B1. Jaarstukken 2025 Oudewater RAAD (D/26/230392)
Tekst van het document
Deze bijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van een mixpercentage van 70% loonindex en 30% prijsindex. In 2025 was de indexatie 4,3%, en voor 2026 zal dit 4,1% zijn. De financiële bijdrage is in 2024 structureel verhoogd met € 40.900 via de kadernota, waarin besloten is om de realisatie van het gezamenlijke 126 perspectief (IRP) vanuit Oudewater te ondersteunen. Indexatie hierop is ook 4,3% in 2025 en 4,1% in 2026. Belang van Oudewater Oudewater is onlosmakelijk onderdeel van de regio Utrecht, als het gaat om wonen, verplaatsen, werken en leven. Daarom is het in het belang van Oudewater om in regionaal verband te werken aan een gezonde, slimme en groene regio. Dat gebeurt aan de volgende bestuurstafels in het bestuurlijk netwerk U10: • Gezonde woon- en leefomgeving • Economische positionering • Klimaatneutrale regio • Duurzame bereikbaarheid • Groen en Landschap Financiële ontwikkelingen 2025 Voor het boekjaar 2025 is de indexatie van 4,3 % toegepast. Deze is ook toegepast op de financiële bijdrage aan de realisatie van het gezamenlijke perspectief (IRP - integraal ruimtelijk perspectief). De kosten voor de U10 en voor de uitvoering van het Integraal Ruimtelijk Perspectief zijn structureel onderdeel van de begroting van Oudewater. De indexatie voor 2026 zal 4,1% bedragen.
Inhoudelijke ontwikkelingen 2025 In de huidige collegeperiode tot dusver heeft de U10 uiteenlopende resultaten behaald waaronder: • Versnellingsafspraken woningbouw met middelen van het Rijk; • Afspraken regionaal bedrijventerrein Gaasperwaard; • Investeringen in OV, budget voor Merwedelijn; • Starten gebiedssamenwerking voorbeeldgebieden Groen Groeit Mee; • Middelen voor groenmaatregelen Utrechts Programma Landelijk Gebied; • IRP goed verwerkt in NOVEX Ontwikkelperspectieven en Uitvoeringsagenda's Rijk-MRU; • Ontwikkelstrategie Regiopoorten vastgesteld door Rijk-MRU; • Deel van de gezamenlijke opgave duurzame opwek (1,8TWh) gerealiseerd en regio brede ondersteuning op het gebied van opwek, warmte en netcongestie; • Duurzame borging regionaal energieloket en ondersteuning initiatieven van onderop. Risico's De netwerksamenwerking drijft op de inzet van de deelnemers en de urgentie van de onderwerpen. Als deelnemers zich niet inzetten (bijvoorbeeld omdat ze het belang er niet van inzien) is het rendement nihil. Het huidige samenwerkingsmodel heeft daarnaast als nadeel dat er een gebrek aan bestuurskracht wordt ervaren.
Om dit risico te verminderen wordt in de evaluatie een aantal maatregelen voorgesteld, waaronder het opstellen van een heldere MRU West Agenda, het aanpassen van werkwijzen rondom overleggen, het expliciteren van (bestuurlijke) rollen en het reduceren en bundelen van bestuurlijke overleggen. PARAGRAAF 7 GRONDBELEID Wat is het doel van deze paragraaf? Doel is om de stand van zaken van het grondbeleid van de gemeente Oudewater weer te geven en de relatie met grondexploitatie complexen. Wettelijk kader en gemeentelijk beleid De gemeente Oudewater werkt middels de Nota Grondbeleid Oudewater 2024. Het grondbedrijf is een belangrijk onderdeel van de financiële structuur van de gemeente Oudewater. Eén van haar taken betreft het voorzien in uitgeefbare bouwrijpe grond voor woningen, bedrijven, kantoren en voorzieningen. Het grondbedrijf is faciliterend aan het behalen van de beleidsdoelstellingen van de gemeente. Het grondbedrijf wordt gekenmerkt door de grote in- en uitgaande stromen van financiële middelen en langjarige projecten. Omdat gronden soms pas vele jaren na verwerving in ontwikkeling worden genomen, blijven de rentelasten op het geïnvesteerde vermogen van invloed op het rendement van het grondbedrijf, tot de gronden worden verkocht. In deze paragraaf worden de ontwikkelingen binnen de grondexploitatiecomplexen kort samengevat.
Vanaf nu wordt er jaarlijks een nadere uitgebreide toelichting op de complexen gegeven via het (niet openbare) Meerjarenperspectief Grondbedrijf (MPG). De gemeente voerde overwegend facilitair grondbeleid. Dit was vooral het gevolg van het feit dat Oudewater, onder andere door haar ligging in het Groene Hart, te maken heeft met een strak om de bebouwde kom gelegen rode contour. Buiten deze rode contour wa | s geen (woning)bouwontwikkeling toegestaan. Op basis van de provinciale structuurvisie/verordening is het nu echter mogelijk dat | – onder voorwaarden – de geheel of gedeeltelijk buiten de rode contour gelegen locaties mogen worden ontwikkeld. Statenland is zo’n soort locatie, voor deze locatie is begin 2026 een grondexploitatie geopend. Deze grondexploitatie komt niet terug in deze paragraaf aangezien de paragraaf betrekking heeft op 2025. Gezien de grondpositie en de ambities van de gemeente behoort voor deze locaties, op basis van de Nota Grondbeleid, actieve grondpolitiek tot de mogelijkheden. Naast de uitbreidingslocaties zijn er ook inbreidingslocaties in ontwikkeling of wordt de haalba | arheid ervan onderzocht. Voor de locaties waar de gemeente geen of beperkt grondeigendom heeft geldt dat de kosten in verband met grondexploitatie (zoals o.a. plankosten, planschade, aanleg voorzieningen) dienen te worden verhaald op de grondeigenaar/ontwikkelaar.
Het beleid hiervoor is in 2018 door de gemeenteraad vastgesteld in de Nota Kostenverhaal. Tevens zijn vanaf 2026 de volgende parameters (D/25/210477) vastgesteld: Interne rekenrente 1,00% Parameters grondexploitaties | 2026 | 2027 | 2028 e.v. Opbrengstenstijging Woningbouw betaalbaar | 3,50% | 2,50% | 2,00% Woningbouw vrije sector | 6,50% | 4,50% | 2,00% Woningbouw sociaal | 2,00% | 2,00% | 2,00% Commercieel (kantoren, bedrijven, winkels/horeca) | 2,00% | 2,00% | 2,00% 127 Maatschappelijk | 2,00% | 2,00% | 2,00% Kostenstijging Civieltechnische kosten | 3,50% | 3,00% | 2,00% Overige kosten | 4,50% | 3,00% | 2,00% Verkoopprijzen De woningprijzen stijgen in 2026 verder, maar het tempo ligt lager dan in 2025. Het woningaanbod neemt licht toe, onder meer door uitponding van huurwoningen, waardoor de druk op de koopmarkt iets afneemt, maar het structurele tekort blijft bestaan. Opvallend is dat grondgebonden woningen harder in prijs stijgen dan appartementen, doordat de vraag naar eengezinswoningen hoog blijft en het aanbod daarvan achterblijft. In randgebieden stijgen de prijzen relatief sterk, terwijl in de Randstad extra aanbod door uitponding de groei enigszins tempert, waardoor regionale prijsverschillen afnemen.
De betaalbaarheid staat blijvend onder druk: beleidsgrenzen (zoals de betaalbaarheidsgrens voor koop) en stijgende bouwkosten zorgen ervoor dat woningen kleiner worden en de vierkante meterprijs toeneemt. In de huursector blijft de krapte groot. Door de Wet betaalbare huur en fiscale druk zetten particuliere beleggers de uitponding voort, waardoor het aanbod in vooral het middenhuursegment verder krimpt en wachttijden en huurprijzen hoog blijven. Tegelijkertijd wordt de betaalbaarheid slechts beperkt verbeterd, ondanks maatregelen als de verruiming van de huurtoeslaggrenzen in 2026. Trends en ontwikkelingen vastgoed De vraag naar nieuwbouwwoningen blijft groot, maar de productie blijft achter bij de beleidsdoelstellingen, onder meer door vergunningenproblematiek, stikstofruimte, netcongestie en een stapeling van beleidsambities. Het aantal bouwstarts neemt wel toe, maar deze zijn vaker gebundeld in grotere projecten, terwijl de totale productie onvoldoende is om het tekort in te lopen. Nieuwbouwprijzen en bouwkosten stijgen door, maar in een gematigder tempo; door het hefboomeffect stijgen residuele grondwaarden in veel segmenten nog steeds. In de vrije sector neemt de grondwaarde sterker toe dan in de gereguleerde segmenten, terwijl de grondwaardestijging bij appartementen beperkt is door hogere bouwkosten en prijsdruk.
De bouw en infrasector kampt met aanhoudende personeelskrapte, wat leidt tot hogere loonkosten en een opwaartse druk op de bouw- en GWW kosten. Materiaalprijzen leken te stabiliseren begin 2026 in vergelijking met de voorgaande jaren, door recente ontwikkelingen in de wereld zijn materiaalprijzen (o.a. olie en gastekorten) weer onzeker. De GWW kosten blijven stijgen door cao loonsverhogingen en structurele capaciteitsproblemen, terwijl ook plankosten en VTU kosten toenemen door krapte op de arbeidsmarkt bij gemeenten en adviesbureaus en stijgende cao lonen tot en met 2027. In het commercieel vastgoed blijven de verschillen tussen top- en overige locaties groot. Voor bedrijfsruimte en logistiek vastgoed blijft de vraag hoog op toplocaties rond havens en knooppunten, wat zich vertaalt in stijgende grondprijzen, terwijl perifere locaties door overaanbod en economische onzekerheid te maken krijgen met druk op prijzen en oplopende leegstand. In de kantorenmarkt concentreert de vraag zich op duurzame en goed bereikbare toplocaties, waar schaarste leidt tot opwaartse druk op grondprijzen, terwijl overige locaties minder profiteren. De retailmarkt houdt stand dankzij de voorkeur voor fysiek winkelen in aantrekkelijke binnensteden, waar grondprijzen stijgen, terwijl minder onderscheidende winkelgebieden leegstand en stagnerende of dalende grondprijzen kennen.
De Europese Centrale Bank heeft na eerdere renteverlagingen de beleidsrente in 2025 tweemaal ongewijzigd gelaten, waardoor kortlopende rentes naar verwachting stabiel blijven in 2026, terwijl langlopende rentes beperkt stijgen. De hypotheekrentes bewegen binnen een beperkte bandbreedte rond het huidige niveau en bieden daarmee meer voorspelbaarheid voor kopers en beleggers. De inflatie in 128 129 Nederland blijft in 2026 weliswaar dalen ten opzichte van 2025, maar ligt hoger dan in de eurozone en blijft gevoed door diensteninflatie en loonstijgingen. (bron: Metafoor Outlook Grondexploitaties 2026). Uitgangspunt voor grondexploitaties Het startpunt van een grondexploitatie, formeel 'bouwgrond in exploitatie (BIE)' genoemd, is het raadsbesluit waarin het grondexploitatiecomplex wordt vastgesteld, inclusief de grondexploitatiebegroting. Vanaf dat moment wordt de grondexploitatie geopend en kunnen reeds geactiveerde kosten onder de immateriële vaste activa (IMVA) op de voorraadpositie bij onderhanden werk (bouwgronden in exploitatie) op de balans worden bijgeschreven. Dit betekent dat als er voorbereidingskosten zijn, deze bij de opening van de grondexploitatie worden beschouwd als gemaakte kosten (boekwaarde) binnen de betreffende grondexploitatie.
Om de risico's die gepaard gaan met langlopende projecten te beperken, is het uitgangspunt dat de looptijd van een grondexploitatie in beginsel maximaal 10 jaar bedraagt. Een langere looptijd is mogelijk, maar hiervoor moet een goede motivering zijn. Bij een langere looptijd zijn aanvullende beheersmaatregelen nodig. Toelichting per exploitatiegebied Tappersheul III en Statenland Per 1-1-2026 is er 1 complex in bewerking (BIE: bouwgrond in exploitatie), te weten Tappersheul III. In 2026 is wel middels een raadsbesluit een nieuwe grondexploitatie geopend, namelijk Statenland. Laatstgenoemde komt niet voor in deze paragraaf omdat deze in 2026 is geopend. In het navolgende overzicht is het geprognosticeerde resultaat van het in exploitatie genomen complex weergegeven over 2025. Bedragen x € 1.000 In exploitatie genomen gronden Boekwaarde Nog te maken kosten Nog te verwachten opbrengsten Verwacht exploitatie- resultaat Voor- ziening Verwacht expl.resultaat incl. voorz. Tappersheul III 4.913 4.180 11.057 -1.964 -1.964 Totaal 4.913 4.180 11.057 -1.964 -1.964 Grondexploitatie Tappersheul III Door de gemeenteraad is besloten dat het bedrijventerrein Tappersheul met 3 hectare mag uitbreiden. De voorbereidende werkzaamheden zijn hiervoor begin 2017 gestart. Inmiddels heeft het uitgiftebeleid vorm gekregen en is grond aangekocht voor de ontwikkeling en de omzoming.
Het beeldkwaliteitsplan is door de gemeenteraad in 2019 vastgesteld en het bestemmingsplan is in 2021 vastgesteld. Het financiële kader is de medio 2018 vastgestelde grondexploitatie. Deze grondexploitatie wordt jaarlijks herzien, zo ook per 1-1-2026 (boekwaarde per 31-12-2025). Er wordt uitgegaan van een exploitatieopzet met een voorlopige afsluitdatum van 31-12-2028. Met de ontwikkeling van Tappersheul III realiseert de gemeente Oudewater ruim 3 ha (netto) bedrijventerrein. Voor Tappersheul III is in de grondexploitatie een prijs voor industriegrond van € 313,02 (per 1-1-2026) gehanteerd. Deze prijs is gebaseerd op de exploitatieberekening (minimale m²-prijs) en de marktwaarde. In het kader van de grex Tappersheul III is de productie van bouwrijpe grond ten behoeve van bedrijven in uitvoering (bouwrijpmaken) en zijn reserveringsovereenkomsten aangegaan. Gronduitgifte wordt voorzien in 2027. 130 Op grond van de provinciale verordening geldt voor de gemeente de verplichting om bij uitbreiding ook het bestaande bedrijventerrein (Tappersheul I/II) te herstructureren. De gemeenteraad heeft uitgesproken het positieve resultaat (met een maximum van 2 miljoen) van de uitbreiding daarvoor te willen inzetten. Dit positieve resultaat bedraagt in de grondexploitatie per 1-1-2026 ca. € 1,96 miljoen.
Dat is een resultaatverbetering van € 0,41 miljoen ten opzichte van de grondexploitatie van een jaar eerder (per 1-1-2025). De belangrijkste oorzaak van het verbeterde resultaat is de aanpassing van de grondprijs (met terugwerkende kracht indexering toegepast) en het inrekenen van het werkelijke aantal m² uitgeefbaar (in de grondexploitatie per 1-1-2025 was nog uitgegaan van 3 ha uitgeefbaar, nu is op basis van de gemeten kavelmaten ruim 3,2 ha uitgeefbaar. Tegenover de toegenomen opbrengsten staan ook toegenomen kosten (onder andere door een nieuwe kredietraming). Voor grondexploitaties gelden risico’s. De kosten van verwerving, milieumaatregelen, bouw - en woonrijp maken en plankosten kunnen mee- of tegenvallen, de uitkomst van aanbestedingen is niet altijd voorspelbaar en de inkomsten uit – of het moment van – grondverkoop kunnen wijzigen door conjuncturele ontwikkelingen of wijzigende behoefte bij de afnemers. Een specifiek risico voor de grondexploitatie Tappersheul III is het risico dat de gecontracteerde afnemers (in reserveringsovereenkomsten) afhaken en uitwijken naar andere locaties. Dit kan mogelijk te maken hebben met een ander te duiden risico, namelijk netcongestie en het mogelijk niet verkrijgen van stroomaansluitingen van voldoende niveau.
Dit risico van netcongestie kan doorwerken in de grondprijs en/of kosten in verband met maatregelen of vertraging met zich meebrengen. De gemeente voorziet dit risico en om die reden wordt hard gewerkt aan het traject rondom de vergunningsaanvragen en huisnummerbesluiten wat nodig is om een stroomaanvraag te doen. Behalve netcongestie zijn ook de besluitvorming omtrent het zwembad en de skeelerbaan en (verlenging is verkregen) vertragingsrisico’s. Tegenover mogelijke tegenvallers staan potentiële meevallers en bijsturingsmogelijkheden. Te noemen in dit verband zijn het niet hoeven aanspreken van de post voor onvoorzien en het opgenomen budget voor planschade. Daarnaast is er nog een uitbreidingsmogelijkheid voor een van de kavels (extra uitgeefbaar). PARAGRAAF 8 WET OPEN OVERHEID Toelichting Woo De Wet open overheid (Woo) is op 1 mei 2022 in werking getreden en heeft de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vervangen. De Woo is bedoeld om overheden transparanter te maken en moet ervoor zorgen dat overheidsinformatie beter en makkelijker vindbaar is. Een onderdeel daarvan is de opdracht aan bestuursorganen om in de begroting en de jaarstukken aan te geven hoe rekening wordt gehouden met de bepalingen in de Woo. Woo-verzoeken Op grond van de Woo kan iedereen een verzoek om informatie indienen.
In 202 5 zijn er 45 Woo- verzoeken ontvangen, hiervan zijn er twaalf verzoeken van een veel-verzoeker. Deze 12 verzoeken zijn als 1 verzoek behandeld. Daarmee wordt het totaal behandelde verzoeken 34. Dit komt neer op een toename in verzoeken van 112,5% ten opzichte van 2024. 131 Ambitie In 2024 zijn de gemeentelijke ambities over de actieve openbaarmaking van de Woo bijgesteld. De gemeente heeft gekozen voor het ambitieniveau basis: de gemeente volgt bij het actief openbaar maken de wettelijke fasering. Openbaarmaking De staatssecretaris van BZK heeft in juni 2024 de Tweede Kamer geïnformeerd dat de invoering van de actieve openbaarmaking in vier tranches zal plaatsvinden. Aan iedere tranche zijn meerdere informatie - categorieën gekoppeld. De deadline voor de openbaarmaking van de informatiecategorieën van de eerste tranche was 1 november 2024. Vanaf deze datum maakt de gemeente de vereiste informatie volgens deze eerste tranche actief openbaar. Het ministerie van BZK heeft in een kamerbrief (16 februari 2026) meegedeeld dat de oplevering van de Generieke Woo Voorziening (GWV) is vertraagd. De planning van tranche 2 en de volgende tranches zal hierdoor worden aangepast. De vertraging van de GWV betekent niet dat actieve openbaarmaking stil komt te liggen.
De VNG adviseert gemeenten om door te gaan met het actief openbaar maken van informatie uit de Woo - informatiecategorieën via hun eigen kanalen, bijvoorbeeld via een eigen website. De gemeente Oudewater volgt dit advies en vanaf eind december 2025 worden Woo-besluiten op www.open.oudewater.nl gepubliceerd. Informatiehuishouding De wijze waarop er in de organisatie wordt omgegaan met informatie staat in direct verband met openbaarmaking. Waarbij informatiehuishouding de randvoorwaarden en orde schept van waaruit openbaarmaking kan plaatsvinden. De Woo is onderdeel van een breder p akket aan informatiewetgeving waaraan onze organisatie de komende jaren moet voldoen. Deze wetgeving geeft de aanzet tot een verdere digitalisering van onze dienstverlening en zijn van invloed op de gehele organisatie. In die context is het (toekomstige) team Interne Dienstverlening zich aan het transformeren waarbij het zich in toenemende mate richt op duurzaam informatiemanagement. 132 II.
JAARREKENING BALANS Activa Bedragen x € 1.000 Omschrijving | 2025 | 2024 Vaste Activa Immateriële Vaste Activa: - Kosten van onderzoek en ontwikkeling bepaald actief | 850 | 460 850 | 460 Materiële Vaste Activa: - economisch nut | 25.051 | 22.574 - economisch nut, dekking door heffing | 656 | 699 - maatschappelijk nut | 20.252 | 16.596 45.958 | 39.869 Financiële Vaste Activa (looptijd > 1 jaar): Kapitaalverstrekkingen: - deelnemingen | 72 | 72 - overige langlopende geldleningen | 350 | 350 - overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van | 46 | 49 één jaar of langer 467 | 471 Totaal Vaste Activa | 47.275 | 40.799 Vlottende activa Voorraden: - onderhanden werk | 4.913 | 4.191 Uitzettingen (looptijd <1 jaar): - vorderingen op openbare lichamen | 4.650 | 5.337 - uitzettingen Rijksschatkist | 1.550 | 2.925 - overige vorderingen | 436 | 135 6.636 | 8.397 Liquide middelen: - kassaldi | 4 | 6 - banken: saldi rekening courant | 251 | 222 255 | 228 Overlopende activa: Van Europese en Nederlandse overheidslichamen nog te ontvangen | 28 | 1.025 voorschotbedragen specifieke uitkeringen Overige nog te ontvangen bedragen en vooruitbetaalde | 1.155 | 1.597 bedragen die ten laste van volgende begrotingsjaren komen 1.182 | 2.622 Totaal Vlottende activa | 12.987 | 15.439 Totaal Vaste en vlottende activa | 60.262 | 56.238 Recht op verliescompensatie Vennootschapsbelasting | 0 | 0 133
Passiva Bedragen x € 1.000 Omschrijving | 2025 | 2024 Vaste Passiva Eigen vermogen: - algemene reserve | 8.703 | 7.806 - bestemmingsreserves | 4.183 | 2.360 - gerealiseerd resultaat | 1.969 | 2.090 14.855 | 12.256 Voorzieningen: - voor verplichtingen, verliezen en risico's | 796 | 863 - ter egalisatie van kosten | 1.150 | 1.401 - voor middelen derden waarvan de bestemming gebonden is | 6.366 | 5.620 8.311 | 7.884 Vaste schulden (looptijd >1 jaar): - onderhandse leningen van binnenlandse banken en overige financiële instellingen | 27.333 | 28.813 - waarborgsommen | 231 | 181 27.564 | 28.995 Totaal Vaste Passiva | 50.730 | 49.135 Vlottende passiva Netto-vlottende schulden (looptijd <1 jaar) - kasgeldleningen | 3.000 | 0 - overige schulden | 2.385 | 2.870 5.385 | 2.870 Overlopende passiva: - verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn opgebouwd en die | 2.591 | 2.568 in een volgend begrotingsjaar tot betaling komen - overige vooruitontvangen bedragen | 59 | 45 - de van Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen | 1.497 | 1.620 voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren 4.147 | 4.233 Totaal Vlottende Passiva | 9.532 | 7.103 Totaal Vaste en vlottende passiva | 60.262 | 56.238 Gewaarborgde geldleningen | 21.866 | 21.352 134 135 GRONDSLAGEN VOOR WAARDERING EN RESULTAATBEPALING Inleiding
De jaarrekening is opgesteld met inachtneming van de voorschriften zoals opgenomen in de Gemeentewet, het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en de verordening ex artikel 212 Gemeentewet, waarin door de gemeenteraad op 14 dece mber 2023 de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede de regels voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie zijn vastgesteld. Algemene grondslagen voor het opstellen van de jaarrekening De waardering van de activa en passiva en de bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van historische kosten. De activa en passiva worden opgenomen tegen nominale waarden, tenzij anders is vermeld. Algemene grondslagen voor de Rechtmatigheidsverantwoording De in de jaarrekening opgenomen rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld op basis van de kaders zoals besloten in de financiële verordening en op basis van de kadernota rechtmatigheid. Dat betekent dat: − De rechtmatigheidsverantwoording toeziet op de financiële rechtmatigheid van baten, lasten, balansmutaties, alsmede de baten en lasten inzake de specifieke uitkeringen op grond van art.
17 Financiële-verhoudingswet; − De financiële rechtmatigheid waaronder het voorwaardencriterium, het begrotingscriterium en het misbruik & oneigenlijk gebruik criterium omvat: Voor het voorwaardencriterium bestaat de norm uit het normenkader zoals op door de raad is vastgesteld; Voor het begrotingscriterium geldt dat alle overschrijdingen van lasten en investeringskredieten onrechtmatig zijn, waarbij voor een aantal scenario’s in de financiële verordening is beschreven wanneer deze overschrijdingen acceptabel zijn. Voor over - en onderscheidingen van baten, onderschrijdingen van lasten en onderschrijdingen van investeringskredieten geldt dat deze als onrechtmatig zijn aangemerkt indien ze niet tijdig aan de raad zijn gemeld. Hierbij is ook bepaald dat melding bij de jaarrekening ook tijdig is. Ten aanzien van het M&O criterium is de nota M&O beleid van onze organisatie leidend bij het voorkomen en opsporen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Omdat alleen bij misbruik sprake is van een onrechtmatigheid zijn eventuele gevallen van misbruik (mits cumulatief met andere fouten of onduidelijkheden boven de verantwoordingsgrens) opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. − De rechtmatigheidsverantwoording is opgesteld binnen de kaders van de kadernota rechtmatigheid 2024 van de Commissie BBV alsmede onze eigen financiële verordening.
VASTE ACTIVA Immateriële vaste activa De immateriële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met de afschrijvingskosten waarbij tevens duurzame waardeverminderingen onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking worden genomen. Eventuele van derden verkregen specifieke investeringsbijdragen worden in mindering gebracht op het geactiveerde bedrag (artikel 62 lid 2 BBV). Hierbij wordt de verkregen bijdrage als bate verantwoord. De afschrijving van de geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling vangt aan bij ingebruikneming van het gerelateerde materiële vaste activa. Immateriële activa zijn te onderscheiden in: kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen; kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; bijdragen aan activa in eigendom van derden. Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 136 er is sprake van een investering door een derde; de investering draagt bij aan de publieke taak; de derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen; de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft.
Materiële vaste activa Algemeen De materiële vaste activa zijn gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs verminderd met afschrijvingskosten en specifiek van derden ontvangen investeringsbijdragen en subsidies. Bij de waardering van vaste activa met een economisch nut wordt rekening gehouden met waardevermindering indien deze vermindering naar verwachting duurzaam is. Duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen. Materiële vaste activa kunnen worden onderscheiden in: Materiële vaste activa met een economisch nut; Materiële vaste activa met een economisch nut waarvoor een heffing kan worden geheven; Materiële vaste activa met een maatschappelijk nut. Afschrijvingen Afschrijvingen vinden lineair plaats met uitzondering van de afschrijvingen op gebouwen, grote kunstwerken en vaste activa die bijdragen aan het genereren van middelen/ tariefstellingen, hierop wordt volgens de annuitaire methode afgeschreven. De afschrijvingstermijnen per actief zijn vastgesteld door de gemeenteraad en vastgelegd volgens artikel 10 lid 2 van de financiële verordening Oudewater, als bijlage "afschrijvingstabel" in de programmabegroting.
In erfpacht uitgegeven gronden In erfpacht uitgegeven gronden worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, waarbij de uitgifteprijs van eerste uitgifte geldt als verkrijgingsprijs. Gronden in eeuwigdurende erfpacht worden gewaardeerd tegen registratiewaarde. Warme gronden Gronden welke verworven worden met het oog op gebiedsontwikkelingen die op langere termijn gaan spelen en waarvan op voorhand vaststaat dat deze als bouwgrond zullen gaan fungeren, maar waarvoor nog geen operationele grondexploitatie is vastgesteld, worden in de regel als ‘warme grond’ geduid. Deze gronden worden op de balans opgenomen onder de materiële vaste activa tegen verwervingskosten. Ingeval de gronden nog geen bestemming hebben gekregen als bouwgrond, bestaat de kans dat (tijdelijk) afwaardering moet plaatsvinden naar de waarde volgens de geldende bestemming. Aangezien het hierbij gaat om een naar verwachting tijdelijke en niet duurzame waardevermindering, mag - onder voorwaarden - bij de waardering worden uitgegaan van de grond tegen toekomstige bestemming in plaats van de huidige bestemming. Opgemerkt zij nog dat fiscaal gezien de ‘warme’ gronden in beginsel vanaf het moment van verwerven voor de VPB vallen binnen de onderneming ter zake van de gemeentelijke grondexploitaties.
Financiële vaste activa De onder de financiële vaste activa afzonderlijk opgenomen : a) kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen en b) (overige) leningen u/g en c) (overige) uitzettingen zijn – tenzij hierna anders is vermeld – opgenomen tegen nominale waarde. Zo nodig is een voorziening voor verwachte oninbaarheid in mindering gebracht. Participaties in het aandelenkapitaal van een NV of BV zijn gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs van de aandelen waarbij afwaardering zal plaatsvinden indien de waarde van de aandelen structureel daalt tot onder de verkrijgingsprijs (lagere marktwaarde). Tot dusver is een dergelijke afwaardering niet noodzakelijk gebleken. De actuele waarde ligt ruim boven de verkrijgingsprijs. De onder financiële vaste activa opgenomen leningen verstrekt aan derden zijn gewaardeerd tegen de nominale waarde. 137 Afschrijvingen en activeringsgrens De afschrijvingstermijnen en de wijze van afschrijving van investeringen zijn vastgelegd in de Financiële Verordening 2025 waarbij de activeringsgrens voor investeringen is vastgesteld op € 20.000. Activa met een investeringsbedrag kleiner of gelijk aan € 20.000 wordt niet geactiveerd maar in één keer ten laste van de exploitatie gebracht. Uitzondering hierop zijn gronden en terreinen, die altijd worden geactiveerd maar waarop niet wordt afgeschreven.
De afschrijvingstermijnen van activa die zijn vervaardigd of verkregen voor 1 januari 2013 kunnen afwijken van de termijnen die conform de Financiële Verordening 2025 worden gehanteerd. Deze objecten worden niet met terugwerkende kracht aangepast, maar zullen aflopen volgens de oude termijn. Op de vaste activa wordt volgens de lineaire methode afgeschreven. Uitzonderingen hierop (kunnen) zijn: gebouwen; grote kunstwerken; vaste activa die bijdragen aan het genereren van middelen/tariefstellingen, zoals bijvoorbeeld parkeergarage en afvalstoffenheffing. Hierop wordt volgens de annuïtaire methode afgeschreven. Het college kan, indien er een gegronde reden voor is, in individuele gevallen afwijken van de afschrijvingstabel en legt hierover achteraf verantwoording af aan de raad (hardheidsclausule). Hierbij dient echter wel rekening te worden gehouden met de mogelijkheden die het BBV en overige relevante wetgeving bieden. Investeringen (met uitzondering van gronden) worden afgeschreven op basis van de verwachte gebruiksduur, waarbij geen rekening wordt gehouden met een eventuele restwaarde. De afschrijving vangt aan in het jaar volgend op het jaar waarin de investering gereed is gekomen of het actief is aangeschaft.
VLOTTENDE ACTIVA Voorraden grond- en hulpstoffen Grond- en hulpstoffen en gereed product en handelsgoederen worden gewaardeerd tegen de verkrijgings - of vervaardigingsprijs. Indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs worden de grond- en hulpstoffen tegen deze lagere marktwaarde gewaardeerd. Voorraden onderhanden werk (bouwgronden in exploitatie) Het startpunt van een grondexploitatie is het raadsbesluit met de vaststelling van het complex, inclusief grondexploitatiebegroting. Vanaf dat moment wordt de grondexploitatie geopend en kunnen vervaardigingskosten worden geactiveerd. De bouwgronden in exploitatie zijn opgenomen tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs, verminderd met de opbrengst wegens verkopen. Indien de boekwaarde de marktwaarde van de grond op balansdatum overschrijdt, wordt een afwaardering naar de lagere marktwaarde verantwoord waarbij een voorziening wordt getroffen voor het verwachte negatieve resultaat. De vervaardigingsprijs bestaat uit de kosten van aanschaf van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten (limitatief opgesomd in de kostensoortenlijst zoals opgenomen artikel 6.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening) die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend.
In de vervaardigingsprijs wordt daarnaast een redelijk deel van de indirecte kosten opgenomen en is de werkelijk over vreemd vermogen betaalde rente over het boekjaar toegerekend. De rente is toegerekend over de boekwaarde van de grondexploitatie per 1 januari van het betreffende boekjaar. De notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken (commissie BBV 2023) geeft aan dat bij tussentijdse winstneming de percentage of completion methode dient te worden gevolgd. Hierbij geldt dat voor zover gronden zijn verkocht en opbrengsten zijn gerealiseerd tussentijds naar rato van de voortgang van de kosten en de opbrengsten winst moet worden genomen. Het realisatiebeginsel bepaalt dat als aan die voorwaarden wordt voldaan de winst dient te worden genomen. 138 De disconteringsvoet die is gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties is voor alle gemeenten gelijk gesteld aan het maximale meerjarig streefpercentage van de Europese Centrale Bank voor de inflatie binnen de Eurozone. In 2025 betreft dit 2% (2017 t/m 2024: 2%). Toekomstige bouwgrond (voorheen ‘Niet in exploitatie genomen gronden') Grond die een vaste bestemming heeft en niet in een transformatieproces zit, wordt opgenomen onder de materiële vaste activa.
Dit geldt ook voor gronden die anticiperend en strategisch zijn aangekocht, maar waarbij (nog) geen sprake is van een raadsbesluit met de vaststelling van het grondexploitatiecomplex, inclusief grondexploitatiebegroting. De voorraadcategorie ‘Niet in exploitatie genomen gronden’ bestaat niet meer met ingang van 1 januari 2016. Toekomstige bouwgronden zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs dan wel lagere marktwaarde en overeenkomstig de gestelde eisen zoals genoemd in de notitie Grondbeleid in begroting en jaarstukken (cie. BBV 2023). Er wordt geen rente bijgeschreven op de boekwaarde van deze voorraden. Vorderingen Vorderingen zijn - onder aftrek van eventuele voorzieningen voor oninbaarheid - gewaardeerd tegen de nominale waarde. Onderscheid wordt gemaakt tussen vorderingen op overheidslichamen en overige vorderingen. Voorzieningen voor oninbaarheid In artikel 10 van de Financiële verordening ex art 212 Gemeentewet is opgenomen dat een voorziening voor oninbaarheid voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt gevormd op basis van een individuele beoordeling op oninbaarheid van de openstaande vorderingen.
Bij openstaande vorderingen betreffende OZB, precariobelasting, hondenbelasting, parkeerbelasting, rioolheffing, afvalstoffenheffing en bijstandsverstrekking wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historisch percentage van oninbaarheid. Liquide middelen De liquide middelen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde en bestaan uit kas - en banksaldi. Overlopende activa De overlopende activa worden tegen nominale waarde opgenomen. In de balans worden onder de overlopende activa afzonderlijk opgenomen: de van Europese en Nederlandse overheidslichamen nog te ontvangen voorschotbedragen die ontstaan door voorfinanciering op uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel; overige nog te ontvangen bedragen en vooruitbetaalde bedragen die ten laste van volgende begrotingsjaren komen. VASTE PASSIVA Eigen vermogen In de balans worden het eigen vermogen onderscheiden naar: de algemene reserve; de bestemmingsreserves; het gerealiseerde resultaat volgend uit het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening. Bestemmingsreserves worden gevormd conform de door de raad genomen besluiten. Dit geldt eveneens voor de toevoegingen en onttrekkingen m.b.t. reserves. Belangrijke afwijkingen zijn vermeld in de toelichting op de balans. Bestemmingsreserves zijn de voor een specifiek doel afgezonderde bestanddelen van het eigen vermogen.
Binnen de gemeente Oudewater wordt geen rente toegerekend of onttrokken aan de reserves. Voorzieningen Voorzieningen worden gevormd indien er sprake is van: 139 Verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten; Op de balansdatum bestaande risico’s m.b.t. bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten; Kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren; Bijdragen (spaarcomponent) aan toekomstige vervangingsinvesteringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing wordt geheven; Middelen verkregen van derden, die specifiek besteed moeten worden, met uitzondering van de voorschotbedragen verkregen van Europese en Nederlandse overheidslichamen met een specifiek bestedingsdoel, die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren. Voorzieningen worden gevormd tegen nominale of contante waarde van het bedrag van de betrokken verplichting c.q. het voorzienbare verlies. Het is niet toegestaan rente aan voorzieningen toe te voegen. Voorzieningen mogen ook tegen contante waarde worden gewaardeerd.
Met uitzondering van de disconteringsvoet voor grondexploitaties, kent het BBV geen voorschriften voor de bepaling van de disconteringsvoet voor voorzieningen die tegen contante waarde worden gewaardeerd. Wel wordt er voor bijvoorbeeld de pensioenvoorzieningen landelijk gebruik gemaakt van de door de DNB vastgestelde rentetermijnstructuur pensioenfondsen. Voor arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van een jaarlijks vergelijkbaar volume is geen voorziening getroffen of op andere wijze een verplichting opgenomen. De referentieperiode is gelijk aan die van de meerjarenraming en bedraagt vier jaar. Bij (éénmalige) schokeffecten, bijvoorbeeld als gevolg van een reorganisatie wordt een voorziening voor hieruit voortvloeiende verplichtingen opgenomen. De voorziening pensioenverplichtingen wethouders bestond tot en met 2020 uit de verplichtingen aan wethouders en gewezen wethouders welke op 1 januari 2014 de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hadden bereikt. De voorziening pensioenverplichtingen wethouders omvat met ingang van 2022 de contante waarde van alle pensioenverplichtingen van (gewezen) wethouders. Vaste schulden Onder de vaste schulden zijn begrepen de schulden met een oorspronkelijke looptijd van een jaar of langer. Vaste schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde (hoofdsom) verminderd met verrichte aflossingen.
VLOTTENDE PASSIVA De waardering van de vlottende passiva geschiedt op nominale op nominale waarde. Wanneer hiervan wordt afgeweken is dit in de toelichting bij de desbetreffende post vermeld. Onder de vlottende passiva worden afzonderlijk opgenomen de netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan een jaar en de overlopende passiva. Netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan één jaar De netto-vlottende schulden met een rentetypische looptijd korter dan één jaar zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. Het betreft: • Kasgeldleningen aangegaan bij openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de wet Financiering decentrale overheden; • Overige kasgeldleningen; • Banksaldi; • Overige schulden. Overlopende passiva In de balans worden onder de overlopende passiva afzonderlijk opgenomen (artikel 49 BBV): 140 a) verplichtingen die in het begrotingsjaar zijn opgebouwd en die in een volgend begrotingsjaar tot betaling komen, met uitzondering van jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume; b) de van de Europese en Nederlandse overheidslichamen ontvangen voorschotbedragen voor uitkeringen met een specifiek bestedingsdoel die dienen ter dekking van lasten van volgende begrotingsjaren; c) overige vooruit ontvangen bedragen die ten bate van volgende begrotingsjaren komen.
Borg- en garantstellingen Voor zover leningen door de gemeente gewaarborgd zijn, is buiten telling het totaalbedrag van de geborgde schuldrestanten per einde boekjaar opgenomen. Overigens is in de toelichting op de balans nadere informatie opgenomen. Niet uit de balans blijkende verplichtingen Alle niet uit de balans blijkende verplichtingen zijn gewaardeerd tegen nominale waarde. GRONDSLAGEN VOOR DE RESULTAATBEPALING Algemeen De bepaling van het resultaat vindt plaats op basis van de historische kosten. De jaarrekening wordt opgesteld op basis van het stelsel van baten en lasten. Dit betekent dat lasten en baten zijn toegerekend aan het jaar waarop ze betrekking hebben. Het moment van betaling of ontvangst van het geld is daarbij niet van belang. Alle lasten en baten die betrekking hebben op het boekjaar en ten tijde van het opstellen van de jaarrekening bekend zijn, zijn in het boekjaar verwerkt. Lasten en verliezen Verliezen en risico’s die hun oorsprong vinden voor het einde van het boekjaar zijn in acht genomen, indien zij voor het opmaken van de jaarrekening bekend zijn geworden. Personeelslasten zijn in beginsel toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Uitzondering hierop vormen de lasten m.b.t. jaarlijks terugkerende arbeidskosten-gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume.
Doordat hiervoor geen voorzieningen of schulden mogen worden getroffen, zijn deze personeelsla sten toegerekend aan het boekjaar waarin de uitbetaling plaatsvindt. Personeelslasten Personeelslasten worden in principe toegerekend aan het boekjaar waarop ze betrekking hebben. Als gevolg van het formele verbod op het opnemen van voorzieningen c.q. schulden m.b.t. jaarlijks terugkerende arbeidskosten-gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume, worden sommige personele lasten echter toegerekend aan de periode waarin uitbetaling plaatsvindt. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan ziektekostenpremies. Baten en winsten Baten en winsten zijn slechts genomen voor zover zij op balansdatum zijn gerealiseerd. Dividendopbrengsten van deelnemingen zijn als baten genomen op het moment waarop het dividend betaalbaar is gesteld. De betaalbaarstelling heeft gewoonlijk betrekking op het dividend over het voorgaande jaar. Resultaatbestemming Conform het BBV worden de mutaties in de reserves, zowel bij de begroting als de rekening, separaat verantwoord. Het jaarrekeningresultaat is hierdoor zowel vóór als na bestemming inzichtelijk. Rente boekwaarde investeringen Over de boekwaarde per 1 januari van een actief wordt – onverschillig of dat voltooid is of niet – omslagrente berekend.
Indien projectfinanciering is toegepast, wordt het rentepercentage van de projectfinanciering toegepast. Algemene uitkering De commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat de algemene uitkering in de jaarrekening wordt opgenomen conform de in het jaar laatst gepubliceerde accresmededeling, die doorgaans is opgenomen in de septembercirculaire van dat boekjaar. Vennootschapsbelasting Vanaf 2016 moeten gemeenten en andere publiekrechtelijke rechtspersonen vennootschapsbelasting (VPB) betalen over de winst die ze met hun ondernemingsactiviteiten maken. De VPB moet jaarlijks worden bepaald op basis van de fiscale grondslag. Hierin zijn de | standpunten van de Belastingdienst betreffende het wel of niet in aanmerking mogen nemen van baten en lasten voor de fiscale winstbepaling van belang. Op grond van deze standpunten dient allereerst bepaald te worden of de gemeente m | et haar activiteiten door de ‘ondernemerspoort’ gaat. Met de kennis bij het opstellen van deze jaarrekening is de gemeente van mening niet door de ‘ondernemerspoort’ te gaan met haar activiteiten, met uitzondering van de opbrengsten uit de verkoop van gronden (vanaf 2023) en rendement verkoop van reststoffen, afkomstig uit huishoudelijk afval.
TOELICHTING BALANS VASTE ACTIVA Het totaal van vaste activa wordt in onderstaande overzichten toegelicht: Immateriële vaste activa Dit betreft investeringen voor onderzoek en ontwikkeling die tot de realisatie van een actief zullen leiden en het betreft de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen. Daarnaast betreft dit bijdragen aan activa in eigendom van derden. Bedragen x € 1.000 Immateriële vaste activa | Saldo | Investering/ | Afwaardering | Bijdragen | Afschrijving/ | Saldo 1-1-2025 | mutaties | tbv grex | van derden | aflossing | 31-12-2025 Kosten onderz.en ontw.voor een bep.actief | 460 | 390 | 850 Totaal Immateriële vaste activa | 460 | 390 | 0 | 0 | 0 | 850 De investeringen betreffen: - Statenland | 112 | 158 | 271 - Gebiedsontwikkeling Kerkwetering | 347 | 232 | 579 460 | 390 | 850 Indien voorbereidingskosten voor grondexploitaties als kosten van onderzoek en ontwikkeling worden geactiveerd, moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: • | De kosten passen binnen de kostensoortenlijst (artikel 6.2.4) van het Bro. • | De kosten blijven maximaal vijf jaar geactiveerd staan onder de immateriële vaste activa. Na maximaal vijf jaar hebben de kosten geleid tot een actieve grondexploitatie of worden deze afgeboekt ten laste van het jaarresultaat.
• | Plannen tot ontwikkeling van de grond waarvoor de voorbereidingskosten worden gemaakt, hebben bestuurlijke instemming, blijkend uit een raads- of - indien gedelegeerd - collegebesluit. De mutaties betreffen toekomstige grondexploitaties. Materiële vaste activa Investeringen met economisch nut Investeringen met economisch nut zijn investeringen die verhandelbaar zijn en/of (direct of indirect) opbrengsten genereren. Hieronder vallen ook investeringen die niet verhandelbaar zijn, maar waarvoor een kostendekkende heffing kan worden opgelegd, zoals rioleringsvoorzieningen. 141 Investeringen met maatschappelijk nut Investeringen met een maatschappelijk nut betreffen investeringen die geen directe opbrengsten genereren en niet verhandelbaar zijn. Dit betreffen voornamelijk investeringen in de openbare ruimte.
Bedragen x € 1.000 Materiële vaste activa | Saldo Investering/ Desinvestering/ | Bijdragen Afschrijving/ | Waarde- | Saldo 1-1-2025 | mutaties | vermindering | van | Aflossing correcties 31-12-2025 derden Economisch nut Gronden en terreinen | 2.251 | 2.251 Woonruimten | 882 | 68 | 814 Bedrijfsgebouwen | 8.412 | 49 | 49 | 278 | 8.134 Machines, apparaten en installaties | 218 | 114 | 18 | 313 Vervoermiddelen | 34 | 194 | 228 Grond-, wegen- en waterbouwkundige werken | 10.548 | 2.729 | 39 | 217 | 13.020 Overige materiële vaste activa | 229 | 87 | 27 | 290 subtotaal Economisch nut | 22.574 | 3.173 | 0 | 89 | 607 | 0 | 25.051 Economisch nut dekking door heffing Afvalinvesteringen | 699 | 11 | 55 | 656 Maatschappelijk nut Grond-, wegen- en waterbouwkundige werken | 16.596 | 4.021 | 364 | 20.252 Totaal materiële vaste activa | 39.869 | 7.205 | 0 | 89 | 1.026 | 0 | 45.958 De belangrijkste investeringen (> 100.000) betreffen: Vervanging wegen Brede Dijk 2021 | 1.531 (gefas.activeren) Vervanging riool Brede Dijk 2021 | 1.152 Overname openbare verlichting Citytec 2025 | 973 Hoenkoopsebrug (renovatie) | 419 Drukriolering elektronisch deel 2024 | 364 Masterplan binnenstad tranche 5 2023 | 312 Vervangen kademuren en gemetselde bruggen | 296 2025 Vervanging 2e kunstgrasveld Markveld 2025 | 275 Masterplan binnenstad 2023 (bovengronds | 259 Gasplein) Drukriolering electronisch deel 2023 | 180
Masterplan binnenstad tranche 2021 | 132 bovengronds Duikers en NVO 2022 | 118 Openbare verlichting masten Brede Dijk 2023 | 102 Masterplan binnenstad 4e tranche 2022 | 100 Totaal | 6.214 Zowel de annuïtaire als de lineaire afschrijvingsmethode is toegepast. Gronden uitgegeven in erfpacht: Conform art. 35 lid 2 BBV dient afzonderlijk te zijn opgenomen welke gronden in erfpacht zijn uitgegeven. De gemeente Oudewater heeft geen gronden die in erfpacht zijn uitgegeven. 142 Financiële vaste activa (looptijd >1 jaar) Bedragen x € 1.000 Financiële vaste activa | Saldo | verstrekking | aflossing | afwaardering | Saldo 1-1-2025 | 31-12-2025 Aandelen Bank Nederlandse Gemeenten | 69 | 69 Aandelen Vitens | 2 | 2 Totaal kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen | 72 | 0 | 0 | 72 Nieuwbouw scouting | 140 | 140 Voorziening renteloze leningen | -140 | -140 Startersleningen via SVN | 350 | 350 Totaal Overig langlopende leningen u/g | 350 | 0 | 0 | 0 | 350 BBZ bedrijfskrediet | 1 | 0 | 1 Verstrekte krediethypotheken Ferm Werk | 47 | 3 | 44 Verstrekte Tozo bedrijfskredieten Ferm Werk | 1 | 1 | 0 Totaal ov uitzettingen rentetypische looptijd van ≥ 1 jaar | 49 | 0 | 4 | 0 | 45 Totaal Financiële vaste activa | 470 | 0 | 4 | 0 | 467 De aandelen zijn gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, eventueel verminderd met terugbetaling van kapitaal.
De gemeente Oudewater heeft 27.612 aandelen Bank Nederlandse Gemeenten ad. € 2,50 nominaal en 9.199 aandelen Vitens ad. € 1,00 nominaal. Deze aantallen zijn in 2025 niet gewijzigd. Toelichting overige langlopende leningen u/g Indien de jaarrekeningen van de stichtingen daartoe aanleiding geven vindt op verzoek van de geldgever gehele of gedeeltelijke aflossing van de leningen plaats. Voor het risico van het niet aflossen van de renteloze leningen is in 2022 een voorziening getroffen. De voorziening is € 140.000 voor nieuwbouw scouting. De reservering voor startersleningen is € 350.000. Naast deze reservering is een besluit geweest dat er nog € 150.000 uit de Algemene Reserve extra wordt gelabeld voor de startersleningen. Toelichting verstrekte kredieten Ferm Werk Dit betreft kredieten die door Ferm Werk zijn verstrekt aan bedrijven. VLOTTENDE ACTIVA Het totaal van vlottende activa wordt in onderstaande overzichten toegelicht: De gronden die in exploitatie zijn genomen (BIE) worden gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs, vermeerderd met de toegerekende algemene beheerskosten en verminderd met gerealiseerde verkopen. Voor de nog te verwachten opbrengsten en kosten en de gehanteerde parameters wordt verwezen naar de paragraaf Grondbeleid.
143 Voorraden (bedragen x € 1.000) Onderhanden werk | Saldo | Vermeer- | Vermin- | Resultaat | Saldo 1-1-2025 | deringen | deringen | 31-12-2025 Industrieterrein Tappersheul III | 4.191 | 1.444 | 722 | 4.913 Totaal onderhanden werken grondexploitatie | 4.191 | 1.444 | 722 | 0 | 4.913 Uitzettingen (looptijd <1 jaar) Bedragen x € 1.000 Uitzettingen looptijd < 1 jaar | 1-1-2025 | 31-12-2025 Vorderingen op openbare lichamen | 5.292 | 4.650 Ministerie van Financiën (schatkistbankieren) | 2.925 | 1.550 Overige vorderingen | 177 | 436 Totaal | 8.394 | 6.636 Bedragen x € 1.000 Overige vorderingen | 1-1-2025 | 31-12-2025 Debiteuren algemeen | 109 | 328 Debiteuren belastingen | 48 | 63 Voorziening dubieuze debiteuren | -22 | -7 Debiteuren Ferm Werk | 94 | 95 Voorziening debiteuren Ferm Werk | -51 | -57 Overig | -1 | 13 Totaal | 177 | 436 Het saldo van de 'vorderingen op openbare lichamen' bestaat voornamelijk uit een vordering op de Belastingdienst inzake het btw-compensatiefonds. Voor een nadere toelichting m.b.t. de vordering op het ministerie van Financiën over het saldo schatkistbankieren wordt verwezen naar de paragraaf Financiering. In de overige vorderingen is een voorziening voor dubieuze debiteuren opgenomen, dit betreft een schatting van de vorderingen waarvan de verwachting is dat deze niet zullen worden voldaan.
De debiteuren Ferm Werk hebben betrekking op de vorderingen die bij Ferm Werk in de jaarrekening zijn opgenomen. Voor een groot gedeelte van deze vorderingen is een voorziening opgenomen, omdat verwacht wordt dat deze niet zullen worden voldaan. Liquide middelen Dit betreft tegoeden bij de BNG en kasgeld. Bedragen x € 1.000 Liquide middelen | 1-1-2025 | 31-12-2025 Kassaldo | 6 | 4 Banken, saldi rekening courant | 221 | 251 Kruisposten | 1 | 0 Totaal | 228 | 255 Overlopende activa 144 Bedragen x € 1.000 Overige nog te ontvangen bedragen en vooruitbetaalde bedragen die | 1-1-2025 31-12-2025 ten laste van volgende begrotingsjaren komen Van Europese en Nederlandse overheidslichamen nog te ontvangen voorschotbedragen specifieke uitkeringen: Europese overheidslichamen Het Rijk | 970 | 78 Overige Nederlandse overheidslichamen | 55 | -50 Overige nog te ontvangen bedragen | 1.308 | 900 Overige vooruitbetaalde bedragen | 289 | 255 Totaal | 2.622 | 1.182 Bedragen x € 1.000 Europese en Nederlandse overheidslichamen nog te onvangen voorschotbedragen specifieke | Saldo bij | af | Saldo uitkeringen | 1-1-2025 | 31-12-2025 Min Justitie en Veiligheid, Oekraine normbedrag POO | 0 | 0 Belastingdienst, bijdrage toeslagenaffaire | 5 | 5 Ministerie vordering kwijtschelding kinderopv.
Toeslag | 5 | 5 Bijdrage hulp gedupeerden toeslagenproblematiek | 12 | 12 | 0 Provincie Utrecht, subsidie versnelling woningbouw | 50 | 50 | 0 Min.Justitie en Veiligheid, opvang ontheemden Oekraine | 953 17 | 953 | 17 Totaal | 1.025 17 | 1.015 | 28 De "nog te ontvangen dienstjaar overstijgende posten" hebben betrekking op afrekeningen van leveranciers die pas in 2026 definitief zullen gaan worden, maar ten gunste van boekjaar 2025 moeten komen. De vooruitbetaalde bedragen betreffen facturen die betaald zijn in 2025 waarvan de lasten betrekking hebben op 2026. TOTAAL VLOTTENDE ACTIVA VASTE FINANCIERINGSMIDDELEN Het totaal van vaste financieringsmiddelen wordt in onderstaande overzichten toegelicht: 145 Eigen vermogen Bedragen x € 1.000 Saldo | Bestemming res.
| Dotaties | Onttrekkingen | Saldo 1-1-2025 | vorig dienstjaar | 31-12-2025 Algemene reserve Algemene reserve | 7.806 | 0 | 3.813 | 2.917 | 8.703 Totaal algemene reserve | 7.806 | 0 | 3.813 | 2.917 | 8.703 Bestemmingsreserves Investeringen speeltoestellen | 179 | 20 | 16 | 183 Sociaal Domein | 450 | 450 Parkeren | 150 | 40 | 15 | 175 Wegen | 884 | 884 Onderhoud gemeentelijk vastgoed | 26 | 26 | 0 Civiele kunstwerken | 48 | 10 | 38 Rekenkamercommissie | 32 | 32 Budgetoverhevelingen | 562 | 560 | 562 | 560 TOZO | 29 | 29 De Klepper | 0 | 1.832 | 1.832 Totaal bestemmingsreserves | 2.360 | 0 | 2.452 | 629 | 4.183 Gerealiseerd resultaat 2024 | 2.090 | -2.090 | 0 Resultaat 2025 | 1.969 | 1.969 Totaal eigen vermogen | 12.256 | -2.090 | 8.234 | 3.546 | 14.855 Algemene reserve Deze reserve is primair beschikbaar als buffer voor het opvangen van risico's. Daarnaast kent de Algemene reserve een vrij voor de raad beschikbaar gedeelte. Het moet in principe eenmalige zaken betreffen en geen vervangingen en terugkerende aangelegenheden. Aan deze reserve wordt in principe ook het saldo van de jaarrekening toegevoegd of onttrokken. Daarnaast bestaan de toevoegingen uit incidentele opbrengsten, zoals bijvoorbeeld de verkoop van percelen grond die niet in de grondexploitaties zijn opgenomen. In de jaarrekening 2025 is de resultaatbestemming jaarrekening 2024 opgenomen als toevoeging.
Bestemmingsreserves De gemeente Oudewater heeft enkele bestemmingsreserve, welke onderstaand worden toegelicht. Investeringen speeltoestellen De vervanging van bestaande speeltoestellen wordt conform het BBV geactiveerd en afgeschreven, waarbij de kapitaallasten ten laste van deze reserve worden gebracht. Het betreft uitsluitend de vervanging van bestaande speeltoestellen en niet de uitbreiding | daarvan. Jaarlijks wordt een bedrag van € 20.000 aan deze reserve toegevoegd. De kapitaallasten voor de vervanging van bestaande speeltoestellen wordt onttrokken. Reserve Sociaal domein In 2025 hebben zich geen mutaties voorgedaan in deze reserve, waardoor het saldo ongewijzigd is gebleven. Reserve Parkeren De reserve Parkeren wordt gevoed door bijdragen die worden ontvangen bij de realisatie van wooneenheden zonder parkeerplaatsen in de binnenstad. De middelen worden ingezet voor het realiseren van parkeervoorzieningen ten behoeve van de binnenstad. 146 De dotaties en onttrekkingen in 2025 zijn conform het raadsbesluit bij de Najaarsrapportage 2025 (D/25/200757). Reserve Wegen In 2025 hebben zich geen mutaties voorgedaan in deze reserve, waardoor het saldo ongewijzigd is gebleven. Reserve Onderhoud gemeentelijk vastgoed Voor het onderhoud van het gemeentelijk vastgoed is een voorziening gevormd.
Ten laste van deze reserve worden nu alleen nog de noodzakelijke kosten gebracht van de panden die op de nominatie staan om te worden afgestoten. Reserve Civiele kunstwerken In de begroting 2025 is een onttrekking van € 10.000 geraamd voor het uitvoeren van een verhoogd inspectie- en monitoringsregime.. De werkelijke onttrekking in 2025 is conform begroting gerealiseerd. Reserve Rekenkamercommissie In 2025 hebben zich geen mutaties voorgedaan in deze reserve, waardoor het saldo ongewijzigd is gebleven. Reserve Budgetoverhevelingen De reserve budgetoverhevelingen wordt gebruikt voor het overhevelen van niet | -bestede budgetten tussen begrotingsjaren, conform besluitvorming door de gemeenteraad. De dotaties en onttrekkingen in 2025 zijn in lijn met de door de raad vastgestelde besluiten bij de Najaarsrapportages 2024 en 2025 (D/24/157649 en D/25/200757). Reserve TOZO In 2025 hebben zich geen mutaties voorgedaan in deze reserve, waardoor het saldo ongewijzigd is gebleven. Reserve De Klepper De reserve De Klepper is ingesteld bij de vaststelling van de jaarstukken 2024. De reserve dient ter dekking van de lasten die samenhangen met de transitie van het Stadskantoor naar De Klepper (inclusief lasten voor Cultuurhuis en Parochiehuis).
Vreemd vermogen Bedragen x € 1.000 Voorzieningen | Saldo Dotaties Onttrekkingen | Vrijval | Saldo 1-1-2025 | voorzieningen 31-12-2025 Wethouderspensioenen | 743 | 5 | 747 Wethouders wachtgeld | 121 | 72 | 49 Totaal voorzieningen voor verplichtingen, verliezen en risico's | 863 | 5 | 72 | 0 | 796 Baggeren | 176 | 176 Onderhoud Vastgoed | 1.225 | 167 | 418 | 973 Totaal voorzieningen ter egalisatie van kosten | 1.401 | 167 | 418 | 0 | 1.150 Afvalstoffenheffing | 382 | 106 | 487 Rioleringen | 5.238 | 640 | 5.878 Totaal voorzieningen voor middelen derden waarvan de bestemming | 5.620 | 746 | 0 | 0 | 6.366 gebonden is Totaal Voorzieningen | 7.884 | 917 | 490 | 0 | 8.311 Voorzieningen voor verplichtingen, verliezen en risico's 147 148 Voorziening Wethouderspensioenen De gemeente is eigenrisicodrager voor de pensioenverplichtingen van (voormalige) wethouders. Op grond van het BBV is de gemeente verplicht hiervoor een voorziening te vormen. De hoogte van de voorziening wordt bepaald op basis van actuariële berekeningen en jaarlijks bij de jaarrekening geactualiseerd, zodat deze aansluit bij de opgebouwde en toekomstige pensioenverplichtingen. Voorziening Wachtgelden Op grond van het BBV is de gemeente verplicht een voorziening te vormen voor de wachtgeldverplichtingen van (voormalige) wethouders.
Bij het aftreden van een wethouder wordt een storting in de voorziening gedaan, gebaseerd op de verwachte hoogte en looptij d van de wachtgeldverplichtingen. De feitelijke uitkeringen worden vervolgens ten laste van deze voorziening gebracht. Baggeren Bij raadsbesluit van 22 december 2022 is besloten tot het instellen van een voorziening baggeren. In 2025 hebben zich geen mutaties voorgedaan in deze voorziening waardoor het saldo ongewijzigd is gebleven. Voorzieningen ter egalisatie van kosten Voorziening Groot onderhoud gemeentelijk vastgoed Op 16 december 2021 heeft de raad het geactualiseerde meerjarenonderhoudsplan gemeentelijk vastgoed 2021-2030 vastgesteld. In dit plan is bepaald dat een voorziening onderhoud gemeentelijk vastgoed wordt gevormd. De voorziening heeft als doel de onderhoudslasten van het gemeentelijk vastgoed over meerdere jaren te egaliseren, zodat een stabiel beeld in de begroting ontstaat. In 2025 zijn de daadwerkelijk gemaakte onderhoudskosten ten laste van deze voorzieni ng gebracht Voor middelen derden waarvan de bestemming gebonden is Voorziening Afvalstoffenheffing De voorziening Egalisatie afvalstoffenheffing wordt gebruikt voor de egalisatie van overschotten en tekorten op de exploitatie van de kosten en baten van de afvalstoffenheffing en het reinigingsrecht.
De realisatie over 2025 leidt tot een toevoeging aan de voorziening in plaats van een onttrekking. Een nadere toelichting is opgenomen in de paragraaf Lokale heffingen. Voorziening Rioleringen De jaarlijkse storting in de voorziening Rioleringen bestaat uit de opbrengst van de rioolheffing. De jaarlijkse onttrekking bestaat uit de lasten van pompen en gemalen en de rioolleidingen. De realisatie over 2025 heeft geleid tot een hogere toevoeging aan de voorziening; de bij de Voorjaarsrapportage 2025 geraamde onttrekking bleek niet noodzakelijk. Een nadere toelichting is opgenomen in de paragraaf Lokale heffingen. Vaste schulden (looptijd>1 jaar): Rentelast 2025 Conform artikel 56 BBV dient de rentelast van de vaste schulden voor het begrotingsjaar te worden vermeld. De totale rentelast van 2025 bedraagt € 538.000.
Bedragen x € 1.000 Onderhandse leningen van binnenlandse en overige | Saldo | Opnamen | Aflossingen | Saldo financiële instellingen | 1-1-2025 | 31-12-2025 Geldlening BNG 40106857: 2011 40 jaar/3,42%rente | 2.800 | 100 | 2.700 Geldlening BNG 40107850: 2012 20 jaar/2,91%rente | 800 | 100 | 700 Geldlening NWB 30682: 2020 25 jaar/ 0,207% rente | 5.880 | 280 | 5.600 Geldlening NWB 1-31533: 2022 30 jaar/2,026% rente | 9.333 | 333 | 9.000 Geldlening BNG 40117377 2024 15 jaar/3,132% rente | 5.000 | 333 | 4.667 Geldlening NWB 40577 2024 15 jaar/2,754% rente | 5.000 | 333 | 4.667 28.813 | 0 | 1.480 | 27.333 Bedragen x € 1.000 Saldo | Opnamen | Aflossingen | Saldo 1-1-2025 | 31-12-2025 Waarborgsommen | 181 | 49 | 231 De waarborgsommen betreffen hoofdzakelijk inschrijving voor Tappersheul II.