CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B1. Toetsingskader grootschalige zonnevelden gemeente Oudewater.pdf

Gemeenteraad 3 oktober 2024, gemeente OudewaterBij agendapunt: 8: Raadsvoorstel Toetsingskader grootschalige zonnevelden en openstelling gebied B3 (154413)7.683 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toetsingskader grootschalige zonnevelden gemeente Oudewater Datum: 26-08-2024

Inhoud Begrippenlijst .......................................................................................................................... ii 1. Inleiding ............................................................................................................................. 1 1.1 Doel ............................................................................................................................. 1 1.2 Totstandkoming ............................................................................................................ 2 1.3 Zonneladder................................................................................................................. 2 1.4 Proces toetsing ............................................................................................................ 2 1.4.1 Principeverzoek (vooroverleg) ............................................................................... 2 1.4.2 Formele aanvraag omgevingsvergunning .............................................................. 2 1.5 Onderdelen toetsingskader .......................................................................................... 2 2. Toetsingskader ..................................................................................................................

4 2.1 Voorwaarden en wensen.............................................................................................. 4 2.2 Eisen............................................................................................................................ 4 2.2.1 Algemeen .............................................................................................................. 4 2.2.2 Ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit .................................................................. 4 2.2.3 Biodiversiteit, bodem en water ............................................................................... 5 2.2.4 Einde exploitatie .................................................................................................... 6 2.2.5 Procesparticipatie .................................................................................................. 7 2.2.6 Financiële participatie en lokaal eigendom ............................................................ 7 2.3 Wensen........................................................................................................................ 8 2.3.1 Algemeen .............................................................................................................. 8 2.3.2 Financiële participatie en lokaal eigendom ............................................................ 8 Bijlage 1.

Indieningsvereisten ................................................................................................ 9 Bijlage 2. Gedragscode Zon op Land ...................................................................................12 Bijlage 3. Beeldkwaliteitsplan gebied B3 ..............................................................................13

i

Begrippenlijst Algemeen 1. Anterieure overeenkomst: Een overeenkomst tussen een gemeente en een ontwikkelaar. Hierin staan afspraken over de kostenverdeling en andere aanvullende voorwaarden voor de ontwikkeling van een ruimtelijk project. Deze wordt gemaakt voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning. 2. Financiële participatie: De mogelijkheid voor lokale inwoners en bedrijven om financieel voordeel te halen uit projecten, bijvoorbeeld door middel van investeringen, (coöperatief) eigenaarschap, of door te delen in de opbrengsten en voordelen zonder voorafgaande investering. Dit versterkt hun betrokkenheid bij en belang in projecten. 3. Lokaal: Gemeente Oudewater en de aangrenzende gemeenten (inclusief gemeente Woerden). 4. Lokaal eigendom: Lokale inwoners en bedrijven zijn vanaf de start (mede-)eigenaar van het project door te investeren, hebben zeggenschap over de bedrijfsvoering en delen in de winst. Zie ook de definitie van ‘Lokaal’ om te begrijpen op wie dit lokaal eigendom voor zonnevelden in Oudewater is gericht. 5. Omgevingsfonds: Een fonds waarin een deel van de opbrengsten worden gestort. Deze kunnen gebruikt worden voor maatschappelijke doelen in de omgeving. De minimale bijdrage aan het omgevingsfonds staat in de anterieure overeenkomst. 6.

Omwonenden: De eigenaren, pachters en beheerders van de aan het plangebied grenzende percelen en degenen die zicht hebben op het zonneveld. 7. Plangebied: Het specifieke geografische gebied waar de ontwikkeling, aanleg, en exploitatie van een (zonne-energie)project gepland is. Dit omvat alle terreinen en locaties die worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen, bijbehorende infrastructuur, en ondersteunende faciliteiten. 8. Principeverzoek: Een informeel verzoek van een initiatiefnemer aan de gemeente om te beoordelen of een voorgenomen ruimtelijk plan, zoals de aanleg van een zonneveld, in principe aanvaardbaar is. Het doel is om zonder uitgebreide documentatie vooraf te toetsen of het plan binnen de beleidskaders en regelgeving wenselijk is en past. Zodat de initiatiefnemer inzicht krijgt in de wenselijkheid en/of haalbaarheid en eventuele aandachtspunten voordat een formele vergunningsaanvraag wordt ingediend. Wenselijkheid wordt beoordeeld aan de intaketafel en haalbaarheid aan de omgevingstafel. 9. RES: Regionale Energie Strategie (RES); de gemeente Oudewater is onderdeel van de RESregio U16. 10. Zonneladder: Een voorkeursvolgorde die door de rijksoverheid is opgesteld om gebieden te rangschikken op basis van wenselijk gebruik voor de opwek van zonne-energie. De daken en gevels van bestaande gebouwen dienen eerst benut te worden (zon-op-dak).

Daarna langs infrastructuur, zoals spoorwegen, en als laatste op veld (zon-op-land). 11. Zonneveld: Een bundel van zonnepanelen op de bodem. Dit toetsingskader gaat in op zonnevelden groter dan 1 hectare (ha).

Ruimtelijke en landschappelijke aspecten 1. Afwegingskader: Het kader waarmee de gemeente de afweging maakt of bepaalde gebieden open worden gesteld voor vergunningsaanvragen voor de opwek van duurzame elektriciteit. Dit document, genaamd “Afwegingskader duurzame energie opwekken in Oudewater”, is door de gemeenteraad vastgesteld in juli 2021. 2. Beeldkwaliteitsplan: Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste beeldkwaliteit van de bebouwing en de buitenruimte en bevat toetsbare criteria. Het is een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Het plan geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de vormgeving van bebouwing en de inrichting van de ruimte. Bijvoorbeeld aan de hand van schetsen en afbeeldingen. 3. Bodemkwaliteit: Dit verwijst naar hoe goed de bodem is voor plantengroei en waterfiltratie. Het omvat: a. Fysische eigenschappen, zoals de structuur en hoe goed water door de bodem kan stromen. b. Biologische eigenschappen, zoals de hoeveelheid en activiteit van organismen (bijvoorbeeld bacteriën en wormen).

ii

c.

4.

5.

6.

7.

Chemische eigenschappen, zoals de pH (zuurtegraad), de hoeveelheid voedingsstoffen en de aanwezigheid van schadelijke stoffen. Ecologische kwaliteit: De gezondheid en het functioneren van een ecosysteem. Aangegeven door: a. De diversiteit van soorten flora en fauna (biodiversiteit). b. De kwaliteit van hun leefomgeving. c. De stabiliteit van natuurlijke processen. Punten b en c hebben betrekking op de bodem- en waterkwaliteit. Landschappelijke inpassing: Het plaatsen van een bouwwerk of realisatie van nieuwe ontwikkelingen (zoals een zonneveld) in een landschap waarbij rekening gehouden wordt met de bestaande kenmerken van het gebied, zoals structuren. Met streven naar het behoud van de ruimtelijke kwaliteit en een passende zichtbaarheid naar dit bouwwerk. We spreken van een goede landschappelijke inpassing wanneer het voldoet aan de wensen en voorwaarden, zoals opgesteld in dit toetsingskader – en specifiek het beeldkwaliteitsplan, zie Bijlage 3. Het gaat om de ruimte in het plangebied die niet bedekt is door zonnepanelen. Landschapsstructuur: Deze term verwijst naar hoe verschillende onderdelen van een landschap, zoals bossen, velden, wateren, en wegen, zijn gerangschikt en met elkaar verbonden. Het beschrijft de vorm, grootte en verdeling van deze elementen in een bepaald gebied.

Ruimtelijke kwaliteit: De optelsom van de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde, vanuit het perspectief van de mens. Het is het resultaat van de omgevingskenmerken die men belangrijk vindt. Kenmerken zijn zowel fysieke als sociale, culturele, economische en milieukenmerken. De daadwerkelijke kwaliteit – goed of slecht – is gebaseerd op het oordeel over deze omgevingskenmerken.

Historische en culturele aspecten 1. Cope-verkaveling: Een middeleeuws systeem van landverdeling en ontginning waarbij veengebieden werden verdeeld in lange, smalle rechthoekige percelen, loodrecht op een centrale watergang of weg. Dit type landschap kenmerkt zich door een netwerk van sloten en weteringen die de percelen scheiden en voor afwatering zorgen. 2. Cultuurhistorische waarden: De belangrijke kenmerken van een plek die iets vertellen over de geschiedenis en cultuur van een gebied. Dit kan gebouwen, landschappen, tradities en andere elementen omvatten die van historisch belang zijn en helpen om het verhaal van het verleden te begrijpen en te behouden.

Technische en operationele aspecten 1. Kleinschalige/grootschalige opwek: De RES kent een indeling in grootschalige en kleinschalige opwek. Voor grondgebonden zon betekent dit dat zonnevelden tot 1 hectare kleinschalig en vanaf 1 hectare grootschalig zijn. Zon-op-dak weegt mee in het RES-bod wanneer het project meer dan 15 kWp vermogen heeft (vanaf +/- 50 panelen). Men kan dan spreken van ‘zon op grote daken'. 2. Maaiveld: gemiddelde hoogte van de vaste bodem op een locatie, zoals vastgelegd in het Actueel hoogtebestand Nederland (AHN).

iii

1. Inleiding In 2019 is het Nederlandse Klimaatakkoord gesloten. Daarin staat dat we de CO2-uitstoot in 2030 met 49% en in 2050 met 95% willen verminderen vergeleken met 1990. Elke regio werkt deze doelstellingen verder uit in een Regionale Energiestrategie (RES). Gemeente Oudewater maakt deel uit van de regio Utrecht, U16 genaamd, ofwel RES U16. Alleen grootschalige opwek draagt bij aan het bod dat de RES-regio aan de Rijksoverheid doet. Gemeente Oudewater draagt bij aan de RES U16-doelen voor 2030 met 19 gigawattuur (GWh) elektriciteit per jaar uit grootschalige energieprojecten. De gemeenteraad van Oudewater heeft dit, en een maximum van 28,5 GWh besloten op 11 maart 2021 (D/21/007736). Er is besloten om deze bijdrage in te vullen met zon-op-dak (grote daken), kleinschalige windmolens en één of meer grondgebonden zonnevelden.

1.1 Doel Het door de gemeenteraad vastgestelde Afwegingskader duurzame energie opwekken in Oudewater (D/22/050582, hierna: Afwegingskader) uit 2021 vormt de basis voor dit toetsingskader. Dit document verduidelijkt niet alleen de voorwaarden en wensen uit het Afwegingskader. Het omvat tevens aanvullende aspecten voor initiatiefnemers die grootschalige zonnevelden (meer dan 1 hectare) willen ontwikkelen binnen de gemeente Oudewater. De polder in het uiterste noorden van gemeente Oudewater staat open voor vergunningverlening voor zonnevelden met een totale productie van maximaal 19 GWh per jaar. Een zonneveld met een maximale jaarlijkse opwek van 19 GWh past binnen het besluit van de gemeenteraad van 11 maart 2021 (D/21/007736). Het gaat indicatief om een oppervlakte van maximaal 25 hectare aan zonneveld, waarvan minimaal 25% landschappelijke inpassing. Het opengestelde gebied omvat polder Papekop en Diemerbroek en specifiek om het gebied tussen de Papekopperdijk in het westen, ten noorden van de spoorweg en ten zuiden van de provinciegrens tussen Utrecht en Zuid-Holland (zie Afbeelding 1). Het wordt aangewezen als gebied B3. In andere gebieden in Oudewater zijn grote zonnevelden (>1 ha) vooralsnog niet toegestaan, totdat de gemeenteraad anders beslist.

Afbeelding 1. Het gebied (B3) dat open staat voor zonnevelden in de gemeente Oudewater.

1

1.2 Totstandkoming De basis voor dit document is het Afwegingskader dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 15 juli 2021. Dit kader, opgesteld na gesprekken met bewoners en experts, geeft een voorkeursvolgorde aan voor gebieden die kunnen worden opengesteld voor vergunningsverlening voor grootschalige zonnevelden. Een groot deel van polder Hekendorp en het gebied ten noorden van de spoorweg zijn de voorkeurslocaties. Om ruimtelijke plannen en besluiten over grootschalige zonne-energieprojecten goed voor te bereiden, heeft de gemeente een stappenplan geïntroduceerd (zie bijlage Stappenplan van het Afwegingskader). Dit plan bevat processtappen die passen bij de Omgevingswet en zorgt voor vroege afspraken over financiële participatie door de omgeving. Het vaststellen van het Afwegingskader was Stap 1. Stap 2 van het stappenplan omvat een gebiedsproces voor het gebied ten noorden van de spoorweg. Het gebiedsproces is een uitgebreide verkenning en overleg met belanghebbenden over zonnevelden. Dit is uitgevoerd door gemeente Oudewater en niet te verwarren met het gebiedsproces van Oudewater-Noord, waar meerdere overheden en agrariërs bij betrokken zijn. Er zijn drie bewonersavonden geweest, in afstemming met Comité Dorpsbelangen Papekop en gebiedscoöperatie Copes Kracht.

Met als doel om technische, landschappelijke en sociale analyses te bespreken en wensen voor lokaal eigendom en financiële participatie te inventariseren. Verder is er contact geweest met lokale energiecoöperaties en comités (Duurzaam Oudewater en Dorpsbelangen Papekop), gebiedscoöperatie Copes Kracht, Gebiedsproces Oudewater-Noord, provinciale energiecoöperatie Energie van Utrecht, grondeigenaren, het Hoogheemraadschap, buurgemeenten en de provincie. Stap 2 resulteerde in het openstellen van gebied B3 voor vergunningsverlening. En dit toetsingskader, als set voorwaarden en wensen, waaraan een vergunningsaanvraag wordt getoetst.

1.3 Zonneladder Gemeente Oudewater ondersteunt het gebruik van de zonneladder als leidraad voor het plaatsen van zonnepanelen. De zonneladder stelt een volgorde voor in benutting, maar geen volgorde in realisatie. In gemeente Oudewater zijn, naast zon-op-dak, grootschalige zonnevelden nodig om in 2030 19 GWh aan hernieuwbare elektriciteit op te wekken. Vanwege de lange doorlooptijden van dergelijke projecten en het risico dat de gestelde doelen anders niet worden gehaald, kan de gemeente niet wachten tot een bepaald percentage zon-op-dak is gerealiseerd.

1.4 Proces toetsing Dit toetsingskader wordt gebruikt wanneer een initiatief wordt ingediend als principeverzoek en uiteindelijk als omgevingsvergunningaanvraag.

1.4.1 Principeverzoek (vooroverleg) Het proces begint met het indienen van een principeverzoek, waarbij de gemeente onderzoekt of het initiatief wenselijk is. Als de uitkomst van de beoordeling is dat het initiatief wenselijk is, verzamelt de initiatiefnemer alle benodigde documenten en onderzoeken om te kunnen beoordelen of het initiatief haalbaar is. Vervolgens wordt een tweede principeverzoek (haalbaarheidsverzoek) ingediend met deze documentatie. Bij de uitkomst hiervan krijgt de initiatiefnemer te horen of het plan definitief haalbaar is en welke stappen eventueel nog nodig zijn om de omgevingsvergunning aan te vragen. Aanvrager kan er dan nog voor kiezen een conceptaanvraag omgevingsvergunning in te dienen. Dit alles om toe te werken naar een vergunbare aanvraag.

1.4.2 Formele aanvraag omgevingsvergunning De aanvraag wordt getoetst aan alle wet- en regelgeving. Afhankelijk van de gevolgen van het initiatief voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving én de al doorlopen vooroverlegfase van het principe duurt de behandeling van het proces 8 (regulier) of 26 weken (uitgebreid).

1.5 Onderdelen toetsingskader In Hoofdstuk 2 staan de voorwaarden en wensen voor de ontwikkeling van zonnevelden, onderverdeeld in de volgende categorieën: • Algemeen. Dit zijn de basisvoorwaarden voor initiatiefnemers. • Ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit. Hierbij gaat het erom dat een zonneveld goed past in het landschap en rekening houdt met de geschiedenis van het gebied.

2

•

Biodiversiteit, bodem en water. De ecologische kwaliteit (bodem- en waterkwaliteit en biodiversiteit) wordt minimaal behouden. • Einde exploitatie. De initiatiefnemer moet het zonneveld opruimen wanneer de activiteit stopt. • Procesparticipatie. De omwonenden moeten betrokken worden door de initiatiefnemer. • Financiële participatie en lokaal eigendom. Er wordt gestreefd naar zo veel mogelijk lokaal eigendom, met als ondergrens 50%. Voor gebied B3 gelden aanvullende eisen. In Bijlage 1 worden de indieningsvereisten voor de initiatiefnemer gestructureerd opgesomd. Bijlage 2 bevat richtlijnen van Gedragscode Zon op Land van brancheorganisatie Holland Solar. Een beeldkwaliteitsplan met de daarin gedetailleerde richtlijnen voor landschappelijke inpassing in gebied B3 bevindt zich in Bijlage 3.

3

2. Toetsingskader 2.1 Voorwaarden en wensen Naast het algemene ruimtelijke beleid, zoals de Omgevingsvisie, zijn er een aantal voorwaarden waaraan initiatiefnemers moeten voldoen. Paragraaf 2.2 somt deze voorwaarden op voor grootschalige zonnevelden. Er worden verder in paragraaf 2.3 enkele wensen genoemd.

2.2 Eisen 2.2.1 Algemeen • • • • •

De planologische toestemming voor de bouw en het gebruik van een zonneveld wordt voor maximaal 30 jaar verleend. Initiatiefnemers voldoen aan de Gedragscode Zon op Land van brancheorganisatie Holland Solar. Zie Bijlage 2 voor meer uitleg. Dit toetsingskader kan strengere eisen stellen dan deze Gedragscode. Als het zonneveld binnen 200 meter van gastransportleidingen ligt, vragen initiatiefnemers advies aan de netbeheerder. Initiatiefnemers vragen advies aan de veiligheidsregio Utrecht (VRU) over brandgevaar van het zonneveld. Voor gebied B3 worden de thema’s bodemdaling en natuurontwikkeling meegenomen. In paragraaf 2.2.3 wordt uitgelegd hoe dit kan. Bij de Omgevingstafel kunnen specifieke voorwaarden worden gesteld. o Verder gaat de initiatiefnemer in gesprek met het lopende Gebiedsproces OudewaterNoord (een samenwerking tussen diverse overheden en agrariërs) zodat mogelijk ingespeeld kan worden op andere thema's in gebied B3.

2.2.2 Ruimtelijke inpassing en beeldkwaliteit • • • •

•

•

•

•

Volg de bestaande landschappelijke structuren, zoals sloten, (cope-)verkavelingen, hoogteverschillen en begroeiing. Gebruik bestaande sloten als grenzen en wegen waar mogelijk als toegangspaden. Behoud oude landschapskenmerken en cultuurhistorische waarden, zoals sloten, perceelrichtingen, laanstructuren en houtwallen. Minimaal 25% van het plangebied moet gebruikt worden voor landschappelijke inpassing. Zorg voor een goede landschappelijke inpassing: o Houd rekening met een natuurlijke randstructuur gebaseerd op oorspronkelijke en (nog) bestaande kleine landschapselementen; o Zorg ervoor dat de beplanting van deze landschapselementen/randstructuur bestaat uit streekeigen beplanting; o Voorkom losstaande objecten aan de rand van het zonneveld; o Beperk de visuele impact vanaf de openbare (water)wegen, sporen en paden. De hoogte van zonnepanelen mag maximaal 1,5 meter boven het maaiveld zijn, tenzij deze hoogte de ecologische kwaliteit niet waarborgt. Dan kan de hoogte verhoogd worden tot 2,5 meter. Transformatorhuisjes en energieopslag mogen maximaal 3,0 meter hoog zijn boven maaiveld. Op deze manier wordt de visuele impact beperkt. Houd minimaal 30 meter afstand tussen transformatoren en omvormers tot woningen om te voldoen aan advieswaarden voor elektromagnetische straling. Bij omvormers en transformatoren komen extreem laagfrequente elektromagnetische velden (ELF) vrij.

Als deze afstand niet haalbaar is, wordt er een onderzoek uitgevoerd naar de geluidseffecten op omliggende woningen. Hierbij is het belangrijk dat de omvormers, transformatorhuisjes en energieopslag gezamenlijk maximaal 45 dB(A) produceren op de gevel van de omliggende woningen. Een acceptabel woon- en leefklimaat is dan gegarandeerd. Het gebruik van zichtbare hekken en hekwerken anders dan een toegangshek van maximaal 6,0 meter breed is niet toegestaan. Beveiliging voor toegang wordt bij voorkeur geregeld middels brede sloten of natuurlijke elementen. Zoals (lage) hagen of landschapselementen die van nature in het landschap passen, tenzij kan worden aangetoond dat dit niet haalbaar is. Toekomstige ontwikkelingen worden vastgelegd door middel van het opstellen en vaststellen van een beheerplan. Daarin kan worden vastgelegd hoe de beeldkwaliteit de komende 30 jaar

4

in stand wordt gehouden en door welke beheermaatregelen de ecologische kwaliteiten worden gewaarborgd. Dit kan klachten uit de omgeving voorkomen. Voor de realisatie van een zonneveld in gebied B3 wordt beoordeeld of het plan voldoet aan de randvoorwaarden die zijn uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan uit Bijlage 3. Een landschapsanalyse van de polder waarin het gebied B3 ligt is openbaar gemaakt. Initiatiefnemers zorgen in ieder geval dat: • Het zonneveld op minimaal 200 meter van de Papekopperdijk ligt. Hierdoor komt het zonneveld op afstand van het lint met woningen te liggen. • 5 meter ruimte langs de Achterwetering in het noorden van het gebied vrijgehouden wordt voor onderhoud door HDSR.

2.2.3 Biodiversiteit, bodem en water De bestaande ecologische kwaliteit in het plangebied blijft behouden en verbetert waar mogelijk. Dit kan door rekening te houden met de inrichting, realisatie, (water)beheer en andere maatregelen van het zonneveld. De huidige bodemkwaliteit, waterkwaliteit en -stand en de planten en dieren (biodiversiteit) bepalen deze kwaliteit. Dit kan worden behaald door rekening te houden met de inrichting, realisatie, (water)beheer en andere maatregelen van het zonneveld. Negatieve effecten op de biodiversiteit, bodem- of waterkwaliteit zijn geen opties. Er mag bijvoorbeeld geen extra bodemdaling plaatsvinden door de aanleg van een zonneveld. Concreet moet een initiatiefnemer rekening houden met de volgende voorwaarden: • Vooraf aantonen dat er geen negatieve invloeden ontstaan op de bodem met betrekking tot fysische, chemische en biologische bodemkwaliteit. Het ontwerp wordt beoordeeld aan de ‘best beschikbare technieken’. Er is bijvoorbeeld een nieuwe ontwerptoets ontwikkeld door Wageningen University & Research (WUR) en de Nederlandse Organisatie voor toegepastnatuurwetenschappelijk onderzoek (TNO). Hierin staan richtlijnen om voldoende lichtinval te behalen onder de zonnepanelen. Hierdoor blijft de bodemkwaliteit behouden.

• Voor veenweide- en kruidenrijke landen zijn extra maatregelen nodig om de bodemkwaliteit te waarborgen en bodemdaling te voorkomen. In ieder geval moet het grondwater jaarrond bereikbaar zijn voor de aanwezige planten. De werking van de maatregelen moet vooraf worden getoetst in een ecologische rapportage. Die aantoont dat de bodemkwaliteit (door middel van o.a. lichtinval en bevloeiing) is beschermd. • Het beschermen en waar mogelijk verbeteren van de bodemkwaliteit is belangrijk voor toekomstige doelen van het gebied. Daarom is het verplicht om een nulmeting van de bodemkwaliteit uit te voeren. Hierbij wordt gekeken naar de bodemkwaliteit volgens het landelijke Besluit bodemkwaliteit en de biologische bodemkwaliteit. Zoals organisch stof, nutriënten, pH en natuurlijke beregening om uitdroging te voorkomen (o.a. ook de bodemdaling onder de zonnepanelen). • Om de kwaliteit van de bodem en te controleren, wordt één jaar na ingebruikname van het zonneveld een nieuw onderzoek uitgevoerd. En vervolgens elke 5 jaar. Het onderzoek wordt uitgevoerd waar de meeste negatieve effecten van het zonneveld worden verwacht. Zoals schaduwrijke gebieden en bij de stellages van de zonnepanelen (afstroomgebieden). Bij tweemaal een positief effect kan, in overleg met gemeente Oudewater, de frequentie van de monitoring worden verminderd. De rapportages worden bij de gemeente aangeleverd.

De kosten voor beheer en monitoring zijn voor rekening van de vergunninghouder. Zie Bijlage 1 voor een verdere uitleg over de nulmeting en deze monitoring. • Om aan te tonen dat het project blijft voldoen aan de gestelde voorwaarden wordt in het verslag expliciet ingegaan op: o Bodemkwaliteit; o Bodemdaling; o Bodembederf (Wet Bodembescherming/Omgevingswet); o Biodiversiteit (in samenhang met het thema Natuur en Landschap). • Bij de aanleg wordt inklinken van de bodem door materieel voorkomen door de machinedruk op de bodem te minimaliseren. Dit moet in het ontwerpplan worden aangetoond. • Er mogen geen pesticiden, herbiciden of andere bodembelastende stoffen (zoals schoonmaakmiddelen of conserveringsmiddelen) worden gebruikt (tenzij van overheidswege gevraagd). • Er mogen geen sloten worden gedempt. De bodem wordt niet geëgaliseerd en er worden geen bestaande bomen gekapt of opgaande beplanting verwijderd.

5

• •

Voor de aanleg van nieuwe sloten moet toestemming van het waterschap en overleg met de landschapsdeskundige van de gemeente plaatsvinden. Er worden geen materialen gebruikt die kunnen uitlogen of de grond kunnen verontreinigen. Zoals zware metalen in bevestigingsmaterialen (verzinkt) of zonnepanelen (cadmium). Als hieraan wordt voldaan, is een chemisch onderzoek niet nodig.

In gebied B3 moet de algehele ecologische kwaliteit worden verbeterd. De bodem- en waterkwaliteit wordt behouden en waar mogelijk worden versterkt. Er mag geen extra bodemdaling plaatsvinden in de projectperiode. Bodemdaling moet zoveel als mogelijk worden afgeremd. De biodiversiteit in het plangebied wordt vergroot. Op deze manier worden de thema's bodemdaling en natuurontwikkeling aangegrepen. In gebied B3 maakt de initiatiefnemer in het inrichtings- en beheerplan inzichtelijk: • Hoe wordt voldaan aan de eisen van waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) voor onderhoud van het polderwatersysteem. Dit gaat over de mogelijkheid van HDSR om de primaire watergang langs de noordrand te kunnen baggeren. En over de maatregelen die de initiatiefnemer treft om de kavelsloten (tertiaire watergangen) op de (volgens de keur vereiste) breedte en diepte te houden. • Hoe de biodiversiteit wordt vergroot. De focus ligt op ontwikkeling van biotopen voor flora en fauna. Welke uitgaan van en aansluiten op de ecologische kwaliteiten en potenties van het plangebied en de directe omgeving. Het gaat daarbij met name om flora en fauna van ondiep water en vochtige veenbodems. Denk daarbij bijvoorbeeld aan water- en oevervegetatie en biotopen voor amfibieën, vissen, insecten, vogels en kleine zoogdieren.

Streef daarbij ook naar aansluiting op de biotopen van de polderkade direct ten noorden van het plangebied met boom-, heester- en kruidenvegetatie en de biotopen van landschappelijke bosjes (els, wilg, e.d.). Zoals die voorkomen langs de spoorlijn en die wordt nagestreefd bij het cultuurhistorisch relict van een eendenkooi/pestbosje in het plangebied. Het natuurontwikkelingsplan – onderdeel van het inrichtingsplan – maakt onderscheid tussen natuurontwikkeling binnen het plangebied (bijvoorbeeld in en langs de sloten tussen de panelen) en de landschappelijke omsluiting van het plangebied. Zoals ook beschreven in het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 3). Er dient net als bij de bodemkwaliteit een nulmeting gedaan te worden. Verder ook één jaar na ingebruikname van het zonneveld en vervolgens elke 5 jaar. Verder moet de initiatiefnemer voorkomen dat weidevogels in nabijgelegen weidevogelreservaten extra gevaar voor roofdieren ondervinden. Er mag geen groen aangeplant worden dat uitzichtpunten aan roofdieren biedt in een zone van 100 meter van de Oostkade van Waarder die hoger zijn dan de bestaande houtwal. Gemeente Oudewater adviseert voorafgaand aan de aanleg van een zonneveld te onderzoeken of er ontwikkelingen zijn om bodemdaling te kunnen voorkomen en waar mogelijk af te remmen. Mogelijk is hiervoor (provinciale) subsidie beschikbaar.

2.2.4 Einde exploitatie Na de vergunningsperiode moet de eigenaar het zonneveld opruimen. Dit wordt omschreven in het opruimplan. De eigenaar moet de zonnepanelen verwijderen en hergebruiken volgens de dan geldende regels Afgedankte Elektrische en Elektronische Apparatuur (AEEA). Het opruimplan moet uitleggen hoe zonnepanelen, funderingen, hekken en andere infrastructuur verwijderd en gerecycled worden. Veranderingen in de landschappelijke structuren moeten na verwijdering van het zonneveld (indien wenselijk) kunnen worden teruggebracht naar de oude structuren. Uitzonderingen zijn verbeteringen die zijn aangebracht in het landschap, zoals een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit (inclusief ecologische kwaliteit). Verder moet: • De eigenaar laten zien dat er geld gereserveerd is om aan de opruimplicht te voldoen. • Elke 5 jaar de voortgang van de reservering tonen. In de anterieure overeenkomst worden de afspraken over het opruimen van het zonneveld opgenomen.

6

2.2.5 Procesparticipatie De initiatiefnemer moet zorgen voor participatie, zoals vastgesteld door de gemeenteraad (raadsbesluit D/23/110844). Een participatieplan wordt in het projectplan opgenomen, waarin staat hoe in ieder geval de omwonenden betrokken worden. Wat in ieder geval verplicht is: • Omwonenden worden uitgenodigd voor een bijeenkomst waar men ideeën en wensen met de initiatiefnemer kan delen. Deze ideeën en wensen worden in het participatieproces beschreven en ter overweging meegenomen. Wat er met de ideeën gebeurt kan schriftelijk aangetoond worden bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Daarin wordt opgenomen welke ingebrachte wensen en ideeën verwerkt zijn in het ontwerp en welke niet. Dit inclusief onderbouwing. Lees raadsbesluit D/23/110844 voor de eisen. • Een algemene informatiebijeenkomst voordat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Deze moet minimaal 3 weken van tevoren worden aangekondigd in de lokale krant. Verslagen moeten openbaar (geanonimiseerd) te raadplegen zijn. Aanwezigen krijgen de mogelijkheid om verslagen te controleren op feitelijke onjuistheden.

2.2.6 Financiële participatie en lokaal eigendom •

•

•

•

•

•

•

Een initiatief bestaat vanaf het begin van het project uit een samenwerkingsverband met daarin minimaal: 1. Grondeigenaren die bereid zijn de grond beschikbaar te stellen die nodig is voor het project. Gemeente Oudewater wil onderzoek doen naar de mogelijkheden om zelf grond aan te kopen en deze te verpachten aan een initiatiefnemer; 2. Eén of meer ontwikkelaars; 3. Eén of meer coöperaties (in oprichting) die lokaal eigendom en zeggenschap kunnen realiseren. De rol van deze coöperatie(s) is minimaal gelijkwaardig aan die van de ontwikkelaar. Rollen kunnen gecombineerd worden, mits de vereisten voor het samenwerkingsverband worden nageleefd. Energiecoöperaties kunnen bijvoorbeeld de rol van ontwikkelaar op zich nemen. Gemeente Oudewater wil onderzoeken of het mogelijk is om zelf grond aan te kopen en deze te verpachten aan een initiatiefnemer. Het aanbieden van vormen van financiële participatie is vereist. De initiatiefnemer moet een duidelijk plan indienen waarin staat hoe de financiële participatie wordt geregeld. En hoe de lokale gemeenschap vanaf het begin af aan wordt betrokken bij de besluitvorming. Verslagen van bijeenkomsten worden gedeeld in de vergunningaanvraag. Het doel is zoveel mogelijk lokale participatie en opbrengsten.

Dit betekent dat winsten ten goede komen aan lokale eigenaren en om lokale inwoners en ondernemers te betrekken bij de realisatie, onderhoud en beheer van het zonneveld. Initiatiefnemers moeten duidelijk beschrijven hoe zij lokaal eigenaarschap en zeggenschap zullen realiseren, waarbij een combinatie van beide belangrijk is. De initiatiefnemer spreekt met de gemeente in de anterieure overeenkomst af om een omgevingsfonds in te richten. Dit fonds wordt beheerd door een onafhankelijke lokale stichting, vereniging of gebiedscoöperatie waarin in ieder geval de omwonenden vertegenwoordigd zijn. Verder staat hierin de bijdrage aan het omgevingsfonds. De initiatiefnemer mag adviseur zijn van deze stichting maar heeft geen zeggenschap over de besteding van de storting(en). Duidelijk moet zijn aan welke doelen of projecten het geld wordt besteed. Er wordt onderzocht of lokaal (mede-)eigendom mogelijk is, waarbij omwonenden, lokale MKB en andere inwoners uit de gemeente Oudewater kunnen deelnemen en medezeggenschap hebben. Als dit niet haalbaar is dan worden inwoners en bedrijven uit direct aangrenzende gemeenten (inclusief gemeente Woerden) betrokken. Daarnaast worden andere vormen van financiële participatie onderzocht, zoals het uitgeven van obligaties door de ontwikkelaar. Gedragscode Zon op Land geeft richtlijnen voor de invulling van deze participatievormen.

De energiecoöperatie moet eerst de leden uit gemeente Oudewater aanbieden om financieel deel te nemen. Daarna leden uit direct aangrenzende gemeenten (inclusief de nabijgelegen gemeente Woerden) en dan overige leden vragen. De gemeente wil dat iedereen de mogelijkheid heeft om deel te nemen aan de energiecoöperatie, ongeacht financiële draagkracht. De energiecoöperatie mag dus niet eisen dat leden een aandeel kopen in het project om lid te mogen worden. Er geldt een eis om minimaal 50% lokaal eigendom te realiseren, met een voorkeur voor 100%.

7

2.3 Wensen 2.3.1 Algemeen • •

Bevorder de lokale werkgelegenheid tijdens bouw en gebruik van het zonneveld. Gebruik circulaire materialen.

2.3.2 Financiële participatie en lokaal eigendom • Ontwikkelaars vanuit de eigen gemeente hebben de voorkeur.

8

Bijlage 1. Indieningsvereisten In de volgende paragrafen wordt eerst uitgelegd welke eisen en checklist een projectplan moet volgen. Daarna wordt besproken hoe het projectplan wordt beoordeeld.

Eisen projectplan Elke initiatiefnemer moet een projectplan maken. Dit plan moet een specifieke indeling hebben zodat projectvoorstellen op dezelfde manier worden opgesteld en beoordeeld. De indeling is als volgt: 1. Inleiding 2. Parkontwerp 3. Techniek 4. Ecologische kwaliteit 5. Participatie 6. Omschrijving vervolgproces Daarnaast gelden ook de volgende voorwaarden: • Het projectplan moet worden ingediend volgens het digitale aanvraagformulier. • Het projectplan moet in het Nederlands geschreven zijn. • Het projectplan moet ondertekend zijn door één of meer personen die bevoegd zijn om de aanvraag in te dienen. • De initiatiefnemer mag de gemeente geen kosten rekenen voor het opstellen en indienen van het projectplan. • Door in te schrijven stemt u in met de gestelde procedurele eisen. Projectplannen die niet aan deze eisen voldoen kunnen niet worden beoordeeld. Dit betekent dat deze voorstellen automatisch onvoldoende zullen scoren en niet zullen worden goedgekeurd.

Checklist In Hoofdstuk 2. Toetsingskader worden de voorwaarden en wensen beschreven waaraan een initiatief moet voldoen. Hieronder staat een checklist voor het projectplan. Het projectplan wordt getoetst aan de hand van deze checklist: Hoofdstuk

Checklist

1. Inleiding

In de inleiding moet worden omschreven welke partijen de initiatiefnemers zijn en welke belang zij hebben in het project. Hierbij moet ook worden omschreven hoe er wordt voldaan aan tenminste 50% en verder zo veel mogelijk lokaal eigendom. • Inrichtingsplan, opgesteld door een landschapsarchitect in samenwerking met een ecoloog. Met daarin o.a. e omvang van het zonneveld, het landschapstype waarin het gelegen is, en het projectgebied voorzien van een onderbouwing waarom de betreffende locatie past binnen de ruimtelijke voorwaarden zoals gesteld in het toetsingskader (landschappelijke inpassing). • Een beschrijving en tekeningen (plattegrond, profielen, impressies op ooghoogte) waarop is aangegeven waar de zonnepanelen worden geplaatst en hoeveel er worden geplaatst, inclusief een goede inpassing langs de randen. • Plan van aanpak aanleg, inclusief tijdlijn, realisatie, exploitatie, beheerplan, verwijdering en mogelijk herstel naar de voormalige functie met behoud van gerealiseerde natuurwaarden. • Een weergave van de wijze waarop aan de keur van de waterwegen wordt voldaan om het watersysteem robuust functionerend te houden. • Verwachte opwek van het zonneveld per jaar. • Berekening van de verwachte geluidsproductie. • Technische gegevens over de zonnepanelen en de plaatsing van de installatie (bijv. productcertificaat en verloop van bedrading).

2. Parkontwerp

3. Techniek

9

4. Ecologische kwaliteit

• Status qua benodigde teruglevercapaciteit, netaansluiting, afspraken met netbeheerder. • Beschrijving van de kabeltracé’s voor aflevering van de stroom, zoveel mogelijk langs wegen. Water en bodem: kwaliteit moet behouden blijven en waar mogelijk worden versterkt • Beschrijving van de aanpak om te komen tot behoud van – en waar mogelijk een positieve impact op – de bodem- en waterkwaliteit die in elk geval bevat: o Een quickscan van het oorspronkelijke gebruik en de actuele en beoogde natuurwaarde van het plangebied. o Wat de bestaande bodemkwaliteit (rapportage) en verwachte bodemkwaliteit is, met onderscheid in: ▪ Chemische kwaliteit: - Op basis van de bodemkwaliteitskaart en bekende informatie. ▪ Fysische bodemkwaliteit: - Huidige waterhuishouding (o.a. waterpeil, infiltratie/kwel(druk), afwatering, sloten); - De maatregelen tegen (extra) bodemdaling onder de zonnepanelen. ▪ Bio-/ecologische bodemkwaliteit: - Huidige en de beoogde biodiversiteit in de bodem en de effecten op de bodemkwaliteit; - Stimulans van biodiversiteit, ten goede komende aan de bodemkwaliteit - Maatregelen ten aanzien van lichtinval; - O.a. organisch stof (koolstofbalans), pH, nutriënten. • Beschrijving van de maatregelen om de bodemkwaliteit te behouden en de maatregelen om de kwaliteit te verbeteren.

• Aanvullende maatregelen volgens richtlijnen die door gerenommeerde organisaties (WUR, TNO, etc.) worden ontwikkeld. • Archeologische verwachtingswaarde/-toets. • Een quickscan niet-gesprongen explosieven i.v.m. funderingspalen. Bovengrondse flora en fauna: versterk de biodiversiteit • Een ecologische quickscan. Dit omvat een grove inventarisatie van de aanwezige flora en fauna in het gebied. Dit kan worden gedaan door middel van veldbezoeken waarbij ecologen de soorten, habitats en eventuele beschermde diersoorten identificeren. • Beschrijving van de te verwachten effecten op flora en fauna ten gevolge van de (oriëntatie van de) opstelling. • Beschrijving van de inrichtings- en beheermaatregelen om de biodiversiteit in het projectgebied te versterken. • Beschrijving van geplande afrastering en passagemogelijkheden voor dieren. • Beschrijving impact en compensatiemogelijkheden specifiek op weide- en akkervogels (incl. kring van 200 à 300 meter) en hazen, konijnen en kleine marterachtigen. • Beschrijving van eventuele afspraken met de gemeente aangaande natuurmaatregelen. Verder dient de initiatiefnemer één jaar na ingebruikname van het zonneveld en vervolgens eens in de 5 jaar te rapporteren over de bodem- en waterkwaliteit en biodiversiteit naar aanleiding van

10

5. Participatie

6. Vervolgproces

onderzoek. Beschrijf hoe deze monitoring wordt uitgevoerd. Bij negatieve monitoringsresultaten dient de initiatiefnemer maatregelen te noteren die tussentijds mogelijk zijn. • Het voorstel voor financiële participatie beschrijft welk percentage van het ‘investeringsrecht’ beschikbaar is voor één of meer coöperaties (in oprichting) die in staat zijn om zowel lokaal eigendom als zeggenschap over de energieproductie te realiseren. Ook beschrijft dit voorstel op welke wijze gevolg wordt gegeven aan een (gesocialiseerde) gebiedsbijdrage. Er moet zijn beschreven hoe hoog de gebiedsbijdrage is en hoe deze over de omgeving van het project is verdeeld en hoe deze tot stand is gekomen. • Het participatieplan omschrijft met welke rechtsvorm(en) het project ontwikkeld zal worden. • Uit het participatieplan moet blijken op welke wijze de omgeving betrokken wordt bij de inrichting van het project. • Het participatieplan beschrijft welke communicatiemiddelen worden ingezet en op welke momenten. • Het participatieplan omschrijft op welke wijze omwonenden en grondeigenaren kunnen bijdragen aan een gezamenlijk projectvoorstel. • Als het initiatief geselecteerd wordt dient een definitief voorstel voor financiële participatie te worden aangeleverd en dienen de gemaakte afspraken te worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst.

• Als het initiatief geselecteerd wordt dienen (gespreks)verslagen van het participatietraject te worden toegevoegd aan de aanvraag, waarbij ook moet zijn aangegeven hoe er met de input van de omgeving is omgegaan en waarom punten wel of niet zijn meegenomen. Voor het omschrijven van het vervolgproces moet worden aangegeven hoe er rekening wordt gehouden met omwonenden tijdens de bouw van het project en hoe daar in het kader van hinder mee om wordt gegaan.

Overige vast te leggen afspraken in een later stadium • • • • •

Met Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden over: een waterbeheerplan en afspraken voor de bescherming van het grondwater als er verontreinigingen worden ontdekt. Met Veiligheidsregio Utrecht (VRU) over: de bereikbaarheid van het zonneveld voor veiligheidsdiensten, bluswater, afschakeling van elektriciteit, locaties van transformatorstations en mogelijke opslag van elektriciteit. Overeenkomsten tussen de initiatiefnemer en omwonenden, naburige (agrarische) bedrijven en natuurbeheerders, met afspraken over onder andere beheer, landschappelijke inpassing en hoe te handelen bij ongewenste effecten voor de omgeving. Beschrijving van de financiering van toekomstige maatregelen, zoals infrastructurele voorzieningen, verwijdering van het zonneveld en herstel van de bodemkwaliteit. Anterieure overeenkomst met gemeente Oudewater.

11

Bijlage 2. Gedragscode Zon op Land De Gedragscode "Zon op Land" (versie januari 2024) van Holland Solar bevat enkele harde eisen en specifieke percentages die richtlijnen geven voor de ontwikkeling van zonnevelden op land. Hier zijn enkele van deze eisen: 1. Financiële participatie van lokalen. Er moet een serieuze inspanning worden geleverd om lokale partijen (inwoners en ondernemers) financieel te laten deelnemen in het zonneveld. Dit kan bijvoorbeeld door lokale energiecoöperaties of door aandelen in het project aan te bieden. 2. Ecologische meerwaarde. Minstens 25% van het projectgebied moet worden ingezet voor ecologische verbetering. Dit kan onder andere door biodiversiteitsmaatregelen zoals het aanleggen van bloemenweides of het inrichten van natuurinclusieve landschappen. 3. Terugkeer naar oorspronkelijk grondgebruik. Na de levensduur van het zonneveld moet de grond zonder problemen kunnen worden teruggebracht naar het oorspronkelijke gebruik, zoals landbouw. Dit betekent dat er geen langdurige vervuiling mag zijn en de bodemkwaliteit behouden moet blijven. 4. Communicatie en transparantie. Projectontwikkelaars moeten een duidelijk en transparant communicatieplan hebben. Dit plan moet alle belanghebbenden, inclusief omwonenden, regelmatig informeren over de voortgang en betrokkenheid bij het project.

Deze harde eisen zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat zonnevelden niet alleen bijdragen aan de energietransitie, maar ook voordelen bieden voor de lokale gemeenschap en het milieu. Voor meer gedetailleerde informatie kan men de volledige gedragscode raadplegen op de websites van Holland Solar, TP Solar en de Rijksoverheid.

12

Bijlage 3. Beeldkwaliteitsplan gebied B3 Doel Dit beeldkwaliteitsplan geeft aan wat de gewenst beeldkwaliteit is voor de ontwikkeling van het zonneveld. Het doel van dit beeldkwaliteitsplan is om het zonneveld goed in te laten passen in het landschap en de ruimtelijke kwaliteit en de bestaande cultuurhistorische waarden zo veel als mogelijk te behouden of te versterken. Het beeldkwaliteitsplan is gebaseerd op een analyse van het gebied. Hieruit volgen de randvoorwaarden voor de ontwikkeling op basis van in het gebied (potentieel) aanwezige kwaliteiten. Gebiedsanalyse Het gebied kent verschillende cultuurhistorische waarden. De ontginningsstructuren zijn kenmerkend voor het landschap. Ook de Koddewetering, de spoorlijn tussen Woerden en Gouda, de Oostkade van Waarder en de Papekopperdijk zijn belangrijke structuren. Daarnaast is er de Paardenkop, een vermoedelijk voormalige eendenkooi, en verschillende kleine landschapselementen, die identiteit geven aan de polder. In de Bijlage 4 is een landschapsanalyse bijgevoegd van de Diemerbroekpolder. Het plangebied ligt in de polder Papekop en Diemerbroek. Deze polder is in de 12 e en 13e eeuw ontgonnen. De ontginning geschiedde vanaf de Papekopperwetering. Aan de noordkant moest aangesloten worden op de oudere ontginning van Waarder, waardoor de percelen net geen volmaakte rechthoek vormen.

De structuur van de ontginning is bepalend voor richting van het landschap.

Polders in Oudewater, met rood omlijnd het projectgebied

13

Richtingen in het landschap van polder Papekop en Diemerbroek In de polder zijn verschillende linten ontstaan zoals de Diemerbroek en aan de Papekopperdijk. De Papekopperdijk ligt aan de west- en zuidzijde van het projectgebied. Dit is een cultuurhistorisch waardevol lint omdat dit de ontginningsas is van de polder Papekop en de structuur bepaalt van het landschap. Vanuit de Papekopperdijk is het projectgebied zichtbaar. Voor mensen die in het lint wonen of zich erover voortbewegen is het zonneveld potentieel zichtbaar.

Uitzicht vanaf de Papekopperdijk (westkant projectgebied)

Linten in de polder Papekop en Diemerbroek

14

De polder kent verschillende kades. De Papekopperkade ligt langs de Papekopperdijk en is de achtergrens van de middeleeuwse ontginning Papekop. De Oostkade van Waarder ligt ten noorden van het projectgebied en sluit in het oosten aan op de Westeinderkade. De Oostkade van Waarder is de middeleeuwse achtergrens van de polders Waarder en Barwoutswaarder en tegelijkertijd de zijkade van de polders Noord-Diemerbroek en Papekop. De kade is geheel bewaard gebleven en vormt de grens tussen Utrecht en Zuid-Holland. De kade bestaat uit beplanting en een (overgroeid) wandelpad. Hierdoor biedt de kade veel potentie voor recreatie en is het projectgebied vanuit hier ook zichtbaar.

Kades in de polder Papekop en Diemerbroek

De Oostkade van Waarder (links) Naast de ontginningen, linten en kades is de spoorlijn tussen Woerden en Gouda een bepalend element in het landschap. Deze spoorlijn is in 1855 aangelegd. Dagelijks kijken duizenden mensen vanuit de trein de polder in. De spoorlijn ligt iets hoger in het landschap en de zitplekken van de treinen zijn ook hoger. Dit maakt dit de meest zichtbare rand van het gebied. In de landschapsbiografie Groene Hart (Steenhuis Meurs) krijgt de spoorlijn een hoge waardering als panorama op het landschap. In het plangebied ligt ook de Koddewetering. De Koddewetering vormde de verbinding tussen de Diemerbroekse Achterwetering in de polder Zuid-Diemerbroek, de Achterwetering van de polder Noord-Diemerbroek (langs de Oostkade van Waarder gelegen) en de Diemerbroekse Wetering (ook

15

wel Diemerbroekse Voorwetering genaamd). De Koddewetering is nog goed zichtbaar in het landschap omdat deze breder is dan de sloten die onderdeel waren van de ontginningen. Midden in het landschap ligt een door sloten gevormd gebiedje dat in de volksmond ‘de Paardenkop’ wordt genoemd. Deze locatie is waarschijnlijk vroeger gebruikt als eendenkooi en bestaat al zeker sinds de 19e eeuw. Oud kaartmateriaal laat zien dat deze Paardenkop deels begroeid was.

De Paardenkop (omcirkeld) op een kaart uit 1875 Ook zijn er een aantal hakhoutbosjes aan de Achterwetering, de wetering die langs het spoor loopt. Dit zijn kenmerkende landschapselementen in de polder. Geen van deze bosjes is beschermd als Klein Landschapselement. Een deel van de polder is weidevogelkerngebied. Het projectgebied ligt hier niet in. Ten oosten van het projectgebied ligt een complex dat behoort tot Natuur Netwerk Nederland.

16

Totaalbeeld ruimtelijke opbouw Diemerpolder (uit: Landschapsanalyse Diemerpolder)

Randvoorwaarden Een randvoorwaarde voor de ontwikkeling is om de bestaande cultuurhistorische waarden te behouden of te versterken, het zonneveld goed in te passen in het landschap en de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit van de polder te behouden. De visuele impact vanaf de openbare (water)wegen, sporen en paden wordt beperkt. Om de landschappelijke inpassing te realiseren worden alleen landschapselementen gebruikt die passen in dit veenweidelandschap zoals houtsingels, geriefbosjes, kruidenrijke weides of hooilanden en rietrijke oevers. Minimaal 25% van het plangebied moet gebruikt worden voor landschappelijke inpassing. Koppelkansen Het zonneveld dient een combinatie te maken met betrekking tot bodemdaling en natuurontwikkeling. Door de verbindingen met andere watergangen is het verhogen van het waterpeil niet mogelijk. Het aantal peilgebieden wordt namelijk zo laag mogelijk gehouden om een robuust watersysteem te behouden. Daarnaast zouden dan alle watergangen die richting de primaire watergang in het noorden lopen een stuw moeten krijgen, wat onwenselijk is. Het is daarom niet mogelijk om een aanzienlijke bijdrage te leveren aan het tegengaan van bodemdaling. Wel zorgt de initiatiefnemer ervoor dat het waterbergend vermogen gelijk blijft of vergroot. En er moet onderzocht worden hoe bodemdaling zoveel mogelijk tegengaan kan worden.

In en rond het zonneveld wordt dus vooral een combinatie gemaakt met natuur. In dit beeldkwaliteitsplan krijgt natuurontwikkeling daarom ook een nadrukkelijke plaats. Daarnaast wordt bij de omgevingsvergunningsaanvraag een beheerplan gevraagd voor de natuurontwikkeling.

17

Ontginningsstructuur De zonnepanelen staan in de richting van het landschap: ofwel parallel aan de ontginningsstructuur en de sloten, ofwel daar loodrecht op. De wens is om de zonnepanelen parallel aan het landschap te laten lopen omdat dit het cope-landschap het meest accentueert en rechtdoet. Daarnaast blijft de ontginningsstructuur met bijbehorende sloten onaangetast, evenals de Koddewetering. De kavelsloten en verkavelingspatronen worden zichtbaar gehouden door doorzichten over de kavelsloten te behouden. De sloten moeten door de initiatiefnemer onderhouden worden. Dit kan effect hebben op hoe dicht de zonnepanelen tegen de sloot kunnen staan. Hiervoor moet een onderhoudsplan worden ingediend, waarmee aan de keur van HDSR voor tertiaire watergangen wordt voldaan. Landschappelijke inpassing aan de Papekopperdijk Het zonneveld ligt minimaal 200 meter van de Papekopperdijk. Hierdoor komt het zonneveld op afstand van het lint met woningen te liggen. De landschappelijke inpassing zorgt voor een zachte overgang tussen de agrarische gronden en het zonneveld en beperkt het zicht voor passanten en bewoners van de Papekopperdijk op het zonneveld. De sloot aan de westelijke rand van het te realiseren zonneveld wordt als natuurvriendelijke oever ingericht met een rietkraag. Bij voorkeur wordt deze geplaatst aan de zijde van het zonneveld.

De afstand tussen deze oever en de zonnepanelen is minimaal 3 meter. Naast deze natuurvriendelijke oever krijgt ook de Koddewetering natuurvriendelijke oevers om de ruimtelijke kwaliteit van deze structuur te behouden en om het doorzicht over deze wetering niet te laten domineren door zonnepanelen. Het is een wens om de brede Koddewetering te gebruiken als natuurlijke afscheiding tussen het agrarische gebied en het zonneveld.

Principeprofiel rand Papekopperdijk – natuurvriendelijke oever

Natuurvriendelijke oever Landschappelijke inpassing aan het spoor Bij de inrichting van de rand langs de spoorlijn wordt rekening gehouden met de vele mensen die hier vanuit de trein van enige hoogte de polder kunnen inkijken en de cultuurhistorische elementen die aanwezig zijn en waren. Het landschap bestaat hier uit de ontginningsstructuur die onder een hoek botst op de spoorlijn. Hierdoor ontstaan percelen die niet rechthoekig zijn.

18

De landschappelijke inpassing wordt hier verzorgd door geriefbosjes/pestbosjes die het ontginningslandschap volgen en loodrecht op het slotenpatroon staan. Een deel van deze geriefbosjes is al aanwezig en oud kaartmateriaal toont aan dat hier oorspronkelijk nog meer geriefbosjes stonden. Door de rechte vorm van de geriefbosjes en de kromming van de spoorlijn ontstaat een zaagtandvorm van geriefbosjes in het landschap. De landschappelijke inpassing is hier dus niet overal even breed. De geriefbosjes worden met streekeigen beplanting beplant. Voor de bestaande erven van agrariërs die stoppen komt een transformatieplan dat uitgaat van sloop van agrarische bedrijfsgebouwen en een andere hoogwaardige invulling die past in de omgeving. De bestaande erven aan het zonneveld worden goed landschappelijk ingepast door middel van erfbeplanting. De erven worden niet geheel ingepakt door het zonneveld door aan de voorzijde, aan de spoorkant, ruimte te houden voor een agrarische invulling van het land. Een bedrijfsfunctie op het erf, anders dan agrarisch, is hier niet gewenst. De invulling kan bestaan uit een weiland, maar ook een boomgaard of geriefbosje is denkbaar. Het is een wens dat de blijvende agrariër een rol krijgt in het onderhoud van de agrarische randen.

Principeprofiel rand spoorlijn – geriefbosje

Principeprofiel rand spoorlijn – agrarische grond rondom erven Landschappelijke inpassing aan de Oostkade van Waarder Langs de Oostkade van Waarder ligt de watergang Achterwetering, die de noordgrens van gebied B3 vormt. HDSR onderhoudt de watergang en heeft hiervoor 5 meter ruimte nodig langs de kant. In deze zone kan geen beplanting plaatsvinden omdat er mogelijk bagger wordt gedeponeerd. De initiatiefnemer gaat hierover in gesprek met HDSR. Daarom wordt de bestaande kade met een houtwal gebruikt voor landschappelijke inpassing. Dit zorgt voor een natuurlijke overgang tussen het zonneveld en het landschap. De kade volgt een kromme lijn die afwijkt van de rechte ontginningsstructuur. Om dit te benadrukken, worden de zonnepanelen aan deze kant recht uitgelijnd, wat een contrast creëert. De afstand tussen het zonneveld en de Achterwetering varieert, met minimaal 5 meter. De ruimte tussen het zonneveld en de Achterwetering wordt gebruikt voor hooiland of kruidenrijk grasland en kan agrarisch worden benut.

19

Principeprofiel rand Oostkade van Waarder – hooiland en/of kruidenrijkgrasland Paardenkop De Paardenkop is een kenmerkend landschapselement in deze polder en geeft identiteit aan het gebied. Dit element wordt benadrukt en versterkt door de binnenzijde van de Paardenkop te beplanten tot bosje ofwel de buitenrand te omzomen door bomen. Hierdoor blijft het element zichtbaar en beleefbaar in het landschap ondanks de bebouwing van zonnevelden eromheen. Tussen dit element en de spoordijk staan geen zonnepanelen, waardoor het zicht hierop – dat maximaal aan 3 kanten omsloten is door zonnepanelen – gegarandeerd wordt. Bebouwing ten behoeve van het zonneveld Gebouwen ten behoeve van de zonnepanelen zoals trafohuisjes en batterijopslag worden beperkt en geclusterd. Daarnaast staan deze, als dat mogelijk is, niet aan de randen maar aan de binnenzijde van het zonneveld. Hierdoor gaan de gebouwen beter op in het landschap. Paden De toegangsweg ligt aan de Papekopperdijk, langs het spoor. Wegen die nodig zijn voor het zonneveld zijn zo min mogelijk verhard en lopen ofwel evenwijdig aan de ontginningsstructuur ofwel haaks hierop. De wegen liggen zoveel mogelijk binnen het zonneveld en niet aan de randen.

20

Indicatieve plankaartverbeelding beeldkwaliteit Proces Om een goed plan te krijgen die rechtdoet aan de bestaande kwaliteiten, is het verplicht een inrichtingsplan op te laten stellen door een landschapsarchitect. Deze heeft bij voorkeur ervaring met het maken van inrichtingsplannen voor zonnevelden. Het is de verwachting dat het aanstellen van een landschapsarchitect het vergunningsproces aanzienlijk versnelt en dat het maatschappelijk draagvlak voor zonnevelden verbetert door een verbeterde uitstraling. Omdat er een combinatie wordt gemaakt met natuurontwikkeling is het ook nodig om een ecoloog te betrekken bij het maken van het inrichtingsplan.

21

Dit beeldkwaliteitsplan is opgesteld door:

22

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/591/documents/18681