B1. raadsmemo met toelichting op advies en participatie Ow mei 23.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1 bij raadsvoorstel adviesrecht en participatieplicht Omgevingswet Raadsmemo Invoering Omgevingswet Oudewater
Mei 2023
De Omgevingswet treedt in werking met ingang van 1 januari 2024. De Omgevingswet is een zodanig grote stelselherziening dat er rekening is gehouden met een overgangstermijn of transitiefase tot 2032 om alle bestuursorganen en vooral de gemeenten gelegenheid te bieden om tot één nieuw Omgevingsplan te komen voor de gehele gemeente. Huidige inzichten De door ons college in overleg met de directie gekozen lijn voor het regelen van de noodzakelijke stappen om de organisatie klaar te maken voor de inwerkingtreding past binnen het adagium “licht, vlug en passend”. Tot aan de inwerkingtreding zetten wij de minimaal benodigde stappen voor de inwerkingtreding waarbij wij zoveel als mogelijk aansluiten bij de huidige, gangbare, werkprocessen en bestuurlijke afspraken. Nieuwe ambities worden in de transitiefase na inwerkingtreding opgepakt. Voor het eind van de vorige raadsperiode is het nog gelukt de nieuwe Omgevingsvisie Oudewater vast te stellen. Deze visie vormt de verdere basis voor de inrichting van het Omgevingsplan en het beleid voor de fysieke leefomgeving. Ook zullen de initiatieven die afwijken van het omgevingsplan getoetst worden aan deze visie en het daarmee samenhangende beleid. Uitgangspunten Omgevingswet c.q.
gemeentelijke dienstverlening Hoofddoelstelling van de wet is het waarborgen van een goede fysieke leefomgeving voor alle inwoners door alle informatie digitaal beschikbaar te maken, zodat inwoners kunnen nagaan wat voor kwaliteit voor hun woonomgeving wordt nagestreefd. De wet legt meer verantwoordelijkheid bij de samenleving neer door bij initiatiefnemers de verantwoordelijkheid neer te leggen dat participatie – het zoeken naar draagvlak - voorafgaand aan een aanvraag door hen moet worden aangetoond bij indiening van een formele aanvraag omgevingsvergunning. De wet biedt de gemeenteraad de bevoegdheden om te sturen op hoofdlijnen en legt de kaders vast waarbinnen het college uitvoering geeft aan het beleid en de regelgeving. Dat gebeurt via de door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie, de sectorale beleidsnota’s (denk aan: Woonvisie, Economische Visie, Verkeersbeleid e.d.) en het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan is het instrument dat regels bevat die de inwoners en bedrijven in de gemeente rechtstreeks bindt. Het college voert de regels van het Omgevingsplan uit en is bevoegd gezag (beslist op aanvragen) omgevingsvergunningen die afwijken van het Omgevingsplan.
Bij het afwijken van het omgevingsplan blijft het college binnen de kaders die de gemeenteraad heeft gesteld in de Omgevingsvisie, de beleidsnota’s, een beeldkwaliteitsplan/stedenbouwkundige randvoorwaarden, vastgestelde visieelementen enz. Voor aanvragen omgevingsvergunning die buiten die kaders treden maar waaraan wel medewerking gewenst wordt geacht is er in de Omgevingswet de mogelijkheid aan de gemeenteraad toegekend om categorieën van gevallen of beter gezegd initiatieven die afwijken voor bindend adviesrecht aan de gemeenteraad voor te leggen voordat het college een besluit neemt op een dergelijke aanvraag omgevingsvergunning. Hierdoor kan voorkomen worden dat door de gemeenteraad ongewenste initiatieven worden toegestaan en biedt het college transparantie aan de gemeenteraad van haar handelswijze. Verdere uitgangspunten van de Omgevingswet maar ook van onze eigen dienstverlening hierbij zijn zeker ook een snelle dienstverlening en handelen binnen de voorgeschreven wettelijke termijn voor een vergunning. De huidige regelgeving bepaalt wettelijk nog dat veel aanvragen via een uitgebreide procedure van ca. 26 weken tot stand komen. De nieuwe Omgevingswet gaat standaard uit van een situatie dat op alle aanvragen via een reguliere procedure van 8 weken wordt beslist.
Er is geen sprake meer van een fatale termijn zodat er niet langer van rechtswege verleende vergunningen kunnen ontstaan. Groot voordeel voor de initiatiefnemer/inwoner is dat de behandelduur sneller zal verlopen. Dat is ook mogelijk geworden doordat er niet langer een verklaring van geen bedenking voor iedere afwijking (buiten kruimelgevallen) langs uw raad hoeft te gaan. De Omgevingswet heeft dat automatisme 1
afgeschaft maar biedt u dus nog wel de mogelijkheid om in uitzonderlijke situaties ons college een bindend advies te geven. Daarvoor is het nodig dat uw raad aangeeft in welke gevallen u dat noodzakelijk acht. Dat dit wel wordt beperkt tot bijzondere gevallen blijkt wel uit de doelstellingen van de Omgevingswet: Snellere besluitvorming op aanvragen wordt vertraagd indien voor veel gevallen toch afzonderlijk adviesrecht nodig is van de raad. Raad bepaalt kaders via Omgevingsvisie en Omgevingsplan en diverse beleidsstukken College voert uit binnen de door de raad gestelde kaders. Verdere uitgangspunten vanuit onze eigen dienstverlening die daarbij een rol spelen zijn: Kosten acceptabel houden (denk aan leges en ambtelijke capaciteit) Werkbaarheid in relatie tot dienstverlening (naast snellere procedures en haalbare termijnen geeft dit ook extra werkdruk richting raad in relatie tot de huidige vergadercyclus) Samenwerking met Woerden (efficiënt werken voor beide organisatie levert meer snelheid en kostenbesparing op) Nog te nemen raadsbesluiten voor inwerkingtreding Wij zullen u nog dit jaar voor de inwerkingtreding per 1 januari as. een aantal noodzakelijke raadsbesluiten voorleggen. Die zijn te verdelen in: 1. besluiten van meer technische aard (o.a.
delegatie van wijzigingen Omgevingsplan, de instelling van een adviesorgaan voor de ruimtelijke kwaliteit (MooiSticht) en aanpassingen van de APV, de Erfgoedverordening, de Legesverordening, de Verordening nadeelcompensatie) en, 2. meer inhoudelijke voorstellen over het gebruikmaken van het adviesrecht door uw raad en het opleggen van een plicht tot participatie voor initiatiefnemers in bepaalde gevallen Raadsinformatiebijeenkomsten Er zijn op 24 januari en 11 april jl twee informele informatiebijeenkomsten georganiseerd met uw raad over de stand van zaken van de voorbereiding van de Omgevingswet en meer in het bijzonder over de meer inhoudelijke besluiten die genomen moeten worden over het adviesrecht en de participatieplicht. Dit om meer van gedachten te kunnen wisselen met u over de achtergronden en bedoelingen van deze instrumenten of bevoegdheden. Deze bijeenkomsten zijn heel waardevol geweest en geven ons aanleiding om de voorstellen met betrekking tot het adviesrecht en de participatieplicht ter besluitvorming aan u voor te leggen Wat zijn onze voorstellen? 1. Bindend adviesrecht gemeenteraad De Omgevingswet regelt onder meer de adviesbevoegdheid van de gemeenteraad bij aanvragen van een omgevingsvergunning waarbij afgeweken wordt van het beoordelingskader, zoals neergelegd in het omgevingsplan.
De adviesbevoegdheid houdt kortgezegd in dat de gemeenteraad het recht heeft om het college van B&W bindend te adviseren bij het verlenen van een omgevingsvergunning die in strijd is met het omgevingsplan. Bindend wil zeggen dat het advies bepalend is voor de uitkomst van de beslissing op de aanvraag omgevingsvergunning. Bij een negatief advies dient de vergunning geweigerd te worden door ons college. De raad kan zelf bepalen of en voor welke gevallen of aanvragen die afwijken van het Omgevingsplan hij een bindend advies wil geven. Verschil met huidige regelgeving Voor activiteiten in strijd met het bestemmingsplan geldt nu het stelsel dat de gemeenteraad in de huidige situatie – voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet- op iedere buitenplanse afwijking die niet onder de kruimelgevallenregeling valt een verklaring van geen bedenking (hierna: vvgb) moet verlenen of weigeren. De raad kan onder de huidige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevallen die afwijken van het bestemmingsplan aanwijzen waarvoor geen vvgb hoeft te worden gevraagd. In Oudewater zijn er geen categorieën aangewezen waarvoor geen afzonderlijke vvgb nodig is, zodat alle aanvragen die afwijken van het bestemmingsplan en als “complex” kunnen worden aangeduid (geen binnenplanse afwijkingen en geen kruimelgevallen) aan de gemeenteraad worden voorgelegd.
Verklaring verschillen tussen huidige en nieuwe regelgeving 2
De Omgevingswet past het principe toe dat de afwijkingen van het Omgevingsplan in eerste instantie een bevoegdheid van het college zijn. Alleen in door de raad aangewezen gevallen is er een bindend advies van de gemeenteraad vereist is. De Wabo gaat nog uit van de gedeelde verantwoordelijkheid van raad en college voor afwijkingen van het bestemmingsplan. Alleen in door de raad aangewezen gevallen kon een vvgb achterwege blijven. De ervaringen van het werken met het huidige systeem zijn door de wetgever afgezet tegenover de uitgangspunten van de Omgevingswet en hebben tot de “360º draai” geleid dat het alleen in door de raad aangewezen uitzonderlijke gevallen nodig is een bindend advies te vragen. Voorstel adviesrecht Om in lijn van de uitgangspunten van de Omgevingswet en onze eigen dienstverlening te opereren (meer samenspel met de samenleving en flexibiliteit in de regels), maar ook zeker het uitgangspunt om voor de initiatiefnemers snelheid in procedures, beperking van kosten te waarborgen en de werkbaarheid voor uw raad in oog te houden, wordt voorgesteld een keus te maken uit een tweetal scenario’s.
Scenario 1 “huidige werkwijze” Kern van dit voorstel is dat door of namens het college bij de toetsing van de aanvraag wordt vastgesteld of deze aanvraag in strijd is met de Omgevingsvisie of met de door uw raad vastgestelde beleidskaders zoals vastgelegd in bijvoorbeeld de specifieke stedebouwkundige kaders, een beeldkwaliteitsplan of ander vergelijkbaar plan voor de betreffende locatie als ook in bijvoorbeeld de Woonvisie, Economisch beleid en andere beleidskaders met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij om complexe en voor de omgeving ingrijpende aanvragen. Uitgezonderd worden de aanvragen waaraan via een zogenaamde binnenplanse afwijking kan worden meegewerkt en de aanvragen die met gebruik van de huidige kruimelgevallenregeling mogelijk zijn met uitzondering van functiewijzigingen. Dit scenario past bij de uitgangspunten om enerzijds de procedure voor de initiatiefnemer te versnellen en te vereenvoudigen en anderzijds om zo vooral te sturen op de kaders en de onderwerpen die de raad als meest belangrijk acht om inhoudelijk invloed op uit te oefenen. Een invulling die inhoudt dat over alle aanvragen die afwijken bindend adviesrecht nodig is past niet bij deze uitgangspunten, leidt tot ernstige vertraging en extra kosten en is juridisch in strijd met de uitgangspunten van de Omgevingswet.
Het is gewenst dat de gemeenteraad - vóórdat de Omgevingswet in werking treedt - een besluit nemen over de gevallen waarin hij advies wil geven. Daarmee kan het werkproces tijdig worden ingericht en geven wij initiatiefnemers/inwoners ook duidelijkheid. Scenario 2 “de positieve lijst” Dit scenario gaat uit van de concrete aanwijzing van categorieën van gevallen van aanvragen die om advies aan uw raad worden voorgelegd. Zoals ook in de informatiebijeenkomst met u is besproken gaat het dan bijvoorbeeld om de volgende lijst: o Het bouwen of in gebruik nemen door functiewijzing van meer dan 2 woningen binnen de bebouwde en buiten de bebouwde kom; o Een antenne-installatie hoger dan 50m; o Het gebruiken van een recreatiewoning voor permanente bewoning; o Het uitbreiden met meer dan 20% van de oppervlakte van sportvelden, recreatieterreinen en begraafplaatsen en de daarop aanwezige bebouwing mits de omvang van de bebouwing na uitbreiding in overeenstemming is met de aard en de capaciteit van de terreinen; o Het uitbreiden van bestaande niet-agrarische bedrijven met meer dan 10% o Projecten ten behoeve van extensieve recreatie, inclusief de daarbij behorende voorzieningen (zoals paden, ontsluiting en groen); 3
o
Voorzieningen voor grootschalige opwek en/of opslag van (duurzame) energie, zoals windturbines, zonnevelden, biomassacentrales en batterijparken, waarbij onder grootschalige opwek wordt verstaan: een voorziening die uitsluitend bedoeld is voor het opwekken van energie voor derden (eigen gebruik uitgesloten)
Voor beide scenario’s valt iets te zeggen en niet te vergeten is het uitgangspunt dat het een lerend proces dat regelmatig met u zal worden besproken en indien gewenst tot bijstelling kan leiden. Scenario 1 geeft naar de aanvrager niet direct duidelijkheid over de vraag of adviesrecht aan de orde is voor zijn aanvraag. Als aanvrager gebruik maakt van de mogelijkheid van vooroverleg zal dat in het vooroverleg duidelijkheid geven. In 1e instantie is het aan de beoordeling van ons college of de aanvraag voor afwijking om bindend advies aan uw raad moet worden voorgelegd. Zoals hierboven gesteld zal wel voor u inzichtelijk zijn welke aanvragen om afwijking in behandeling zijn, wat de gekozen procedure is en voor welke aanvragen bindend adviesrecht aan de orde is. Aan de hand van evaluatie kan na 1 of 2 jaar eventuele bijstelling of nadere categorisering voorgesteld worden. Scenario 2 geeft bij voorbaat aan aanvragers duidelijkheid over de vraag voor welke aanvragen bindend adviesrecht nodig is. Dat is verder niet voor nadere interpretatie vatbaar en is dwingend voor ons college en uw raad. Indien er toch aanvragen zijn die niet onder een genoemde categorie vallen maar wel ingrijpend voor de omgeving worden geacht dan is niet mogelijk die alsnog onder uw bindend adviesrecht te laten vallen. Ook hier is dan na evaluatie bijstelling mogelijk.
In welke gevallen komt een aanvraag omgevingsvergunning bij de raad? Een aanvraag omgevingsvergunning wordt onder de Omgevingswet getoetst aan het Omgevingsplan en zal dan wordt aangeduid als een aanvraag omgevingsvergunning voor een Omgevingsplanactiviteit (OPA). In het geval een dergelijke aanvraag afwijkt van het Omgevingsplan wordt gesproken over een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA). Om u een beeld te geven van de wijze van behandeling van de aanvraag omgevingsvergunning en in welke gevallen een dergelijke aanvraag aan uw raad wordt voorgelegd kan de volgende opsomming geschetst worden: Iemand kan een OPA-vergunning aanvragen. Die wordt door of namens het college verleend als Het past in het omgevingsplan Of het past binnen de in het plan beschreven afwijkingsregels Of het past binnen de in het plan beschreven wijzigingsbevoegdheid Anders is het een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (BOPA). Deze wordt door of namens het college verleend als Het past binnen de kruimelgevallenregeling (zie bijlage bij het raadsvoorstel en -besluit) Of het past in de Omgevingsvisie Of het past in de Omgevingsprogramma’s Of het past in sectorale beleidsnota’s Indien een BOPA niet passend wordt beoordeeld kan een dergelijke aanvraag op 2 manieren aan uw raad worden voorgelegd.
Via het instrument van het bindend adviesrecht Via een wijziging van het Omgevingsplan (denk bijvoorbeeld aan grote woningbouwprojecten of bedrijventerreinen, waarbij ook via de coördinatieverordening gelijktijdig de wijziging van het Omgevingsplan en de Omgevingsvergunning kunnen worden behandeld) 3.
Aanwijzen situaties waarbij de raad voor bepaalde BOPA’s participatie verplicht stelt.
Inleiding en kader Participatie door initiatiefnemer is onder Omgevingswet een nieuw instrument dat niet zozeer gericht is op de bestuurlijke rolverdeling maar meer gericht is op het bewegen van een initiatiefnemer tot participatie richting zijn omgeving om zo te horen hoe over zijn/haar initiatief wordt gedacht, wat daaraan wellicht verbeterd kan worden en hoe het met het draagvlak gesteld is. 4
De Omgevingswet stelt participatie voor c.q. door het gemeentebestuur verplicht bij de kerninstrumenten Omgevingsvisie, Omgevingsplan en Omgevingsprogramma. Daarbij legt de wetgever de verantwoordelijkheid bij het bestuursorgaan neer dat verantwoordelijk is voor het besluit. In geval van een aanvraag omgevingsvergunning legt de wetgever de verantwoordelijkheid voor participatie neer bij de aanvrager. Dat heeft de wetgever op de volgende manier vormgegeven: 1. Participatie als indieningsvereiste: 2. Participatie is voor nader aan te wijzen aanvragen door de gemeenteraad verplicht opgelegd aan aanvrager Ad. 1 Bij alle aanvragen voor een omgevingsvergunning is er sprake van een indieningsvereiste, in die zin dat een aanvrager moet aangeven óf en zo ja, op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden voor het indienen van de aanvraag. Het vereiste is dus geen plicht en kan ook niet leiden tot een weigering. Ad. 2 Alleen voor de buitenplanse afwijkingen van het Omgevingsplan (de zogenaamde Buitenplanse OmgevingsPlan Activiteiten ofwel BOPA’s) is het mogelijk dat de gemeenteraad gevallen aanwijst waarvoor zij participatie verplicht wil stellen. Omdat dit instrument gericht is op de initiatiefnemer is het gewenst om zo duidelijk en objectief mogelijk de gevallen of aanvragen aan te wijzen waarvoor de verplichting geldt.
Dit om het voor een initiatiefnemer vanaf de start van zijn idee voor hem duidelijk te maken dat participatie verplicht is. Participatieplicht bij BOPA’s Zoals is aangegeven kan de gemeenteraad voor bepaalde categorieën van gevallen participatie verplichten bij BOPA’s. Hiervoor moet voor inwerkingtreding van de Omgevingswet een kader worden vastgesteld zodat het voor initiatiefnemers duidelijk is in welke gevallen participatie verplicht is. . Om de gevallen te bepalen waarvoor participatie verplicht wordt gesteld zijn er meerdere opties: 1. voor alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) wordt participatie verplicht gesteld. 2. voor alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) wordt participatie verplicht gesteld, met uitzondering van de gevallen die nu vallen onder de zogenaamde kruimellijst 3. voor alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) wordt participatie verplicht gesteld, met uitzondering van de gevallen die nu vallen onder de kruimellijst, met uitzondering van artikel 4 lid 9 (functiewijzing) omdat deze categorie in potentie een grote impact op de omgeving kan hebben; 4. voor alle buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (BOPA) die niet passen binnen de kaders van de Omgevingsvisie of ander vigerend beleid wordt participatie verplicht gesteld. Ad.
1 Het voordeel van deze optie is dat er geen onduidelijkheid zal zijn over de vraag of participatie verplicht is. Zodra een BOPA aan de orde is, moet er verplicht worden geparticipeerd. Nadeel van deze optie is wel dat heel veel initiatiefnemers verplichte participatie moeten doen, ook al betreft het een kleinschalig project dat weliswaar niet past binnen het tijdelijk deel omgevingsplan maar qua impact beperkt is. Daarbij kan gesteld worden dat dit niet de bedoeling kan zijn van de wetgever omdat op zich participatie weliswaar een indieningsvereiste voor alle aanvragen omgevingsvergunning maar de initiatiefnemer vrijheid wordt gegeven hoe die in te vullen. Door alle BOPA’s onder verplichte participatie te scharen wordt die vrijheid flink ingeperkt. Daarnaast bestaat ook gerede twijfel of het juridisch toegestaan is om alle BOPA’s aan te wijzen, omdat de wetgever heeft aangegeven dat de raad categorieën moet aanwijzen en hiermee in feite geen categorie aanwijst maar alle afwijkingen onder de verplichte participatie brengt. Ad. 2 Het voordeel van deze optie is dat de hoeveelheid verplichte participatie wordt beperkt aan de hand van een vrij concrete lijst (de kruimelgevallenlijst van bijlage II artikel 4 van het Besluit omgevingsrecht), waarmee duidelijk wordt dat voor afwijkingen die op die lijst vermeld staan géén 5
participatieplicht geldt, maar voor de afwijkingen die daar niet op vermeld staan wél. Dit sluit ook aan op de onder de huidige regelgeving gehanteerde gedachte dat de kruimelgevallenlijst initiatieven betreft van een geringe planologische impact en daarmee ook geringe impact hebben op de fysieke leefomgeving.. Ad. 3 Deze optie is hetzelfde als optie 2 met als aanvullende beperking dat voor functiewijzigingen die vallen onder de kruimelgevallenlijst wel participatie verplicht is omdat voor functiewijzigingen (bijvoorbeeld een bestaand kantoorpand omzetten naar woningen) de impact op de omgeving groot kan zijn. In dit geval zal de initiatiefnemer dan wel aan de participatieplicht moeten voldoen. Ad. 4 Voordeel van deze optie is dat veel gevallen (zeker binnen stedelijk gebied) wel zullen passen binnen de kaders van de Omgevingsvisie of ander beleid. De bouw van een woning bijvoorbeeld binnen bestaand stedelijk gebied valt daaronder. Voor dergelijke gevallen is dan geen participatie verplicht. Alleen voor wat grotere ontwikkelingen die afwijken van het beleid is participatie aan de orde. Nadeel hiervan is dat door de soms abstracte uitwerking van de beleidsstukken er discussie kan ontstaan of iets hier binnen past of niet. Dat geeft ook de initiatiefnemer vooraf geen duidelijkheid waardoor hij niet weet of participatie verplicht is voor het initiatief.
Voorstel Wij stellen u voor om te kiezen voor optie 3, waarmee u een duidelijk signaal geeft dat u de verplichting oplegt voor projecten waarvan verwacht wordt dat ze meer dan geringe impact op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving hebben. In bijlage 2 is aangegeven voor welke projecten of gevallen de verplichting niet geldt omdat daarvan verwacht wordt dat sprake is van een geringe impact op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Beleidsregel wijze waarop aan de participatieplicht wordt voldaan Op grond van artikel 16.55, lid 7 Omgevingswet kan de gemeente beleidsregels vaststellen over de wijze waarop de verplichte participatie bij BOPA”s moet worden vormgegeven. Uit de participatieverplichting (artikel 16.55, lid 7, Omgevingswet) volgt dat de uitgevoerde participatie enige inhoud moet hebben gehad. De beleidsregel moet antwoord geven of de vraag of de gemeente de door de initiatiefnemer/aanvrager gehouden participatie beoordeelt als “voldoende”. Wanneer sprake is van onvoldoende/voldoende participatie heeft de wetgever niet aangegeven. Dit zal afhangen van de aard en gevolgen van de aangevraagde activiteit. De participatie-inspanning van de aanvrager moet proportioneel zijn ten opzichte van de aangevraagde activiteit. De wetgever heeft de keuze voor de vorm van participatie bewust bij de aanvrager gelaten.
Het bevoegd gezag moet dus beoordelen of er voldaan is aan de participatieverplichting. Het bevoegd gezag moet beoordelen of de aanvrager in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de uitgevoerde participatie. Beleidsregel participatieplicht Zoals aangegeven zal de wijze waarop participatie moet worden gedaan bij de aanvrager / initiatiefnemer worden gelaten. De gemeente kan daarbij wel ondersteuning bieden. Bij een aanvraag omgevingsvergunning waarbij sprake is van verplichte participatie zal de gemeente aan de volgende punten toetsen om te beoordelen of de gehouden participatie voldoende is: Aanvrager zal een participatieverslag moeten opstellen en ter toetsing moeten aanleveren waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de volgende punten: 1. Welke personen/ instanties/ belanghebbenden zijn betrokken bij het participatietraject? Indien het participatietraject uit meerdere stappen/fases heeft bestaan, moet dit per stap/fase worden aangegeven. 2. Op welke wijze is het participatietraject uitgevoerd? Welke processtappen daarbij zijn genomen? 3. Wat is de opbrengst van het participatietraject geweest? Welke opmerkingen, aanvullingen, verbeteringen, etc zijn kenbaar gemaakt en in welke mate was er onder de betrokkenen zoals bedoeld onder 1 steun voor de plannen? 4.
Welke ingebrachte punten in de participatie hebben geleid tot aanpassingen van de plannen? Indien er opmerkingen zijn gemaakt die niet hebben geleid tot aanpassingen, om welke reden(en) is daar vanaf gezien? 6
Waarborgen om een goede participatie te bevorderen Als de uitgevoerde participatie niet voldoet aan beleidsregels kan dat het bevoegd gezag helpen om te motiveren dat de verrichte participatie onvoldoende is. Uiteindelijk zal uit de jurisprudentie moeten blijken wanneer er in welke gevallen sprake is van (on)voldoende participatie De wetgever biedt de gemeente wel instrumenten voor het waarborgen van een goede participatie door initiatiefnemers van aanvragen waarvoor door uw raad de participatie verplicht is gesteld. 1.
Buiten behandeling stellen van de aanvraag
Als participatie is verplicht gesteld dan bestaat de mogelijkheid voor ons college om bij indiening van de aanvraag te beoordelen of de aanvrager in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de uitgevoerde participatie. Dat zal gebeuren aan de hand van het verplichte eindverslag dat bij de aanvraag moet worden ingediend. Indien ons college van mening is dat de uitgevoerde participatie onvoldoende is geweest kunnen wij aanvrager nog éénmaal in de gelegenheid stellen om de gebreken aan de participatie te herstellen. Doet aanvrager dat niet of blijft de participatie onvoldoende dan kan ons college de aanvraag buiten behandeling stellen en niet verder in behandeling nemen. Tegen dat besluit staat voor aanvrager het rechtsmiddel van bezwaar en beroep open. 2.
Uitgebreide procedure
De Omgevingswet gaat standaard uit van de reguliere procedure. Ook de “zwaardere” buitenplanse afwijkingen vallen onder de reguliere procedure. De wet maakt de volgende uitzonderingen mogelijk c.q. schrijft de uitgebreide procedure in sommige situaties verplicht voor: Verplicht uitgebreide procedure: Bepaalde omgevingsvergunningen, los van de vraag of deze afwijken van het omgevingsplan (10.24 Ob). Dit zijn onder andere omgevingsvergunningen voor de volgende activiteiten: o Bepaalde rijksmonumentenactiviteiten, behalve als het gaat om bepaald archeologisch vooronderzoek. o Een milieubelastende activiteit die bestaat uit een IPPC-installatie of een Sevesoinrichting. Tenzij het gaat om een wijziging die geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu. o Een milieubelastende activiteit die bestaat uit een installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van een brandstof of een winningsafvalvoorziening. Tenzij het gaat om een wijziging die geen significante nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid of het milieu. o Bepaalde lozingsactiviteiten. o Een stortingsactiviteit op zee. o Een Natura 2000-activiteit.
Facultatief uitgebreide procedure mogelijk: a) Een aanvraag om een omgevingsvergunning, waarbij de aanvrager heeft verzocht of ingestemd met het toepassen van de uitgebreide procedure (16.65 lid 1 Ow); b) Bij omgevingsvergunningen die alleen met buitenplanse afwijking verleend kunnen worden (16.65 lid 4 en 5 Ow): bevoegdheid college “Het bevoegd gezag kan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bij besluit van toepassing verklaren op de voorbereiding van de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit: a. als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, en waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. b. Als toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, stelt het bevoegd gezag, voorafgaand aan het nemen van het besluit, de aanvrager in de gelegenheid zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.” Voorgenomen besluit college ten aanzien van toepassing uitgebreide procedure Indien ons college van mening is dat de verrichte participatie onvoldoende is geweest of als de onder a. genoemde situatie zich voordoet kan het te begrijpen zijn om in dat geval de uitgebreide procedure van toepassing te verklaren. Dat kan per geval door ons college bepaald worden. Aanvrager kan 7
tegen die beslissing zijn zienswijze kenbaar maken maar indien ons college van mening blijft dat een uitgebreide procedure noodzakelijk is dan kan aanvrager daartegen niet in bezwaar. De uitgebreide procedure komt niet in de plaats van de participatie die voorafgaand aan een aanvraag dient plaats te vinden maar biedt wel de gelegenheid om belanghebbenden hun zienwijze te laten uitbrengen tegen een ontwerp besluit dat ter inzage wordt gelegd. Ons college zal dan de ingediende zienswijzen beoordelen, de belangen afwegen en een definitief besluit op de aanvraag nemen.
8