders van organisaties die een belang vertegenwoordigen rond natuur, milieu, landschap, landbouw, commercie, recreatie of kennis op regionaal niveau. Op dit moment nemen Energie van Utrecht, NMU, LTO, JongRES, MKB Utrecht en Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie deel aan de gesprekken. Hierdoor zijn er vaste momenten waarop regionale stakeholders of bestuurders dilemma’s of vraagstukken kunnen agenderen. Ook kunnen ze dan kennis en advies halen en brengen rond specifieke vraagstukken om zo de bestuurlijke aansturing en uitvoering van de RES beter te kunnen ondersteunen. • Bestuurlijke gesprekken: Daarnaast organiseren we bestuurlijke gesprekken. Hierbij nodigen we een brede groep regionale stakeholders uit en gaan zij samen met bestuurders van de RES regio Utrecht in gesprek over één specifiek onderwerp of thema. Dit zijn thema’s en vraagstukken die bovenlokaal spelen binnen de RES.
7.2 Governance De RES is een samenwerking van overheden waarbij er geen bevoegdheden worden overgedragen. Dat betekent dat we op regionaal niveau afstemmen en besluitvorming voorbereiden. Vervolgens is het aan de colleges en parlementen om daarover te besluiten. We continueren de structuur van samenwerken zoals vastgelegd in de RES 1.0. De zestien wethouders, gedeputeerde en een vertegenwoordigend waterschapsbestuurder vormen de Stuurgroep, waarbij Stedin ook aan het overleg deelneemt. De waterschappen laten zich daarbij vertegenwoordigen door Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. De Stuurgroep stuurt op de uitvoering van de RES Herijking en op het structureren en op tijd voorbereiden van besluitvorming in de parlementen. Ook de uitgangspunten blijven onverminderd van kracht: • Gelijkwaardige partners: Uitgangspunt voor de RES regio Utrecht is de samenwerking van zestien gemeenten, vier waterschappen en de provincie. Zij zijn gelijkwaardige partners binnen de RES. 26
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
• Stedin status aparte: Stedin heeft een aparte status binnen de RES regio Utrecht. Een essentieel onderdeel van de RES is het energie infrastructuurplan. De afstemming van de planning en investeringen in de infrastructuur kent een nauwe samenhang met de planning van de aanpassing van ruimtelijke kaders door overheden. Dit betekent dat de besluitvorming van Stedin op infrastructuur en de besluitvorming van overheden op omgevingsbeleid niet los van elkaar gezien kunnen worden.
• Iedereen doet mee en levert een bijdrage: Met respect voor de lokale context verwachten de deelnemende overheden van elkaar dat zij meedoen, een bijdrage leveren en de eigen keuzes steeds afwegen tegen de belangen van de regio om zo te komen tot een blijvende synergie.
• Besluitvorming bij de overheden: De besluitvorming over de RES vindt plaats door de deelnemende gemeenten, waterschappen en provincie. In de RES zullen veel belangen en waarden samenkomen en waar het niet lukt om deze te verenigen zal van de besturen van de deelnemende overheden gevraagd worden om de belangen tegen elkaar af te wegen. We kiezen er daarom voor de besluitvormingsrol alleen bij de overheden neer te leggen. • Samenstelling Stuurgroep: De stuurgroep RES regio Utrecht bereidt de RESvoorstellen voor die worden voorgelegd ter besluitvorming. Leden van de stuurgroep zijn: de wethouders verantwoordelijk voor de RES van de deelnemende gemeenten, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) namens de vier waterschappen, een gedeputeerde van de provincie en een vertegenwoordiger van Stedin op directieniveau. De bestuurlijk trekker en diens plaatsvervanger vormen samen de bestuurlijk opdrachtgevers van de RES. • U10 structuur benutten: De centrale ontmoetingsplek voor de Stuurgroep is de bestuurstafel Klimaatneutrale regio (KNR) van de U10. De provincie Utrecht, HDSR en Stedin sluiten aan bij het overleg van de bestuurstafel KNR voor het onderwerp RES regio Utrecht. Indien wenselijk organiseren we aanvullende bestuurdersdagen voor afstemming over de RES door de Stuurgroep. • Participatie: We claimen de energietransitie niet als overheden.
De energieopgave is van iedereen. - Op regionaal niveau betrekken we regionaal georganiseerde stakeholders bij de strategievorming. We benaderen deze stakeholders proactief. - Op lokaal niveau informeren en betrekken de lokale overheden inwoners, organisaties en bedrijven zoals dat past in de lokale samenwerking en cultuur. De lokale overheden worden hierin op basis van hun behoeften regionaal ondersteund.
^ De governancestructuur van de RES regio Utrecht
Wat te doen bij bestuurlijke impasse We maken met deze Herijking afspraken over wat we doen als in de Stuurgroep geen overeenstemming kan worden bereikt. De opschaalprocedure geeft dan het handelingsperspectief. Het is een set met werkafspraken die richting geven aan welke stappen achtereenvolgens ondernomen kunnen worden om weer tot gezamenlijkheid te komen. Voor het opvangen van planuitval van grootschalige opwek leggen we een specifieke set afspraken vast in het planuitvalmechanisme om het gesprek hierover te structureren. Deze afspraken vindt u hier .
27
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
7.3 Onderweg naar 2050
7.4 Randvoorwaarden
In 2029 geactualiseerde RES In de RES 1.0 onderschreven we de doelstelling in 2050 de CO2-uitstoot met 95% te hebben verminderd ten opzichte van 1990. Dat doen we nog steeds. Regionale samenwerking is en blijft hiervoor nodig want de opgave houdt zich niet aan gemeentegrenzen. We werken aan dezelfde opgave, maar accepteren lokale verschillen. Zo maken we onze afzonderlijke en gezamenlijke ambities waar. We zijn daarbij onderdeel van het Nationaal Programma RES en het Nationaal Programma Lokale Warmte en vanaf 2026 het Nationaal Programma Energiesysteem waarin onder andere deze programma’s worden samengevoegd. Vanwege de grote tijdspanne van de transitie, de ontwikkelingen in het energiesysteem en de potentie van technologische innovatie kiezen we voor een ontwikkelpad dat we steeds kunnen aanpassen. Wendbaarheid is nodig om op nieuwe ontwikkelingen te kunnen inspelen. Nu en in de toekomst.
Onze ambities kunnen we niet alleen als deelnemers van de RES-regio Utrecht realiseren. Van andere partijen vragen wij ook om inzet, in capaciteit danwel in middelen. Onderstaande randvoorwaarden zijn in lijn met de RES 1.0, maar waar nodig aangepast op de nieuwe realiteit. Om stappen te blijven zetten in de transitie van het energiesysteem hebben we duidelijkheid en continuïteit van het Rijk nodig. Naast uitvoeringsmiddelen om de taken uit te kunnen voeren, hebben we zo snel mogelijk duidelijke kaders en instrumentarium nodig van het Rijk. Kaders en instrumentarium waarop (markt) partijen, inclusief energiecoöperaties en andere lokale initiatieven, kunnen vertrouwen om de benodigde investeringen te blijven doen in het toekomstige energiesysteem.
Gemeenten, waterschappen en provincie nemen regelmatig besluiten in uitvoering of in samenhang met de RES. Daarbij is het goed eens per maximaal vier jaar de ontwikkelingen weer samen te brengen en samen afspraken over het vervolg te maken. Uiterlijk in 2029 leggen we de parlementen een geactualiseerde RES voor. We brengen tussentijds in 2027 de voortgang in beeld, zoals we dat in 2023 ook deden. Regionaal Uitvoeringsprogramma Voor de uitvoering van deze RES Herijking werken we met een Regionaal Uitvoeringsprogramma. Na vaststelling van de RES Herijking wordt bekeken of het huidige uitvoeringsprogramma aanpassing behoeft. Als dit zo is dan wordt een aangepast voorstel aan de deelnemende overheden aangeboden. Het verschilt per deelnemer of dit binnen de bevoegdheid van het college of de directie valt. Het uitvoeringsprogramma bevat een nadere uitwerking van de governance en een overzicht van activiteiten. Budget en capaciteit De bijdrage van het Rijk is de belangrijkste financiële drager van de RES en dit uitvoeringsprogramma. Voor de NPLW activiteiten (warmtetransitie) is het zelfs de enige financiële drager. Daarnaast is er een aanvullende bijdrage van de deelnemers die op het niveau van de afgelopen jaren wordt vervolgd. Daarmee heeft de RES Herijking in ieder geval tot en met 2027 geen budgettaire gevolgen.
Mocht dit op termijn veranderen dan wordt een voorstel aan de deelnemers ter besluitvorming voorgelegd.
Blijvende financiële middelen vanuit het Rijk Het is essentieel dat de middelen via een robuuste, langjarige en eenduidige regeling beschikbaar blijven. Dit geldt voor zowel de uitvoering als investeringen. De middelen die sinds de RES 1.0 landelijk zijn uitgerold (e.g. CDOKE, Nationaal Isolatieprogramma) hebben bijgedragen aan de slagkracht van gemeenten en provincie. Om ook in de toekomst Klimaatafspraken na te komen, is onverminderd steun vanuit het Rijk nodig. Subsidieregelingen en financiële arrangementen zoals de SDE++ en ISDE zijn onmisbaar voor realisatie. Het (gedeeltelijk) wegvallen van deze stimulering maakt uitvoering van de rijksafspraken door de decentrale overheden onmogelijk. Duidelijke regels en instrumentarium Gemeenten hebben het voortouw in de warmtetransitie. Dat betekent niet dat gemeenten er alleen voor staan. Om ze daadwerkelijk regie te laten voeren, is er vanuit het Rijk een duidelijke set aan regels en instrumentarium nodig. • Een beter financieel systeem rondom warmtenetten en bronnetten • Verbetering van het imago van warmtenetten • Wetgeving (Wcw, Wgiw, Bgiw) • Behoud van ISDE subsidie • Netverzwaring • Inzetbaarheid van genoeg goed opgeleid personeel om de transitie uit te voeren. Voor de andere onderdelen van de energietransitie geldt in de basis hetzelfde. Zo hebben we goede en werkbare regelgeving voor windmolens nodig.
Voor zonnevelden is er een stapeling van wensen die de uitvoeringsmogelijkheden beperkt, het ruimtebeslag vergroot en alleen haalbaar is met aangepaste financiële ondersteuning. Een verdere stapeling van eisen en wensen is ongewenst. Bovendien hebben we de onvoorwaardelijke inzet vanuit het Rijk nodig om de huidige netcongestie in onze regio aan te pakken. 28
8. Energie besparen Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen
Een belangrijk onderdeel in de energietransitie is het verlagen van de energievraag. Door minder energie te verbruiken, hebben we minder (fossiele) energie nodig en kunnen we de overstap naar duurzame energiebronnen versnellen. Energie besparen kan door gedrag te veranderen, woningen en gebouwen te isoleren en ventileren, en door goede zonwering toe te passen i.p.v. de airco aan te zetten.
8.1 Waarom energie besparen? Niet gebruikte energie is de meest duurzame energie. Daarom is energie besparen belangrijk. Energie besparen kent vele voordelen: • Energie besparing draagt bij aan het verlagen van de CO2-emissie. • Een lager energieverbruik betekent een lagere energierekening. • Een geïsoleerd gebouw is comfortabeler voor de gebruiker. • Geïsoleerde gebouwen zijn beter geschikt voor een duurzaam warmtealternatief dat een lagere temperatuur heeft dan de huidige fossiele bronnen. • Hoe beter het gebouw is geïsoleerd en het gedrag van de gebruiker is afgestemd op de beschikbaarheid van energie, hoe minder duurzame elektriciteit er opgewekt hoeft te worden, d.m.v. bijv. windturbines en zonneparken. De Europese richtlijn voor energieprestaties gebouwen (EPBD iv) stelt dan ook dat het energieverbruik van woningen omlaag moet, nieuwe gebouwen vanaf 2030 zero-emission buildings (ZEB) moeten zijn en vanaf 2050 alle gebouwen, waarvoor dat haalbaar is, een ZEB zijn.
8.2 Hoeveel kunnen we besparen? Berekeningen voor het besparingspotentieel (het verminderen van het aardgasverbruik van een woning) lopen flink uiteen, van zo’n 7 tot 40% per gemeente. Die berekeningen lopen zo uiteen omdat het sterk afhangt van de staat van de woningen: heb je als gemeente veel woningen met een slecht energielabel dan valt er veel te besparen, ben je een gemeente met voornamelijk relatief jonge woningen die al goed geïsoleerd zijn, dan kan er ook minder worden bespaard. Daarnaast zie je dat als mensen hun woning goed geïsoleerd hebben, ze soms ook ander gedrag gaan vertonen. De thermostaat staat hoger dan voorheen en ook in meer kamers gaat de verwarming aan. Daarmee loop je een deel van de besparingspotentie mis. Ook spelen verschillende klimaatscenario’s een rol in de uiteenlopende percentages. Hoe warmer de winters worden, hoe minder energie er nodig is om woningen warm te houden. Uiteraard kun je ook op andere vlakken, zoals mobiliteit, industrie en landbouw, energie besparen, maar dat valt niet binnen de scope van RES regio Utrecht. Meer informatie over andere sectoren is te vinden in de Energievisie (zie hoofdstuk C De energiegebruikende sectoren op pag. 43).
8.3 Impact op het energiesysteem Vanaf 2050 willen we de warmtevraag van de gebouwde omgeving helemaal kunnen invullen door het benutten van duurzame warmtebronnen die we waar nodig aanvullen met duurzaam opgewekte elektriciteit. Hoe lager de warmtevraag hoe minder elektriciteit we hoeven op te wekken of in te kopen. Daarnaast draagt energie besparen ook bij aan het verlagen van de piekvraag van elektriciteit. Hoe lager de piekvraag hoe minder zwaar het elektriciteitsnet verzwaard zal moeten worden.
9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER 29
8.4 Regionale inzet op energie besparen
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen
Binnen de regio werken we op verschillende manieren aan de aanpak van energie besparen. In 2024 heeft er een traject van werksessies plaatsgevonden waarin gemeenten zelf aan hun Strategische Aanpak Energie Besparen werkten. Hierin werden aanpakken per doelgroep, per gebied en per woningtype uitgewerkt. Deze aanpak zullen we herhalen als daar behoefte aan is. Ook in het Warmteprogramma zal energie besparen een belangrijk thema zijn. Op het schrijven van het Warmteprogramma bieden de provincie Utrecht en de RES regio’s Utrecht, Amersfoort en Food Valley in 2024 een ondersteuningstraject aan dat een voorloper is op het landelijk ondersteuningsaanbod van NPLW dat in 2025 van start gaat. Daarnaast hebben 14 gemeenten uit de provincie Utrecht, waarvan 9 uit regio Utrecht, hun krachten gebundeld en zetten zij gezamenlijk de Nationaal Isolatie Programma (NIP)-gelden in om hun bewoners meerjarig te ontzorgen door middel van een gezamenlijke SpUk LAI-aanpak. De samenwerking maakt onderdeel uit van het Energie Diensten Centrum (EDC). De andere 7 gemeenten hebben hun eigen isolatieaanpak vorm gegeven. In alle aanpakken zullen energie-initiatieven een grote rol spelen. Zij hebben vaak een groep vrijwilligers die als energiecoach/gids/ambassadeur bij mensen thuiskomen voor een keukentafelgesprek en/of een warmtescan.
Ook bestaan er fixbrigades die kleine besparende maatregelen direct uitvoeren bij mensen thuis. Het zijn lokale mensen die veel vertrouwen genieten onder bewoners in hun eigen gemeente. Regionaal zoeken we via U-THUIS en het Energiedienstencentrum (EDC) naar goede samenwerkingsmogelijkheden met energie-initiatieven om elkaar te versterken. Bovenstaande trajecten zijn gericht op woningen. Vanuit provincie Utrecht lopen het Programma verduurzaming bedrijventerreinen en het Programma verduurzaming maatschappelijk vastgoed om ook energiebesparing in deze gebouwen te ondersteunen.
9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER 30
9. Lokaal eigenaarschap Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
De energietransitie heeft een direct effect voor mensen thuis (o.a. energie besparing en aardgasvrije warmte), voor bedrijven (o.a. energiezuinige en aardgasvrije productieprocessen) en het heeft een impact op de leef omgeving (o.a. zon- en windparken en collectieve voorzieningen voor het energie-/warmtenet in de wijk). Daarom is maatschappelijke betrokkenheid en acceptatie een belangrijke pijler in deze transitie. Daarbij is de mogelijkheid van meeweten, meedenken en meedoen belangrijk. Eén van de mogelijkheden om mee te doen is lokaal eigenaarschap. Daarop zoomen we hier in. Ten aanzien van lokaal eigenaarschap maken we onderscheid naar grootschalige opwek van elektriciteit en de aardgasvrije warmteoplossing.
Het lokaal eigenaarschap wordt meestal ingevuld door lokale energiecoöperaties. Zij zijn de partij die in samenwerking met een commerciële ontwikkelaar en/of de grondeigenaar het project ontwikkelen en exploiteren. Via de coöperaties (of andere lokale samenwerkingsvormen) kunnen bewoners en bedrijven meedenken, meedoen en meeprofiteren bij opwekprojecten. Van gemeenten en van de provincie wordt verwacht dat zij het uitgangspunt van 50% lokaal eigenaarschap borgen in beleid en zij bij opwekinitiatieven toetsen of er een goed communicatie- en participatieplan is. Onder de Omgevingswet en de nieuwe Energiewet is het per 1 januari 2026 mogelijk lokaal eigenaarschap in opwekprojecten juridisch af te dwingen met een inspanningsverplichting. De overheden bewaken ook of de communicatie en participatie volgens plan verloopt. Veel gemeenten in de regio hebben participatie bij opwekprojecten vastgelegd in beleid. De provincie heeft het “beleids- en toetsingskader lokaal eigendom en participatie bij windenergie” vastgesteld.
9.1 Lokaal eigenaarschap bij grootschalige opwek
Er zijn al vele succesvolle praktijkvoorbeelden van 50% lokaal eigenaarschap. Dit vraagt wel iets van de organisatie, kennis en kunde van de coöperatie en het vermogen om voldoende eigen kapitaal op te kunnen halen om volwaardig mee te kunnen ontwikkelen. Gemeenten en de provincie kunnen, waar nodig en mogelijk, de lokale coöperatie faciliteren. Hiervoor is door de provincie in samenwerking met koepel coöperatie Energie van Utrecht een ondersteuningsstructuur opgezet waar energiecoöperaties gebruik van kunnen maken om succesvol energieprojecten tot realisatie te brengen.
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen
In de praktijk blijkt dat het voor omwonenden het belangrijkste is dat zij vroegtijdig worden geïnformeerd en dat zij mee kunnen denken hoe hinder zoveel mogelijk kan worden beperkt. Daarnaast vindt een deel van de omwonenden en andere belanghebbende het belangrijk dat er een mate van lokaal zeggenschap en eigenaarschap is. Deels omdat zij daarmee kunnen meebeslissen en deels omdat zij daarmee ook financieel kunnen participeren en meeprofiteren met opwekprojecten. In het Nederlandse Klimaatakkoord is afgesproken dat wordt gestreefd naar 50% lokaal eigenaarschap: “Om de projecten voor de bouw en exploitatie van hernieuwbaar energie op land (waaronder wind- en zonneparken) in de energietransitie te laten slagen, gaan in gebieden met mogelijkheden en ambities voor hernieuwbare opwekking, partijen gelijkwaardig samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie. Dit vertaalt zich in evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied waarbij gestreefd wordt naar 50% eigendom van de productie van de lokale omgeving (bewoners en bedrijven). Investeren in een zon –en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risico lopen. Het streven voor de eigendomsverhouding is een algemeen streven voor 2030. Er is lokaal ruimte om hier vanwege lokale project gerelateerde redenen van af te wijken.”
In het digitaal dossier van de NPRES over lokaal eigendom vindt u o.a. meer informatie over het borgen van lokaal eigendom in beleid, handreikingen voor het faciliteren van lokaal eigendom en praktijkvoorbeelden.
Bijlage: PlanMER 31
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
9.2 Lokaal eigenaarschap bij de warmtetransitie
9.3 Collectieve warmtesystemen
Als taak vanuit het Nationaal Energieakkoord hebben gemeenten de regie over de warmtetransitie. Als onderdeel van deze regierol zijn gemeenten verplicht een warmteprogramma op te stellen. Een warmteprogramma beschrijft de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Hierin staat welke wijken, buurten en dorpskernen in de komende 10 jaar van het aardgas gaan en hoe dat gebeurt.
Als wordt gekozen voor een collectief warmtesysteem, kunnen bewoners ook een rol gaan spelen in het eigenaarschap van het warmtenet. In de Wet Collectieve Warmte (Wcw), die de huidige Warmtewet moet vervangen, staat hier meer over. Het doel van de Wcw is om de ontwikkeling van nieuwe warmtenetten makkelijker te maken. En om betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid te waarborgen. Dat gebeurt onder andere door gemeenten meer regie over de warmtetransitie te geven. Ook staat erin dat warmtenetten met meer dan 1500 aansluitingen in handen moeten zijn van een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang en/of van een warmtegemeenschap.
In de wijken en buurten waar concreet stappen worden gezet in de warmtetransitie wordt vaak gestart met een Uitvoeringsplan. Een uitvoeringsplan is een concreet uitgewerkt plan om de gebouwde omgeving in een gebied aardgasvrij te maken, of als tussenstap aardgasvrij-ready. De gemeente heeft ook hierbij de regie, maar maakt het altijd sámen met partners waaronder bewoners. Met gedragen en afgestemde besluitvorming als resultaat. Er zijn veel verschillende soorten uitvoeringsplannen - sterk afhankelijk van het gebied, de warmteoplossing in dat gebied en de samenwerkingsvorm in dat gebied. Een uitvoeringsplan wordt ook wel wijkuitvoeringsplan (WUP) genoemd. In het digitale dossier van het NPLW over participatie en samenwerking vindt u onder andere meer over het participatieproces, en over het betrekken van bewoners en bewonersinitiatieven.
Deze Wcw is in juni 2024 aangeboden aan de Tweede Kamer. Wanneer de wet in werking treedt is afhankelijk van de snelheid van de behandeling door de Eerste en Tweede Kamer. De eerder voorziene datum voor de inwerkingtreding van de Wcw per 1 jan 2025 is niet gehaald. Als RES-regio ondersteunen we gemeenten met een blauwdruk voor een gemeentelijk warmtebedrijf en op samenwerking met energiecoöperaties. Daarnaast onderzoekt provincie Utrecht de mogelijkheden van een provinciaal warmte ondersteuningsbedrijf.
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER 32
10. Energiebronnen Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
De rol van duurzame energiebronnen en -dragers in het energiesysteem Elke energiebron, zowel voor warmte als elektriciteit, heeft zijn eigen impact op het energiesysteem en het ruimtegebruik. We geven hier een inkijkje in de impact van verschillende lokale energiebronnen. Deze inzichten zijn belangrijk om mee te nemen in de keuzes die we in de energietransitie nog moeten maken.
10.1 Warmtebronnen en -dragers Hieronder beschrijven we in grote lijnen de impact per warmte-infrastructuur op het energiesysteem. Aardgasvrij verwarmen heeft direct effect op elektriciteit en ruimte Aardgasvrij verwarmen van onze woningen en gebouwen kan met verschillende technieken. Elke techniek heeft zijn eigen effect op de elektriciteitsvoorziening en het energiesysteem in zijn geheel. Alle keuzes voor warmteoplossingen bij elkaar opgeteld, bepalen hoeveel vermogen er nodig is aan duurzame energie en ruimte. De warmtetransitie zorgt voor een toename in de elektriciteitsvraag. Dit komt doordat veel duurzame warmtebronnen een lagere temperatuur hebben dan de huidige fossiele bronnen. Deze bronnen moeten opgewaardeerd worden en daar is elektriciteit voor nodig. Voor een klimaatneutrale energievoorziening wordt deze extra elektriciteit ook opgewekt in de regio Utrecht, en bij voorkeur zo dicht mogelijk bij de warmtevraag. De extra elektriciteit voor verwarmen heeft pieken in de winter omdat dan de warmtevraag het hoogste is. In het winterseizoen is de opbrengst van zonnepanelen laag en de opbrengst van windturbines hoog. Vanuit het energiesysteem gekeken zal de extra elektriciteitsvraag voor aardgasvrij verwarmen daarom vooral moeten worden ingevuld met extra windenergie.
Daarnaast zal het laag- en middenspanningsnet verzwaard moeten worden, waar extra elektriciteitshuisjes voor nodig zijn. Dit vraagt om grote investeringen en kost ruimte in de wijken. Bij de keuzes voor warmteoplossingen zal dit een factor bij de afweging zijn. Individueel all electric Als we woningen en gebouwen individueel verwarmen met warmtepompen (all electric) dan vraagt dat om heel veel meer elektriciteit op het laagspanningsnet in wijken en op bedrijventerreinen. Deze elektriciteitsvraag kent ook grote pieken. Een seizoenspiek, want de warmtepomp wordt vooral in de winter gebruikt. En pieken over de dag. Hiervoor moet het laagspanningsnet worden verzwaard en zijn er veel extra elektriciteitshuisjes (transformatorhuisjes) nodig in de wijken. Dit vraagt om grote investeringen en kost ruimte in de wijken. Collectief zeerlaagtemperatuurnet (ZLT) Een zeerlaagtemperatuurnet, ook wel bronnet genoemd, bestaat uit een warmtenet gecombineerd met individuele warmtepompen. De temperatuur in het net is zeer laag en deze wordt pas in de woning opgewaardeerd met een warmtepomp. Dit heeft als voordeel dat je minder warmte onderweg verliest dan bij een warmtenet met een hogere temperatuur. Er is net als bij individuele warmtepompen zonder warmtenet extra elektriciteit nodig.
Omdat een warmtenet vaak gecombineerd kan worden met warmteopslag in de bodem (warmte-koude-opslag, WKO), kun je in de winter de warmte uit de zomer gebruiken. De warmtepomp kan dan efficiënter werken. Een warmtenet is daardoor energetisch efficiënter dan individuele warmtepompen zonder warmtenet. Toch is ook hier sprake van een seizoenspiek in de winter en pieken in de elektriciteitsvraag gedurende de dag. Dus ook hier moet het laagspanningsnet worden verzwaard wat grote investeringen vraagt en ruimte kost in de wijken. Net als de aanleg van een warmtenet.
33
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Zeerlaagtemperatuurnetten zijn vaak ook goed in te zetten voor koeling. Koeling is wenselijk met steeds warmere zomers en de zomerse warmte kan ’s winters worden benut voor verwarmen. Daarmee sluiten deze warmtenetten ook goed aan bij een integrale systeembenadering van onze energievoorzieningen.
Warmtebronnen en -dragers in de regio De verschillende warmteinfrastructuren kunnen gevoed worden met verschillende bronnen. Klik op onderstaande duurzame warmtebronnen en -dragers voor informatie over de potentie in de regio en hoe we er regionaal mee omgaan.
Collectief laagtemperatuurnet (LT) Als we een laagtemperatuurnet en collectieve warmtepompen inzetten om woningen en gebouwen te verwarmen en te koelen, is er extra elektriciteit nodig. Ook bij deze oplossing is sprake van een seizoenspiek in de winter en zijn er pieken in elektriciteitsvraag gedurende de dag, ondanks de combinatie met warmteopslag. Collectieve warmtepompen hebben een grootverbruiksaansluiting en zijn aangesloten op het middenspanningsnet. Dat bekent een minder zware belasting van het laagspanningsnet in de wijken. Wel moet het middenspanningsnet worden uitgebreid. Dit vraagt minder grote investeringen aan het net en minder ruimtebeslag in de wijk. Aan de andere kant moet voor deze warmteoplossingen wel een (laagtemperatuur)warmtenet worden aangelegd in de wijken en op bedrijventerreinen. Ook dat vraagt om grote investeringen en om ruimtelijke ingrepen in de wijken.
• Geothermie • Aquathermie (TEO, TEA en TED) • Bodemenergie • Bio-warmte - Biomassa - Groen gas • Waterstof • Warmteopslag
Collectief midden- en hoogtemperatuurnet (MT en HT) Bij midden- en hoogtemperatuurnetten, bijvoorbeeld gevoed met warmte uit de diepe ondergrond (geothermie), is veel minder elektriciteit nodig. Er zijn geen warmtepompen nodig. Bij midden- en hoogtemperatuurnetten is koeling vaak niet mogelijk.
Zowel het NPLW als NP RES warmtebronnen.
geven veel achtergrondinformatie over
Onderstaande tabel geeft per warmtebron de impact op het elektriciteitsnet en de ruimte weer. Daar kunnen we de volgende principes uit halen: • Hoe lager de brontemperatuur, hoe meer elektriciteit er nodig is om tot een middentemperatuur warmtenet te komen. Bij voorkeur worden (Z)LT bronnen gebruikt voor een (Z)LT net voor goed geïsoleerde woningen. • Hoe beter vraag en aanbod matchen, hoe minder warmteopslag of buffering er nodig is. • Een warmtenet heeft altijd een grotere ruimtelijke impact in de wijk dan een individuele oplossing, met name ondergronds. Een individuele oplossing of opwaardering in de woning hebben dan weer meer impact in de woning.
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER 34
De impact van de warmtebron op het elektriciteitsnet en de ruimte COLLECTIEF type elektriciteitswarmtenet vraag voor opwaardering tot MT
Inhoud: 1. Overview
brontemp temp °C
ZLT 0
LT 30
MT 55
HT 75
warmteopslag nodig om vraag en aanbod te matchen?
klein-beperktgroot-enorm
100
ruimtelijke imruimtelijke pact bovengronds impact (wijk en woning)* ondergronds* klein-gemiddeldgroot
klein-gemiddeldgroot
bodemenergie 2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
bodemwarmte (open systeem, WKO)
ZLT tot LT
groot
WKO is langduri- klein ge opslag
gemiddeld tot groot
bodemwarmte (gesloten systeem)
ZLT tot LT
groot
is een vorm van klein langdurige opslag
gemiddeld tot groot
ondiepe geothermie
LT tot MT
beperkt
seizoen / wenselijk
groot
groot
diepe geothermie
MT tot HT
klein
seizoen / wenselijk
groot
groot
TEO thermische energie oppervlaktewater
ZLT tot MT
groot
seizoen / noodzakelijk
gemiddeld
gemiddeld tot groot
TEA thermische energie afvalwater
ZLT tot MT
groot
kort / wenselijk
gemiddeld
gemiddeld
TED thermische energie drinkwater
ZLT tot MT
groot
seizoen / wenselijk
gemiddeld
gemiddeld tot groot
zonthermie verschillende technieken
ZLT tot HT
klein tot groot, afhankelijk van brontemp
seizoen / noodzakelijk
groot
gemiddeld
restwarmte verschillende bronnen (bijv. supermarkt, datacentrum, industrie)
ZLT tot HT
klein tot groot, afhankelijk van brontemp
kort / noodzakelijk
klein
gemiddeld
aerothermie omgevingswarmte
ZLT tot MT
groot tot enorm
kort / wenselijk
gemiddeld
gemiddeld
bio-wamte biomassa
MT
klein
niet nodig
klein (brandstof groot)
gemiddeld
geothermie
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
aquathermie
* (bron + opslag + infrastructuur)
35
INDIVIDUEEL elektriciteitsvraag voor opwaardering tot MT
warmteopslag nodig om vraag en aanbod te matchen?
ruimtelijke imruimtelijke pact bovengronds impact (wijk en woning)* ondergronds*
omgevingswarmte (volledig elektrische warmtepomp)
groot tot enorm
nvt
klein tot gemiddeld klein
omgevingswarmte (hybride warmtepomp (tussenoplossing))
gemiddeld, bijverwarming nu met aardgas
nvt
klein tot gemiddeld klein
groot
nvt
klein
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
brontemp temp °C
ZLT 0
LT 30
MT 55
HT 75
100
aerothermie
bodemenergie bodemwarmte (gesloten systeem, volledig elektrische warmtepomp)
gemiddeld tot groot
* (bron + opslag + infrastructuur) 6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
10.2 Elektriciteitsbronnen en -dragers Hieronder geven we inzicht in de verschillende elektriciteitsbronnen en -dragers en de impact daarvan op het energiesysteem. Naast windenergie (windturbine) en zonne-energie (o.a. op daken en als zonnevelden) zijn er nog enkele andere fossielvrije elektriciteitsbronnen:
Groene waterstof wordt gemaakt uit groene stroom en is daarmee formeel geen energiebron, maar een energiedrager. Omdat uit groene waterstof wel fossielvrije elektriciteit (en warmte) gemaakt kan worden benoemen we groene waterstof wel bij de elektriciteitsbronnen.
• • • •
De NP RES heeft een factsheet over elektriciteit met uitgebreide informatie over de verschillenden elektriciteitsbronnen. In onderstaande tabel staan per bron enkele kenmerken over het ruimtebeslag, de variatie in beschikbaarheid en de relatie met de warmtetransitie.
Biomassa Kernenergie (SMR) Waterkracht Groene waterstof
36
Kenmerken per bron over het ruimtebeslag, de variatie in beschikbaarheid en de relatie met de warmtetransitie
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen
Elektriciteitsbron
Ruimtebeslag
Aansluitbaar achter de meter
Flexibel regelbaar Weersvermogen afhankelijk
Seizoensafhankelijk
Stroomproductie in stookseizoen*
Windenergie
0,1 ha per turbine(ca 18 MWh/jr)
Ja
Nee
Ja
Ja
Ja
Zonne-energie
1,0 ha voor ca 1 MWh/jr
Ja
Nee
Ja
Ja
Beperkt
Biomassa
6 ha voor biomassacentrale 900 MW
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
Kernenergie (SMR)
6 ha voor kerncentrale 1960 MW
Nee
Beperkt
Nee
Nee
Ja
Waterkracht
beperkt ruimtebeslag bij bestaande stuwen
Ja
Nee
Nee
Ja
Ja
Groene waterstof (energiedrager)
6 ha voor 900 MW
Ja
Ja
Nee (afh. van energie Nee bron elektrolyser)
Ja
* relatie met warmtetransitie
10.3 Elektriciteitsopslag Het energiesysteem in Nederland is aan het verduurzamen. Grote gas- en kolencentrales maken plaats voor decentrale wind- en zonneparken. Door het veranderende energiesysteem ontstaan er momenten met overschotten aan elektriciteit in de zomermaanden en maanden waarin de productie van duurzame elektriciteit onvoldoende is voor de vraag. Daarom zijn technieken nodig om elektriciteit tijdelijk op te slaan en op andere momenten weer vrij te geven. Ook op lokaal niveau leiden veranderingen in vraag en aanbod van elektriciteit ertoe dat de capaciteit van het elektriciteitsnet onvoldoende is voor alle activiteiten. Dit kan er weer toe leiden dat initiatieven voor zon en wind vertragen of niet gerealiseerd kunnen worden, of dat nieuwe verbruikers van elektriciteit niet kunnen worden aangesloten. Vanuit deze ontwikkelingen neemt de roep om andere oplossingen, zoals opslag van elektriciteit in batterijen, snel toe. Er zijn veel initiatieven op het gebied van elektriciteitsopslag, maar het is niet altijd duidelijk in hoeverre deze bijdragen aan een robuust energiesysteem
Opslag van elektriciteit kan zorgen voor minder fluctuaties in de vraag en het aanbod van elektriciteit. Hiermee kan het elektriciteitsnet optimaler worden benut en worden de pieken en dalen afgevlakt. In deze factsheets meer informatie over opslag als oplossingsrichting. Er zijn echter meer oplossingen, zoals slim gebruik van elektriciteit, lokaal balanceren van vraag en aanbod of omzetting van elektriciteit naar andere energiedragers.
9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER 37
Overzichtstabel met per batterijsysteem de belangrijkste kengetallen op een rij. Batterijsystemen Huidige technieken Thuisbatterij
Grote batterij bij opwekker/ verbruiker
Vermogen
2-10 kW (0,002-0,01 MW)
Capaciteit Tijdsduur ontladen op vol vermogen
Gridbatterij
Flowbatterij
Zoutwaterbatterij
0,3-10 MW
ca 0,3-3MW (buurtbatterij), 5-1000+MW (grote gridbatterij)
1-100 MW
Enkele kilowatten
2-40 KWh
0,3-40 MWh
0,6-1000+ MWh
1-1000+ MWh
1-100 kWh
1-4 uur
1-4 uur
2-4 uur
4-100 uur
2 uur en meer
Toepasbaarheid op schaalniveau
Woningniveau
Alle niveaus
Van buurtniveau tot hoogspanningsnet
Alle niveaus
Alle niveaus
Technische realisatie voor 2030
Zeker te realiseren
Zeker te realiseren
Zeker te realiseren
Zeker te realiseren
Mogelijk te realiseren
Investeringskosten
ca. 700-1200 €/kWh plus 500- 1000 € installatiekosten
500 €/kWh (stationaire batterij, >1 MW) tot 700 €/ kWh (mobiele batterij)
ca. 700 €/kWh voor buurt batterij, ca. 380 €/kWh voor grote gridbatterij (60 MW, 240 MWh)
ca. 500 €/kWh
Duurder dan lithium-ion, geen betrouwbare kostenschatting beschikbaar
Efficiëntie
ca. 90%
ca. 90%
ca. 85%
ca. 70%
80-90%, afhankelijk van laadsnelheid
Doorlooptijd
<1 jaar
1-2 jaar
1-2 jaar
1-2 jaar als techniek eenmaal beschikbaar is
1-2 jaar als techniek eenmaal beschikbaar is
<1 m2, past meestal in meterkast
30-80 m2/MWh
ca. 25 m2/MWh voor gridbatterij
ca. 10 m2 per MWh
Geen betrouwbare cijfers, maar fors groter ruimtebeslag dan lithium-ion
Nog geen normen. Veiliger dan lithium-ion, want componenten zijn vloeibaar en niet ontvlambaar
Geen, bevat enkel zout water
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
Innovatieve technieken
7. Hoe werkt de RES
Ruimtelijke impact
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen
Veiligheidsaspecten
Brandveiligheid bij oudere Er is een circulaire beschikbaar met veiligheids types lithium-ion (NMC). De voorschriften, in afwachting van de PGS37-2. Brandveilignieuwere lithium-ijzer-fosfaat heid is het voornaamste aandachtspunt. Voor realisatie van (LFP) batterijen zijn veel buurtbatterijen is een NEN- norm opgesteld veiliger
Bijlage: PlanMER 38
Bijlage: PlanMER Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Onderliggend aan de RES Herijking is een planMER (milieueffectrapport) uitgevoerd. Het planMER heeft als voornaamste doel om te zorgen dat het milieubelang volwaardig wordt meegewogen bij deze herijking. Door de milieueffecten van zonne- en windparken in vooraf bepaalde zoekgebieden te onderzoeken. Het planMER geeft inzicht in de milieueffecten op thema’s zoals geluid, gezondheid, natuur en landschap in de verschillende zoekgebieden. Het geeft gemeenten meer duidelijkheid over hoeveel energie in de zoekgebieden kan worden opgewekt, en welke milieugevolgen dit kan hebben. Het PlanMER is een bijlage (Bijlage 1) bij de RES Herijking en bevat zelf geen besluit of kaderstelling. Voorafgaand aan het PlanMER is de Nota Reikwijdte en Detailniveau (NRD) opgesteld. Om inwoners en maatschappelijke partijen de mogelijkheid te geven om hun zienswijzen in te dienen heeft deze eerst ter inzage gelegen. In de NRD staat welke locaties worden onderzocht en hoe deze worden onderzocht (onderzoeksagenda). Vervolgens vond het milieuonderzoek plaats en is het concept planMER opgesteld. Het concept planMER is voor advies voorgelegd aan de onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie MER). Het advies van de commissie MER op het PlanMER RES Herijking regio Utrecht en de reactie hierop van de RES regio Utrecht leest u in bijlagen 2 en 3.
Om inwoners en maatschappelijke partijen de mogelijkheid te geven om hun zienswijzen in te dienen hebben het PlanMER samen met de concept RES Herijking ter inzage gelegen bij alle gemeenten en de provincie. De inbreng vanuit de zienswijzen is gebruikt om tot een definitief voorstel te komen. De zienswijzen zijn in de Nota van beantwoording NRD (bijlage 4) en Nota van beantwoording RES Herijking (bijlage 5) beantwoord. Bijlage 1 PlanMER Bijlage 2 Advies van de Commissie MER
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen Bijlage: PlanMER
Bijlage 3 Reactie op het Advies van de Commissie MER Bijlage 4 Nota van beantwoording NRD Bijlage 5 Nota van beantwoording RES Herijking, incl. PlanMER 39