CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording_vragen_ONAFH_toetsingskaderZon.pdf

Gemeenteraad 3 oktober 2024, gemeente OudewaterBij agendapunt: 8: Raadsvoorstel Toetsingskader grootschalige zonnevelden en openstelling gebied B3 (154413)2.631 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAADSNOTITIE Datum

: 23-9-2024

Kenmerk

: nvt

Portefeuillehouder

: Bas Lont

Opsteller

: Merijn de Roos

Onderwerp

: Beantwoording vragen van de Onafhankelijken betreffende het Toetsingskader grootschalige zonnevelden gemeente Oudewater en openstelling gebied B3

Antwoorden op de vragen van De Onafhankelijken over het toetsingskader en opstelling gebied B3 Datum: 23-9-2024.

Vraag 1. Lokaal eigendom en financiële participatie

In kanttekening 1.2 staat over lokaal eigendom en financiële participatie geschreven: ‘In de praktijk blijkt dat lokale energiecoöperaties niet altijd in staat zijn om deze voorwaarden te vervullen. Dit kan te maken hebben met beperkte middelen, gebrek aan ervaring met grootschalige projecten of andere organisatorische uitdagingen. Hierdoor kan het realiseren van de beoogde lokale betrokkenheid moeilijker blijken dan aanvankelijk gedacht’.

In artikel 2.2.6 van het toetsingskader staat een en ander beschreven over financiële participatie en lokaal eigendom. Echter, de manier waarop dit opgeschreven is baart mij zorgen. Er staat ‘Er wordt onderzocht of lokaal eigendom mogelijk is..., De energie coöperatie moet eerst de leden uit de gemeente Oudewater aanbieden om..., daarna komen anderen aan set.’ Op papier staat de volgorde van benaderen van bewoners beschreven. Hoe zorgen we er als gemeente voor dat lokaal eigendom ook gewoon lokaal geregeld wordt? Antwoord: De gemeente zal de volgende maatregelen nemen om te waarborgen dat lokaal eigendom effectief en daadwerkelijk lokaal geregeld wordt: 1. Contractuele verplichtingen. In het toetsingskader staat al de eis dat minimaal 50% lokaal eigendom gerealiseerd wordt. In de anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer worden duidelijke eisen gesteld aan de betrokkenheid van lokale coöperaties en bewoners. Dit zorgt ervoor dat de lokale gemeenschap prioriteit krijgt bij participatiemogelijkheden. Pas na vergunningsverlening wordt lokaal eigendom gerealiseerd door de initiatiefnemer. 2. Ondersteuning. De gemeente biedt ondersteuning aan lokale energiecoöperaties, zodat zij in staat zijn om een volwaardig plan te maken voor een zonneveld.

Zij worden op dit moment ook ondersteund door de regionale koepelorganisatie voor energiecoöperaties Energie van Utrecht en door een meer ervaren landelijke energiecoöperatie. Vraag 2. Voordelen voor direct omwonenden

Voor De Onafhankelijken is het belangrijk dat alle inwoners van Papekop profiteren van de komst van het veld. En niet alleen inwoners uit de rest van de gemeente en omliggende gemeenten die financiële mogelijkheden hebben om obligaties of andere financiële producten gelieerd aan het zonneveld te kopen. Welke mogelijkheden heeft de gemeente om de institutionele slagkracht van de omwonenden te waarborgen/vergroten? Met andere woorden: hoe kan de gemeente de inwoners van Papekop ondersteunen om echt voordeel te gaan ondervinden van de komst van het zonneveld? Een commerciële initiatiefnemer kent alle regels en geitenpaadjes, burgers niet per se. Antwoord: De gemeente begrijpt dat het belangrijk is dat alle direct omwonenden van het zonneveld profiteren. Tijdens een bewonersavond in januari jl. hebben wij de inwoners kennis laten maken met Energie van Utrecht. Zij ondersteunen lokale energiecoöperaties met het ontwikkelen van energieprojecten. Verder heeft gemeente Oudewater gebiedscoöperatie Copes Kracht helpen oprichten. In het gebiedsproces Oudewater-Noord hebben Pagina 1 van 5

de procesbegeleiders expliciet het thema Energie meegenomen in de tafelgesprekken met de bewoners en grondeigenaren. In de toekomst kunnen inwoners uiteraard altijd met vragen bij de gemeente terecht voor meer duidelijkheid. De gemeente heeft hierin een faciliterende rol. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het regelen van lokaal eigendom en financiële participatie. De initiatiefnemer stelt een participatieplan op waarin staat hoe de wensen en zorgen van omwonenden gehoord en meegenomen worden. Daarnaast is in het toetsingskader opgenomen dat er een omgevingsfonds moet komen. Met dit fonds profiteert de lokale gemeenschap mee van de opbrengsten van het zonneveld. Vraag 3. Herziening van het toetsingskader bij nieuwe regels

In kanttekening 1.3 staat dat er momenteel onderzoeken plaatsvinden naar behoud van bodemkwaliteit onder de panelen, en dat indien er nieuwe regels komen het kan zijn dat het toetsingskader herzien moet worden. Indien dit het geval is, komt dit langs de raad of hoe worden wij geïnformeerd over de gevolgen? Antwoord: Als er nieuwe landelijke regels of richtlijnen komen naar aanleiding van landelijke onderzoeken, gelden die direct voor alle projecten en initiatieven. Initiatiefnemers zijn zelf verantwoordelijk voor het naleven van de actuele weten regelgeving. Vraag 4. Hoogte van de zonnepanelen In artikel 2.2.2 van het toetsingskader staat dat de hoogte van de zonnepanelen max 1.5 m boven maaiveld mag zijn, tenzij deze hoogte die ecologische kwaliteit niet waarborgt. Wie bepaald of deze ecologische kwaliteit niet gewaarborgd wordt en hoe wordt hier over gecommuniceerd? Wie bepaalt of de ecologische kwaliteit niet gewaarborgd wordt bij de maximale hoogte van de zonnepanelen, en hoe wordt hierover gecommuniceerd? Antwoord: De initiatiefnemer onderbouwt wat de effecten zijn van de zonnepanelen op 1.5 m hoogte op de ecologische kwaliteit. Daarvoor heeft de initiatiefnemer kennis nodig over de huidige bodemkwaliteit, in dit geval het belangrijkste onderdeel binnen ecologische kwaliteit.

De ecologische kwaliteit wordt beoordeeld door een onafhankelijke ecoloog of deskundige die is aangesteld door de initiatiefnemer. De initiatiefnemer kan: 1. de ecoloog vragen om te evalueren of de hoogte van de zonnepanelen invloed heeft op de bodemkwaliteit in het gebied, of 2. op een andere manier kennis inwinnen om aan te tonen wat de effecten zijn van de zonnepanelen op de huidige bodemkwaliteit – zoals onderzocht door de ecoloog. De initiatiefnemer maakt in zijn projectplan duidelijk welke hoogte zonnepanelen hij wil hanteren, met een gedetailleerde onderbouwing waarom. Gemeente Oudewater draagt zorg voor de beoordeling van deze onderbouwing. Hier kan kennis ingewonnen worden van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU). Vraag 5. Monitoring bodemkwaliteit en achteruitgang kwaliteit

In artikel 2.2.3 van het toetsingskader staat dat de kwaliteit van de bodem na 1 jaar onderzocht moet worden, en vervolgens elke 5 jaar. Wat gebeurt er als de kwaliteit van de bodem achteruit gegaan is? Hierover is niets opgenomen in het kader. Antwoord: Als de bodemkwaliteit achteruitgaat, wordt met de initiatiefnemer besproken in hoeverre dit veroorzaakt wordt door de komst van het zonneveld. Met de initiatiefnemer worden afspraken gemaakt om achteruitgang als gevolg van het zonneveld zoveel mogelijk te herstellen en in de toekomst te voorkomen. Vraag 6. Bodemdaling en het robuuste watersysteem

In artikel 2.2.3 wordt ook geschreven over bodemdaling ‘Er mag geen extra bodemdaling plaatsvinden in de projectperiode, bodemdaling moet zoveel als mogelijk worden afgeremd.’ In bijlage B3 op blz 17 van het toetsingskader lezen wij onder het kopje Koppelkansen dat verhogen van het waterpeil in gebied B3 niet mogelijk is vanwege het onderdeel zijn van een robuust watersysteem. Betekent dit dat de bodemdaling in dit gebied gelijk blijft als ware het in agrarisch gebruik? En dat inklinking agv veenoxidatie dus door zal blijven gaan? Antwoord: Ja, het is mogelijk dat de bodemdaling doorgaat zoals de huidige agrarische praktijk. Het waterpeil in het gebied mag door een initiatiefnemer (nog) niet veranderd worden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR). Het toetsingskader richt zich daarom op het zoveel mogelijk beperken van verdere bodemdaling door Pagina 2 van 5

de aanleg, exploitatie en verwijdering van het zonneveld. De initiatiefnemer wordt daarom uitgedaagd om zelf na te denken over maatregelen om extra bodemdaling tegen te gaan. Dit doet de initiatiefnemer door alternatieve methoden te onderzoeken om bodemdaling tegen te gaan, zonder het robuuste watersysteem te verstoren. Vraag 7. Technieken tegengaan van bodemdaling

In hetzelfde stuk op blz 17 staat dat er onderzocht moet worden hoe bodemdaling zoveel mogelijk tegengegaan kan worden. Welke andere technieken zijn er voor handen om bodemdaling tegen te gaan? Kunnen deze opgenomen worden in het kader ter inspiratie? Antwoord: Een voorbeeld is vegetatiebeheer: het bevorderen van de groei van vegetatie die kan bijdragen aan het stabiliseren van de bodem. Het college acht het niet noodzakelijk om technieken op te nemen in het toetsingskader als inspiratie en richting voor het beheer van bodemdaling. Dit geeft ruimte aan de initiatiefnemer om zelf met creatieve ideeën te komen om verdere bodemdaling tegen te gaan. Vraag 8: Verlengen of verkorten van de openstellingsperiode

Gebied B3 wordt opengesteld voor een periode van 30 jaar. Welke mogelijkheden zijn er voor verlenging van deze periode? Is er een moment in de toekomst waarin over verlenging gesproken gaat worden. En voor verkorting? Stel de initiatiefnemer wil er over 20 jaar mee stoppen, wat dan? Antwoord: 1. Verlenging. In principe wordt de planologische toestemming verleend voor 30 jaar door middel van een afwijking van het nu geldende bestemmingsplan/omgevingsplan. Het verlengen van de openstellingsperiode is mogelijk tegen het einde van die 30 jaar, maar tegen die tijd moet de planologische toestemming zijn verwerkt in het omgevingsplan. In het omgevingsplan kan dan worden vastgelegd welke functies worden toegedeeld aan dit gebied. Het omgevingsplan wordt voor vaststelling voorgelegd aan uw raad. 2. Verkorting. Als de initiatiefnemer na bijvoorbeeld 20 jaar wil stoppen, dan kunnen zij het zonneveld verkopen. Of de installatie kan ontmanteld worden volgens de afspraken die in de anterieure overeenkomst zijn vastgesteld. Echter, de initiatiefnemer rekent voor de financiële haalbaarheid op een langere periode, dus dat zal in de praktijk zelden voorkomen. 3. Contractuele afspraken. De voorwaarden voor zowel verlenging als beëindiging worden vastgelegd in contracten en overeenkomsten met de initiatiefnemer. Vraag 9. Verdere processtappen en raadsbesluitvorming

Hoe ziet het verdere proces tot realisatie van het zonneveld in Papekop er uit? Spreekt de raad er na aannemen van voorliggend raadsvoorstel nog eens over, of is dit het laatste besluitvormende moment? (De vraag achter deze vraag is: wat betekent de zin ‘Dit toetsingskader ondersteunt het proces van principeverzoek tot omgevingsvergunning. Dit stuk past binnen de nieuwe procedures van de Omgevingswet. Het college is bevoegd om op de aanvraag voor een zonneveld te besluiten. Bij het raadsbesluit van 28 september 2023 is besloten dat aanvragen voor een omgevingsvergunning die passen binnen de door de gemeenteraad vastgestelde sectorale beleidsnota's (waaronder dit toetsingskader) niet voor bindend adviesrecht aan de gemeenteraad behoeven te worden voorgelegd’ precies in gewoon Nederlands?) Antwoord: Na het aannemen van het raadsvoorstel kunnen initiatiefnemers hun plannen indienen. Het college beoordeelt deze aanvragen op basis van de eisen uit dit toetsingskader. Bij een positief besluit dient de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aan te vragen en wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de gemeente Oudewater. In paragraaf 1.4 van het toetsingskader wordt het proces van de vergunningaanvraag verder uitgelegd. Het zonneveld kan pas worden gerealiseerd nadat de vergunning is verleend en onherroepelijk is. Het toetsingskader dat nu wordt vastgesteld, is een beleidsnota.

Als er een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het zonneveld wordt ingediend, wordt deze getoetst aan de eisen en wensen uit dit toetsingskader. Voldoet de aanvraag aan deze eisen, dan hoeft de aanvraag niet opnieuw aan de gemeenteraad te worden voorgelegd. Dit omdat de raad zelf de regels van dit toetsingskader heeft vastgesteld. Een zonneveld voldoet hiermee dus per definitie aan de eisen van de raad. Vraag 10. Verduidelijking over ‘De Punt’ en toetsingskader

Tijdens de bewonersavond op 16 september ontstond er veel verwarring onder de aanwezigen. Het projectgebied B3 wat opengesteld wordt voor vergunningverlening, is veel groter dan ‘De Punt’ waar in eerdere Pagina 3 van 5

bewonersavonden over gesproken werd. Dit draagt niet bij aan het vertrouwen van onze inwoners in de gemeente. Ziet het college mogelijkheden om in voor iedereen begrijpelijke taal uit te leggen wat een toetsingskader precies inhoudt, waarom het gebied B3 groter is dan ‘De Punt’ en waarom het proces zo moet lopen? (De Punt is met rood omlijnt in het kaartje op de volgende pagina). Antwoord: 1. Wat is een toetsingskader? Een toetsingskader is een set regels die bepaalt hoe een projectplan, bijvoorbeeld voor een zonneveld, moet worden beoordeeld. Het zorgt ervoor dat alles goed wordt getoetst voordat een projectplan wordt goedgekeurd. Bovendien vormt het kader duidelijkheid voor de initiatiefnemer. 2. Waarom is gebied B3 groter dan ‘De Punt’ en waarom moet het proces zo lopen? Gebied B3 is groter dan ‘De Punt’ omdat een groter gebied meer opties biedt om het zonneveld goed in te passen in het landschap. Dit houdt niet per definitie in dat het gebied met de daadwerkelijke zonnepanelen groter wordt. Maar juist dat er meer ruimte is om aan natuurontwikkeling te werken. Dit hoeft dan ook niet ten koste te gaan van land dat wordt benut voor agrarisch gebruik. Als we alleen een klein deel van het gebied openstellen, moeten we precies weten welk deel geschikt zou zijn voor een zonneveld.

Dit kan leiden tot problemen als blijkt dat dit kleine deel niet groot genoeg is om een financieel haalbaar project te realiseren. Dit betekent dat er misschien geen voordelen voor de bewoners zouden zijn. Door het gehele gebied open te stellen, kunnen ontwikkelaars een plan maken dat financieel haalbaar is en ook voordelen biedt voor de bewoners. Hoewel er nu een groter gebied is opengesteld voor vergunningsverlening voor een zonneveld, is het waarschijnlijk dat het zonneveld in het oostelijke deel komt. Dit komt doordat de kabel tot het elektriciteitsstation in Woerden een grote kostenpost is in dit project. Hoe korter deze kabel, hoe lager de kosten. Oftewel, hoe verder het zonneveld geplaatst wordt in het oosten van gebied B3, dichter bij het station Woerden, hoe groter de financiële haalbaarheid. Een andere reden dat het zonneveld waarschijnlijk in het oostelijke deel komt, is dat de grondeigenaren in het gebied het veld graag in die hoek willen realiseren. Een zonneveld kan alleen worden gerealiseerd wanneer de grondeigenaren hun land hiervoor beschikbaar stellen. Vraag 11. Aanpassing van de groene zone langs het spoor

In bijlage B3 zijn een aantal schetsen gegeven, van de landschappelijke inpassing van het zonneveld. Een van de geschetste kaders stelt voor om een groene zone van 20 meter langs het spoor aan te houden, om het zonneveld uit het zicht te houden voor de treinreiziger. Dit kader belemmert echter de wens van de Papekoppers om het zonneveld in ‘De Punt’ te realiseren, en niet voorbij De Paardenkop/Het Paardenhoofd te komen. Welke mogelijkheden ziet het college om de 20m brede natuurstrook (het geriefbosje) aan te passen om aan de wens van realisatie in ‘De Punt’ tegemoet te komen? Antwoord: Het realiseren van een groene zone langs het spoor is een eis, maar de breedte van 20 meter uit de genoemde schets is enkel een indicatie. Het is voor een goede landschappelijke inpassing aan het spoor wel de bedoeling dat er een streekeigen geriefbosje komt. Het is in ieder geval de bedoeling om de zichtlijnen vanaf het spoor naar de zonnepanelen te onderbreken. Wanneer de raad nog verder wil stimuleren dat een zonneveld zoveel mogelijk in de oosthoek ('de punt’) komt, dan kan de raad ervoor kiezen om in de punt meer ruimte open te laten voor zonnepanelen. Dit gaat dan ten koste van de landschappelijke inpassing. In ieder geval kan de 5 meter ruimte langs de Achterwetering aan de noordzijde van het gebied als eis komen te vervallen.

Naderhand bleek dat het HDSR deze ruimte niet nodig heeft voor onderhoud en baggeren van deze watergang. Wel dient de waterkant onderhouden te worden. Op dit punt kan het voorstel dus worden aangepast als de raad dit wil. Verder valt te denken aan: - Het schrappen van de eis (of veranderen van een eis in een wens) van de groene zone langs het spoor aan de zuidkant van het gebied. Hierbij passen er meer zonnepanelen in de oostkant van het gebied. - Het schrappen van de eis (of veranderen van een eis in een wens) om de de ‘Paardenkop’ geheel vrij te houden. Door hier ook zonnepanelen toe te laten, passen er meer zonnepanelen in het plangebied. De eis om de structuur van dit element te behouden kan desgewenst blijven staan; - Het verlagen van het minimale percentage van het plangebied dat moet worden ingevuld met landschappelijke inpassing van 25% naar bijvoorbeeld 20% of 15%. Daarmee wordt dan afgeweken van de gedragscode Zon op Land die een percentage van minimaal 25% aanbeveelt. Hiermee passen er meer zonnepanelen in het gebied, ten koste van landschappelijke inpassing, zoals hagen en gras.

Pagina 4 van 5

Bijlagen: nvt

Pagina 5 van 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/591/documents/18740