CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B3. BP Noord-Linschoterzandweg 60 Snelrewaard toelichting en regels versie 21-09-2022.pdf

Gemeenteraad 29 september 2022, gemeente OudewaterBij agendapunt: 8: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 & 61 (070755)24.117 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Per e-mail van 21 mei 2021 heeft het hoogheemraadschap medegedeeld dat de opmerkingen voldoende zijn verwerkt, zodat er vanuit waterhuishoudkundige belangen geen beperkingen zijn. Conclusie De Watertoets is kort doorlopen via dewatertoets.nl. Na overleg is gebleken dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling.

Toelichting

29

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

30

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Hoofdstuk 6

M ilieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij deze ruimtelijke ontwikkeling binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Inleiding, Externe veiligheid en Duurzaam bouwen. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994.

In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Onderzoek/ beoordeling In dit bestemmingsplan wordt het oprichten van drie woningen mogelijk gemaakt. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. In de hierna volgende paragrafen wordt aangetoond dat 'belangrijke nadelige gevolgen' voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken. Kenmerken van het project Sprake is van een herontwikkeling van twee bestaande woonpercelen door middel van het toevoegen van drie woningen. Deze bestemming is mogelijk, zoals dat is aangetoond in het akoestisch onderzoek in paragraaf 6.1.3. Er is geen cumulatie met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er - behoudens de realisatiefase - geen sprake zijn van productie van afvalstoffen en verontreiniging.

(In de fase van realisering zal er sprake zijn van productie of afvoer van afval.) Wanneer de woningen zijn gerealiseerd is er sprake van huishoudelijk afval. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van overige activiteiten (in paragraaf 6.1.2 wordt hierop nader ingegaan). In woningen zijn alleen ondergeschikte bedrijfsactiviteiten toegestaan, waarbij het woonkarakter niet wordt aangetast, zodat er geen belangrijke nadelige gevolgen zijn. Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde bestemmingswijziging. Plaats van het project Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. Het plangebied ligt voorts buiten de invloedssfeer van verderop gelegen Natura 2000-gebieden. De afwijking ten opzichte van de geldende regeling is gering, zodat een toets waaruit inzichtelijk wordt of de betreffende activiteit een negatieve invloed heeft op de gestelde beheerdoelen achterwege is gelaten. Een ecologisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar soorten- en

Toelichting

31

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

gebiedsbescherming. Dit onderzoek is beschreven in 6.3.2. Met inachtneming hiervan zijn er vanuit ecologisch oogpunt geen belangrijke gevolgen voor flora en fauna. Kenmerken van het potentiële effect Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. Bovendien is er geen sprake van een onomkeerbaarheid van het effect. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties.

Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van drie woningen in de bebouwde kom. Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor de geplande woningen. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandnormen op basis van de VNG-richtlijn. Uit deze inventarisatie is gebleken dat er ten oosten van het plangebied een veehouderij is gevestigd aan de Noord-Linschoterzandweg 59 in Snelrewaard.

Op de overige omliggende percelen zijn geen bedrijven gevestigd die een milieuzonering vereisen, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen deze planontwikkeling. Ten aanzien van het veehouderijbedrijf kan het volgende worden opgemerkt. Wet geurhinder en veehouderij Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij gelden er voor veehouderijbedrijven afstanden die in het kader van de milieuvergunningverlening moeten worden aangehouden tussen de veehouderij en woningen van derden. Voor een woning buiten de bebouwde kom tot een veehouderij geldt een afstand van 50 meter. Voor woningen binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter. De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woonen verblijfklimaat. Tevens moet beoordeeld worden of het bedrijf niet onevenredig in zijn belangen wordt geschaad.

32

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Activiteitenbesluit Het Activiteitenbesluit is van toepassing op o.a. veehouderijbedrijven waar niet meer dan 200 stuks melkrundvee (exclusief vrouwelijk jongvee) worden gehouden en opslagen van vaste mest. Het Activiteitenbesluit bevat voorwaarden die bepalen of een inrichting wel of niet onder het Besluit valt. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op het aantal dieren, de afstand tot een kwetsbaar gebied, de afstand tot gevoelige objecten en de aard en capaciteit van stoffen die worden op- en overgeslagen. Indien niet aan de minimale afstanden wordt voldaan, is het bedrijf Wm-vergunningplichtig. De minimale afstanden zijn weergegeven in tabel 6.2. Naast de in de tabel genoemde afstanden gelden minimale afstanden tot opslagen van mest, afgedragen gewassen en dergelijke. Tabel 6.2 Minimale afstanden landbouwbedrijven. Inrichting waar landbouwhuisdieren worden gehouden minimumafstand binnen de 100 m bebouwde kom minimumafstand buiten de 50 m bebouwde kom

Inrichting waar geen landbouwhuisdieren worden gehouden 50 m 25 m

Bij het toelaten van nieuwe gevoelige functies en de nieuwbouw of uitbreiding van agrarische bedrijven dient rekening te worden gehouden met (afstands)normen ten aanzien van landbouwbedrijven. Op grond hiervan dient een afstandsnorm van 100 meter te worden aangehouden, omdat het plangebied in de bebouwde kom ligt. De afstand kan met 50 meter worden verminderd, wanneer de gemeente een Geurverordening heeft vastgesteld op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (afgekort Wgv). Geurverordening gemeente Oudewater De gemeenteraad van de gemeente Oudewater heeft op 27 mei 2010 de 'Verordening lokaal geurbeleid landelijk gebied Oudewater' vastgesteld. Deze verordening is bedoeld om knelpunten die zijn ontstaan door de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit milieubeheer en van de Wet geurhinder en veehouderij en die botsen met het ruimtelijke beleid van de gemeente waar mogelijk op te heffen. Met deze verordening wil de gemeente ruimte bieden aan agrarische bedrijven en nieuwe ontwikkelingen aan de rand van de bebouwde kom mogelijk te maken. Op grond hiervan dient tussen een agrarische inrichting waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en de gevel van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ten minste 50 meter afstand te worden gehouden vanaf de dichtstbijzijnde gevel van de stal tot naburige woningen en andere geurgevoelige functies.

Toetsing planontwikkeling aan Geurverordening De drie nieuwe woningen liggen op een afstand van meer dan 50 meter van het veehouderijbedrijf. Daarbij komt dat in de huidige planologische situatie al op kortere afstand een woning bij recht is toegestaan op nummer 60 die maatgevend is voor dit bedrijf. Voldaan kan worden voldaan aan de minimaal aan te houden afstanden van de Geurverordening, zodat er vanuit milieuzonering geen beperkingen worden gesteld. Vanuit een goede ruimtelijke ordening blijft voor de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van de drie nieuwe woningen zijn gevestigd. Andersom geredeneerd is er geen aanleiding om aan te nemen dat de woningen milieuhygiënische knelpunten opleveren voor milieubelastende activiteiten, omdat deze in de directe omgeving niet aanwezig zijn. Voor de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.

Toelichting

33

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

6.1.3 Geluid Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies.

De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Wettelijk kader railverkeerslawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh).

Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Verkeerslawaai De relevante weg in de directe omgeving van het plangebied is de Noord-Linschoterzandweg met een maximum snelheid van 60 km/uur. Deze weg heeft een zonebreedte van 250 meter. De overige wegen zijn 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en 2 nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden in binnenstedelijk gebied. Indien de berekende belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. Gelet op het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuw te bouwen woningen door Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 12 februari 2021, rapportnummer 7305-54043-02, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de woningen ten gevolge van de Noord-Linschoterzandweg niet wordt overschreden. De hoogst gemeten waarde is 44 (dB). Er is geen hogere waardeprocedure nodig.

Niet gezoneerde wegen Bij een nieuwe ontwikkeling dient op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat inzichtelijk te worden gemaakt en te worden beoordeeld indien er sprake is van geluidgevoelige bestemmingen ter plaatse van of nabij de ruimtelijke ontwikkeling. Het akoestisch klimaat wordt bepaald door alle aanwezige geluidsbronnen samen. In dat kader dienen ook de niet gezoneerde wegen (30 km/uur wegen) bij de beoordeling te worden betrokken.

34

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Aangetoond dient te worden dat als gevolg van de gecumuleerde geluidbelasting geen sprake is van onaanvaardbare negatieve effecten op het woon- en leefklimaat. Een wettelijk grenswaarde is hierbij niet aan de orde. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt het volgende: 30 km/u-wegen: de geluidbelasting van de Zuid-Linschoterzandweg en Kabelslag is respectievelijk maximaal 46 dB en 35 dB, exclusief aftrek artikel 110g uit de Wet geluidhinder. De geluidbelasting is hiermee lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor gezoneerde woningen. Hiermee is sprake van een goede ruimtelijke ordening. De gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van alle (niet gezoneerde) wegen is maximaal 53 dB. Er wordt voldaan aan de (doelstelling van de) gemeentelijke indelingseisen. Alle woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte. De woningen moeten voldoen aan de minimale geluidweringeis van 20 dB zoals gesteld in het Bouwbesluit. Hieraan kan worden voldaan door toepassing van standaard voorzieningen in de gevels van de woningen. In het kader van het Bouwbesluit zal indien nodig nog een onderzoek plaatsvinden naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek dient uitgegaan te worden van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder.

Dit onderzoek zal te zijner tijd in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning om advies worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Railverkeerslawaai De nieuwbouwlocatie ligt buiten de zone van het spoorwegtraject Utrecht - Gouda. In de zin van de Wet geluidhinder zijn er vanwege de spoorlijn geen bezwaren tegen de bouw van deze woningen. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerde industrieterrein. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling Bij een bestemmingsplan dient in beginsel een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

In verband hiermede zijn voor beide deelgebieden verkennende bodemonderzoeken overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd. Deelgebied Noord-Linschoterzandweg 60 Het onderzoek is uitgevoerd door Grondslag B.V. te Kamerik (rapport van 25 januari 2021, project 34151, Bijlage 2). Doel van het onderzoek is het vaststellen van de algemene chemische kwaliteit van de bodem om te bepalen of de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik. Het bodemonderzoek dient geschikt te zijn voor aanvragen omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Uit de onderzoeksresultaten kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Demping De gestelde hypothese dat ter plaatse van de slootdemping in het dempingsmateriaal verhogingen met zware metalen, PAK en/of minerale olie kunnen worden verwacht, is bevestigd. In het dempingsmateriaal zijn lichte verhogingen met zware metalen aangetoond. Boomgaard De gestelde hypothese dat ter plaatse van de voormalige boomgaard de bovengrond verdacht is op het

Toelichting

35

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

voorkomen van verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen, is niet bevestigd. In de bovengrond zijn geen verhogingen met bestrijdingsmiddelen aangetoond boven de achtergrondwaarde en/of detectielimiet. Overige terreindelen De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht boven de lokale achtergrondwaarden als opgenomen in de bodemkwaliteitskaart, is bevestigd. In grond zijn maximaal lichte verhogingen met zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond. In het grondwater is maximaal een lichte verhoging met barium aangetoond. Asbestonderzoek De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is bevestigd. Ter plaatse van gat 12 is in de grond één stukje asbesthoudend materiaal aangetroffen >2cm. In de grondfractie < 2 cm is geen asbest aangetoond. Voor de bodem is een indicatief asbestgehalte bepaald van 31,65 mg/kg d.s. (worst case). Het criterium voor nader onderzoek van 50 mg/kg d.s. wordt niet overschreden. Algemeen De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. De aangetoonde verhogingen vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. De onderzoeksresultaten vormen ons inziens geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning en/of de beoogde woonbestemming. Deelgebied Noord-Linschoterzandweg 61 Voor dit deelgebied heeft Grondslag B.V.

te Kamerik eveneens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (rapport van 17 november 2021, project 35524, Bijlage 3). Uit de onderzoeksresultaten kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Chemische kwaliteit De gestelde hypothese, dat gezien de voormalige boomgaard op de locatie de oorspronkelijke bovengrond verdacht is op het voorkomen van bestrijdingsmiddelen, is niet bevestigd. In kleiige bovengrond zijn geen verhogingen met OCB’s aangetoond. De gestelde hypothese, dat geen verhogingen worden verwacht boven de lokale achtergrondwaarden als opgenomen in de bodemkwaliteitskaart, is niet bevestigd. Ter plaatse van boring 05 is op een diepte van 0,4 tot 0,9 m-mv een sterke verhoging met PAK aangetoond. Voor het overige zijn in de grond maximaal lichte verhogingen met diverse zware metalen en PAK aangetoond. In het grondwater is een matige verhoging met barium en een lichte verhoging met molybdeen aangetoond. Bekend is dat in de regio, als gevolg van een van nature verhoogde achtergrondconcentratie, vaker verhogingen met barium in het grondwater worden aangetoond. De onderhavige verhoging met barium wordt eveneens toegeschreven aan een van nature verhoogde achtergrondconcentratie. De matige verhoging met barium vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling.

Asbestonderzoek De gestelde hypothese dat de grond onverdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. Ter plaatse van boring 05 zijn op een diepte van 0,4 tot 0,9 m-mv drie stukjes asbest aangetroffen. Daarnaast is in deze bodemlaag asbest in de fijne fractie aangetoond. Zowel de toetswaarde voor nader onderzoek van 50 mg/kg d.s. als de grenswaarde van 100 mg/kg d.s. wordt overschreden. Algemeen Ter plaatse van boring 05 is op een diepte van 0,4 tot 0,9 m-mv zowel een sterke verhoging met PAK als een verontreiniging met asbest aangetoond. Boring 05 is verricht langs de Barbara Maryweg. Bekend is dat hier in het verleden een oprit aanwezig is geweest. Uit de boorstaten valt tevens af te leiden dat hier in de bodem een grotere hoeveelheid puin aanwezig is dan elders op de locatie. Onduidelijk is hoever precies de verontreiniging met PAK en asbest verder oostwaarts van boring 05 doorloopt, het terrein op. Om dit vast te stellen dient nader onderzoek naar de PAK- en asbestverontreiniging plaats te vinden. Van de verontreiniging met PAK is onduidelijk of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit is het geval indien sprake is van meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond. Voor asbest geldt dit omvangscriterium niet.

Hiervoor geldt ongeacht de omvang dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zodra uit nader onderzoek blijkt dat sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van 100 mg/kg d.s. Indien uit nader onderzoek blijkt dat de verontreiniging met PAK en/of asbest een geval van ernstige bodemverontreiniging betreft dan zal

36

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

voorafgaand aan de nieuwbouw een bodemsanering uitgevoerd moeten worden. Een sanering kan bestaan uit het verwijderen van de sterk verontreinigde grond en/of het afdekken van de van de verontreiniging met een leeflaag (1 meter schone grond) of een duurzame afdeklaag (bijv. beton). Uiteraard spelen bij de keuze de toekomstige terreininrichting maar ook de omvang (kosten) van een verwijderingsvariant een rol. Voorafgaand aan de sanering dienen de werkzaamheden gemeld te worden bij het bevoegd gezag. Hiervoor is het mogelijk te saneren onder de BUS-regeling (Besluit Uniforme Saneringen), waarvoor een kortere en eenvoudiger procedure geldt. Resumé Op basis van het verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit in voldoende mate bepaald. De onderzoekslocatie is niet zondermeer geschikt voor het voorgenomen gebruik. Voorafgaand aan het bouwrijpmaken van het terrein en aanvraag omgevingsvergunning zal een saneringsplan of BUS-melding worden opgesteld. Het saneringsplan of de BUS-melding zal ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag. Initiatiefnemer zal voor de bodemsanering een budget reserveren. Conclusie Deelgebied Noord-Linschoterzandweg 60 Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig met betrekking tot de voorgenomen activiteiten op het onderhavige plangebied.

Deelgebied Noord-Linschoterzandweg 61 Voor het deelgebied Noord-Linschoterzandweg 61 is een bodemsanering nodig. Hiervoor zal tijdig een BUS-melding of saneringsplan worden ingediend bij het bevoegd gezag. Met inachtneming hiervan is het aspect bodem in het kader van het bestemmingsplan voldoende onderzocht. Na afronding van de sanering zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in tabel 6.2.

Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.3: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit jaargemiddelde uurgemiddelde 24-uursgemiddelde Opmerkingen stof 3 NO2 40 µg/m 200 µg/m3 n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden PM2,5 25 µg/m3 n.v.t. n.v.t. n.v.t. 3 3 PM10 40 µg/m n.v.t. 50 µg/m 24-uursgemiddelde Mag 35x per jaar worden overschreden Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijk plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en

Toelichting

37

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”.

Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling Om een beeld te krijgen van de luchtkwaliteit in het plangebied is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie. Langs de Noord-Linschoterzandweg liggen geen rekenpunten in de NSL Monitoringtool. De concentraties langs deze weg zal naar verwachting evenwel even laag zijn als de concentraties van de zuidelijk gelegen Waardsedijk die onder de grenswaarden ligt. Ook uit het Geoloket van de Odru blijkt dat de grenswaarden voor de huidige en toekomstige concentraties niet worden overschreden. Hieruit blijkt dat de NO2 16-18 µg per m³ in 2018 bedraagt en in 2030 10-12 µg per m³. Voor PM10 is dat 17-18 µg per m³ in 2018 en 19-20 µg per m³ in 2030. Voor PM2,5 is dat 12-12,5 µg per m³ (2020) en 9,5-10 µg per m³ (2030).

De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Deze waarden zijn iets lager dan de waarden uit het Geoloket. Gelet op de geringe overschrijdingen kunnen deze waarden als voldoende worden beschouwd voor de milieugezondheidskwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de Wlk de uitvoering van het project niet in de weg staat. Conclusie In het algemeen kan worden gesteld dat als in de huidige situatie aan de grenswaarden wordt voldaan, ook in toekomstige jaren wordt voldaan. Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van drie woningen mogelijk. Ten opzichte van de bestaande situatie zal het aantal verkeersbewegingen niet significant toenemen. De NSL monitoringtool is geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten ruim onder de grenswaarden blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.

Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

38

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water Er liggen binnen 200 m van het plangebied geen vaarwegen met een plasbrandaandachtsgebied (veiligheidszone) voor kwetsbare bestemmingen. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor De Spoorbaan Gouda – Utrecht ligt op circa 2,7 km afstand van het plangebied. Door het transport van (zeer) toxische stoffen over het spoor reikt het invloedsgebied van deze risicobronnen tot over het plangebied. Het groepsrisico ter hoogte van het plangebied is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Door de nieuwbouw van drie woningen zal er geen significante toename zijn van het aantal personen die hier verblijven. In het Besluit externe veiligheid moet het GR wel worden verantwoord. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is opgenomen in paragraaf 6.1.6.1. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 m) geen rijksweg of Provincialeweg met een route gevaarlijke stoffen. Er is geen beperking voor het plangebied. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in het Besluit. Er ligt in de nabijheid van het plangebied geen hoge druk aardgasleiding van de Gasunie. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de ontwikkeling.

Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Elektromagnetische straling Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid.

Op de Risicokaart (figuur 9) zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.

Toelichting

39

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Figuur 9: Uitsnede Risicokaart (plangebied zwart omlijnd). 6.1.6.1 Verantwoording groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van een gifwolkscenario ligt van de spoorlijn Gouda - Utrecht. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde gezien het plangebied verder dan 200 meter van het spoor ligt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Zelfredzaamheid De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. Er worden alleen woningen gerealiseerd waar zelfredzame personen wonen. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden.

Mechanische ventilatie Als maatregel dient te worden opgenomen dat ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning door bewoners kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten. Deze maatregel is geborgd in artikel 5.3.3 (Afsluiten mechanische ventilatie) van de regels. Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Oudewater hebben kennis genomen van de inhoud van de rapportage en de gegeven adviezen. Na het nemen van de voorgestelde maatregelen achten het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad het groepsrisico aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De

40

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg. 6.1.7 Duurzaam bouwen Wettelijk kader Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijv. afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijv. oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). Provinciaal beleidskader In de Provinciale Interim Omgevingsverordening is in de toelichting op artikel 9.15 vastgelegd dat de toelichting op het ruimtelijk plan een beschrijving bevat van de wijze waarop rekening is gehouden met energieneutrale, circulaire, klimaatadaptieve woningbouw en efficiënt ruimtegebruik.

Tot ruimtelijke plannen behoren onder meer bestemmingsplannen. Dit ruimtelijk plan ligt in het stedelijk gebied. Duurzaam Oudewater In de Woonvisie Oudewater 2020-2025 is aandacht besteed aan een duurzaam woonbeleid, waarin rekening wordt gehouden met de volgende generaties. Dat heeft in ieder geval te maken met een toekomstbestendige woningvoorraad waarvan de (technische) kwaliteit op peil blijft. Bij nieuwbouw is de ambitie dat alle woningen energieneutraal - nul op de meter - worden gebouwd. Onderzoek/ beoordeling De woningen worden Bijna energieneutraal gebouwd (BENG). Hiervoor wordt het volgende plan uitgewerkt: het bouwen van woningen zonder gasaansluiting; het aanbrengen PV panelen op de daken; het plaatsen van energiezuinige installaties, zoals warmtepompdrogers; het zoveel mogelijk gebruik maken van recycle-materialen. Conclusie De drie woningen worden duurzaam gebouwd, waarbij rekening wordt gehouden met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten op het gebied van Duurzaam Bouwen.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.

Toelichting

41

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Onderzoek/ beoordeling Archeologiebeleid gemeente Oudewater (2015) De gemeente Oudewater heeft in 2015 het gemeentelijk archeologiebeleid geactualiseerd. In de beleidsnota geeft de gemeente aan hoe zij invulling geeft aan haar rol van bevoegd gezag, de reikwijdte en ambities van het beleid en de uitvoering daarvan. Naast een beleidsnota is een beleidskaart opgesteld. Deze kaart bestaat uit een samenhangend pakket van kaarten en een toelichting, die tezamen de noodzakelijke informatie bevatten over hoe de gemeente bij besluitvorming over gebruik en inrichting van de ruimte omgaat met "bekende en te verwachten archeologische monumenten". Het plangebied ligt langs een ontginningsas met een hoge archeologische verwachting. Hier is sprake van bijzondere archeologische verwachtingen voor bewoningssporen die samenhangen met de ontstaansgeschiedenis van Oudewater uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op de archeologische beleidskaart heeft het plangebied een hoge verwachtingswaarde (figuur 10). Een archeologisch onderzoek moet conform gemeentelijk beleid worden uitgevoerd wanneer het plangebied groter is dan 200 m² en de verstoring dieper gaat dan 30 cm. In navolging van deze beleidskaart heeft het plangebied in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' gekregen.

Onderzoek is nodig wanneer dieper dan 0,3 m zal worden gegraven over een oppervlakte groter dan 200 m². In verband hiermede is een onderzoek naar archeologie uitgevoerd.

Figuur 10: Uitsnede archeologische beleidskaart. 6.2.1 Inventariserend veldonderzoek archeologie ADC ArcheoProjecten B.V. te Amersfoort heeft een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek naar archeologie uitgevoerd (rapport van 18 november 2021, rapportnummer 5604, Bijlage 4). Uit dit onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Bureauonderzoek Op basis van het geraadpleegde aardwetenschappelijke kaartmateriaal en de relatief geringe maaiveldhoogte moet worden aangenomen dat plangebied landschappelijk gezien is gelegen in een rivierkom. De bodemopbouw zal naar verwachting bestaan uit veen met daarop een kleidek dat in de

42

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

richting van de Lange Linschoten iets dikker zal zijn. Op grond van de natte omstandigheden waarin zij gevormd zijn, is het niet aannemelijk dat de lagen/pakketten, tot de grootschalige ontginningen in de 13e eeuw, een ondergrond vormden voor bewoning. Tot op heden zijn in het onderzoeksgebied dan ook geen aanwijzingen voor bewoning uit genoemde periode bekend. Op oeverafzettingen kunnen in theorie op grond van de vormingsgeschiedenis bewoningsresten vanaf de (Late) IJzertijd worden aangetroffen. Deze afzettingen worden in een smalle strook langs de huidige stroomgeul van de Lange Linschoten, buiten onderhavig plangebied gelegen, verwacht. In 1285 na Chr. werd de circa 750 m ten zuidoosten van het plangebied aanwezige Hollandsche IJssel bedijkt en afgedamd (Dam bij Klaphek). Als gevolg hiervan daalde het waterpeil en werd het mogelijk de aangrenzende komgebieden te ontwateren en op grote schaal te ontginnen. De Hollandsche IJssel en de veenstromen, waaronder de vrijwel direct ten zuidoosten van het plangebied gelegen Lange Linschoten fungeerden daarbij als ontginningsbasis. In een strook langs de Lange Linschoten werden boerderijen gesticht. Hoewel uit oude kaarten niet altijd precies is af te leiden op welke percelen boerderijen hebben gestaan, zijn er in het plangebied geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van een erf in het verleden.

Weliswaar is het maaiveld in de zuidoosthoek duidelijk hoger dan in de rest van het plangebied, maar dit hangt samen met de huidige inrichting. Van een verhoogde boerderijplaats is derhalve geen sprake. Vermoedelijk kende het tot aan de bouw van de huidige woningen in respectievelijk 1977 en 1996 een agrarisch grondgebruik. De kans op het aantreffen van bewoningsresten worden daarom als laag ingeschat. Wel kunnen ontginningssporen en voormalige perceelsloten worden aangetroffen. Verder bestaat er vanwege de nabijheid van een crashlocatie een kans het aantreffen van losse vondsten die samenhangen met een in 1943 verongelukt toestel van de Engelse Royal Air Force (RAF). Bij het ophogen van de erven ten behoeve van de bouw van de huidige woningen en de aanleg van funderingen en nutsvoorzieningen, kunnen eventuele resten in de bebouwde delen van het plangebied zijn verstoord. In de onbebouwde delen van het plangebied worden geen diepe bodemverstoringen verwacht. Inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Teneinde bovengenoemde verwachting te toetsen en aan te vullen is in het centrale en oostelijk deel van het plangebied (Noord-Linschoterzandweg 60) een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek bevestigt de op basis van het bureauonderzoek verwachte bodemopbouw.

De ondergrond van het plangebied wordt gevormd door een pakket zwak tot sterk kleiig bosveen met een matig slappe consistentie (Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop). Het veen gaat naar boven toe geleidelijk over in een 75 tot 250 cm dik pakket kalkloze, zwak tot matig siltige klei. Het pakket is een komafzetting (Formatie van Echteld), die op grond van het dikteverloop is gevormd vanuit de vrijwel direct ten zuidoosten van het plangebied aanwezige Lange Linschoten. De bovenste 25 tot 55 cm van de komafzetting betreft de huidige bouwvoor. Conclusie en advies In geen van de boringen zijn sterk siltige kleilagen aangetroffen die als oeverafzettingen van de Lange Linschoten zijn te interpreteren. Mogelijk hebben de oeverafzettingen een beperkte laterale verbreiding en zijn ze enkel in een smalle zone langs de huidige stroomgeul te vinden. In het middels verkennende boringen onderzochte deel van het plangebied zijn evenmin oude ophogingslagen aangetroffen. Op basis van de bodemopbouw dient een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten te worden gehanteerd. Over de aan- of afwezigheid van losse vondsten die samenhangen met de crashlocatie ten westen van het plangebied kunnen geen uitspraken worden gedaan. Dergelijke vondsten kunnen niet met prospectief onderzoek worden opgespoord.

ADC ArcheoProjecten adviseert om het middels verkennende boringen onderzochte deel van het plangebied (Noord-Linschoterzandweg 60) vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het overige deel van het plangebied (Noord-Linschoterzandweg 61) zal naar verwachting een vergelijkbare bodemopbouw en daaraan gerelateerde archeologische verwachting hebben als het middels verkennende boringen onderzochte deel. Met uitzondering van het uiterste (zuid)westen wordt ook dit deel van het plangebied vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkeling. In het uiterste zuid(west)en kan echter op basis van de meandergordelkaart (Cohen et al. 2012) sprake zijn van archeologisch relevante oeverafzettingen van de Lange Linschoten. Geadviseerd wordt in geval van grondwerkzaamheden dieper dan de bouwvoor (circa 30 cm onder maaiveld) hier enkele aanvullende verkennende boringen te verrichten om de aan- of afwezigheid van genoemde afzettingen te bepalen. De

Toelichting

43

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

werkzaamheden dienen voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Indien in deze zone geen grondwerkzaamheden dieper dan de bouwvoor plaatsvinden, kan van aanvullend onderzoek worden afgezien. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Oudewater. Conclusie Bij grondwerkzaamheden dieper dan de bouwvoor (circa 30 cm onder maaiveld) voor de woning aan de Noord-Linschoterzandweg 61 kan de verstoringsdiepte worden overschreden. Bij het indienen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning zal het benodigd onderzoek worden aangeleverd wanneer in dit gedeelte ook graafwerkzaamheden plaatsvinden. Dit is geborgd door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. 6.2.2 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden.

Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De in het plangebied aanwezige woning heeft geen cultuurhistorische waarden, zodat er op dit vlak geen belemmeringen zijn. Evenmin worden de cultuurhistorische waarden in en rondom het gebied aangetast. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische hoofdstructuur (EHS) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' ligt circa 5,5 km ten westen van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' ligt circa 8 km ten zuiden van het plangebied.

De Natura2000-gebieden worden door het oprichten van drie woningen niet beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze bestemmingswijziging. Ten zuiden van het plangebied ligt op circa 1,1 km bestaande en nieuwe natuur van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Deze planontwikkeling heeft evenmin nadelige gevolgen voor het NNN van de provincie Utrecht (figuur 11).

44

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Figuur 11: NNN in de omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven). 6.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' ligt circa 9,1 km zuidelijk van het plangebied. Dit is een stikstofrelevant habitatrichtlijngebied. Het op 5,5 km gelegen Natura2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' betreft een vogelrichtlijn en is niet stikstofgevoelig, met dien verstande dat de Polder Stein mogelijk binnenkort wel wordt aangewezen als stikstofgevoelig gebied. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2023). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten geldt een vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. De tijdelijke gevolgen van door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie kunnen daarmee buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning.

Dit bestemmingsplan maakt het oprichten van drie woningen mogelijk. Op basis van de geringe omvang van deze ontwikkeling en de afstand tot Natura2000-gebieden zijn negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. Het aspect stikstofdepositie vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering. Kort samengevat: Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toepassing. Met betrekking tot stikstofdepositie zijn er geen effecten te verwachten. Het plangebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.

Toelichting

45

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

6.3.2 Flora- en faunatoets Soortenbescherming; effect te vergunnen activiteiten deelgebied Noord-Linschoterzandweg 60 Dit deelgebied is ingericht als gazon bij de woning, totdat de bouwwerkzaamheden aanvangen. Er vinden geen kap- of snoeiwerkzaamheden plaats van groen. Voorafgaande aan de sloop van het bijgebouw zal een terzake kundige een inspectie uitvoeren ten aanzien van soortenbescherming. De kans is dan ook nihil dat de voorgenomen activiteit een schadelijk effect heeft op beschermde soorten. Er worden hier derhalve geen te beschermen ecologische waarden verwacht. Om deze reden wordt vanuit een goede ruimtelijke ordening nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Deelgebied Noord-Linschoterzandweg 61 In dit deelgebied staat een te slopen bijgebouw die moet worden vervangen door een woning. Voor dit deelgebied is een ecologisch onderzoek uitgevoerd, omdat op voorhand niet is uit te sluiten of de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Het onderzoek is uitgevoerd door Watersnip Advies te Reeuwijk (rapport van november 2021, nr. 21A107, Bijlage 5). Hieronder volgen de conclusies en aanbevelingen (overgenomen uit rapport). Natuurgebieden Natura2000 Habitattypen

Soorten NNN-gebieden Structuurvisie Utrecht Soortgroep Algemeen

Flora Jaarrond beschermde nesten Vissen Reptielen Zoogdieren Vleermuizen Overige soorten Soortgroep

46

Gevolgen Het initiatief betreft de bouw van één woning. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' op 5,5 km afstand van het plangebied. Er is geen stikstofdepositieberekening nodig van de gebruikersfase. Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bunzing, Egel, Haas en Wezel, geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) door de provincie Utrecht. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Overtreding verbodsbepalingen, aanvullende maatregelen vereist

Toelichting

bestemmingsplan Noord-Linschoterzandweg 60 en 61, Snelrewaard

Vogels

Amfibieën

Nee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels. Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen.

Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Natuur-inclusief bouwen a. Voor de Huismus kan ruimte beschikbaar worden gehouden onder de onderste twee rijen dakpannen. Op een aantal plaatsen kunnen in afwijking hiervan broedmogelijkheden in de vorm van vogelvides worden aangebracht op de onderste panlat. Geen toepassing van vogelschroot, deze weren huismussen. b. Voor vleermuizen kunnen kasten worden ingemetseld in de spouw op diverse plaatsen en op een aantal zijgevels kunnen vleermuiskasten worden geplaatst. Aanbevolen wordt: voorzieningen voor de Gewone dwergvleermuis, voor de Laatvlieger en in beperkte mate voor de Ruige dwergvleermuis. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de soortenbescherming en gebiedsbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze planontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/480/documents/15147