CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B07.1 Concept Energievisie provincie Utrecht.pdf

Gemeenteraad 13 juni 2024, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken23.189 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Dit is een werkversie die enkel bedoeld is voor de consultatie van interne en externe stakeholders. Deze versie is niet definitief en Gedeputeerde Staten dient zich nog definitief uit te spreken over de inhoud van deze Energievisie

Energievisie provincie Utrecht

Inhoud Inleiding ................................................................................................................................................... 3 1. Wat is een energiesysteem .............................................................................................................. 4 2. Hoe ziet het energiesysteem eruit in 2050...................................................................................... 4 3. Leidende Principes........................................................................................................................... 7 4. Structurerende keuzes ................................................................................................................... 10 4.1 Keuzes uit het landelijk beleid ................................................................................................. 10 4.2 Structurerende keuzes volgend uit deze visie ......................................................................... 10 5. Randvoorwaarden tot stand komen Energiesysteem van de toekomst ........................................ 13 6. Energiemix in 2030, 2040 en 2050 ................................................................................................ 14 6.1 Beeld van het energiesysteem in 2030 ....................................................................................

15 6.2 Beeld van het energiesysteem in 2040 .................................................................................... 16 6.3 Beeld van het Energiesysteem in 2050 .................................................................................... 17 A.

Nationale en Europese kaders voor beleid.................................................................................... 19 A.1 Nationaal beleid .......................................................................................................................... 19 A.1.1 Hoofdkeuzes NPE ................................................................................................................. 20 A.1.2. Energiedragers in het NPE ................................................................................................... 20 A.1.3. Transitiepaden gebruikssectoren ........................................................................................ 23 A.1.3. De maatschappelijke kant van het energiesysteem ............................................................ 24 A.2 Europees beleid........................................................................................................................... 25 A.2.1. Europese interne energiemarkt .......................................................................................... 26 A.2.2. beprijzen CO2 uitstoot ......................................................................................................... 26 A.2.3. Normeren van het energiesysteem ..................................................................................... 27 A.2.4.

REPowerEU .......................................................................................................................... 27 A.2.5. Sociaal klimaatfonds............................................................................................................ 27 A.2.6. Energiegemeenschappen .................................................................................................... 28

B.

Energieopwekking en -opslag ........................................................................................................ 29 B.1 Elektriciteit .................................................................................................................................. 29 B.1.1 Netcongestie......................................................................................................................... 29 B.1.2. Elektriciteitsopwekking ....................................................................................................... 31 B.1.3 Elektriciteitsopslag ............................................................................................................... 32 B.2 Duurzame koolstof ...................................................................................................................... 33 B.3. Warmte....................................................................................................................................... 35 B.3.1. Individuele oplossingen ....................................................................................................... 35 B.3.2. Collectieve oplossingen ....................................................................................................... 37 B.3.3.

Warmtebuffering ................................................................................................................. 40

1

B.4. Waterstof .................................................................................................................................... 40 C.

De energiegebruikende sectoren .................................................................................................. 43 C.1. Gebouwde Omgeving ................................................................................................................. 43 C.1.1. Bespaarmogelijkheden gebouwde omgeving ..................................................................... 43 C.1.2. Transitiepaden warmtevraag gebouwde omgeving ............................................................ 45 C.1.3. Transitiepad bedrijventerreinen .......................................................................................... 47 C.1.4. Transitiepad nieuwbouw ..................................................................................................... 49 C.1.5. Gebouwde omgeving in het Energiesysteem ...................................................................... 49 C.2 Mobiliteit ..................................................................................................................................... 50 C.2.1 Bespaarmogelijkheden mobiliteitssector ............................................................................. 50 C.2.2. Transitiepaden mobiliteit .................................................................................................... 50 C.2.3.

Mobiliteit in het energiesysteem ........................................................................................ 51 C.3. Industrie ..................................................................................................................................... 53 C.3.1. Besparingsmogelijkheden industrie .................................................................................... 53 C.3.2. Transitiepaden industrie ...................................................................................................... 53 C.3.3. Industrie in het Energiesysteem .......................................................................................... 53 C.4. Landbouw ................................................................................................................................... 54 C.4.1. Bespaarmogelijkheden landbouwsector ............................................................................. 54 C.4.2. Transitiepaden landbouwsector .......................................................................................... 54 C.4.3. Landbouw in het Energiesysteem ....................................................................................... 54

Leeswijzer De Energievisie heeft tot doel een beeld te geven van het Energiesysteem van de toekomst. In navolging van het Nationaal Plan Energiesysteem gebeurt dat in verschillende delen. In het eerste deel wordt de kern van de Energievisie gegeven. Deze bestaat uit een behandeling van wat het energiesysteem inhoudt, de Leidende Principes die voor deze Energievisie zijn vastgesteld, de Structurerende Keuzes die uit deze Energievisie volgen en een weergave van de berekening de omvang van het Energiesysteem in 2030, 2040 en 2050. De andere drie delen geven de onderbouwing voor het eerste deel. In deel A. worden nationale en Europese kaders geschetst. In deel B wordt de opwekking en opslag van de vier modaliteiten van duurzame energie behandeld. In de deel C worden de gebruikende sectoren behandeld op basis van de indeling van de klimaattafels. Daarmee zijn de gemaakte keuzes in het eerste deel maar beperkt te begrijpen zonder de achterliggende delen A, B en C te lezen. A, B en C zijn dan ook geen bijlagen maar integrale delen van de Energievisie.

2

Inleiding Voor u ligt de Energievisie. In deze Energievisie wordt geschetst hoe het energiesysteem van de provincie Utrecht zich, naar verwachting, ontwikkelt tot 2050. Daarbij is er ook aandacht voor 2030 en 2040. Er wordt niet ingegaan op de rol die de provincie Utrecht als organisatie zal nemen in het tot stand komen van dit Energiesysteem. Wel wordt benoemd welke randvoorwaarden nodig zijn om het energiesysteem tot stand te brengen. Het huidige energiesysteem is, ondanks alle inzet om te verduurzamen, nog steeds grotendeels gebaseerd op fossiele energie. Op basis van Europees beleid en het klimaatakkoord kan de provincie Utrecht niet blijven vertrouwen op fossiele energie. Verder gebruik maken van fossiele brandstof zorgt immers dat de schade aan het klimaat alleen maar toeneemt. Daarnaast zal fossiele energie, vanwege toenemende winningskosten, internationale instabiliteit en de introductie van EU-ETS 2 (het breder toepassen van emissiehandel) de komende tijd steeds duurder worden. Daarmee is een op fossiele energie gebaseerd energiesysteem niet alleen schadelijk en onwenselijk maar komt ook de betaalbaarheid van een fossiel systeem in toenemende mate onder druk te staan. Als meest competitieve regio van Europa heeft de provincie een verantwoordelijkheid om versneld in te zetten op de noodzakelijke verandering van het energiesysteem.

Daarin is ook geen keuze: mondiale, Europese en nationale ontwikkelingen zorgen dat het energiesysteem zal veranderen. De leveringszekerheid en beschikbaarheid van energie komt in het geding als we ons daar niet op voorbereiden. Daarnaast biedt deze transitie ook voordelen. Door hier nu in te investeren, kan de provincie Utrecht helpen (maatschappelijke) innovaties tot stand te brengen die later een economische meerwaarde bieden,]. Daarnaast worden we minder afhankelijk van geopolitiek, worden we gezonder doordat er minder fijnstof in de lucht komt en bereiden we ons voor op een toekomst zonder fossiele brandstof. De technische oplossingen hiervoor zijn voor een belangrijk deel beschikbaar maar dienen vaak nog doorontwikkeld te worden. Het implementeren van deze oplossingen is nog een grote uitdaging. Naast de reeds genoemde positieve effecten op de gezondheid van de verbetering van de luchtkwaliteit, moet wel rekening gehouden worden met de (mogelijke) effecten op gezondheid van opslag en transport van duurzaam opgewekte energie. De transitie richting een nieuw, slimmer energiesysteem is zeker niet makkelijk. Gezien het belang van energie voor de economie, heeft het wijzigen van de kosten van energie, financieel of organisatorisch, een grote impact op de maatschappij.

Deze Energievisie gaat over die impact en hoe deze impact te beperken door het slim inrichten van het energiesysteem. Deze Energievisie pretendeert niet het definitieve antwoord te hebben, zij wordt immers om de vier jaar herzien, maar biedt wel handvatten om te sturen richting een klimaatneutraal energiesysteem. Dat sturen gebeurt maar heel beperkt door de provincie Utrecht. Andere overheden en organisaties zijn op veel vlakken primair verantwoordelijk. Deze Energievisie heeft de ambitie richting te geven aan de energietransitie in de provincie Utrecht. Zowel voor de provinciale organisatie zelf, als voor andere organisaties zoals gemeenten, bedrijven, maatschappelijke organisaties, inwoners en netwerkbedrijven. Hoewel er nog onzekerheden zijn, is het belangrijk om een toekomstbeeld te schetsen om beleid te kunnen maken voor een robuust energiesysteem in de toekomst. Dit beeld is de basis voor het Provinciale Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (P-MIEK). Het P-MIEK geeft de concrete energie-infrastructuurprojecten weer die nodig zijn om het energiesysteem voor de toekomst tot stand te brengen. Het P-MIEK wordt deels parallel aan deze Energievisie opgesteld. De Energievisie is ook de basis voor de Energieparagraaf in de Omgevingsvisie. Daarnaast wordt er gewerkt aan een programma Energietransitie. Daarvoor is deze Energievisie ook input.

3

De Energievisie is opgesteld door de provincie Utrecht in samenspraak met de partijen die in de provincie de Energy Board vormen. Dit zijn Stedin en Tennet als netwerkbeheerders, vertegenwoordigers van de drie RES-regio’s en de gemeenten Utrecht en Amersfoort. Daarnaast is input gevraagd aan verschillende partijen, waaronder gemeenten en waterschappen, belangenorganisaties en bedrijven. Verder hebben er op verschillende deelthema’s expertsessies plaatsgevonden en zijn er warmteateliers georganiseerd met gemeenten en andere partners. De leidende principes zijn met een internetconsultatie getoetst bij inwoners. Daarbij is er zowel een open uitvraag gedaan waar alle inwoners van de provincie op konden reageren als dat er gebruik is gemaakt van een betaald panel en is er gerichte uitvraag gedaan bij stakeholders zoals gemeenten, netwerkbeheerders en maatschappelijke organisatie. Daarmee is deze Energievisie een document geworden dat is opgesteld door de provincie Utrecht maar waarvoor veel meer partijen en mensen input hebben geleverd. De Energievisie van de provincie Utrecht is onderdeel van een bredere landelijke aanpak waarin Energievisies worden opgesteld als onderlegger voor P-MIEKs. Alle provincies zijn daar mee bezig. Het P-MIEK benoemt concrete energie-infrastructuurprojecten die een belangrijke rol gaan krijgen om het energiesysteem van de toekomst vorm te geven.

De P-MIEK zal worden gebruikt om maatschappelijke belangen af te wegen bij het opstellen van de investeringsplannen van de netbeheerders. Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) dient als basis voor de Energievisie van de provincie Utrecht. Het NPE is op haar beurt gebaseerd op het Europees beleid en het beleid van de verschillende overheden van Nederland. De verwachting is dat de Energievisie om de vier jaar herzien zal worden. Het NPE wordt om de vijf jaar herzien. Beide zijn echter levende documenten die concreet doorwerken in ander beleid.

1. Wat is een energiesysteem Een energiesysteem omvat de hele energie-waardeketen, dus alles wat nodig is om energie van opwek naar gebruik te brengen, en heeft zowel een technische, economische, juridische, milieukundige en sociale dimensie (definitie Topsector Energie). Energie is de basis van het economisch systeem en essentieel om te kunnen werken, eten, reizen en leven. Daarmee is het energiesysteem één van de fundamenten van onze maatschappij. In deze Energievisie wordt zowel de opwekkant als de gebruikerskant van het energiesysteem bekeken vanuit het systeem dat vraag en aanbod koppelt. Bij de opwekkant wordt energie bekeken vanuit vier energieketens; elektriciteit, warmte, koolstof en waterstof. Deze indeling is conform de indeling van het NPE. Onderdeel van de opwekkant is in deze Energievisie ook de opslag, distributie, conversie en teruglevering van energie. Voor de gebruikerskant beschrijft deze Energievisie het gebruik van energie vanuit de vier klimaattafels die gaan over gebruik: de gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie en landbouw. Op basis van de beschrijving van de energieketens en van de gebruiksketens trekt de Energievisie conclusies over het energiesysteem van de toekomst en doet richtinggevende uitspraken.

2. Hoe ziet het energiesysteem eruit in 2050 In 2050 is conform de Europese afspraken, afscheid genomen van fossiele brandstoffen. De verwachting van het NPE is dat elektriciteit de ruggengraat wordt van het nieuwe energiesysteem. Het NPE verwacht daarbij dat in 2050 90% van de elektriciteitsopwekking in Nederland gebeurt met windmolens en zonnepanelen. Het energiesysteem zal veranderen van een centraal naar een gemixt systeem, zowel centraal en decentraal, waarbij de vraag naar energie veel flexibeler wordt en beter is afgestemd op het aanbod van energie. 4

In deze energievisie vertalen we deze visie voor de provincie Utrecht. Ook in de provincie Utrecht zal het energiesysteem zowel centraal als decentraal worden ingericht, waarbij energie zoveel mogelijk lokaal opwekt en gebruikt wordt. Daarnaast is het van belang de energievraag te flexibiliseren en de energieopslag te maximaliseren. Voor de provincie Utrecht verwachten we dat ongeveer 70% van de energievraag met behulp van elektriciteit wordt ingevuld. Doordat veel elektriciteit zal worden opgewekt met windmolens, zowel op zee als op land, en zonnepanelen, is het schijnen van de zon en het waaien van de wind een belangrijke bepaler van de beschikbaarheid, en daarmee prijs, van elektriciteit. Het is belangrijk dat deze prijsprikkel effect heeft op het gedrag van organisaties en mensen. Door mensen actief te wijzen op de effecten van weerverwachtingen op energieprijs en -beschikbaarheid, krijgen mensen de mogelijkheid hun energiegebruik aan te passen aan de beschikbaarheid van energie. Dit is belangrijk om evenwicht te brengen in het energiesysteem. Het is echter effectiever om mensen ook onbewust bezig te laten zijn met het balanceren van het energiesysteem. Dit kan met slimme mechanismes.

De warmte van de koeling in de supermarkt wordt bijvoorbeeld gebruikt om het kantoor te verwarmen, de lokale buurtbaterij slaat overtollige zonne-energie op of de koelkast thuis is zo ingeregeld dat hij overdag net wat kouder staat om in de avondspits geen stroom nodig te hebben. Op allerlei manieren wordt geheel automatisch de vraag naar elektriciteit zo veel mogelijk afgestemd op de opwek- en transportcapaciteit. Natuurlijk is de elektriciteitsvraag niet geheel stuurbaar. Wanneer iemand snel zijn auto moet opladen, dan moet het mogelijk zijn om deze energievraag voorrang te geven. Daarom moet er voldoende energieopslagvermogen zijn om ook bij beperkte beschikbaarheid te kunnen voldoen aan zo'n elektriciteitsvraag. Dat gebeurt door de verschillende vormen van energieopslag slim op elkaar af te stemmen. Met slimme algoritmes worden flexibele elektriciteitsvraag en flexibele opwek op elkaar afgestemd om lokaal balans te bewaren. Energie wordt op veel manieren opgeslagen, in de vorm van elektriciteit, warmte en waterstof. Bij elektriciteit en warmte gaat het om opslag voor de korte termijn en als seizoensopslag. Waterstof kan gebruikt worden als seizoensopslag, systeemreserve en als energiedrager voor direct gebruik.

Seizoensopslag is nodig omdat er in de zomer vaak overvloedig zonne-energie beschikbaar is, maar dat in de winter er periodes kunnen zijn met weinig zon- en windenergie. Dan is het belangrijk dat er lange termijn energiereserve is om te voorkomen dat er energie-gebreken ontstaan. In de toekomst zijn dit soort momenten vermoedelijk goed te voorspellen en door actief te wijzen op het nadere van een opwek-luwe periode kan energiegebruik kortstondig sterk afnemen, zeker met een goede prijsprikkel. Seizoensopslag is dus regelbaar vermogen om opwek-luwe periodes op te vangen. De provincie Utrecht streeft ernaar om minstens energieneutraal te zijn voor het energiegebruik in de gebouwde omgeving. Daarmee wordt dus alle energie voor de gebouwde omgeving op het grondgebied van de provincie opgewekt of geproduceerd. Veel gemeenten hebben de mogelijkheid om volledig energieneutraal te zijn of zelfs energiepositief te worden. Dat is ook noodzakelijk wil de provincie het doel, om voldoende energie op te wekken om de gebouwde omgeving van energie te voorzien, halen. In 2040 wil de provincie een klimaatneutrale energievoorziening hebben, waarbij het energiesysteem geen extra klimaatopwarming veroorzaakt.

Daarnaast is het doel zo veel mogelijk lokaal en regionaal energievraag en -aanbod in te balans brengen, maar volledig energieneutraal zal op het schaalniveau van de provincie, door de bevolkingsdichtheid van deze provincie, niet lukken. Voor een belangrijk deel van de overige energievraag zal de provincie terugvallen op opwek van duurzame energie op de Noordzee en elders. Die afhankelijkheid maakt echter ook kwetsbaar. Daarom is er door inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven ook in opslag en flexibele 5

energieopwekking geïnvesteerd. Door deze opslag en opwek decentraal te organiseren, wordt vraag en aanbod zoveel mogelijk lokaal in balans gebracht. Dat kan met thuis-, wijk- en systeembatterijen. Daarbij is ook een rol voor de batterijen van elektrische auto’s als elektriciteitsopslag als de auto niet wordt gebruikt. Voor warmte geldt de noodzaak van lokale opwek, vanwege de lastige transporteerbaarheid van warmte, des te meer. Dat vraagt wel om een brede uitrol van warmtenetten om warmte te distribueren. Dat kan met grootschalige warmtenetten, maar ook kleine warmtenetten zijn een goede oplossing om kleine warmtebronnen breder in te zetten. Daarbij kunnen warmtenetten ook organisch groeien. Hoge temperatuur warmtenetten zijn minder efficiënt dan lage temperatuur netwerken omdat er meer energie verloren gaat en er meer buisisolatie nodig is. Door betere gebouwisolatie kunnen warmtenetten lagere temperaturen hebben. Energiecoöperaties krijgen een belangrijke rol in het lokaal in evenwicht brengen van energievraag, -aanbod en -opslag. Ze zorgen voor lagere energieprijzen voor hun leden en coördineren met slimme algoritmes de decentrale opwek binnen het werkingsgebied van energiecoöperaties.

Op die manier voorkomt de energiecoöperatie dat overtollig opgewekte energie verloren gaat, dure energie gekocht moet worden en er nodeloos van energietransportcapaciteit gebruik gemaakt wordt. Ook nemen energiecoöperaties een rol in het slim inrichten van energieconverteringopties. Door elektriciteit op te slaan in de vorm van warmte of waterstof als er veel energie wordt opgewekt, kan de elektriciteit worden gebruikt als het later op duurdere momenten nodig is. Ook zorgen ze daarmee dat er zo veel mogelijk lokaal opgewekte energie lokaal gebruikt wordt. Bij bedrijventerreinen kunnen parkmanagement-organisaties of andere samenwerkingsvormen van bedrijven een soortgelijke rol nemen in het lokaal in balans brengen van energievraag en -aanbod, het coördineren van energieconversie en het ervoor zorgen dat energie niet nodeloos verloren gaat. Een belangrijk vraagstuk in de energietransitie is de wijze waarop woningen worden verwarmd. Met het opwarmen van het klimaat zal ook zal ook koelen een steeds groter vraagstuk worden. Voor beide opgaven is het belangrijk dat in 2050 woningen zo optimaal mogelijk geïsoleerd zijn. Verwachtingen weer 2050 (KNMI) Het KNMI heeft vier scenario’s gemaakt voor de weersverwachting voor 2050 en 2100. Afhankelijk van het scenario zal de gemiddelde temperatuur van de huidige 10,5°C in 2050 tussen de 0,9°C en 1,6°C stijgen.

Die stijging betekent bijvoorbeeld ook dat het aantal tropische dagen zal stijgen, van het gemiddelde 5 per jaar in De Bilt zal het naar verwachting in 2050 naar 8,5 tot 13 tropische dagen per jaar stijgen. In 2100 zal dat overigens stijgen tot maximaal 35 tropische dagen per jaar. Het aantal dagen met een gemiddelde temperatuur onder de nul zal zakken van 53 dagen nu naar tussen de 40 en 30 dagen per jaar in 2050. Indien de golfstroom echter stilvalt, dan zou volgens het KNMI uiteindelijk de gemiddelde temperatuur in Nederland 7°C kunnen dalen. Dat zou een fors effect hebben op de energievraag voor warmte. In de doorrekening gaan we uit van bestaande klimaatscenario’s, niet het wegvallen van de golfstroom. Om te zorgen dat de kans op energiearmoede minder groot wordt, zijn energietarieven voor consumenten gestaffeld. Consumenten die weinig energie gebruiken, betalen beduidend minder terwijl de prijs per energie-eenheid bij veel gebruik voor consumenten veel hoger ligt. Voor bedrijven zal dit anders zijn. 6

Organisaties, zoals bijvoorbeeld bedrijven, weten daarnaast dat ze bij gebrek aan opwek- of transportcapaciteit, kunnen worden afgeknepen vanwege hun non-firm aansluitovereenkomst (een non-firm aansluitovereenkomst is een overeenkomst waar geen leverzekerheid aan verbonden is). Op basis van een maatschappelijke afweging is daarnaast een energievolgorde bepaald. Aansluitingen die vitaal zijn, krijgen altijd energie. Aansluitingen waarvan het uitvallen maar beperkt maatschappelijk effecten heeft, kunnen worden tijdelijk worden afgeknepen van een of meerdere energievormen. Door duidelijkheid over de volgorde waarop dit afknijpen zal plaatsvinden, weten organisaties waar ze aan toe zijn en kunnen zij zich voorbereiden op de situatie. In de toekomst zijn afwegingen van het energiesysteem een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke ordeningsbesluiten. Dit naast de belangen die nu al spelen in de ruimtelijke ordening, factoren zoals drukte in de ondergrond, bereikbaarheid, water, bodemkwaliteit, dubbel ruimtegebruik, biodiversiteit, gezondheid, veiligheid en overige ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. Door energie ook een belangrijke rol te geven in de ruimtelijke ordening wordt er gestuurd op het zo goed mogelijk op elkaar afstemmen van gebruiksprofielen, zodat er minder grote pieken aan energievraag ontstaan.

Daarnaast is het belangrijk om lokaal slimme warmtesystemen tot stand te brengen waarbij ontwikkelingen die veel restwarmte produceren worden geprogrammeerd nabij ontwikkelingen met een grote warmtevraag. Hiermee is het inrichten van het energiesysteem een belangrijk uitgangspunt van ruimtelijke planning geworden. Daarbij wordt gestuurd op het zo goed mogelijk gebruiken van alle opwekbare energie binnen de ontwikkelingen en het beperken van energiegebruik als transport en -opwekcapaciteit schaars is. Daarnaast komen er, deels rond transformatorstations, energielandschappen waar lokale opwek en opslag plaatsvindt. Voor de productie van waterstof en het omzetten van waterstof in warmte en elektriciteit is een plek nabij een warmtenet met warmtebuffering passender. Op die manier kan de warmte die vrijkomt bij de conversie van elektriciteit naar waterstof en van waterstof naar elektriciteit (en warmte) direct worden gebruikt voor het warmtenet.

3. Leidende Principes De Leidende Principes van deze Energievisie geven richting aan de inrichting van het energiesysteem van de provincie Utrecht. Ze zijn opgesteld doormiddel van een ambtelijke ronde met stakeholders en daarna doormiddel van een internetconsultatie getoetst. De Leidende Principes zijn in onderstaande vorm door Provinciale Staten vastgesteld op 20 maart 2024. De Leidende Principes dragen bij aan de ambitie van de provincie Utrecht om in 2040 een klimaatneutrale energievoorziening te hebben en om zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk in 2050, een klimaatneutrale provincie te zijn. Benutten De duurzame energiebronnen in de provincie Utrecht worden optimaal benut. Het grondgebied van de provincie Utrecht is dichtbevolkt. We hebben maar beperkte ruimte om energie op te wekken (dit geldt voor zowel elektriciteit uit zon en wind, als warmte en andere energiedragers). We kunnen daarom als provincie niet energieneutraal worden (zelfvoorzienend op het vlak van energie, waarbij alle energie die gebruikt wordt op het grondgebied van de provincie wordt opgewekt), maar streven er wel naar om de energiebronnen die we hebben zo goed mogelijk te benutten. Dat betekent dat we zoeken naar zo veel mogelijk manieren om energie duurzaam op te wekken. 7

De energiebesparingsmogelijkheden worden optimaal benut. Energie besparen geldt al lang als belangrijk doel in de energietransitie. Meer besparen betekent minder behoefte aan (duurzame) energie. Dit geldt voor elektriciteit, warmte of gas. Hiervoor is gedragsverandering van groot belang, naast het doorvoeren van technische aanpassingen (bv. isolatie of aanwezigheidsdetectoren) en verdere innovatie. Het zijn daarnaast vooral de individuele keuzes van burgers, bedrijven, overheden en andere organisaties die ervoor moeten zorgen dat we gezamenlijk minder energie gebruiken. Keuzes waar overheden vaak geen zeggenschap over hebben, maar die wel kunnen worden gestimuleerd. De energietransitie is ook een maatschappelijke transitie die voor iedereen financieel mogelijk moet zijn. Dat vraagt grote investeringen in isolatie en nieuwe apparatuur. Gebruiken Energie is in voldoende mate beschikbaar en betaalbaar voor alle inwoners, maatschappelijke organisaties en bedrijven. Voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen is energie nodig. Er moet dus voldoende energie beschikbaar zijn en de prijs van energie mag geen bron van armoede zijn. Tegelijkertijd zal via prijsprikkels ook gewenst gedrag tot stand moeten worden gebracht, bijvoorbeeld om minder energie te gebruiken op momenten dat er onvoldoende energie of transportcapaciteit beschikbaar is.

In het geval van energieschaarste zal er middels een integrale maatschappelijke analyse bepaald worden wie met voorrang energie krijgt. Innovaties en experimenten krijgen een belangrijke rol in de energietransitie. De komende tijd zijn er veel innovaties te verwachten. Die zijn nodig om de energietransitie met de laagst mogelijk kosten tot stand te brengen. Een deel zal technisch innovaties betreffen, zoals het incrementeel verbeteren van energieopslagtechnieken, energievraag-aansturingssystematieken of het uitvinden van een radicale ontdekking zoals supergeleiding op kamertemperatuur, en een deel betreft sociale innovaties, zoals nieuwe samenwerkingsverbanden of contractvormen. Er zijn veel innovaties nodig om het nieuwe energiesysteem tot stand te brengen en daar is ruimte voor in deze visie. Verbinden Er wordt gestreefd naar de laagste maatschappelijke kosten bij de transitie naar duurzame energie. Energie is niet gratis. Als alle kosten van het huidige fossiele energiesysteem worden meegenomen, is het erg kostbaar. Voor veel hernieuwbare, niet-fossiele energie geldt dat de kosten van het gebruik beduidend lager zijn, maar er veel investeringen nodig zijn om ze tot stand te brengen. Er zijn ook veel kosten gemoeid met het tot stand brengen van de energie-infrastructuur, of dit nu voor warmte, elektriciteit of waterstof is.

De komende decennia vraagt het energiesysteem grote investeringen. Die kosten moeten worden betaald en dus door de maatschappij worden gedragen. Onder de maatschappelijke kosten verstaan we kosten van gebruik (brandstoffen, exploitatie, e.d.), kosten als gevolg van investeringen (zoals kapitaalkosten van duurzame opwek, opslag, infra etc.) maar ook kosten van milieu en andere externe effecten en risico’s, inclusief de kosten voor volgende generaties. We streven ernaar om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden.

8

De transitie naar een duurzame energievoorziening wordt zo veel mogelijk gecombineerd met andere opgaven. De provincie Utrecht staat voor een breed scala aan transities. Deze transities zijn noodzakelijk om te voorkomen dat de toekomst te zwaar belast wordt doordat maatschappelijke kosten in ons economisch systeem vaak niet worden doorberekend. Daarom is het streven om de kosten van het energiesysteem niet af te wentelen op de toekomst of op andere delen van de wereld. De inhoud van de Energievisie zal afgestemd worden met andere provinciale opgaven, zoals de natuurinclusieve energietransitie, woningbouw, of de klimaataanpak “naar netto nul”. Bij het inrichten van het energiesysteem wordt uitgegaan van het bredere nationale, Europese en mondiale energiesysteem. De provincie Utrecht is geen eiland. Het energiesysteem van de provincie is verbonden met een breder nationaal, Europees en mondiaal energiesysteem. Het inrichten van het energiesysteem van de provincie Utrecht gebeurt in afstemming met de inrichting van energiesystemen om ons heen. Ook omdat de provincie niet zelfvoorzienend zal worden op het vlak van energie. Daarnaast dient het nationale en Europese beleidskader als kader voor het provinciale energiesysteem. Uitgangspunt is zo veel mogelijk lokaal eigenaarschap van de energievoorziening, met minimaal 50% lokaal eigenaarschap bij opwek.

Om inspraak van inwoners over de energie-infrastructuur en hernieuwbare energiebronnen te borgen, streven we naar zo veel mogelijk lokaal zeggenschap en eigenaarschap. Voor elektriciteitsopwekking geldt hierbij zelfs de norm van minimaal 50% lokaal eigendom. Dit versterkt de verbondenheid met en het draagvlak voor duurzame energie. Dat kan bijvoorbeeld via coöperaties en verenigingen of via eigendom in publieke handen. Dit maakt het mogelijk om mensen die de lasten ondervinden van de energievoorziening ook van de lusten te profiteren. Om het draagvlak te vergroten wordt ingezet op het waarborgen van de gezondheid van de Utrechtse inwoners en het minimaliseren van negatieve impact op de leefomgeving. Draagvlak is een belangrijke voorwaarde voor het tot stand brengen van de energietransitie en het komen tot een nieuw energiesysteem. Daarom blijft voor de provincie Utrecht het streven naar een gezonde en veilige leefomgeving centraal staan. Het wegnemen van de vervuiling die gepaard gaat met het gebruik van fossiele brandstoffen is daarin al een belangrijke eerste stap. Daarbij is het voorkomen van een negatieve impact op de leefomgeving van groot belang.

Bij het ontwerpen van het energiesysteem wordt nadrukkelijk rekening gehouden met ruimtelijke kwaliteit, beleving van het landschap en een zorgvuldige ruimtelijke verdeling van energievraag en -opwek in het landelijk en stedelijk gebied, waarbij opwek zoveel mogelijk plaatsvindt nabij het gebruik. De provincie Utrecht kent veel landschappelijke kernkwaliteiten en het beleid van de provincie is om deze te behouden voor de toekomst. In het energiesysteem is het daarbij belangrijk om de ruimtelijke inpassing van energieopwekking, -opslag en -vraag goed te borgen. Om ervoor te zorgen dat energieopwekking plaatsvindt nabij energiegebruik is het belangrijk om de verdeling van opwekcapaciteit tussen landelijk en stedelijk gebied goed te monitoren. Sommige functies passen beter in landelijk of stedelijk gebied. Zo veel mogelijk moet er gestreefd worden naar een zorgvuldige ruimtelijke verdeling van energievraag en -opwek waarbij overal een goede ruimtelijke inpassing nodig is.

9

4. Structurerende keuzes Uit bovenstaande en uit hetgeen in deel A, B en C is gesteld volgen de onderstaande structurerende keuzes voor deze energievisie. Structurerende keuzes vormen de afdronk van deze visie. Ze hebben daarbij geen directe zeggingskracht. Ze geven wel aan welke kant het energiesysteem van de provincie Utrecht uit zou moeten gaan om tot een energiesysteem te komen dat toekomstbestendig is en zullen in andere stukken verder worden uitgewerkt.

4.1 Keuzes uit het landelijk beleid De onderstaande structurerende keuzes volgen uit het NPE en zullen daarmee ook van toepassing zijn op de provincie. • • • •

•

•

•

Energie besparen is een belangrijke hoeksteen van het energiebeleid. Inzet op vergaande isolatie is een belangrijke opgave. Elektriciteit wordt de ruggengraat van het energiesysteem. Waterstof zal een rol spelen bij de seizoensopslag van energie, het opwekken van hoge temperaturen voor industriële processen, het leveren van piekwarmte in de gebouwde omgeving en het aandrijven van zware mobiliteit. Voor overige toepassingen is waterstof niet efficiënt. Duurzame koolstoffen dienen op termijn alleen als energiebron voor het opvangen van piekvraag bij weinig opwekcapaciteit, bij de totstandbrenging van negatieve CO2-emissies en voor zeer zwaar transport waar waterstof geen oplossing is. Het kabinet zet in op maximaal ontsluiten van aanbod aan duurzame koolstofdragers. Sterke inzet op de opschaling van warmtenetten met duurzame warmtebronnen, met zo goed mogelijke benutting van lokale bronnen en zo beperkt mogelijke behoefte aan systemische energiedragers (elektriciteit, waterstof en koolstofdragers). Inzet op de doorontwikkeling en opschaling van warmteopslag (met name seizoensopslag). Voor huidige warmtenetten worden fossiele bronnen vervangen door duurzame bronnen. In het Nationaal Plan Energietransitie wordt tussen 2030 en 2050 twee keer meer wind op land opgewekt en drie keer meer zonne-energie.

4.2 Structurerende keuzes volgend uit deze visie De onderstaande structurerende keuzes volgen uit deze visie en zijn deels een uitwerking van het landelijke beleid en vloeien voort uit de Leidende Principes, de specifieke situatie van de provincie en zijn verder toegelicht en onderbouwt in onderdeel B en C van deze visie.

10

•

Isolatie en energie besparen dienen sterk aangemoedigd te worden door inwoners, organisaties en bedrijven te helpen met het verminderen van energiegebruik. Dit kan ook door dringender te sturen op minder energiegebruik. Daarbij is het doel om energiegebruik met 1,5% per jaar terug te dringen.

•

De provincie Utrecht zal minstens zelfvoorzienend zijn voor de energievraag uit de gebouwde omgeving. Daarom inzet op het uitbreiden van lokale de opwekcapaciteit.

•

Om het energiesysteem robuust te maken is het belangrijk om maximaal in te zetten op: o Het verminderen van energiegebruik: ▪ Door elektrificatie, met daarbij wel aandacht voor wat het elektriciteitssysteem aankan als piekvraag.

▪

o

11

Door het zo snel mogelijk isoleren van gebouwen naar de nieuwe Rijksstandaard voor isolatie. ▪ Door het flexibiliseren van de elektriciteitsvraag, waarbij zowel gestreefd wordt naar het verminderen van elektriciteitsvraag bij gebrek aan opwek- en transportcapaciteit als naar het opslaan van elektriciteit als er veel opwek is. Dit opslaan kan in baterijen of door het te transformeren naar waterstof of warmte en deze energievorm op te slaan. Het vergroten van de decentrale energieopslag en -opwek: ▪ Met als doel in 2050 voldoende energie lokaal op te wekken in de provincie om minstens de gebouwde omgeving van energie te voorzien. Dit betreft alle vormen van energie, dus ook warmte. ▪ Waarbij een goede balans wordt nagestreefd tussen de hoeveelheid opgewekte windenergie en zonne-energie waarbij rekening wordt gehouden met ruimtelijke kwaliteit. ▪ Waarbij het aanbevelingswaardig is om zo veel mogelijk opslagcapaciteit te koppelen aan opweklocaties en te “cable poolen” bij zon- en windopweklocaties. ▪ Waarbij wordt ingezet op kleinschalige flexibele energie-opwek door bijvoorbeeld warmtekrachtkoppelingen (WKK) en brandstofcellen.

•

Kies waar mogelijk voor warmtenetten als de maatschappelijke kosten van een collectieve warmteoplossing niet significant afwijken van een individuele oplossing. Zowel kleine als grote warmtenetten laten meer warmtebuffering toe en bieden de mogelijkheid lokale warmtebronnen in te zetten. De gemeenten zijn aan zet om warmtenetten mogelijk te maken en zouden voor alle wijken waar de maatschappelijke kosten van een collectief systeem niet significant afwijken moeten motiveren als er niet gekozen wordt voor een collectieve warmteoplossing. De randvoorwaarden voor warmtenetten moeten dan wel op orde zijn. Het is belangrijk hier snel duidelijkheid over te bieden aan de inwoners van de provincie. De startanalyse van het Plan Bureau voor de Leefomgeving (PBL) (update eind 2024) is hier een goede aanleiding voor.

•

Voor warmtenetten geldt de volgende preferente inzet van warmtebronnen: o Restwarmte o Aardwarmte/geothermie en zonnethermie o Aquathermie en bodemwarmte o Overige bronnen van warmte (biomassa of elektrische warmte opwek).

•

Daar waar individuele warmteoplossingen worden gekozen, is een invulling die minder piekvermogen aan elektriciteit vraagt en stuurbaar is te prefereren. Dat geldt ook voor (kleine) collectieve warmteoplossingen met een elektrische warmtebron.

•

Duurzame koolstoffen dienen op termijn alleen als energiedrager voor: o Het opvangen van piekvraag bij weinig opwekcapaciteit. o Piekwarmtevraag voor warmtenetten of monumentale gebouwen die beperkt isoleerbaar zijn. o Het aandrijven van mobiliteit waar andere oplossingen niet voor voldoen. o hybride warmtepompen, deze zijn tot 2030 een goede manier om piekbelasting op het elektriciteitsnet te beperken.

Ook in de provincie Utrecht zal er biogas en biomassa worden geproduceerd, maar wel enkel uit duurzame bronnen.

12

•

Waterstof zal in de provincie Utrecht alleen een rol spelen bij (in volgorde van wenselijkheid): o Balans in het energiesysteem, bijvoorbeeld gascentrales op Lage Weide door middel van gascentrales en seizoensopslag van energie. o Het opwekken van hoge temperaturen voor industriële processen. o Het leveren van piekwarmte voor warmtenetten. o Het aandrijven van mobiliteit. In de provincie zal er decentraal groene waterstof worden geproduceerd, bij voorkeur op locaties waar restwarmte in warmtenetten kan worden ingevoerd en waar vraag naar waterstof is en/of waterstof kan worden getransporteerd of opgeslagen en daarna ingezet.

•

Door met bedrijven, andere organisaties en inwoners gezamenlijk het lokale energiesysteem te herontwerpen in energiehubs kunnen energiekosten omlaag en wordt het energiesysteem robuuster. Dit kan door: o In te zetten op het maximaal gebruiken van lokale energie-opwekmogelijkheden. o Het verzorgen van lokale energieopslagmogelijkheden. o De conversie van lokaal opgewekte elektriciteit in waterstof en warmte. o Gebruik en productie zoveel mogelijk te combineren in tijd en plaats. Voor bestaande en nieuwe bedrijventerreinen zou het goed zijn om zo snel mogelijk tot een breed gedragen herontwerp van het energiesysteem te komen.

•

Binnen de integrale afweging bij ruimtelijke planvorming moet er meer aandacht zijn voor energie, waarbij: o Bij het maken van ruimtelijke plannen wordt gekeken naar de piekbelasting op het net en hoe deze kan worden geminimaliseerd door bijvoorbeeld: ➢ Het warmteplan onderdeel te maken van het ruimtelijke plan. Waarbij bijvoorbeeld de aanleg van een bronnet wenselijker is dan het gebruik van lucht-lucht warmtepompen. ➢ Buffermogelijkheden voor energie in te plannen. ➢ Elektriciteit opwek onderdeel te maken van het ruimtelijk plan. o Voor ruimtelijke activiteiten die in potentie een grote bron van restwarmte zijn (bv waterstofinfrastructuur, datacentra of grootschalige koeling) wordt gestreefd naar invoeren van restwarmte in een warmtenet. o Industriële processen die gekenmerkt worden door een hoge warmtevraag moeten daar gepland worden waar waterstof beschikbaar is als hoge temperatuuropwekker.

•

Voor het tot stand brengen van een slim energiesysteem dienen: o De meetbaarheid en aanstuurbaarheid van het energiesysteem sterk verbeterd te worden door slimme algoritmes. o Vehicle-to-grid oplossingen breed te worden uitgerold. o Oplaadpalen netbewust te worden. o Energieopslag en -conversie netbewust plaats te vinden door automatische systemen. o Nieuwe contractvormen, verdienmodellen en communicatiestandaarden tot stand te worden gebracht waardoor energiegebruik beter afgestemd is op energieopwekking en -transportcapaciteit.

o

Prijsprikkels die netbewust gebruik stimuleren een grotere rol te krijgen.

•

Energieopwekking en warmteoplossingen zouden zoveel mogelijk lokaal eigendom moeten zijn. Daarbij geldt: o Voor nieuwe elektriciteitsopwekking en warmtenetten een minimum van 50% lokaal of publiek eigendom. o Dat lokaal eigendom zowel eigendom van energiecoöperaties als overheden en overheidsbedrijven kan inhouden. Dit versterkt de lokale zeggenschap en daarmee het draagvlak van de energietransitie.

•

Voor de inzet van Small Modular Reactors (SMR) geldt dat: o De SMR geen bron van extra netcongestie mag worden. Voldoende netcapaciteit op de locatie is daarmee randvoorwaardelijk. o Er duidelijkheid moet zijn over juridische en financiële voorwaarden en verdeling van risico’s tussen eigenaren en de verschillende overheden. o Er een mogelijkheid moet zijn de SMR als warmtebron in te zetten. o Voor opwek een minimum van 50% lokaal eigendom als Leidend Principe is vastgesteld. De provincie volgt de ontwikkeling van SMR’s. De komende vier jaar ligt inzet op de bouw van een SMR niet voor de hand. Zodra het concept SMR zich in de praktijk heeft bewezen, kan in een volgende Energievisie op basis van de ontwikkelingen worden besloten al dan niet in te zetten op één of meerdere SMR’s.

5. Randvoorwaarden tot stand komen Energiesysteem van de toekomst Om tot het energiesysteem van de toekomst te komen is het belangrijk dat er voldoende draagvlak is voor het bereiken van de transitie. Er wordt veel van mensen gevraagd en de steun die er voor de transitie is dient versterkt. Daarom is het belangrijk de noodzaak van de energietransitie uit te leggen en mensen mee te nemen waarom bepaalde ontwikkelingen nodig zijn. Daarbij zal steun voor ontwikkelingen die een negatieve impact hebben op de leefwereld van mensen misschien lastig zijn, maar acceptatie kan vergroot worden door eerlijk te zijn, impact te minimaliseren en de voordelen van het nieuwe systeem voor gebruikers te maximaliseren. In alle overheidslagen zal gewerkt moeten worden aan draagvlak. Voor het energiesysteem van de toekomst is meer ruimte nodig om de noodzakelijke uitbreiding van bestaande en nieuwe onderdelen mogelijk te maken. Dit vraagt om een zorgvuldige inpassing waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van het landschap, gezondheid en natuur. Hiervoor zal een nieuwe vorm van energieplanologie moeten komen. Overheden hebben een rol om binnen de ruimtelijke planvorming snel voldoende ruimte te reserveren voor het energiesysteem en gezamenlijk energieplanologie vorm te geven. De energietransitie kenmerkt zich door een grote mate van investeringen.

Er moet immers een nieuw energiesysteem worden gebouw. Daarbij is het urgent dat de noodzakelijke middelen voor het aanleggen van warmtenetten worden georganiseerd. Dit is voor een belangrijk deel het noodzakelijke kapitaal, maar ook uitvoeringskracht is belangrijk. Voor uitvoeringskracht is het vinden van voldoende mensen lastig. Gemeenten moeten hierbij worden geholpen door het Rijk en de provincie. Het organiseren van de expertise, organisatiekracht en middelen is een breder vraagstuk. Dit geldt ook voor de missie om het lokaal energiesystemen te herontwerpen. Vaak zijn daarbij de uiteindelijke 13

kosten van het energiesysteem lager, maar daarvoor moet er wel samenwerking worden georganiseerd en dat kan alleen met een duidelijk en goed doordacht plan. Bij het herontwerpen van een lokaal energiesysteem is er vaak een flinke kapitaalinvestering nodig waarbij de rentestand een belemmerende factor kan zijn. Gemeenten, provincie en Rijk kunnen samen met parkmanagmentorganisaties van bedrijventerreinen en energiecoöperaties helpen lokale energiesystemen opnieuw te ontwerpen. Een belangrijk vraagstuk in de energietransitie is de noodzaak het elektriciteitsnet uit te breiden. De verwachting is dat de elektriciteitsvraag in de provincie Utrecht zal toenemen van 5,25 TWh in 2022 naar 14 TWh in 2050 waarbij het elektriciteitsnetwerk zal moeten worden verdubbeld. Dat vraagt veel, aan kapitaal, ruimte en uitvoeringskracht. Het zal ook betekenen dat de netwerkkosten van de elektriciteitsrekening zullen stijgen. Netwerkbedrijven zullen de komende decennia moeten blijven investeren in de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk. Om het energiesysteem van de provincie Utrecht in balans te houden is flexibele grootschalige opwek binnen de provincie nodig. Binnen het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) is er een aftakking van het waterstofnetwerk naar Lage Weide ingetekend om daar gascentrales van waterstof te voorzien.

De provincie heeft deze aftakking nodig om voldoende flexibele opwek binnen de provinciegrenzen mogelijk te maken. Het Rijk en de Gasunie moeten deze, conform het PEH aanleggen. Om het energiesysteem van de toekomst tot stand te brengen is het belangrijk dat er standaarden komen om de communicatie tussen de verschillende onderdelen van het energiesysteem vorm te geven. Die standaarden dienen niet alleen tot stand te komen, maar ook verplicht te worden. Bijvoorbeeld voor Vehicle-to-Grids toepassingen is het belangrijk dat het zo snel mogelijk verplicht wordt voor elektrische autofabrikanten om het ontladen van de autobatterij technisch mogelijk te maken. Dit vraagt duidelijke keuzes van de Europese Commissie om deze standaarden in Europa vast te stellen.

6. Energiemix in 2030, 2040 en 2050 Om een beeld te krijgen van hoe de energiemix van de toekomst er uit ziet zijn de principes van deze Energievisie ingevoerd in het Energietransitiemodel (ETM) van Quintel. Dat geeft de mogelijkheid om transitiepaden en energiemixen uit te tekenen. Het is een modelmatige benadering van de uitgesproken verwachtingen in deze Energievisie en hebben maar beperkte waarde omdat uiteindelijk de energietransitie te veelomvattend en te onvoorspelbaar is om goed te voorspellen. Het ETM bevat al veel informatie over het energiesysteem van de provincie Utrecht. Daar is door Quintel op basis van de verwachtingen van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) voor 2030 en het Integrale energiesysteemverkenning 2030-2050 (II3050) nationale scenario voor 2040 en 2050 een basis scenario voor de provincie bij ontworpen. Het nationale scenario van de II3050 is een van vier scenario’s die in de II3050 wordt behandeld en is het meest in lijn met het beeld uit het NPE. Het KEV is een nationale studie van het PBL, het II3050 is een nationale studie van de gezamenlijke netbeheerders. In het ETM zijn door de provincie in samenspraak met anderen kengetallen voor de provincie Utrecht ingevoerd en verwachtingen op basis van de Energievisie verwerkt.

Daarnaast is een check gedaan of er tussen de verwachtingen van de KEV en de II3050 nog onverklaarbare verschillen qua toekomstscenario’s waren. Dat biedt de volgende uitkomst:

14

Energiegebruik in PJ provincie Utrecht naar sector 120 100 80 60 40 20

Gebouwen

Huishouden

Industrie

Transport

Landbouw

Energie en Overige

Figuur 1: verwachte ontwikkeling in de omvang van het energiesysteem in sectoren onderverdeeld (1 PJ is 0,278 TWh)

In bovenstaande afbeelding wordt de ontwikkeling van de energievraag voor de verschillende sectoren in de provincie Utrecht getoond. Daarbij wordt uitgegaan van het uitgangspunt dat in 2040 het Energiesysteem van de provincie Utrecht CO2 vrij is. Dat betekent dat er voor die tijd een grote besparing van energievraag tot stand moet komen. De daling van energiegebruik in 2040 komt tot stand via energiebesparing doormiddel van bijvoorbeeld isolatie en doordat elektrificatie ook vaak energiebesparing oplevert. Richting 2050 treedt er een lichte groei op in het energiegebruik omdat de bevolking en het aantal woningen groeit wat de verdere daling van het energiegebruik per inwoner tenietdoet. Verdere economische groei gaat ook gepaard met een groei van energiegebruik.

6.1 Beeld van het energiesysteem in 2030 Voor 2030 is, zoals hierboven beschreven, de KEV als basis gebruikt en niet het II3050. Dit omdat de KEV een beter beeld geeft van het Nederlandse energiebeleid en niet uitgaat van scenario’s zoals het II3050. Daardoor is er een heldere verwachting die vertaald is naar de Utrechtse situatie. Op basis daarvan wordt de onderstaande energiemix verwacht voor de provincie Utrecht. Daarop is te zien dat op verschillende wijzen het energiesysteem verduurzaamd is. Ten eerste is er minder energie nodig in het systeem omdat het energiegebruik is afgenomen. Ten tweede is, zoals te zien is in het energiebeeld van 2030 in figuur 2, de elektriciteitsmix in 2030 verduurzaamd omdat er meer duurzame energie in de provincie Utrecht wordt opgewekt (1,99 TWh zonne-energie en 0,96 TWh windenergie, dit is meer dan het RES bod omdat er ook kleinschalige zon op dak wordt meegerekend die voor het RES bod niet geldt).. Ook wordt er meer biomassa bijgemengd in zowel het gasnet als in fossiele brandstoffen voor transport, wat ook een verbetering van de duurzaamheid van het Utrechtse energiesysteem te weeg brengt.

15

2050

2049

2048

2047

2046

2045

2044

2043

2042

2041

2040

2039

2038

2037

2036

2035

2034

2033

2032

2031

2030

2029

2028

2027

2026

2025

2024

2023

2022

2021

2020

2019

0

Figuur 2: verwachte energiemix voor 2030 op basis van de vertaling van de KEV voor de provincie Utrecht aangepast op basis van deze Energievisie.

Het effect is dat de uitstoot van CO2 2030 reeds 55% daalt vergeleken met 1990. Het nationale doel voor 2030 is om 55% minder CO2 uit te stoten dan in 1990.

Figuur 3: CO2-emmissies in 2030 in de Provincie Utrecht op basis van de verwachtingen uit het ETM.

6.2 Beeld van het energiesysteem in 2040 Voor 2040 is, conform de ambitie van de provincie Utrecht, uitgegaan van een klimaatneutraal energiesysteem. Dit betekent overigens niet dat er geen CO2 uitstoot meer is, maar dat er door het energiesysteem geen nieuwe CO2 aan het klimaat worden toegevoegd. Dat levert de onderstaande energiemix op.

16

Figuur 4: de energiemix zoals deze in 2040 verwacht wordt

Hierbij is de mate waarin duurzame energie wordt opgewekt behoorlijk toegenomen (4,44 TWh zonne-energie en 1,15 TWh windenergie). Tegelijkertijd is er minder gebruik van biomassa. De aanname is dat de bestaande warmtenetten die nu in veel gevallen met biomassa worden verwarmd naar andere warmtebronnen uitwijken. Daarnaast zal de bijmengverplichting voor het gasnet en voor fossiele brandstoffen vervallen. Deze bijmengverplichtingen zijn bedoeld om de productie van duurzame koolstoffen aan te jagen, maar in 2040 zijn de in Nederland geproduceerde duurzame koolstoffen niet langer gebruikt voor bijmenging. In dit model wordt aangenomen dat geothermie een bron is die in de provincie Utrecht is in te zetten. Indien dit niet het geval is, zullen andere warmtebronnen moeten worden gezocht.

6.3 Beeld van het Energiesysteem in 2050 Voor 2050 wordt er uitgegaan van een verdere ontwikkeling conform de richting die voor 2040 was geschetst. De mate waarin er in de provincie Utrecht elektriciteit duurzaam wordt opgewekt neemt toe (6,06 TWh zonne-energie en 1,52 TWh windenergie) en ook de productie van waterstof neemt toe. Verder nemen richting 2050 het aantal inwoners en huizen in de provincie Utrecht toe. Dat vraagt meer energie zoals ook al bleek in figuur 1.

17

Figuur 5: de energiemix zoals deze in 2050 verwacht wordt

Op basis van dit beeld dient het elektriciteitssysteem verder te worden uitgebreid. Uit het ETM model komen de volgende waarden voor de omvang van het elektriciteitssysteem. Dit is overigens maar een beperkte analyse omdat er bijvoorbeeld geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid van Tennet en Stedin om het netwerk anders en beter in te richten.

Tabel 1: de verwachtingen voor de noodzakelijke omvang van het elektriciteitsnetwerk in 2050.

18

A. Nationale en Europese kaders voor beleid In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het nationale en het Europese beleid wat de basis vormt voor het tot stand brengen van deze Energievisie.

A.1 Nationaal beleid Het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) beschrijft de ontwikkeling van het Nederlands energiesysteem naar een klimaatneutrale samenleving. In het NPE staat een langetermijnvisie voor het energiesysteem in 2050. Vanuit het nationale einddoel, een klimaatneutrale samenleving in 2050 is terug geredeneerd welke stappen nu nodig zijn om daar te komen. De Rijksoverheid ziet hier noodzaak voor een meer sturende rol op het gebied van energieaanbod, infrastructuur, ruimte, verdeling en besparing. Aan de hand van vijf hoofdkeuzes en visies op de rol van elektriciteit, waterstof, koolstof en warmte wordt een route geschetst naar het energiesysteem van de toekomst. Het hoofddocument van het NPE is aangeboden met een vijftal verdiepingsdocumenten. Dit hoofdstuk heeft als doel een beeld te schetsen van het NPE, maar zal niet compleet zijn gegeven de omvang van het NPE. Voor verdieping en volledigheid is het raadzaam het NPE te raadplegen.

19

A.1.1 Hoofdkeuzes NPE Zoals deze Energievisie Leidende Principes heeft, heeft het NPE hoofdkeuzes die doorwerken in de zes documenten waaruit het NPE bestaat.

Figuur 6: Ontwikkelpaden energieketens uit het NPE

A.1.2. Energiedragers in het NPE Naast de vijf hoofdkeuzes presenteert het NPE ook een visie op een viertal elementen uit het energiesysteem: elektriciteit, waterstof, koolstof en warmte. Deze visie betreft een eindbeeld voor 2050. A.1.2.1. Elektriciteit Elektriciteit wordt gezien als ruggengraat van het energiesysteem. Het verbruik van elektriciteit zal zeer sterk toenemen om op een duurzame manier te kunnen verwarmen, transporteren en produceren. Het kabinet hanteert een doelstelling voor een CO2-vrij elektriciteitssysteem in 2035. Dat betekent dat alle elektriciteit afkomstig is uit hernieuwbare bronnen of kernenergie. Om dit mogelijk te maken wordt er maximaal ingezet op het opschalen van opwekking van diverse bronnen: wind op zee & land, zon op dak en land en zal er meer kernenergie opgewekt worden. Randvoorwaardelijk aan deze transitie is het tijdig (mee) ontwikkelen van de infrastructuur: van hoogspanningsleidingen op zee tot transformatorhuisjes in de wijk. Figuur 7 geeft weer hoe de 20

toename van het verwachte elektriciteitsverbruik er uit gaat zien. Op korte termijn wordt een groot deel van de toename in elektriciteitsvraag verwacht in de industrie en transportsector. Vanaf 2030 gaat de inzet van energie voor andere ketens, zoals waterstof en warmte, een aanzienlijk deel van de elektriciteitsbehoefte bepalen.

Figuur 7: Ontwikkeling van het energiesysteem uit NPE verdiepingsdocument B

Opwek: tabel 2 geeft richtwaardes voor de ontwikkeling van vraag naar en aanbod van elektriciteit. Tot 2030 is door middel van de Regionale Energie Strategieën (RES) bepaald hoeveel energie opgewekt zal worden in Nederland uit zon en wind op land. Dat betekent dat voor de periode vanaf 2030 tot 2050 er nog een grote opgave voor duurzame opwek overblijft. De hoeveelheid energie geproduceerd uit zonne-energie zal in deze periode moeten verdrievoudigen en de energieproductie uit wind op land zal verdubbelen.

Tabel 1: Richtwaarden voor vraag naar en aanbod van energie. Uit NPE verdiepingsdocument B

Flexibiliteit: Omdat de productie van elektriciteit in de toekomst meer weersafhankelijk wordt, terwijl het stroomnet in balans moet blijven, zijn er flexibiliteitsopties nodig. Dit kan gaan om grofweg vier categorieën: 1. Vraagsturing met bijvoorbeeld prijsprikkels of conversie naar andere energiedragers. 2. CO2-vrij regelbaar productievermogen, zoals met waterstof in gascentrales en curtailment (afschakelen van zonnepalen/windmolens bij aanbodpiek). 3. Opslag van elektriciteit in batterijen. 4. Interconnectie: balans op het net hoeft niet in Nederland gerealiseerd te worden, overschotten in Nederland kunnen gebruikt worden in het buitenland en omgekeerd.

21

A.1.2.2 Waterstof Waterstof krijgt een cruciale rol voor de industrie, op plekken waar zeer veel warmte nodig is. Daarnaast kan waterstof een oplossing bieden voor (zwaar) transport over lange afstanden over de weg, water en via de lucht. Waterstof kan een belangrijke rol gaan spelen omdat het flexibiliteit biedt aan het energiesysteem. Het omzetten van overtollige groene energie in waterstof op zonnige dagen met veel wind, in combinatie met opslag in bijvoorbeeld oude gasvelden, kan in de winter gebruikt worden als piekvoorziening op koude dagen, waar de opwek van groene energie tegenvalt.

Figuur 8: waterstofladder. Bron: IRENA (2022) Geopolitics of the Energy Transformation: The Hydrogen Factor

A.1.2.3. Koolstof Koolstof, nu nog primair fossiel maar straks duurzame koolstof zoals biomassa, blijft nodig. Voor veel toepassingen bestaan in de toekomst koolstofvrije alternatieven. Maar door de behoefte aan brandstoffen met hoge energiedichtheid in de lucht- en zeevaart en de behoefte aan koolstof voor de productie van chemicaliën en materialen, blijft er ook in de toekomst behoefte aan koolstofdragers. De hoeveelheid duurzame koolstof zal beperkt zijn en dus ingezet worden waar alternatieven technisch moeilijk toepasbaar of economisch onrendabel zijn. Naast het gebruik van koolstof, zal actieve verwijdering van koolstof uit de atmosfeer of het afvangen tijdens verbrandingsprocessen een bijdrage leveren het realiseren van klimaatneutraliteit in 2050. Dat gebeurt door het compenseren van emissies die moeilijk te reduceren zijn, zoals methaanemissies in de landbouw. Op korte termijn kan het ook ingezet worden voor emissies die in de toekomst wel vermeden kunnen worden (bijvoorbeeld bij de productie van blauwe waterstof). Tot slot is koolstofverwijdering op de lange termijn (na 2050) onvermijdelijk om na verwachte overschrijding de opwarming weer terug te brengen tot 1,5 graden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/585/documents/18245