CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B2. Ruimtelijke onderbouwingt_NL.IMRO.0589.Ruigeweide23-CO01 (geanonimiseerd).pdf

Gemeenteraad 11 december 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 12: Raadsvoorstel verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Ruige Weide 23 (OLO7768711) (204336)12.278 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

•

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

•

vervoer gevaarlijke stoffen over weg , water of spoor.

•

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen , onderwijs- en gezondheidsinstellingen , kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (1.500 > m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren , winkels , horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter , voor beperkte kwetsbare objecten is deze -6 10-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10--5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10 , 100 of 1. 000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico

22

wordt niet in contouren vertaald , maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde , maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken , het moet aangeven op welke manier hulpverlening , zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn , en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico , hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's , waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven , te beperken.

Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg , water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto- , spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen , moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn , b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen , buisleidingen , hoogspanningslijnen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Transport over het water De planlocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van een waterweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico’s als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water vormen derhalve geen belemmering voor het plan. Een verantwoording is niet aan de orde. Transport over de weg De planlocatie bevindt zich binnen het invloedsgebied van een weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

Ter bevoorrading van de vijf propaantanks die direct in de omgeving van het plangebied liggen is sprake van het vervoer van brandbare gassen (GF3) over de Ruige Weide. Gezien de ligging van het plangebied naast de Ruige Weide is een groepsrisicoberekening nodig. De transportaantallen liggen bij dit

23

soort transportroutes echter relatief laag waardoor het ook mogelijk is om verantwoorden. Dit vindt hieronder verder plaats.

het risico kwalitatief te

Transport over het spoor Circa 400 meter ten noorden van het plangebied bevind zich de spoorlijn Gouda Harmelen , waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Door het vervoer van brandbare gassen (GF3) ligt er een invloedsgebied met explosiescenario (460 meter aan weerszijden) en door het vervoer van toxische gassen en vloeistoffen ligt er een invloedsgebied met gifwolkscenario (4000 meter). Het plangebied ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico. Het volstaat om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Verantwoording groepsrisico Op grond van het artikel 8 lid 2 Bevb kan de verantwoording beperkt blijven indien het groepsrisico minder dan 01, maal de oriëntatiewaarde bedraagt en/of het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt. Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde (eenzijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van één woning waardoor de dichtheid per ha slechts zeer beperkt toeneemt. De afstand tot aan de as van de weg bedraagt ca. 10 meter. Het transport van propaan over de Ruige Weide is ter bevoorrading van de propaantanks in de omgeving van het plangebied. De transportaantallen liggen bij dit soort transportroutes relatief laag.

Dit transport vindt niet plaats via een vastgestelde route gevaarlijke stoffen en zal daarom met een ontheffing plaatsvinden. Aangenomen kan worden dat de drempelwaarden GF3-vervoer niet worden overschreden en dat het groepsrisico als gevolg van de (planologische) toevoeging van één woning niet toeneemt. De verantwoording van het groepsrisico kan daarmee beperkt blijven tot de thema’s beheersbaarheid en zelfredzaamheid. Voor een beperkte verantwoording van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag advies worden gevraagd bij de regionale brandweer/veiligheidsregio. Dit heeft reeds plaatsgevonden. - Beheersbaarheid

Voor de spoorlijn Gouda - Harmelen zijn de aspecten bluswatervoorziening en bereikbaarheid volgens het regionale dekkingsplan en inzetprocedures voldoende gerealiseerd. Bij een ongeval met een giftige stof op de spoorlijn in de nabijheid van het plangebied kan de brandweer optreden door de giftige wolk die kan ontstaan neer te slaan of te verdunnen. Dit is wel afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een gifwolkscenario niet relevant. Het ongevalsscenario wat het plangebied vanaf de Ruige Weide bedreigt is het explosiescenario. Wat hier optreedt heet een Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion (BLEVE). Voor het scenario koude BLEVE heeft voldoende aanwezig bluswater geen meerwaarde , omdat dit scenario geen ontwikkeltijd kent. Daarentegen voor het scenario warme BLEVE des te meer. De Ruige Weide is omringd door open water. Vanwege de nabijheid van dit open water is de aanname dat er voldoende secundaire bluswaterbronnen voorhanden zijn ten behoeve van koeling/blussing in geval van het scenario warme BLEVE. Voorwaarde hierbij is wel dat het ongevalsscenario tijdig bereikbaar is. De ligging van het plangebied in het buitengebied van Oudewater zou het voorkomen van een warme BLEVE kunnen bemoeilijken.

Het transport van propaan over de Ruige Weide is ter bevoorrading van de propaantanks in de omgeving van het plangebied. De transportaantallen liggen bij dit soort transportroutes vaak relatief laag. Dit transport vindt niet plaats via een vastgestelde route gevaarlijke stoffen en zal daarom met een ontheffing plaatsvinden. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden gesteld om een veiligere leefomgeving te realiseren. - Zelfredzaamheid

Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is , dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten. De personen binnen het plangebied zullen zelfredzaam zijn. Het handelingsperspectief bij een gifwolkscenario is schuilen in de woning tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied haaks op de risicobron te ontvluchten. Om veilig

24

binnen te kunnen schuilen is het noodzakelijk dat de gifwolk de woningen niet binnendringt. Ramen , deuren en ventilatieroosters dienen gesloten te worden. Ook is het direct met een eenvoudige handeling uit kunnen schakelen van het eventueel aanwezige mechanische ventilatiesysteem daarvoor een vereiste. Personen die zich buiten bevinden moeten naar binnen vluchten of van de risicobron af vluchten. Bij een explosiescenario zijn de mogelijkheden tot ontvluchting beperkt , omdat het scenario van een koude BLEVE geen ontwikkeltijd kent. In geval van de dreiging van een warme BLEVE is het handelingsperspectief voor de personen binnen en buiten van de bron af vluchten naar een verzamelplaats/schuilplaats op een veilige afstand. Voor het explosiescenario vanaf de weg betekent dat een afstand van meer dan 380 meter vanaf de risicobron. En voor de spoorlijn een afstand van meer dan 500 meter. Om ervoor te zorgen dat de bewoners van particulier eigendom in het getroffen of bedreigde gebied beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden om zichzelf in veiligheid te stellen is een goede risicocommunicatie vooraf van belang. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

Inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig waarvan het invloedsgebied tot over het plangebied reikt. De risico’s als gevolg van inrichtingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. De Veiligheidsregio Utrecht is om advies gevraagd. De opmerkingen hiervan zijn verwerkt in deze paragraaf.

4. 7 Waterhuishouding Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw , de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water , Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen , voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: •

vasthouden , bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden , scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit , -kwantiteit , oppervlakte- en grondwater , maar ook aan de samenhang tussen water , grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten

25

voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen , waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.

Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen , beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterschapsbeleid Voor de planperiode 2022-2027 is het nieuwe Waterbeheerplan , Stroomopwaarts , klimaatbestendig en duurzaam van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities van De Stichtse Rijnlanden voor schoon en gezond water , duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. In het Waterbeheerplan is de planlocatie aangemerkt als Veenweidegebied. De bodem in de veengebieden daalt en de kosten voor het beheer van het watersysteem en infrastructuur blijven toenemen. Het is een gebied waar landbouw naast kwetsbare natuurgebieden ligt en waar stikstofproblematiek speelt. Veel agrariërs in dit gebied doen aan agrarisch natuurbeheer.

Het watersysteem kan met name in het Oude Rijngebied de klimaatverandering moeilijk opvangen , hier is een robuuster watersysteem en een meer klimaatbestendige inrichting nodig. Planspecifiek Watertoets De watertoets is een standaard overleg met het Hoogheemraadschap dat gevoerd moet worden wanneer de planologische situatie op een locatie wijzigt. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Aangezien er met de beoogde ontwikkeling geen bouwwerkzaamheden plaats zullen vinden is geen sprake van een belang voor het Hoogheemraadschap. Watercompensatie Bij een toename in verhard oppervlak van meer dan 500 m² is volgens het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden watercompensatie benodigd. De beoogde ontwikkeling betreft een functiewijziging van het plangebied , waarbij delen van het terrein worden heringericht. Er wordt een overkapping verwijderd en er wordt verharding vervangen met halfverharding. Tevens wordt een schuur met aangebouwde overkapping gesloopt en wordt de kas gedemonteerd en afgevoerd. In het noordelijke deel van het plangebied wordt een poel gegraven. Omdat er sprake is van een afname in verharding en er geen verharding binnen het plangebied wordt toegevoegd is watercompensatie niet aan de orde.

Waterafvoer De waterafvoer zal met de beoogde ontwikkeling ongewijzigd blijven. Conclusie Geconcludeerd kan bestemmingsplan.

worden

dat

het aspect water

vormt geen

belemmering

voor

het voorliggende

4. 8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming

26

(Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1 , 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten , Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd , dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project , dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op het planologisch mogelijk maken van het gebruik van het bijgebouw als woning. Er vinden met de beoogde ontwikkeling geen interne of externe aanpassingen plaats aan het gebouw. Wel vinden er enkele wijzigingen plaats aan de inrichting van het erf.

Aan de noordzijde van het plangebied wordt een overkapping verwijderd en de bestaande schuur met aangebouwde overkapping ter plaatse van de hoogstamfruitbomen wordt met de beoogde ontwikkeling gesloopt. Conform het landschapsinrichtingsplan (Bui-TeGewoon , d. d. augustus 2023 , zie Bijlagen , bijlage 4) blijven de bestaande oevers behouden. Aan de noordzijde van de planlocatie wordt een waterpoel aangelegd. Omdat de bestaande watergangen niet worden vergraven , worden geen (beschermde) soorten aangetast. Er zal geen sprake zijn van het kappen van bomen of het verwijderen van ander groen. De overkapping heeft verder geen betekenis voor beschermde soorten. Voor het verwijderen van de schuur met aangebouwde overkapping is in het kader van de Wnb een memo opgesteld (Bui-TeGewoon , d. d. augustus 2023 , zie Bijlagen , bijlage 3). De schuur met aangebouwde overkapping is tijdens het bezoek niet in gebruik door dieren in welke vorm dan ook. Er zijn ook geen sporen aangetroffen die wijzen op recent gebruik door dieren. Daarnaast is de schuur met aangebouwde overkapping als ongeschikt beoordeeld voor potentieel gebruik door dieren.

Op basis van het bezoek aan de locatie , het kleinschalige karakter het niet beïnvloeden van omgevingsfactoren bij het verwijderen van de schuur met aangebouwde overkapping en de afwezigheid en ongeschiktheid van de schuur met aangebouwde overkapping als verblijfslocatie voor dieren wordt geconcludeerd dat er geen onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is voorafgaand aan het verwijderen van de schuur met aangebouwde overkapping. Er vinden met de beoogde ontwikkeling verder geen andere sloop- en of bouwwerkzaamheden plaats. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen nadelige effecten zal hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Gezien het bovenstaande kan gesteld ondervinden van het aspect ecologie.

worden dat de beoogde

ontwikkeling geen belemmering

zal

4. 9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5. 10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft , meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

27

Planspecifiek Het meest recente archeologische beleid van de gemeente is vastgelegd in het 'Paraplubestemmingsplan Oudewater 2022' , vastgesteld op 8 juni 2023. In dit paraplubestemmingsplan zijn archeologische dubbelbestemmingen opgenomen welke voortkomen uit de archeologische beleidskaart van de gemeente (juni 2022). De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Oudewater

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Oudewater (plangebied rood omkaderd)

Zoals voorgaande afbeelding laat zien beschikt het oostelijke deel van de planlocatie over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Hiervoor geldt dat bij werkzaamheden die dieper reiken dan 30 cm onder het maaiveld of een oppervlakte beslaan groter dan 2. 500 m² archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Ter plaatse van deze dubbelbestemming wordt een waterpoel gegraven met een oppervlakte van 50 m² en wordt de voormalige greppel hersteld met een oppervlakte van ongeveer 24 m². Tevens worden er fruitbomen aangeplant conform het landschap ecologisch erfinpassingsplan (BuiTeGewoon , d. d. augustus 2023 , zie Bijlagen , onderdeel van bijlage 4). De vrijstellingsgrens van 2. 500 m² wordt niet overschreden. Zoals voorgaande afbeelding laat zien beschikt het westelijke deel van de planlocatie over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Hiervoor geldt dat bij werkzaamheden die dieper reiken dan 30 cm onder het maaiveld of een oppervlakte beslaan groter dan 100 m² archeologisch onderzoek dient plaats te vinden. Ter plaatse van de woningen en bijgebouwen vinden geen grondwerkzaamheden plaats. Hier wordt enkel voor een deel verharding vervangen door halverharding , waarbij de bodem niet dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd.

Daarmee voorziet de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de 'Waarde - Archeologie 2' niet in een overschrijding van de vrijstellingsgrenzen. Gezien het voorgaande is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet aan de orde. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen belemmering ondervindt vanuit het aspect archeologie.

4. 10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

28

een

beoogd nieuw project

op

de

4. 10. 1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen , zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur , verkeer , vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren , van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen , bedrijf , etc. ) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorliggende plan betreft het planologisch toevoegen van één woning. Met behulp van de CROWpublicatie 'Toekomstbestendig Parkeren' kan de toekomstige verkeergeneratie van het plangebied berekend worden. Voor één vrijstaande woning in het buitengebied , in een niet stedelijk woonmilieu , geldt een gemiddelde verkeersgeneratie van 82, voertuigbewegingen per etmaal. In de beoogde situatie is sprake van een verkeersgeneratie van 16.

4 voertuigbewegingen per etmaal voor de twee woningen. Gezien de beperkte toename in verkeersgeneratie kan gesteld worden dat de Ruige Weide dit op kan opvangen en dat de toename van verkeer niet dusdanig is dat dit tot belemmeringen leidt. Gezien het voorgaande vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4. 10. 2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur , verkeer , vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren , van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen , bedrijf , etc. ) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen 2021' van de gemeente Oudewater. Voor een vrijstaande woning geldt een parkeernorm van 2. 4 parkeerplaatsen per woning. Met de beoogde ontwikkeling zullen op het erf in totaal 48, parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Het plangebied beschikt in de huidige situatie al over voldoende ruimte om op eigen terrein te voorzien in de benodigde parkeerplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4. 11 Trillingen De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3. 1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Er bestaat evenwel geen wetgeving voor het voorkomen van hinder door trillingen van de nabijgelegen spoorlijn. Wel is door de Stichting Bouwresearch in 2006 een richtlijn opgesteld die een handvat biedt voor de vaststelling en beoordeling van trillingen. Richtlijn deel B (‘Hinder voor personen in gebouwen (door trillingen)’ gaat over het meten en beoordelen van trillingen met het oog op mogelijke Hinder voor Personen. In de richtlijn zijn streefwaarden gedefinieerd voor het Vmax (de hoogst optredende trillingssterkte) en het Vper (tijdsgemiddelde trillingsniveau). De

29

streefwaarden hangen af van de functie van het betreffende gebouw , de aard van de trillingen en van het feit of sprake is van een 'bestaande' , 'gewijzigde' of 'nieuwe situatie'. Planspecifiek Het voorliggende initiatief heeft betrekking op het planologisch mogelijk maken van een woning in het bestaande bijgebouw. De afstand tot de planlocatie en het spoor bedraagt ca. 400 meter. De afstand tot aan de planlocatie is dermate groot dat trillinghinder kan worden uitgesloten. Daarnaast is er geen sprake van een verbouwing of het mogelijk maken van nieuwe bebouwing. Voorts staan er reeds diverse woningen dichter bij het spoor , waardoor ProRail niet extra wordt benadeeld. Het aspect trillingen vormt verder geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

30

5 Uitvoerbaarheid 5. 1 Economische uitvoerbaarheid Onder andere naar aanleiding van een omgevingsvergunning , waarbij met toepassing van artikel 2.12 , eerste lid , onder a , 2°en 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan , dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning. In principe dient bij deze vergunningverlening tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. De vaststelling van zo’n plan kan achterwege blijven indien: • • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13 , eerste lid , onder c , 4° , onderscheidenlijk 5° , Wro niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen , regels , of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13 , tweede lid , onderscheidenlijk b , c of d , Wro niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd. Er is geen sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6. 2. 1 van het Bro. Derhalve is er geen aanleiding tot het verhalen van de gemeentelijke kosten , anders dan via de gemeentelijke legesverordening.

5. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12 , eerste lid , onder a , onder 3 van de Wabo stelt artikel 3. 10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3. 4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3. 4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3. 12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd.

31

32

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/660/documents/20510