B18. bijlage 202205 brief aan staatssecretaris I&W over veehouderijstank.pdf
Tekst van het document
Aan:
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat Mw. Vivianne Heijnen Postbus 20901 2500 EX DEN HAAG
Betreft: herziening Wet Geurhinder en Veehouderij in vervolg op de Zembla-tweeluik Strijd en Stank Hekendorp, xx mei 2022 Geachte mevrouw Heijnen, Excellentie, U ontvangt deze brief naar aanleiding van de tweedelige Zembla-uitzending van donderdag 28 april 2022 en donderdag 5 mei met de titel 'Strijd en Stank'. Deze tweeluik stelt de ernstige misstanden aan de kaak rond de Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv). U wordt met klem gemaand binnen een redelijke termijn noodzakelijke maatregelen te treffen zoals hieronder genoemd. Wij stellen vast dat de makers van de uitzending niet over één nacht ijs zijn gegaan. De gebreken van de Wet Geurhinder en Veehouderij worden evenwichtig in beeld gebracht. Meerdere deskundigen komen aan het woord. En, minstens zo belangrijk: omwonenden van veehouderij brengen de schrijnende situatie scherp in beeld. De verantwoordelijke bestuurders blijken echter geen passend antwoord te hebben. Enkele belangrijke conclusies: 1. De beoordeling van stankhinder in geval van vergunningbeoordeling blijft steken in aannames, zonder dat ook op enig moment wordt onderzocht of de berekende stankemissies ten tijde van de vergunningaanvraag overeenkomen met de werkelijk optredende emissies nadat het bedrijf is gerealiseerd. 2.
Indien in het verleden een bedrijfsvoering is vergund die tot ernstige stankoverlast leidt dan geldt bij ongewijzigde voortzetting van de bedrijfsvoering geen saneringsplicht. 3. Hoewel cumulatie van stankhinder een ernstig probleem kan zijn, blijft dit buiten beschouwing in de milieuvergunningbesluitvorming. 4. Op basis van misplaatst vertrouwen in milieutechniek zijn duizenden varkensbedrijven uitgebreid, waardoor veel burgers in ernstige problemen zijn gebracht. In sommige gevallen zijn burgers noodgedwongen verhuisd. U wordt gewezen op de ontstaansgeschiedenis van de Wet Geurhinder en Veehouderij. De Wet Geurhinder en Veehouderij is hoofdzakelijk in 2006 tot stand gekomen, en op 1 januari 2007 van kracht geworden. Het herlezen van de wetsgeschiedenis laat de schellen van de ogen vallen. U wordt bijvoorbeeld gewezen op Kamerstuk 30 453, nrs 8 en 23, Verslagen van het wetgevingsoverleg. Herlezen van de toen gevoerde Kamerdebatten tussen de betrokken Kamerleden, overigens allen met een agrarische achtergrond, maakt de vaststelling onvermijdelijk dat het belang omwonenden van veehouderij nauwelijks of niet is meegewogen in de totstandkoming van de wet.
Het gezamenlijke standpunt van de toen regerende coalitiepartijen is geweest dat bescherming tegen geurhinder vanwege veehouderij in het buitengebied opgeheven diende te worden. Dit volgt uit het pleidooi van de betrokken Kamerleden om het beschermingsniveau van alle burgers in het buitengebied te stellen op 35 Ou. Een beschermingsniveau van 35 Ou staat - blijkens informatie van de RIVM/GGD - gelijk aan een extreem slechte milieukwaliteit1. De Kamerdebatten over de Wgv vervallen op sommige momenten tot het niveau van kroegpraat met een aaneenrijging van bagatelliserende opmerkingen over stankhinder. De Wet Geurhinder en Veehouderij is tot stand gekomen in een ernstig onevenwichtig politiek klimaat. De heer Oplaat, als toenmalig Tweede Kamerlid betrokken bij de totstandkoming van de wet, laat in de Zembla-uitzending van 28 april 2022 geen misverstand bestaan over de inzet van zijn toenmalige optreden: die was gericht op het dienen van het agrarische belang. De wetspraktijk is ontaard tot een drama voor veel omwonenden van veehouderij. Dit is nu al vele jaren bekend. U wordt hieronder een kleine selectie gegeven van relevante publicaties, u bekend. - Geelen et al. (2015), Geurhinder van veehouderij nader onderzocht: meer hinder dan Handreiking Wgv doet vermoeden? - Brief VNG d.d.
5 juni 2015 aan het Ministerie van Infrastructuur en Milieu met kenmerk ECFD/U201500981 en als onderwerp 'VNG-standpunt voor evaluatie regelgeving voor geur van veehouderijen'. - RIVM-GGD rapport 'Geur en gezondheid Onderdeel Veehouderij en geur', horend bij hoort bij: RIVM Rapport 2015-0106 M. Venselaar-Mooij et al. (2015) en bijbehorende brief van GGD GHOR Nederland d.d. 29 mei 2015 - Melse, R.W., G.M. Nijeboer, N.W.M. Ogink (2018), Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen; Deel 2: Steekproef rendement luchtwassers in de praktijk. Wageningen Livestock Research, Rapport 1082. - Commissie geurhinder veehouderijen, Adviesrapport Geur bekennen, Combi-luchtwassers, varkenshouderijen en geurhinder (2019) - Bestuurlijke werkgroep (2015). Tussenadvies evaluatie geurregelgeving veehouderij. Brief van 29 september 2015 van de bestuurlijke werkgroep evaluatie geurregelgeving veehouderij aan de vz. van de Tweede Kamer. Ook in de media is stank door veehouderij al vele jaren een terugkerend onderwerp.
Uit de landelijke schrijvende media - Trouw, 29 april 2022, Aanzwellende kippenstank op het platteland en de overheid doet niets - NRC, 10 juni 2020, Zestien burgers spannen zaak aan tegen de staat wegens stank door megastallen - Volkskrant, 10 juni 2020; Burgers klagen overheid aan wegens ‘ondraaglijke’ stank megastallen - Volkskrant, 13 november 2019, De gekmakende stank van de buurman: ‘Je kunt niet even de andere kant op ruiken’ - Trouw, 2 augustus 2018, Hoe erg is de overlast van de veedorpen van Venray? - NRC, 18 juni 2018, ‘Ruik eens: wie wil hier nog wonen?’ - NOS, 10 juni 2017, De stank van 8000 varkens: bij oostenwind vlug naar binnen - Volkskrant, 21 februari 2017, Stank splijt het platteland: 'Het vergalt je leven' Uit de landelijke beeldmedia: - Opstandelingen, 8 juli 2021, De beerput van Graspeel - NOS, 8 maart 2019, Poepende en plassende dieren veroorzaken stankoverlast in Noord-Brabant - De Monitor, 13 nov 2016, Seizoen 5 Afl. 31, Megastallen - Nieuwsuur, 7 juli 2016, 'Hoge concentratie mensen en beesten bij elkaar is ongezond' Indien u ook de lokale media zou raadplegen op het onderwerp 'veehouderij en stank' dan treft u een nauwelijks telbaar aantal publicaties aan. 1 Zie Handreiking geurhinder en veehouderij en het RIVM-rapport "Geur en gezondheid
Onderdeel Veehouderij en geur GGD-richtlijn medische milieukunde, horend bij: RIVM Rapport 2015-0106 M. Venselaar-Mooij et al.
Op 4 juni 2019 heeft een groep omwonenden-slachtoffers van het luchtwasserschandaal hun verhaal gedaan bij de Minister van Infrastructruur en Watersstaat. Hierop is geen kenbare actie door u ondernomen. In 2020 is een groep burgers, afkomstig uit heel Nederland, een civiele gerechtelijke procedure gestart tegen de Rijksoverheid over stankhinder door veehouderij, waarbij een directe relatie wordt gelegd met de ernstig tekortschietende wetgeving. Hierop is tot op heden geen constructieve actie ondernomen door het Kabinet. U wordt gemaand om binnen 12 maanden na heden de wettelijke regeling van veehouderijstank aan te passen. De volgende acties zijn noodzakelijk om tot een herstel van evenwicht te komen tussen enerzijds de belangen van omwonenden en anderzijds de ondernemersbelangen. 1. Het schrappen van het in de wet bepaalde onderscheid in bescherming tegen stankhinder tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden. Hiervoor is nooit een milieuwetenschappelijke basis aangetoond. De VNG riep hiertoe al op in 2015. De verwijzing naar het - vermeende adaptatievermogen van gehinderden staat gelijk aan de redeneerwijze van een vicieuze cirkel. (artikel 3 Wgv) 2. Het beschermingsniveau voor alle burgers in het buitengebied op 5 Ou te stellen, conform het GGDadvies en de Herziene Nota Stankhinder uit 1994 (artikel 3 Wgv) 3.
In deze beschermingsnormstelling de verplichting opnemen van een integrale stankbeoordeling indien naast veestallen op het bedrijfsperceel ook mestverwerking plaats heeft. 4. Bescherming bieden aan alle burgerwoningen in het buitengebied met inbegrip van wat 'plattelandswoningen' worden genoemd, en ongeacht het moment dat die woning een burgerbestemming heeft gekregen. Nu zijn alle woningen die na 2001 zijn herbestemd als burgerwoning onthouden van bescherming (artikel 3 lid 2 Wgv). 5. Woningen bij agrarische bedrijven een meer realistische bescherming bieden dan de huidige norm. De huidige norm bestaat uit een afstandseis van 50 meter tot het emissiepunt, ongeacht de bedrijfsomvang (artikel 3 lid 2 Wgv). 6. Stanknormen stellen voor melkveebedrijven afhankelijk van de bedrijfsomvang van het melkveebedrijf, aangezien nu enkel een vaste afstandsnorm geldt onafhankelijk van de bedrijfsomvang (artikel 4 Wgv). 7. Een wettelijke beschermingsnorm voor cumulatieve stankhinder stellen die is samengesteld uit maximaal 1,5 x de norm voor enkelvoudige stankhinder. 8. Een wettelijke plicht om minimaal eenmaal per jaar een stankmeting uit te voeren voor alle bedrijven met een IPPC-omvang op basis van een controleerbare en handhaafbare stanknorm. 9. De toegelaten beschermingsnorm in de gemeentelijke geurnota maximeren op 8 Ou (artikel 6 Wgv). 10.
Schrappen van de 50/50-regeling en deze vervangen door een wettelijke saneringsplicht voor bedrijven die niet voldoen aan de normstelling binnen een periode van maximaal 5 jaar (artikel 3 lid 4 Wgv). 11. Bestuurlijk accuraat optreden, wat betekent dat gebroken wordt met de periode van politieke gijzeling van dit thema door ondernemerslobby. Uitvoering geven aan deze 11 punten is een noodzakelijke voorwaarde om de relatie van veehouderijbedrijven met de omgeving hersteld te krijgen. U wordt verzocht binnen een termijn van 4 weken een gesprek te organiseren waarin u bekend maakt op welke wijze u uitvoering gaat geven aan bovengenoemde 11 punten. U wordt verzocht om een ontvangstbevestiging van deze brief. Hoogachtend,
........ (naam/adres)