B6. 4d) DB20250918 Bijlage beschrijving verschillende commissies Wgr.pdf
Tekst van het document
De Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) biedt de mogelijkheid voor commissies van een openbaar lichaam: de zogeheten advies- en bestuurscommissies (respectievelijk artikel 24 en 25 Wgr). Sinds 2021 kent de Wgr ook de mogelijkheid van een gemeenschappelijke adviescommissie met raadsleden (artikel 24a Wgr), niet alleen voor advies aan het algemeen bestuur, maar eventueel ook als een schakel tussen het openbaar lichaam en de raden.
a. Adviescommissies (artikel 24 Wgr) Adviescommissies kunnen desgewenst in het leven worden geroepen: het algemeen en dagelijks bestuur en ook de voorzitter hebben deze bevoegdheid (artikel 24 Wgr). Het algemeen bestuur kan een commissie instellen om zich te laten adviseren voor een bepaald belang of ten behoeve van een deel van het geografische werkgebied van het openbaar lichaam. Het besluit van het algemeen bestuur regelt de samenstelling en de bevoegdheden van zo'n adviescommissie. Het kan gaan om een vaste adviescommissie, of een tijdelijke commissie, dan wel een commissie op ad-hocbasis. Ook het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen gebruikmaken van een vaste adviescommissie (artikel 24 lid 2 Wgr). Het dagelijks bestuur (of de voorzitter) doet daartoe een voorstel aan het algemeen bestuur. Daarin vermeldt het dagelijks bestuur (of de voorzitter) de samenstelling en de bevoegdheden van de commissie. Het is echter het algemeen bestuur dat deze commissie instelt. Het dagelijks bestuur (en de voorzitter) kunnen ook tijdelijke adviescommissies (of op adhocbasis) voor zichzelf in het leven roepen; in dat geval regelt het dagelijks bestuur (of de voorzitter) zelf de samenstelling en de bevoegdheden van de commissie (artikel 24 lid 3 Wgr noemt dit 'andere commissies').
Het werken met een adviescommissie maakt het mogelijk om de vakwethouders (als portefeuillehoudersoverleg') en de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten een adviserende rol in de samenwerking te geven.
b. Bestuurscommissies (artikel 25 Wgr) Het algemeen bestuur kan een bestuurscommissie in het leven roepen wanneer de gemeenschappelijke regeling deze mogelijkheid vermeldt. Een bestuurscommissie dient 'voor het behartigen van bepaalde belangen' (artikel 25 lid 1 Wgr). Nadat de raden van de deelnemende gemeenten de kans hebben gekregen eventuele wensen en bedenkingen kenbaar te maken (een zogeheten 'voorhangprocedure’; artikel 25 lid 2 Wgr), regelt het algemeen bestuur de samenstelling en bevoegdheden. Een bestuurscommissie kan in beginsel beschikken over alle bevoegdheden van het algemeen of van het dagelijks bestuur: het is het algemeen bestuur dat zijn bevoegdheden, of die van het dagelijks bestuur, overdraagt aan de bestuurscommissie (artikel 25 lid 3 Wgr). Het algemeen bestuur kan echter alleen bevoegdheden van het dagelijks bestuur overdragen op voorstel van het dagelijks bestuur zelf (artikel 25 lid 4 Wgr). Overdracht van bevoegdheden aan een bestuurscommissie kan alleen wanneer de aard van de betreffende bevoegdheid zich hier niet tegen verzet. De Wgr geeft expliciet aan dat bijvoorbeeld de bevoegdheid van het algemeen bestuur om een begroting of jaarrekening vast te stellen, niet
bij een bestuurscommissie kan worden ondergebracht (artikel 25 lid 3 onder a Wgr). Evenmin is het mogelijk dat een bestuurscommissie bevoegdheden uitoefent voor een deel van het geografische werkgebied ('territoriale bestuurscommissie'). In zijn besluit tot het instellen van een bestuurscommissie regelt het algemeen bestuur onder meer de werkwijze, de openbaarheid en de verantwoording van de bestuurscommissie aan het algemeen bestuur. Ook regelt het algemeen bestuur het toezicht op de bestuurscommissie (artikel 25 lid 5 Wgr).
c. Gemeenschappelijke adviescommissies, ook wel: raadsadviescommissies (artikel 24a Wgr) De herziening van de Wgr van 2021 bracht een nieuwe mogelijkheid voor raadsleden de gemeenschappelijke adviescommissie van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam (ar. 24a Wgr). Die mogelijkheid betreft niet alleen collegeregelingen, maar ook de regelingen waaraan de raad zelf ook deelneemt. Op voorstel van de raden gezamenlijk, stelt het algemeen bestuur de commissie in. De commissie is er niet alleen voor advisering aan het algemeen bestuur, maar ze kan ook de gemeenteraden adviseren en zo een rol vervullen bij de voorbereiding van de gemeentelijke besluitvorming over dit samenwerkingsverband, bijvoorbeeld bij de raadszienswijze op een ontwerpbegroting. Het is niet noodzakelijk dat elke raad een lid voor de commissie aanwijst. De gemeenschappelijke regeling hoeft niet te vermelden of het openbaar lichaam wel of niet de mogelijkheid van een gemeenschappelijke adviescommissie kent: wanneer de raden van de deelnemende gemeenten daarin unaniem zijn, dient de commissie er te komen. Het algemeen bestuur regelt vervolgens de taken, bevoegdheden en werkwijze van deze commissie, maar dient eerst de raden de mogelijkheid te bieden voor het geven van 'wensen en bedenkingen". Deze commissie kan geen formele bevoegdheden uitoefenen in plaats van de raden.
Haar werkzaamheden richten zich alleen tot een afzonderlijk openbaar lichaam: de Wgr spreekt immers van een commissie die wordt ingesteld door het algemeen bestuur van een GOL (artikel 24a Wgr). De commissie buigt zich in beginsel dus niet over andere samenwerkingsverbanden of over algemene, regionale samenwerkingsthema's. Wat is dan haar praktische betekenis? Gemeenteraden kunnen de commissie benutten voor de advisering over de beleidsmatige en financiële cycli van het openbaar lichaam en voor het verbeteren van de informatievoorziening aan de raden. De gemeenteraden kunnen de commissie ook benutten voor de inhoudelijke afstemming van bijvoorbeeld zienswijzen: in de richting van de afzonderlijke colleges voordat zij de regeling wijzigen, of aan het bestuur van het openbaar lichaam, bijvoorbeeld over de ontwerpbegroting of 'majeure' besluiten. Andere mogelijkheden zijn dat de commissie tekstvoorstellen formuleert voor gezamenlijke, gemeenschappelijke of regionale moties van de gemeenteraden jegens de eigen colleges. Tot slot bestaat de mogelijkheid dat de commissie zich (ook of alleen) richt op de proceskant, bijvoorbeeld voor het gelijktijdig uitbrengen van moties en zienswijzen.