B2. Toekomstscenario's (1).pdf
Tekst van het document
Toekomstscenario’s Investeren in een weerbare, veerkrachtige en veilige regio is noodzakelijk
AdresArchimedeslaan 6 3584 BA Utrecht Post Postbus 3154 3502 GD Utrecht Contact 088 878 1000 info@vru.nl
IBAN N L 8111.97.955B01 KVK 51817330
Veiligheidsregio Utrecht @vrutrecht @vrubrandweer
1
Samenvatting
De klassieke rol van de veiligheidsregio is die van brandweer- en crisisorganisatie gericht op bestrijding van kortdurende incidenten en als adviseur met specifieke expertise op het voorkomen en beperken van incidenten (brandveiligheid). Dit is al lang niet meer het enige wat van ons gevraagd wordt. Wij opereren binnen een breed domein. Langdurige, multidisciplinaire en complexe crises geven ons een andere rol. We hebben te maken met gecompliceerde inzetten en speelvelden, zoals als gevolg van de energietransitie en extreme weersomstandigheden. Wij hebben laten zien een organisatie te zijn die enorm veel kan betekenen in zowel acute als sluimerende crises. Dit doen we omdat het nodig is, maar ook omdat het van ons gevraagd wordt. Om dit te kunnen blijven doen, is het nodig dat wij onze organisatie robuust inrichten. Ook andere ontwikkelingen hebben effect op onze taakuitvoering. Zo is onze regio de afgelopen jaren gegroeid qua inwoners en dit inwoneraantal blijft de komende jaren groeien. Ondanks deze ontwikkelingen is de gemeentelijke bijdrage aan de VRU de afgelopen 14 jaar, met uitzondering van de loon- en prijsindexering, vrijwel niet structureel verhoogd. Nieuwe ontwikkelingen of financiële knelpunten zijn binnen de eigen begroting opgelost. Daarnaast is er sinds de oprichting van de VRU structureel bezuinigd.
Dankzij schaalvoordelen, interne ombuigingen en samenwerkingen is het gelukt om meer te doen met minder middelen. Maar de rek is er nu uit. Na 14 jaar bezuinigen en het opvangen van nieuwe ontwikkelingen is er geen financiële ruimte meer in de begroting. Verdere bezuinigingen hebben directe gevolgen voor onze taakuitvoering, de paraatheid en de arbeidsveiligheid. Ook de nullijn betekent dat de VRU ingrijpend moet bezuinigen op het primaire proces. Zonder de benodigde extra middelen kunnen we onze huidige dienstverlening niet verantwoord voortzetten. Om de nullijn te bereiken moeten er vele brandweerkazernes gesloten worden en de controles op (brand)veiligheid sterk worden gereduceerd. Dit heeft direct impact op de uitvoering van onze wettelijke taak, het behalen van de aanrijtijden en veiligheid van inwoners. Het is noodzakelijk om nu maatregelen te nemen om te kunnen blijven voldoen aan onze wettelijke taakuitvoering. Maar het moment is lastig. Het bestuur realiseert zich dat er, ook gezien de beperkte financiële ruimte bij gemeenten en de VRU, lastige keuzes voorliggen. De keuzes die voorliggen zijn gewogen op basis van noodzakelijkheid en kosteneffectiviteit.
2
Inhoudsopgave Samenvatting
2
1
Aanleiding
5
2 2.1 2.2
Uitgangspunten Noodzakelijk Kosteneffectief
7 7 8
3 3.1
Welke keuzes worden gevraagd Keuzes door autonome ontwikkelingen 3.1.1 Uitbreiding brandweerzorg Amersfoort 3.1.2 Bijstelling roosterfactor 3.1.3 Externe invloeden vakbekwaamheid 3.1.4 Energietransitie en incidentbestrijding gevaarlijke stoffen 3.1.5 Versterking advisering 3.1.6 Digitale veiligheid 3.1.7 Bedrijfs- en IT continuïteit Keuzes op basis van goed werkgeverschap 3.2.1 Versterking vakbekwaamheid 3.2.2 Vergroten arbeidsveiligheid 3.2.3 Natuurbrandbeheersing 3.2.4 Uniformeren piketregeling 3.2.5 Aanpak PTSS problematiek Kosteneffectieve keuzes 3.3.1 Aanpassing paraatheidsmodel Nieuwegein-Noord 3.3.2 Samenwerking Midden-Nederland Keuzes op basis van voortschrijdend inzicht 3.4.1 Materiële paraatheid 3.4.2 Herzien afschrijftermijn 20 naar 15 jaar 3.4.3 Personele paraatheid en inzet Keuzes door het bijstellen van ambities 3.5.1 Haalbaarheidsonderzoek toekomstbestendige trainings- en (bij)scholingslocatie 3.5.2 Hulpverlening ontwikkeling specialisme 3.5.3 Duurzaamheid 3.5.4 Risk Factory Maatwerk voor individuele gemeenten 3.6.1 Herziening vergoeding kosten maatwerk (TUO) Onderbouwde afweging van risico’s
9 9 9 10 10 10 11 11 11 11 12 12 12 12 13 13 14 14 14 14 15 15 16
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6 3.7
16 16 17 17 17 17 18
3
3.7.1 3.7.2 4 4.1
4.2 4.3
5 5.1 5.2
Bijstelling garantiefactor vrijwilligers Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel
18 18
Separate besluitvorming Bestuurlijke opdrachten 4.1.1 Doorbelasten dienstverlening liftopsluitingen 4.1.2 Doorbelasten dienstverlening ambulancezorg 4.1.3 AED-taak 4.1.4 Toekomstbestendigheid waterongevallenbestrijding Vijfde peloton natuurbrandbestrijding Financieringssystematiek 4.3.1 Volumecomponent 4.3.2 Afstemming indexeringssystematiek VRU en gemeenten 4.3.3 Compensatiemechanisme
19 19 19 19 20 20 21 21 22 22 22
Financiële paragraaf Financiële tabel per onderdeel Tabel met totaaloverzicht inclusief separate besluitvorming
24 24 25
4
1 Aanleiding
De klassieke rol van de veiligheidsregio is die van brandweerorganisatie gericht op incidentbestrijding (blussen en redden) en adviseur met specifieke expertise op het voorkomen en beperken van incidenten (brandveiligheid). Brandbestrijding is steeds complexer geworden. De woningbrand blijft, maar het blussen van zonnepanelen, elektrische auto’s en buurtbatterijen is erbij gekomen. Niet alleen neemt het risico op brand hierdoor toe maar ook de wijze waarop de brandbestrijding plaatsvindt wijzigt. Ook is incidentbestrijding al lang niet meer het enige wat van ons gevraagd wordt. Wij opereren binnen een breed domein. Langdurige, multidisciplinaire en complexe crises geven ons een andere rol. De wereld verandert en ontwikkelingen zijn complexer en doen zich steeds sneller en op grote schaal voor. Maatschappelijke onrust in Nederland, geopolitieke onrust in de wereld, klimaatverandering en digitalisering zijn voorbeelden van ontwikkelingen die invloed hebben op de rol van de overheid en wat inwoners daarvan verwachten of nodig hebben. Dat heeft ook gevolgen voor onze taakuitvoering. Daarnaast nemen wettelijke verplichtingen en veiligheidseisen toe. Eén van de taken van de veiligheidsregio is het opstellen van een risicoprofiel en zorgen dat we voorbereid zijn als risico’s zich voordoen. De geopolitieke situatie is instabiel.
De oorlog in Oekraïne en cyberdreigingen van statelijke actoren versterken het gevoel van onveiligheid. Door overbelasting van het elektriciteitsnet en de toenemende afhankelijkheid van digitale infrastructuur nemen ook de risico’s op grootschalige en langdurige stroomuitval toe. De gevolgen van verstoringen kunnen enorm zijn en leiden tot maatschappelijke ontwrichting bij zorginstellingen, verkeersmanagement en drinkwatervoorzieningen. Deze combinatie van factoren maakt ons kwetsbaar. Deze ontwikkelingen leiden tot een aanvullende taak voor gemeenten en de veiligheidsregio ten aanzien van de civiele veiligheid. Lokale brandweerkazernes zijn hierbij een belangrijke schakel. De veiligheidsregio zal in de praktijk samen met de gemeenten fungeren als dichtstbijzijnde overheid voor inwoners in onze steden en dorpen. De gevolgen van klimaatverandering zijn ook concreet zichtbaar in onze regio. Er is sprake van langere periodes van droogte, extreem weer zoals hoosbuien en stormen en een toenemende kans op onbeheersbare natuurbranden. We hebben te maken met een verhoogd natuurbrandrisico op de Utrechtse Heuvelrug en in aangrenzende gemeenten. Ook om ons heen zien we de directe gevolgen van de risico’s.
Vanuit de regio hebben we recent bijvoorbeeld bijstand verleend aan de natuurbrand in Ede en een zeer grote natuurbrand op de Loonse & Drunense Duinen waar tientallen hectares natuur verloren zijn gegaan. In 2021 zijn wij binnen de regio geconfronteerd met de valwind in Leersum en op andere plaatsen zien we grote incidenten door extreem zware regenval en overstromingen zoals in Limburg en Duitsland. Daarnaast hebben ook demografische ontwikkelingen binnen onze regio effect op onze taakuitvoering, zo blijft het inwoneraantal de komende jaren groeien. De VRU is de grootste veiligheidsregio van Nederland, met een sterk netwerk van vrijwilligers en beroepskrachten. Onze brandweerzorg is robuust en efficiënt en behoort tot de goedkoopste van Nederland. Daar zijn we trots op, we gaan zuinig en zinnig om met gemeenschapsgeld. Maar doordat wij sinds de start van de VRU continu hebben gestuurd op efficiency en kostenbeheersing betekent dit ook dat de rek eruit is.
5
Financiële situatie VRU Sinds de oprichting van de VRU is structureel bezuinigd. Dit gaat in totaal om € 19,1 miljoen. Onderstaande tabel geeft inzicht in deze bezuinigingen. Periode
Toelichting
Bezuiniging* x € 1 mio 4,8
2010
Regionalisering
2011-2014
1e tranche bezuiniging en opvangen ontwikkelingen binnen begroting VRU
6,5
2015-2018
2e tranche bezuiniging en repressieve efficiency
5,3
2018
Extra structurele bezuiniging door verlaging BDUR
0,3
2020-2024
Hanteren nullijn (nieuw voor oud)
1,2
2020-2024
Wegvallen OMS opbrengsten (openbaar meldsysteem)
Totaal
1,0 19,1
* In 2019 is de begroting verhoogd met € 1,3 mio voor exogene ontw ikkelingen.
Naast deze bezuinigingen heeft de VRU vanaf de oprichting zich ingezet om financiële knelpunten zelf op te lossen. Ook van belang is dat in het verleden bewust kosten incidenteel zijn gedekt. Dit is gedaan vanuit het idee dat door de regiovorming het aantal brandweerkazernes aanzienlijk zou verminderen en dat hiermee de kosten zouden worden verlaagd. Er zijn een aantal kazernes samengevoegd (Cothen en Langbroek, Westbroek en Tienhoven) of opgeheven (Lopikerkapel, Polsbroek, Achterberg). Verdere samenvoeging of sluiting van kazernes bleek niet mogelijk. Hiermee sluit de praktijk niet aan bij het beeld dat er door de regionalisering twintig tot dertig kazernes zouden verdwijnen. Dit heeft daarmee niet tot de kostenbesparing geleid zoals verwacht. Ook zijn prijsstijgingen van aanbestedingen en materieel intern onder andere opgelost door het verminderen van het aantal voertuigen. Andere voorbeelden zijn de maatregelen die genomen zijn om de paraatheid te waarborgen en de consequenties van het FLO-overgangsrecht (functioneel leeftijdsontslag), ook die zijn binnen de eigen begroting opgevangen. Daarnaast zijn de overhead en het aantal leidinggevenden sterk verminderd. We blijven alert op mogelijkheden om ontwikkelingen op te vangen binnen de eigen begroting, daarom hebben we recent besloten de huur op te zeggen van het Provinciehuis.
In de jaren dat er sprake was van overschotten, zijn die middelen vrijwel allemaal aan de gemeenten teruggegeven en heeft dit dus geen extra ruimte opgeleverd voor de VRU. Dit betrof incidentele overschotten met name vanwege corona en de crisisnoodopvangtaken. De kadernota die we jaarlijks vanuit de VRU aan de raad voorleggen, is vrijwel altijd beleidsarm. Dit keer is dat anders en vragen we om ingewikkelde keuzes. Maar het is noodzakelijk. Na 14 jaar bezuinigen en het opvangen van nieuwe ontwikkelingen is er geen financiële ruimte meer in de begroting. Verdere bezuinigingen hebben directe gevolgen voor de paraatheid en de arbeidsveiligheid. Dit zal tot problemen leiden bij de (toekomstige) taakuitvoering van de veiligheidsregio en uiteindelijk ook voor gemeenten. Om de huidige taakuitvoering in stand te houden zijn extra middelen nodig. We hebben onderzocht of dit op te vangen is in de bestaande begroting. Omdat de ruimte binnen de begroting van de VRU sinds de regionalisering al is ingezet om knelpunten en verschillende ontwikkelingen op te vangen, betekent de nullijn echter dat de VRU moet bezuinigen op het primaire proces. Het is niet mogelijk om dit te realiseren zonder brandweerkazernes te sluiten.
6
Om de nullijn te bereiken zouden onder meer 27 van de 70 (vrijwilligers)kazernes uit het vastgestelde dekkingsplan gesloten moeten worden. De directe consequentie daarvan is dat de VRU niet meer kan voldoen aan de wettelijke taak en dat aanrijtijden niet meer gehaald kunnen worden. De sluiting van vrijwilligersposten betekent dat overgegaan moet worden naar de inzet van meer beroepsbrandweer. Dit heeft financiële consequenties. De kosten zullen hierdoor aanzienlijk stijgen. Op dit moment hanteert de VRU het meest voordelige model van brandweerinzet dat mogelijk is, namelijk door de inzet van vrijwilligers. Ook zien we dat brandweerkazernes een belangrijke maatschappelijke functie hebben. Met het verdwijnen van vrijwilligerskazernes, verdwijnt er ook sociaal cement uit de gemeenschap. Want aan elke vrijwilligerskazerne zijn ook mensen verbonden die zich inzetten voor hun gemeenschap. Ook ontkomen we dan niet aan het verminderen van toezicht op (brand)veiligheid. Dit staat op gespannen voet met het feit dat er juist meer risico’s op ons afkomen. En dat kan grote consequenties hebben voor de veiligheid van de inwoners van onze regio. Het algemeen bestuur heeft verzocht om toekomstscenario’s uit te werken voor de uitvoering van de bestuursagenda. Daarnaast heeft het bestuur gevraagd inzicht te geven in mogelijke besparingen en de gevolgen daarvan voor onze taakuitvoering.
Alle onderdelen van de VRU zijn hierin meegenomen. Ook is verzocht om bij de middelen die noodzakelijk zijn, na te gaan welke mogelijkheden er zijn om deze gefaseerd op te nemen. Op basis van deze analyses worden er nu keuzes voorgelegd. Die maatregelen die gevraagd worden, zorgen ervoor dat we er gefaseerd voor zorgen dat we vanaf 2030 op orde zijn. Maar het moment is lastig. Het bestuur realiseert zich dat er, ook gezien de beperkte financiële ruimte bij gemeenten en bij de VRU, ingewikkelde keuzes voorliggen.
2 Uitgangspunten
Het is noodzakelijk om nu maatregelen te nemen om te kunnen blijven voldoen aan onze wettelijke taakuitvoering en aan de eisen van vandaag. Maar ook om onze organisatie adaptief en wendbaar te houden zodat we voorbereid zijn op de uitdagingen van morgen, moeten er keuzes gemaakt worden. Kijkende naar de omstandigheden en de keuzes die voorliggen is een kader nodig hoe wij dit tegemoet treden. Hiervoor zijn er uitgangspunten geformuleerd die ons helpen deze keuzes te maken. Leidraad daarbij is dat de maatregelen kosteneffectief en noodzakelijk moeten zijn.
2.1
Noodzakelijk
In 2023, bij het opstellen van de Bestuursagenda VRU 2024-2027, spraken we ook over wensen en ambities. Dit stellen we bij, we richten ons nu alleen op de noodzakelijke vereisten om onze taakuitvoering verantwoord voort te kunnen zetten. Voldoen aan wet- en regelgeving De organisatie moet in staat zijn om te voldoen aan wettelijke vereisten, waaronder aanrijtijden, toezicht, meldkamerverplichtingen en arbeidsveiligheid.
7
Arbeidsveiligheid staat voorop Onze mensen worden door de aard van ons werk regelmatig ingezet in risicovolle situaties. Als werkgever hebben wij de verantwoordelijkheid om hun arbeidsveiligheid te waarborgen. Wij zorgen goed voor onze mensen door structureel aandacht te besteden aan vakbekwaamheid, het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, goed materieel, veilige werkomstandigheden en mentale gezondheid. Voorbereiden op toenemende risico’s Het is noodzakelijk om ons voor te bereiden op de risico’s van nu. Bij de brandbestrijding worden wij geconfronteerd met andere risico’s vanwege de toename van zonnepanelen, buurtbatterijen en elektrische auto’s. Ook richten wij ons onder andere op weerbaarheid, langdurige stroomstoringen, natuurbrandbeheersing en bedrijfscontinuïteit. Hier bereiden we ons op voor. We maken met elkaar, gezien onze financiële positie, een onderbouwde afweging welke risico’s we wel accepteren. Als het om de veiligheid van onze mensen gaat accepteren wij geen enkel risico. Behouden van slagkracht De positionering van brandweerkazernes wordt zorgvuldig afgewogen in relatie tot de benodigde operationele slagkracht. Hierbij spelen ook de continuïteit van onze dienstverlening en de maatschappelijke waarde die de brandweer levert een rol. Het waarborgen van een snelle respons en betrouwbare inzetbaarheid is noodzakelijk.
Deze factoren hebben direct invloed op de veiligheid van onze gemeenschap.
2.2
Kosteneffectief
Wij zijn trots op onze robuuste en efficiënte organisatie. Dit willen wij behouden. Maar ook zien we dat er maatregelen nodig zijn, en daarmee financiële middelen, om te kunnen blijven voldoen aan onze wettelijke taak. Deze maatregelen moeten wel kosteneffectief zijn. Daarom kijken we telkens of het resultaat in verhouding staat tot de kosten die wij daarvoor maken. Structurele taken vereisen structurele financiering De afgelopen jaren is er bij de inzet van benodigde maatregelen een aantal keer gekozen voor een pragmatische oplossing. Dit altijd vanuit het streven om ontwikkelingen binnen de eigen begroting op te lossen en een stijging van de gemeentelijke bijdrage te voorkomen. Op dat moment werd de inschatting gemaakt dat dit mogelijk zou zijn. Ook op basis van de inschatting dat op termijn een aanzienlijk aantal kazernes zouden verdwijnen door de regionalisering. Achteraf bezien was de pragmatische oplossing wellicht niet altijd de meest toekomstbestendige oplossing. Dit is een van de redenen dat de rek er nu uit is. Structurele uitgaven vragen om structurele dekking. Overhead beweegt proportioneel mee met primaire taken De uitvoering van onze primaire taken is afhankelijk van goed functionerende ondersteunende functies.
Hoewel de omvang van deze ondersteunende functies mee kan groeien of krimpen met de uitvoeringstaken, kunnen financiële maatregelen niet volledig op de overhead worden afgewenteld. Ook omdat we zien dat door eerdere bezuinigingen de overhead kwetsbaar is, bijvoorbeeld op het gebied van digitale veiligheid.
8
Wij koesteren het vrijwillige karakter Wij zijn trots op onze mensen en ons vrijwilligersmodel. Het netwerk van vrijwilligerskazernes vormt de kern van onze organisatie en draagt wezenlijk bij aan veiligheid en lokale binding. Het huidige model is niet alleen effectief, draagt bij aan maatschappelijke doelen maar is ook kostenefficiënt, we hebben het op een na goedkoopste brandweerkorps van Nederland.1 Het vraagt om bescherming en versterking van deze vrijwillige inzet. Rijksmiddelen voor crisisbeheersing worden doelmatig en conform landelijke kaders ingezet Toekenning en besteding van BDUR-middelen gebeurt in lijn met landelijke eisen. Gefaseerde implementatie van begrotingsvoorstellen Een gefaseerde aanpak zorgt voor beheersbaarheid in uitvoering, financiering en organisatieontwikkeling. Niet alle investeringen zijn direct noodzakelijk, dus kunnen gefaseerd ingevoerd worden.
3
Welke keuzes worden gevraagd
Bezuinigen betekent dat we als VRU niet meer aan onze wettelijke taak kunnen voldoen. Met aandacht voor de financiële situatie voor gemeenten, worden keuzes gevraagd om aan de eisen te kunnen blijven voldoen. Aan de hand van de uitgangspunten die eerder beschreven zijn worden keuzes voorgelegd die noodzakelijk dan wel kosteneffectief zijn. Het betreffen keuzes die voortkomen uit autonome ontwikkelingen, die nodig zijn om een goede werkgever te kunnen zijn, uit het oogpunt van kosteneffectiviteit en vanwege voortschrijdend inzicht. Ook worden keuzes gevraagd om ambities bij te stellen, over het maatwerk voor individuele gemeenten en om enkele risico’s onderbouwd te accepteren.
3.1
Keuzes door autonome ontwikkelingen
Hierbij gaat het om keuzes door ontwikkelingen die direct invloed hebben op onze taakuitvoering en die maatregelen van ons vragen of vereisen. Dit zijn onvermijdbare kosten, als gevolg van bijvoorbeeld inwonergroei en wet- en regelgeving. In de financiële paragraaf worden onderstaande bedragen in de tijd gezet omdat niet alle bedragen vanaf 2026 nodig zijn. 3.1.1 Uitbreiding brandweerzorg Amersfoort € 2.539.000 structureel Door de groei van Amersfoort worden de wettelijke gebiedsgerichte opkomsttijden in het noordelijk deel van de stad niet altijd gehaald. Op werkdagen was er geen bezetting vanuit vrijwilligers op kazerne Amersfoort-Noord. Door uit te rukken vanaf de kazerne centrum werden in acht buurten de opkomsttijden niet gehaald. Vanwege de grootte van het stedelijk gebied en de verwachte verdere groei van Amersfoort, zijn maatregelen noodzakelijk om de benodigde slagracht te vergroten en de wettelijke opkomsttijden te behalen. De maatregelen om dit op te lossen worden gefaseerd ingevoerd. De eerste fase, het werken met een dagdienst in Amersfoort-Noord, is al gerealiseerd en verwerkt in de begroting. Voor realisatie van de tweede fase, het realiseren van uitbreiding met een 24-uursdienst, wordt een structurele
1 Berenschot heeft op verzoek van de VRU onze organisatie vergeleken met de gegevens die zij hebben van andere veiligheidsregio’s. Deze
benchmark is op een systematische wijze (appels met appels en peren met peren) uitgevoerd en hierbij zijn 20 van de 25 veiligheidsregio’s meegenomen.
9
investering gevraagd. Deze investering is onder andere door groei van de stad, verkeersdrukte en vrijwilligersbezetting op termijn noodzakelijk om aan onze wettelijke taken te kunnen blijven voldoen. Dit is een ontwikkeling die na 2030 effect heeft. 3.1.2 Bijstelling roosterfactor € 1.021.000 structureel De roosterfactor geeft aan hoeveel medewerkers nodig zijn om het minimale aantal personeelsleden op elk moment beschikbaar te hebben voor inzet. Naast paraatheidsuren zijn er bij de roosterfactor ook uren voor opleiding, realistisch oefenen, verlof, ziekteverzuim en andere taken binnen de 24-uursdienst meegenomen. In 2014 is de roosterfactor binnen de VRU verlaagd naar 4,5. Dit is gedaan om te bezuinigen. Vergeleken met de andere grote brandweerkorpsen in het land heeft de VRU de laagste roosterfactor. Door een toegenomen opleidingsbehoefte, rechtspositionele wijzigingen zoals het 2e loopbaanbeleid en ouderschapsverlof, de toegenomen uitstroom en de toename van taken staat de huidige roosterfactor onder druk. Op de huidige arbeidsmarkt wordt het werven van nieuwe brandweercollega’s ook steeds lastiger. Het rooster op de beroepskazernes kan met het huidige aantal beroepsbrandweerlieden niet meer volledig gevuld worden. Dit maakt ons als organisatie afhankelijk van externe inhuur en hier zijn hoge kosten aan verbonden.
Als de bezetting op beroepskazernes niet gegarandeerd kan worden, gaan kazernes buiten dienst. Om de paraatheid te blijven garanderen, is een verhoging van de roosterfactor voor beroepspersoneel noodzakelijk. Dit maakt ook dat de externe inhuur kan worden stopgezet. 3.1.3 Externe invloeden vakbekwaamheid € 351.000 structureel Landelijke eisen en externe ontwikkelingen en verplichtingen zijn van invloed op vakbekwaamheid. Dat vraagt van ons dat wij daarin meegaan want goed opgeleid brandweerpersoneel is niet alleen noodzakelijk om aan alle eisen te voldoen en de risico’s het hoofd te bieden, maar zorgt er ook voor dat veilig opgetreden kan worden. De veiligheid van medewerkers is voor de VRU essentieel en daarnaast zijn het ook verplichtingen waaraan we als organisatie moeten voldoen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het waarborgen van de veiligheid van brandweerduikers. Door wijzigingen in EU-wetgeving is herregistratie van brandweerduikers, duikploegleiders en duikmedisch begeleiders verplicht. Daarnaast is er een vernieuwde opleiding ‘bediener redvoertuig’. Dit zorgt voor een eenduidige werkwijze waardoor uitwisselbaarheid van medewerkers vergroot wordt, maar dit betekent ook meerkosten. Tevens is er sprake van toegenomen kosten voor de inzet van het digitaal leerplatform (ELO) voor medewerkers en van toegenomen kosten voor realistisch oefenen.
3.1.4 Energietransitie en incidentbestrijding gevaarlijke stoffen € 422.000 structureel De transitie naar duurzame energiebronnen beïnvloedt de fysieke leefomgeving en veiligheid van burgers, bedrijven en overheden. We worden geconfronteerd met nieuwe risico’s op het gebied van elektrificatie, grootschalige energieopslagsystemen en het toegenomen transport van gevaarlijke stoffen. Het is noodzakelijk dat medewerkers beschikken over de juiste kennis, materieel en materiaal om deze risico’s veilig te kunnen voorkomen, beperken en bestrijden. Dit vraagt investering in de kennis en vakbekwaamheid van medewerkers, zowel bij preventie als repressie, en de beschikbaarheid en vervanging van materieel en materiaal.
10
3.1.5 Versterking advisering € 136.000 structureel Van oudsher zijn we vooral gericht op het adviseren over brandveiligheid. Maar de laatste jaren moeten we ons voorbereiden op de risico’s die voortkomen uit de energietransitie, klimaatadaptatie en natuurbrandbeheersing. Daarnaast is er een grote bouwopgave binnen de regio en er bestaan risico’s op het gebied van stedelijke verdichting en duurzaam bouwen. Ten aanzien van deze thema’s is nu onvoldoende capaciteit om kennis te ontwikkelen, te borgen en te delen. Hierdoor is het voor de VRU lastiger om een goede adviseur, gesprekspartner en kennismakelaar te zijn. Om deze taak goed uit te kunnen voeren is extra formatie nodig gericht op duurzaam bouwen en stedelijke verdichting. 3.1.6 Digitale veiligheid € 861.000 structureel Cyberveiligheid wordt steeds belangrijker als gevolg van verregaande digitalisering, informatisering en ketensamenwerking. De afhankelijkheid van digitale systemen én toeleveringsketens neemt daardoor toe. Verstoringen kunnen grote impact hebben op de continuïteit van onze dienstverlening, van kleine storingen tot cybergijzeling, van spionage tot digitale oorlogsvoering. De VRU moet goed voorbereid zijn op dit soort situaties. Cyberincidenten zijn (wereldwijd) aan de orde van de dag.
Alarmerend zijn de resultaten van een recente cyberveiligheid audit binnen de VRU: er wordt niet voldaan aan de minimale vereisten in wet- en regelgeving. Daarmee kunnen we een solide basis voor veiligheid niet garanderen. De steeds strikter wordende normenkaders kunnen we niet naleven en cyberrisico’s kunnen we onvoldoende beheersen. Dit levert een direct risico op voor de kritieke processen en dus voor onze meldkamer, de brandweer en crisisbeheersing. Om verstoring van de dienstverlening te voorkomen zijn maatregelen noodzakelijk. 3.1.7 Bedrijfs- en IT continuïteit € 615.000 structureel Het is van belang wij als hulpverleningsorganisatie onze dienstverlening en vitale processen altijd kunnen blijven uitvoeren, ook tijdens een crisis waarbij de VRU getroffen wordt. Beschikbaarheid en continuïteit zijn onlosmakelijk verbonden aan onze paraatheid en inzetbaarheid. Bij de uitvoering van onze taken zijn we afhankelijk van digitale middelen. Dat geldt zowel voor de bedrijfsvoeringsprocessen als voor de dienstverlening aan onze inwoners op straat. Storingen in informatiesystemen kunnen de uitvoering van onze hulpverleningstaken aanzienlijk belemmeren. Onze ICT-systemen zijn verweven en complex. Dat betekent dat een op het eerste gezicht eenvoudige storing in één systeem grote gevolgen kan hebben voor andere (kritieke) systemen.
Het is van belang dat wij onze continuïteit kunnen waarborgen zodat we onder alle omstandigheden onze taken op de meldkamer en ten aanzien van crisisbeheersing en brandweerzorg kunnen blijven uitvoeren. De middelen die benodigd zijn komen voort uit een stijging van de ICT-kosten en uitbreiding van licenties. Voor het toekomstbestendig maken van onze ICT-dienstverlening zijn op een later moment nog aanvullende middelen nodig.
3.2
Keuzes op basis van goed werkgeverschap
Hierbij gaat het om keuzes die noodzakelijk zijn vanuit goed werkgeverschap. Enerzijds gaat het hierbij om de zorg voor en veiligheid van onze medewerkers en anderzijds is het van belang dat wij onze medewerkers aan ons blijven binden.
11
3.2.1 Versterking vakbekwaamheid € 507.000 structureel Sinds de oprichting van de VRU is er minimaal geïnvesteerd in de ontwikkeling van de afdeling Vakbekwaamheid. Uit een benchmark, uitgevoerd door Berenschot, is naar voren gekomen dat de VRU beschikt over veel vrijwilligers en vanwege de grootte van onze regio en het risicoprofiel bovengemiddeld veel specialismen kent. Deze factoren verhogen de opleidings- en oefendruk. Uit de benchmark blijkt ook dat dat het voorbereiden van hulp en zorg (vakbekwaamheid) onder het landelijke gemiddelde ligt. Op basis van deze resultaten is er onderzoek gedaan naar de benodigde structurele capaciteit om de basistaken te kunnen uitvoeren en te kunnen anticiperen op landelijke, regionale en lokale ontwikkelingen. Inmiddels is er met incidentele middelen voor gezorgd dat de afdeling op orde is, maar om dit te behouden is structurele financiering nodig. 3.2.2 Vergroten arbeidsveiligheid € 326.000 structureel Nieuwe risico’s als gevolg van klimaatverandering en energietransitie vragen iets anders van onze medewerkers. Het leidt voor hun veiligheid ook tot nieuwe risico’s. Om te zorgen dat de arbeidsveiligheid zo hoog mogelijk is, is investeren noodzakelijk. Zo kunnen (onderwater)drones inzicht geven in complexe situaties zonder dat medewerkers aan deze (potentieel) onveilige situaties worden blootgesteld.
Op deze manier kunnen medewerkers een veilige en effectieve inzetstrategie bepalen. De arbeidsveiligheid wordt daadwerkelijk vergroot door de inzet van robotica. Een bijkomend voordeel is dat de inzet van robotica kan resulteren in een efficiencyslag in de toekomst. Daarmee besparen we mogelijk op andere kosten. 3.2.3 Natuurbrandbeheersing € 102.000 structureel Door klimaatverandering stijgen de temperaturen en komen er vaker perioden met langdurige droogte of langdurige regenval voor. Langdurige regenval zorgt ervoor dat de vegetatie groeit. Daarmee ontstaat extra brandstof voor in de droge perioden. Het risico op natuurbranden, maar ook het daadwerkelijke aantal, neemt toe. Bij natuurbrandbestrijding is het nodig een handcrew team in te kunnen zetten. Hierbij gaat het om alternatieve bestrijding gericht op de vegetatie met als doel om brandbaar materiaal te verwijderen en een stoplijn te creëren. Hierdoor is het mogelijk om escalerende branden weer beheersbaar te krijgen voor ze onbeheersbaar worden. Ook kan de handcrew bijdragen bij de brandbestrijding. Dit gebeurt te voet en met handgereedschap en het stelt de brandweer in staat om gebieden te bereiken die voor voertuigen onbereikbaar zijn. De handcrew is dus preventief en repressief in te zetten. Daarnaast is extra formatie nodig binnen het project natuurbrandbeheersing.
Binnen dit project wordt via een gebiedsgerichte aanpak ingezet op het verminderen van het risico en de effecten van een onbeheersbare natuurbrand. Er wordt vanuit de VRU intensief samengewerkt met gemeenten, provincie en natuurbeherende organisaties. Gezien het oplopende risico is het aanbevolen om te versnellen en hier is extra formatie voor nodig. 3.2.4 Uniformeren piketregeling € 400.000 structureel De VRU werkt met piketregelingen om te garanderen dat er 24/7 functionarissen paraat staan voor de crisisorganisatie. Het is van belang om te komen tot een eenduidige, marktconforme beloningsmethodiek voor deze taken. Binnen de VRU worden op dit moment verschillende piketregelingen toegepast. Dit zorgt niet alleen voor verschillen in aanstellingen en beloningen tussen piketgroepen maar ook binnen piketgroepen. Het komt voor dat een piketmedewerker uit dezelfde piketgroep veel minder verdient ten opzichte van zijn/haar collega voor hetzelfde werk.
12
Door de verschillen in beloningen en aanstellingen bestaat er ongelijkheid en wordt er niet voldaan aan de wettelijke eisen. Het gevolg van deze scheefgroei is dat het verloop in een aantal piketgroepen hoog is. Opleidingskosten worden hierdoor buitenproportioneel hoog en we boeten als organisatie in op kwaliteit. Daarnaast resulteert het ontbreken van een uniforme piketregeling in demotivatie, groeiende onvrede en een structureel tekort aan piketmedewerkers. De continuïteit van de crisisorganisatie komt onder druk te staan. Dit alles heeft zijn weerslag op de versterking en de slagkracht van de crisisorganisatie. Crisisbeheersing is één van onze kerntaken. Zeker gezien de huidige tijd en alle ontwikkelingen die op ons afkomen, is het noodzakelijk om te zorgen dat onze crisisorganisatie robuust is. Ook de uitdagingen op de arbeidsmarkt onderschrijven de noodzaak om te voorzien in een eenduidige en marktconforme beloningsmethodiek voor deze taken. 3.2.5 Aanpak PTSS problematiek € 171.000 structureel Onze vrijwilligers en medewerkers van de brandweer, GHOR en andere piketfunctionarissen worden dagelijks geconfronteerd met ingrijpende situaties. Dodelijke verkeersongevallen, woningbranden met slachtoffers, zelfdodingen, agressie van omstanders bij hulpverlening en langdurige inzet bij rampen of vermissingen zijn hier voorbeelden van.
Onze brandweermensen, officieren van dienst en medische coördinatoren krijgen te maken met heftige morele dilemma’s en acute stress. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij grootschalige incidenten of tijdens crisissituaties met beperkte middelen. Ook worden onze vrijwilligers mogelijk geconfronteerd met inzetten waarbij een bekende uit het dorp slachtoffer is. Er wordt veel van hun mentale én fysieke weerbaarheid gevraagd. Als dit soort ervaringen zich opstapelen of onvoldoende worden verwerkt, kunnen ze leiden tot psychische klachten zoals Posttraumatische Stressstoornis (PTSS). Bij de VRU zien we de druk toenemen. Onze ARBO-jaarrapportage toont een stijging van psychosociale klachten zoals stress, angst en somberheid. Landelijke onderzoeken ondersteunen dit beeld. Zonder adequate ondersteuning lopen hulpverleners het risico op langdurige uitval. Het leeronderzoek uitgevoerd door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid in 2024 benadrukt hoe ingrijpende incidenten blijvende impact kunnen hebben en hoe belangrijk preventie, opvang en nazorg zijn. Als werkgever hebben wij een morele en wettelijke plicht. Structurele aandacht voor mentale gezondheid is essentieel. Vanuit de zorg voor onze mensen, maar ook om uitval te voorkomen en duurzame inzetbaarheid te bevorderen. Alleen met gerichte en blijvende inzet op mentale veerkracht kunnen wij onze publieke taak blijven vervullen.
Tot nu toe hebben we de zorg voor onze mensen kunnen financieren vanuit onze lopende begroting, maar dat is niet meer voldoende.
3.3
Kosteneffectieve keuzes
Bij de keuzes die hier voorliggen is gekeken naar de kosten die gemaakt worden en of het resultaat in verhouding staat tot die kosten. Er is nagedacht over mogelijke besparingen en maatregelen die wellicht geld opbrengen.
13
3.3.1 Aanpassing paraatheidsmodel Nieuwegein-Noord PM De groei van steden en woonkernen in de regio heeft effect op het aantal uitrukken en de paraatheid van brandweerkazernes. Oplopende opkomsttijden maken het noodzakelijk dat opnieuw gekeken wordt naar de wijze waarop de paraatheid is georganiseerd. Op de kazerne Nieuwegein-Noord is de paraatheid op werkdagen georganiseerd met een dagdienstbezetting. Er wordt onderzoek uitgevoerd naar het verkorten van het tijdsblok van de dagdienst en de mogelijkheden om de paraatheid voor een groter deel van de dag in te vullen met vrijwilligers. Het doel is om te komen tot een model waarbij de paraatheid op de kazerne zo goed en kosteneffectief mogelijk georganiseerd kan worden. Door het verkorten of volledig afbouwen van de dagdienst kunnen mogelijk personele kosten, waaronder inhuurkosten, bespaard worden. Hoe groot die besparing is, wordt op dit moment nog onderzocht. Mocht de aanpassing geen besparing opleveren, dan wordt de huidige situatie voortgezet. 3.3.2 Samenwerking Midden-Nederland PM Als VRU staan we voor uitdagingen en risico’s die op ons afkomen. Maar andere veiligheidsregio’s staan voor vergelijkbare uitdagingen in de voorbereiding en uitvoering van hun taken. Op landelijk en interregionaal niveau wordt steeds intensiever en effectiever samengewerkt.
Een goed voorbeeld hiervan is de samenwerking tussen de VRU, Flevoland en Gooi en Vechtstreek. Samen hebben we één meldkamer en één Veiligheidsinformatiecentrum Midden-Nederland. De ambitie is om deze samenwerking door te trekken naar de crisisorganisatie. Daarmee kan de paraatheid en slagkracht van de crisisorganisatie versterkt worden en wordt er gestreefd naar kostenbesparing en een doelmatiger inzet van publieke middelen. Een uniforme en robuuste crisisorganisatie op bovenregionaal niveau levert naar verwachting aanzienlijke efficiëntie- en kostenvoordelen op maar vergroot ook de kwaliteit en verkleint de kwetsbaarheid. Ook wordt de bestuurlijke en operationele druk verlicht. Of deze samenwerking gerealiseerd wordt is afhankelijk van het bestuurlijke overleg tussen de regio’s en of er bereidheid is om de samenwerkingsafspraken daadwerkelijk te concretiseren. Naar schatting kan deze samenwerking op termijn een structurele besparing van circa € 500.000 opleveren.
3.4
Keuzes op basis van voortschrijdend inzicht
Zoals beschreven zijn de afgelopen jaren een aantal financiële knelpunten binnen de eigen begroting opgevangen. Dit is onder andere gedaan om een stijging van de gemeentelijke bijdrage te voorkomen. Voortschrijdend inzicht laat zien dat, hoewel het op dat moment een goede keuze leek, het niet altijd een toekomstbestendige oplossing was. Dit levert nu knelpunten op. Voor structurele taken is structurele dekking nodig. 3.4.1 Materiële paraatheid € 994.000 structureel De kosten voor de aanschaf van materieel zijn in de afgelopen jaren sterk gestegen. Dit komt onder andere door gestegen grondstofprijzen, strengere veiligheids- en milieueisen en toegenomen loonkosten. Deze kosten zijn hoger dan waarmee in de reguliere indexatie van de begroting rekening is gehouden. Om het huidige materieel zoals vastgelegd in het materieel- en
14
personeelsbeheer- en spreidingsplan te behouden, is structurele dekking nodig voor alle voertuigen. Binnen de basisbrandweerzorg hebben we 95 tankautospuiten. Daarvan zijn er nu 76 structureel gedekt, 12 voertuigen zijn incidenteel gedekt en voor 7 voertuigen is geen dekking. Gevraagd wordt om middelen voor structurele dekking voor de voertuigen die niet of incidenteel zijn gefinancierd. Het realiseren van deze structurele dekking is noodzakelijk omdat dit een effect heeft op de materiële paraatheid in de regio en daarmee op de toekomstbestendigheid van onze brandweerzorg. Een vermindering van basisbrandweereenheden op kazernes leidt tot een afname van de lokale en regionale slagkracht. Dat kosten eerder incidenteel zijn gedekt heeft meerdere redenen. Enerzijds bestond ooit de visie dat er op termijn minder brandweerkazernes nodig zouden zijn en dat daarmee ook minder materieel nodig was. Hoewel er wel kazernes samen zijn gevoegd of zijn opgeheven, heeft dit niet tot de kostenbesparing geleid zoals verwacht. Daarnaast zijn kosten incidenteel binnen de eigen begroting opgevangen om kostenneutrale voorstellen aan het bestuur te kunnen voorleggen en zo een verhoging van de gemeentelijke bijdrage te voorkomen.
3.4.2 Herzien afschrijftermijn 20 naar 15 jaar € 675.000 structureel In het verleden is besloten om voor tankautospuiten de afschrijftermijn te wijzigen van 15 jaar naar 20 jaar. In de praktijk is gebleken dat dit niet haalbaar is omdat de tankautospuiten al voor die termijn afgeschreven zijn. Ook is de afschrijftermijn van 20 jaar niet in overeenstemming met de verwachte technische levensduur van de voertuigen. Het gevolg hiervan is dat er nu zeer hoge en onvoorspelbare onderhoudskosten gemaakt moeten worden in de laatste paar jaar dat de voertuigen nog operationeel moeten zijn. Uit een inventarisatie blijkt dat de VRU de enige veiligheidsregio is die een afschrijftermijn van 20 jaar hanteert. Andere veiligheidsregio’s hanteren de termijn van maximaal 15 jaar en in sommige regio’s hanteren ze een afschrijftermijn van 12 jaar voor voertuigen op beroepskazernes. Hoewel het lijkt dat deze maatregel leidt tot een kostenstijging, zal het op lange termijn juist meerkosten voorkomen. Met deze maatregel voorkomen we ongeplande uitval en een onbeheersbare groei van onderhoudskosten. 3.4.3 Personele paraatheid en inzet € 475.000 structureel Bij onze vrijwilligers hebben we te maken met een hoger verloop van personeel en een verminderde inzetbaarheid overdag. Daarnaast leveren vrijwilligers een bijdrage in onze kazerneringsroosters.
Door deze factoren ontstaat druk op de paraatheid van de vrijwillige kazernes. Bij het gebruik van tweewegpagers, in plaats van de eenwegpagers die voorheen werden gebruikt, kunnen vrijwilligers bij een alarmering hun beschikbaarheid aangeven. Dit geeft meer inzicht in de paraatheid en verhoogt de paraatheid. Deze tweewegpagers worden gebruikt en zijn met incidentele middelen aangeschaft, maar er is nog geen structurele dekking voor. Omdat ze hun waarde bewezen hebben en een noodzakelijke bijdrage leveren aan de personele paraatheid, vragen we hierbij om structurele middelen. In opdracht van het bestuur is onderzoek gedaan naar de AED-taak. Dit wordt verder toegelicht in 4.1.3. Op basis van dit onderzoek heeft het bestuur besloten de AED-taak zoals die uitgevoerd
15
wordt door de brandweer te continueren. Voor de uitvoering van deze taak is nu geen volledige structurele dekking. Datzelfde geldt voor de huidige organisatie van waterongevallenbestrijding. Dit wordt verder uitgewerkt en toegelicht in 4.1.4.
3.5
Keuzes door het bijstellen van ambities
In 2023 is onze bestuursagenda vastgesteld door het bestuur. Hierin zijn ook een aantal ambities opgenomen voor de beleidsperiode 2024-2027. Op basis van de uitgangspunten dat de huidige maatregelen noodzakelijk of kosteneffectief moeten zijn, heeft het bestuur aangegeven dat op de onderwerpen uit deze paragraaf de ambities kunnen worden bijgesteld. 3.5.1 Haalbaarheidsonderzoek toekomstbestendige trainings- en (bij)scholingslocatie Voor het opleiden en oefenen van brandweermensen wordt nu vaak gebruik gemaakt van diverse brandweerkazernes binnen de VRU. Omdat de kazernes vaak in woonkernen staan, kan er bij opleidingen en oefeningen overlast bij omwonenden ontstaan. Ook hebben we te maken met strengere veiligheids- en milieueisen, capaciteitsdruk en een veranderend en groeiend aanbod aan opleidingen. Wij trainen onze repressieve brandweermensen ook bij commerciële oefencentra in het buitenland. Dit kost geld en reistijd. Om al deze redenen is een eigen oefenlocatie wenselijk. Eerder is daarom aan het bestuur akkoord gevraagd voor het verrichten van een haalbaarheidsonderzoek naar het opzetten en inrichten van een structurele, toekomstbestendige trainings- en (bij)scholingslocatie. Maar gezien de huidige financiële omstandigheden van zowel de VRU als gemeenten, wordt voorgesteld de huidige werkwijze voort te zetten en hier op dit moment niet extra op te investeren.
3.5.2 Hulpverlening ontwikkeling specialisme In 2020 is een landelijke visie op hulpverlening bij de brandweer vastgesteld. De VRU heeft deze visie nog niet volledig geïmplementeerd en loopt hiermee achter op andere veiligheidsregio’s. Op dit moment verricht de lokale tankautospuit binnen de VRU alle basishandelingen, ook op het gebied van hulpverlening. Het hulpverleningsvoertuig wordt daarbij ingezet als een soort rijdend magazijn waaruit de bemanning van de tankautospuit gereedschap en middelen kan gebruiken. De consequentie hiervan is dat alle brandweermensen binnen de VRU moeten kunnen werken met alle (zwaardere, grotere en krachtigere) gereedschappen en middelen die op het hulpverleningsvoertuig liggen. Dit bekent ook een grote oefeninspanning voor alle medewerkers. Dit staat niet in verhouding tot de gebruiksinzet. In de landelijke visie op hulpverlening wordt het hulpverleningsvoertuig gezien als specialisme. Daarbij is het dus niet langer een rijdend magazijn, maar een team specialisten die getraind, geschoold en ervaren zijn in het gebruik van deze middelen. Of meerkosten verbonden zijn aan het inrichten van hulpverlening als specialisme is nog onbekend. Dat zou uit onderzoek moeten blijken. Door het bijstellen van deze ambitie hoeven daar op korte termijn geen kosten voor te worden gemaakt.
Op langere termijn leidt de huidige manier van werken wellicht tot meer kosten omdat er meer voertuigen nodig zijn en omdat alle medewerkers op kazernes geoefend moeten blijven op het werken met hulpverleningsmiddelen.
16
Hoewel er nadelen zitten aan de huidige manier van werken, wordt op dit moment voorgesteld de huidige werkwijze voort te zetten. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om hulpverlening in te richten als specialisme en welke (financiële) consequenties dit heeft. Dit is ook nodig gezien de uitdagingen die er liggen op het vlak van het versterken van de weerbaarheid en het mogelijke grotere beroep dat er gedaan kan worden op deze hulpverlening bij langdurige ontwrichtende situaties zoals stroomuitval, overstromingen en cyberaanvallen. 3.5.3 Duurzaamheid Veiligheidsregio’s kunnen een significante impact hebben op de duurzaamheidsdoelen van gemeenten. Dit vanwege de grote CO2-uitstoot van ons wagenpark en onze huisvesting. Door de organisatie te verduurzamen kan de VRU een rol spelen in het beperken van klimaatverandering. Om als VRU echt een slag te maken op het gebied van duurzaamheid zijn financiële middelen nodig. Daarvoor is nu geen structureel budget beschikbaar. Het gaat om een benodigde investering van € 559.000 structureel. Omdat de overige uitdagingen en knelpunten op dit moment meer prioriteit hebben, is de afweging gemaakt om hier geen aanvullende middelen voor te vragen. 3.5.4 Risk Factory In de Bestuursagenda VRU 2024-2027 is opgenomen dat we de mogelijkheden verkennen om een Risk Factory in onze regio te realiseren.
Dit met als doel om intensiever samen te werken met andere diensten en de zichtbaarheid in de samenleving te vergroten. In het kader van jong geleerd is oud gedaan, kunnen kinderen op deze manier bekend worden met ons werk en met onderwerpen op het gebied van veiligheid. In de bestuursagenda is opgenomen dat wij een businessplan opstellen als start van deze verkenning en dat op basis daarvan een voorstel aan het bestuur gedaan wordt. Gezien de huidige financiële omstandigheden wordt voorgesteld om hier nu niet op te investeren. Hiermee voorkomen we niet alleen de kosten en capaciteit om dit te ontwikkelen, maar ook de bijkomende kosten van bijvoorbeeld huisvesting. Hoewel we dit nu niet zelfstandig gaan organiseren, verkennen we nog wel de mogelijkheden om dit gezamenlijk met andere partners vorm te geven.
3.6
Maatwerk voor individuele gemeenten
De basistaken die de VRU verricht voor gemeenten zijn collectief. Daarnaast bestaat er voor gemeenten de mogelijkheid om maatwerkafspraken te maken met de VRU. Deze maatwerkafspraken kunnen betrekking hebben op materieel, personeel of onderhoud en beheer van huisvesting. Deze eventuele maatwerkafspraken tussen een gemeente en de VRU worden vastgelegd in een taakuitvoeringsovereenkomst (TUO). 3.6.1 Herziening vergoeding kosten maatwerk (TUO) De VRU heeft met negen gemeenten een TUO afgesloten voor extra materieel, met acht gemeenten voor extra personeel en met negen gemeenten voor onderhoud en beheer. De vergoedingen voor deze TUO-taken zijn geanalyseerd en daaruit blijkt dat bestaande vergoedingen onvolledig zijn. Voor een aantal gemeenten geldt dat een maatwerk tankautospuit wordt vergoed, maar dat het aantal vrijwilligers dat nodig is voor die extra tankautospuit niet doorbelast is. Ook is er één tankautospuit waarvoor geen vergoeding wordt doorbelast. Dit
17
betekent dat niet de individuele gemeenten de kosten dragen voor deze maatwerkafspraken, maar dat deze aanvullende kosten gedragen worden door het collectief, dus door alle gemeenten. De maatwerkvergoedingen die nu doorbelast worden aan alle gemeenten in plaats van aan de betreffende gemeenten waarmee de TUO is afgesloten bedragen in totaal € 187.000.
3.7
Onderbouwde afweging van risico’s
Hierbij gaat het om risicoafwegingen die vanwege financiële of praktische redenen gemaakt dienen te worden. 3.7.1 Bijstelling garantiefactor vrijwilligers Voor het bepalen van de vrijwilligersbezetting van een brandweerkazerne wordt gebruik gemaakt van een zogenaamde garantiefactor. Op dit moment wordt gewerkt met een garantiefactor van 300% voor de bezetting van een basisbrandweereenheid (een tankautospuit). De bezetting die nodig is op een tankautospuit is zes medewerkers. Voor een post met één tankautospuit is de vrijwilligersbezetting dus 18. De VRU wordt geconfronteerd met een hoger verloop van personeel en met verminderde inzetbaarheid overdag. Daarnaast leveren vrijwilligers een bijdrage in onze kazerneringsroosters. Door deze factoren ontstaat druk op de paraatheid van de vrijwillige kazernes. Het verhogen van de garantiefactor van vrijwilligers kan dit tegengaan. Daarvoor zou gemiddeld één vrijwilliger per post extra nodig zijn. Deze regiobrede uitbreiding van de bezetting zou de werving en opleiding van 65 vrijwilligers betekenen. Dit zou de paraatheid, de gemiddelde opkomsttijd en de regionale slagkracht verbeteren. Maar de benodigde financiële middelen zijn vanaf 2030 naar verwachting € 702.000 per jaar. Gezien de financiële omstandigheden wordt in afstemming met het bestuur voorgesteld om hier op korte termijn niet op te investeren.
De inschatting is dat het niet bijstellen van de garantiefactor van vrijwilligers niet leidt tot onaanvaardbare risico’s voor de paraatheid. 3.7.2 Overeenkomsten van opdracht voor eigen personeel € 600.000 structureel Er zijn werkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Hierbij gaat het vooral om instructiewerkzaamheden en de logistieke ondersteuning van de brandweer. Deze overeenkomsten van opdracht worden meestal verstrekt aan eigen medewerkers, bijvoorbeeld beroepsbrandweermedewerkers. Het risico bestaat dat geconstateerd wordt dat, gelet op de aard en omstandigheden van de werkzaamheden, feitelijk sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking. Dit kan arbeidsvoorwaardelijke en fiscale consequenties hebben. In 2021 en 2022 is al geprobeerd om overeenkomsten van opdracht voor eigen medewerkers af te bouwen. Onderzocht is of er een manier van verloning mogelijk is die past binnen de fiscale kaders, onze budgettaire ruimte en de arbeidsjuridische context. Geen van de onderzochte mogelijkheden blijkt in de praktijk geschikt voor het bijzondere karakter die onze vakbekwaamheid en uiteindelijk onze repressieve paraatheid vraagt. Omdat dezelfde werkwijze toegepast wordt bij andere veiligheidsregio’s, wordt gewerkt aan een landelijke oplossing. Tot die tijd blijven wij werken met een overeenkomst van opdracht voor eigen medewerkers.
De arbeidsvoorwaardelijke en fiscale risico’s die hieraan verbonden zijn, blijven dus bestaan. De
18
verwachting is dat dit in ieder geval na 2030 effect heeft. Dan gaat het om extra werkgeverslasten zoals loonheffing en aanvullende werkgeverslasten. Om dit te berekenen is een opslagpercentage van ruim 50% toegepast op het budget dat nu nodig is voor de instructiewerkzaamheden die op basis van een overeenkomst van opdracht worden uitgevoerd. Deze extra werkgeverslasten worden geraamd op € 600.000 per jaar.
4
Separate besluitvorming
4.1
Bestuurlijke opdrachten
Ten aanzien van een aantal onderwerpen heeft al besluitvorming plaatsgevonden door het bestuur. Daarnaast zijn er een aantal onderwerpen die nog verder uitgewerkt moeten worden of waarvan het bestuur heeft bepaald dat hier wel maatregelen voor nodig zijn, maar dat dit kan wachten tot een later moment. Omdat deze besluiten en voorstellen wel financiële impact hebben, worden ze hier voor de volledigheid ook toegelicht.
4.1.1 Doorbelasten dienstverlening liftopsluitingen Binnen de VRU rukt de brandweer jaarlijks gemiddeld 350 keer uit voor een liftopsluiting waarbij sprake is van dienstverlening. Het gaat dan om prio 2 meldingen die niet spoedeisend zijn. De kosten hiervoor komen ten laste van de eigen begroting. Het algemeen bestuur heeft verzocht om te verkennen of de kosten voor dienstverlening bij liftopsluitingen doorbelast kunnen worden. De kosten kunnen alleen worden doorbelast als er sprake is van dienstverlening. Bij een wettelijke (spoedeisende) inzet kan dit niet. De liftbeheerder is primair verantwoordelijk voor het afhandelen van een liftopsluiting. In de praktijk komt het veel voor dat de liftbeheerder niet in staat is om binnen de eigen opkomsttijden ter plaatste te komen. Dan wordt er vaak voor gekozen om de brandweer te alarmeren. De brandweer levert hiermee een dienst aan de liftbeheerder. In de meeste gevallen is het ook de liftbeheerder die de brandweer alarmeert. Het algemeen bestuur heeft op 7 juli 2025 besloten om de kosten voor liftopsluitingen door te belasten. Verwacht wordt dat we in het najaar van 2025 kunnen starten met deze werkwijze. De geschatte baten voor het doorbelasten van de kosten voor liftopsluitingen bedragen in 2026 € 94.000.
4.1.2 Doorbelasten dienstverlening ambulancezorg Het algemeen bestuur heeft verzocht om de mogelijkheden te verkennen voor het doorbelasten van de kosten voor afhijsingen en tilassistentie ten behoeve van de ambulancedienst. Naast de wettelijke taken verricht de brandweer ook taken met een dienstverlenend karakter. Een belangrijke en veelvoorkomende taak hiervan betreft de assistentie van de ambulancedienst bij het afhijsen van patiënten of het verlenen van tilassistentie. Bij afhijsingen ondersteunt de brandweer het ambulancepersoneel bij het veilig verplaatsen van een patiënt uit een moeilijk bereikbare locatie, vaak op hoogte, en met gebruik van een hoogwerker of ladderwagen. Bij tilassistentie ondersteunt de brandweer het ambulancepersoneel bij het tillen van een patiënt uit een woning of helpen zij de patiënt te verplaatsen uit een moeilijk bereikbare locatie. In beide gevallen gaat het om een taak die de brandweer uitvoert op verzoek van de ambulancedienst. Als er sprake is van een situatie waarbij het gaat om het beperken of bestrijden van een directe bedreiging voor het leven of de gezondheid van de patiënt, dan gaat
19
het om een wettelijke taak van de brandweer. In de overige gevallen is er sprake van dienstverlening. Voor dienstverlenende inzetten bestaat de mogelijkheid om deze kosten door te belasten. Er bestaan verschillen tussen veiligheidsregio’s in de wijze waarop deze dienstverlenende taak wordt gefinancierd en de afspraken die hierover zijn gemaakt met ambulancevoorzieningen. Deze verschillen dragen niet bij aan eenduidigheid in zorg, de bekostiging ervan en de samenwerking tussen betrokken organisaties. Er is een landelijke werkwijze nodig om de financiering van deze taak te harmoniseren en zodanig te organiseren dat de kosten ook daadwerkelijk worden vergoed door de zorgverzekeraars. Daarom wordt nu dan ook geen individueel traject gestart om per 2026 al kosten in rekening te brengen. Als deze kosten uiteindelijk doorbelast kunnen worden, dan zijn de verwachte baten circa € 37.000. 4.1.3 AED-taak Op verzoek van het bestuur heeft een beknopte analyse plaatsgevonden naar de maatschappelijke en financiële kosten en baten van de AED-taak (de reanimatietaak) door de brandweer. Uit evaluaties in 2019 en 2021 blijkt dat de AED-taak door de brandweer een duidelijke meerwaarde heeft. De brandweer rukt vaker uit voor een AED-melding dan voor een woningbrand en redt daarbij ook mensenlevens. In meer dan de helft van de gevallen is de brandweer eerder ter plaatse dan de ambulance.
Ook brandweermensen geven aan deze taak zeer waardevol te vinden en hier ook het verschil te maken. Maar betrokkenheid bij een reanimatie kan ook als een ingrijpende gebeurtenis worden ervaren. De VRU vindt het belangrijk om een goed werkgever te zijn en heeft aandacht voor de mentale impact van deze taak. In juni 2025 heeft het bestuur besloten de AED-taak uitgevoerd door de brandweer te continueren. Voor de uitvoering van deze taak is nu geen volledige structurele dekking. Dit is opgenomen in 3.4.3. In een themasessie wordt het bestuurlijk gesprek over de organisatie en financiering van de AEDtaak vervolgd. 4.1.4 Toekomstbestendigheid waterongevallenbestrijding Het bestuur heeft verzocht om scenario’s op te stellen voor de organisatie van waterongevallenbestrijding. Hierbij zijn uitgangspunten meegegeven, onder andere gericht op arbeidsveiligheid en factoren op basis waarvan de werkwijze gewogen dient te worden. In 2020 is bestuurlijk besloten dat de waterongevallenbestrijdingorganisatie bestaat uit twee duikteams en zeven specialistische eenheden oppervlakteredding. De begroting is toen scherp naar beneden bijgesteld. Maar, in het materieel- en personeel spreidingsplan is opgenomen dat bestaande duikteams kunnen blijven bestaan (mits zij voldoen aan de kwaliteitseisen). Op dit moment zijn nog zes duikteams en drie oppervlaktereddingsteams operationeel.
Tot voor kort waren dit zelfs zeven duikteams, in 2025 is één duikteam omgezet naar een oppervlaktereddingteam. Door het grotere aantal duikteams dan de begrote twee, is een verschil ontstaan tussen de werkelijke kosten en de begrote kosten voor waterongevallenbestrijding. De werkelijke kosten in de huidige praktijk zijn € 540.000 hoger dan begroot. Op basis van wat er afgesproken is in het materieel- en personeel spreidingsplan wordt er nu € 252.000 gevraagd om dit structureel te dekken. Dit is opgenomen in 3.4.3.
20
Duiken is een belangrijk specialisme. Het vraagt veel qua vakbekwaamheid en het materiaal wordt steeds kostbaarder. De huidige organisatie, met de beschikking over zes duikteams, kan alleen gecontinueerd worden als voldoende financiële middelen beschikbaar zijn. De meerkosten zijn in de huidige begroting niet gedekt. Vanuit de betrokken collega’s en de kazernes waar het om gaat leeft sterk de wens om de huidige organisatie en werkwijze te continueren. Om een goede en gewogen afweging te kunnen maken, wordt voorgesteld om hier extra tijd voor te nemen en een externe beoordeling te laten plaatsvinden. In maart 2026 zal op basis van dit advies een voorstel aan het bestuur worden voorgelegd.
4.2
Vijfde peloton natuurbrandbestrijding
Het risico op natuurbranden, maar ook het daadwerkelijke aantal, neemt toe. Natuurbranden vinden niet gespreid over het jaar plaats, maar tijdens perioden van droogte. Daarmee is ook het risico op gelijktijdige natuurbranden groot. Het gevolg daarvan is dat collegiale ondersteuning vanuit aangrenzende regio’s geen vanzelfsprekendheid is omdat zij het materieel op dat moment wellicht zelf nodig hebben. Ook kan het zo zijn dat ons materieel ingezet wordt om bijstand te verlenen. Hierdoor wordt de eigen slagkracht ook kleiner. Daarbij komt het gegeven dat er in buurregio’s sprake is van ander type bossen, wat een andere manier van inzetten met zich mee brengt. Toch rekenen we op dit moment op de hulp van buurregio’s bij het bepalen van de capaciteit die nodig is voor effectieve natuurbrandbeheersing in onze regio. Het bos- en heidegebied in onze regio is niet alleen kwetsbaar vanwege de aaneengesloten natuur, waarbij de kwetsbaarheid toeneemt tijdens periodes van droogte wanneer het natuurbrandrisico groter is, maar wordt ook intensief gebruikt. Hierdoor kunnen natuurbranden, ook met een beperkte omvang, een aanzienlijke impact hebben. In het huidige dekkingsplan is het uitgangspunt opgenomen dat vijf pelotons (twintig gespecialiseerde operationele voertuigen) nodig zijn voor natuurbrandbestrijding.
Omdat de Utrechtse Heuvelrug zowel binnen de Veiligheidsregio Utrecht als binnen de Veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek ligt, zijn er onderling afspraken gemaakt. Vanuit de VRU zouden er vier pelotons geleverd worden en vanuit Gooi en Vechtstreek één peloton. Veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek heeft echter voor een ander voertuigtype gekozen. Hierdoor zijn de pelotons niet uniform inzetbaar. Voor effectieve natuurbrandbestrijding binnen de VRU is het essentieel dat er structureel een volwaardig vijfde peloton beschikbaar is. We zien dat het natuurbrandrisico alleen maar toeneemt, zowel in frequentie als in schaalgrootte. Het structureel borgen van een vijfde peloton binnen de eigen regio vraagt een extra investering. Om zeker te weten wat noodzakelijk is op basis van de huidige omstandigheden, wordt eerst extern advies opgevraagd over wat er objectief nodig is voor onze regio op basis van oppervlakte, de omgeving en risico’s. In maart 2026 zal op basis van dit advies een voorstel aan het bestuur worden voorgelegd.