CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B06. staat van utrecht armoedespecial tg.pdf

Gemeenteraad 5 juni 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken28.683 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

De Staat van Utrecht over armoede CIJFERS, BELEVING EN ONTWIKKELINGEN

1

2

Inhoud

Introductie

5

Samenvatting

7

Cijfers over armoede Armoede in de persoonlijke leefwereld Samenlevingsbrede ontwikkelingen

7 8 10

1

14

Cijfers over Provincie Utrecht

1.1 Inleiding  Toelichting op vier hoofdgroepen cijfers over (risico op) armoede 1.2 Beeld van armoede in de provincie Utrecht totaal 1.3 Beeld van armoede in de gemeenten 1.4 Utrechtse cijfers in context

15 17 19 21 24

2

Armoede en de persoonlijke leefwereld

26

2.1 Inleiding 2.2 Relatie armoede en persoonlijke leefwereld in cijfers 2.3 Nieuwe inzichten over erfelijkheid en stress 2.4 Nieuwe inzichten over redzaamheid en grip 2.5 Samenvattend: armoede is vaak diepgeworteld

27 28 30 33 37

3

Samenlevingsbrede ontwikkelingen

38

3.1 Inleiding 3.2 Nieuwe maatschappelijke normen 3.3 Grote groei van de schuldenproblematiek 3.4 Opkomst van de stress-sensitieve benadering in sociaal domein 3.5 Samenlevingsbrede inzet 3.6 Tenslotte

39 40 43

Bibliografie

51

44 46 49

3

Bijlage 1: Armoedecijfers per gemeente

54

Bijlage 2: Armoedecijfers per indicator

82

Overzicht van gebruikte armoede-indicatoren Amersfoort Baarn De Bilt Bunnik Bunschoten Eemnes Houten IJsselstein Leusden Lopik Montfoort Nieuwegein Oudewater Renswoude Rhenen De Ronde Venen Soest Stichtse Vecht Utrecht (gemeente) Utrechtse Heuvelrug Veenendaal Vijfheerenlanden Wijk bij Duurstede Woerden Woudenberg Zeist

55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81

1. Inwoners met armoede (CBS, Nibud, SCP-definitie) 2. Huishoudens (totaal) met een laag inkomen 3. Paren met kinderen met laag inkomen 4. Eenoudergezinnen met laag inkomen 5. Eenpersoonshuishoudens met laag inkomen 6. Huishoudens met geregistreerde problematische schulden 7. Woonquote 8. Energiearmoede

83 84 88 92 96 100 102 103

Colofon

104

4

Introductie

Ieder jaar buigt de Staat van Utrecht zich over een nieuw onder­ werp, om bestuurders, beleidsmakers, ondernemers, kennis­ werkers, maatschappelijke organisaties en geïnteresseerde inwoners te informeren over de stand van zaken binnen de provincie. Dit jaar is het thema ‘armoede’. We hebben het opgedeeld in drie hoofdonderwerpen. De eerste wordt gevormd door cijfers over armoede in de provincie en de 26 gemeenten. Daarna gaan we in op de belevingskant van armoede. Er zijn op dit gebied belangwekkende nieuwe inzichten die ons kunnen helpen om armoedevraagstukken beter beheersbaar te maken. Tenslotte de vraag: welke ontwikkelingen zien we momenteel samenlevingsbreed?

wetenschappelijke basis. Experts op het gebied van armoede- en gezondheidsonderzoek hebben meegedacht en meegelezen op de inhoud. De eindverantwoordelijkheid van de tekst ligt bij de Staat van Utrecht zelf, een onafhankelijk samenwerkingsverband tussen de provincie en gemeente Utrecht. Eerdere specials gingen onder andere over de wateropgaven in de provincie Utrecht en over vraagstukken rondom vergrijzing. Recent heeft de Staat van Utrecht daarnaast een website-module over brede welvaart ontwikkeld.

Deze special is tot stand gekomen op basis van een groot aantal cijfermatige en kwalitatieve onderzoeksbronnen met een

Florien Labree Programmamanager

Mocht u vragen, opmerkingen of suggesties hebben ten aanzien van de inhoud van deze special of ons platform, dan zien we die graag tegemoet via info@staatvanutrecht.nl.

5

6

Samenvatting

In deze special kijken we op drie manieren naar armoede. Op de eerste plaats kijken we naar de cijfers over armoede in de provincie Utrecht, zowel voor de provincie als geheel als voor de gemeenten apart. Op de tweede plaats zetten we een aantal relatief nieuwe inzichten op een rij over de impact die armoede kan hebben op het persoonlijke leven van mensen. Bijvoorbeeld hoe er sprake kan zijn van ‘overerving’ bij moeilijke omstandigheden en hoe het zelfbeeld van mensen aangetast kan raken. Tenslotte kijken we naar armoede in maat­ schappelijk perspectief. We noemen een aantal samenlevingsbrede ontwikkelingen, die een indicatie geven van nieuwe wegen die worden ingeslagen.

Cijfers over armoede Er bestaat (helaas) nog niet één soort cijfer dat voor alle Neder­ landse huishoudens armoede omvattend in beeld brengt. In deze special hebben we er dan ook voor gekozen om een lijst van 21 afzonderlijke armoede-indicatoren onder elkaar te zetten voor iedere gemeente apart – en uiteraard voor de provincie als totaal. Deze cijfers geven tezamen nog steeds niet ‘de enige werkelijkheid’ rond armoede weer. Onder andere omdat geen rekening wordt

gehouden met (uiteenlopende) armoedegrenzen en individueel toegepaste regelingen vanuit gemeenten afzonderlijk. De cijfers representeren vooral het (aanzienlijke) risico dat een huishouden op armoede heeft. Provincie Utrecht totaal: Voor de provincie Utrecht als totaal geldt dat zij in het algemeen een gunstig beeld laat zien op armoedegebied. Op 20 van de 21 indicatoren is de gemiddelde score van de provincie Utrecht gunstiger dan voor Nederland totaal. Alleen waar het gaat om het aandeel paren met kinderen dat vier jaar of langer een inkomen heeft tot aan de lage inkomensgrens, is het cijfer (0,8%) voor de provincie Utrecht gelijk aan dat van Nederland. Kijken we naar huishoudentypes dan zijn het vooral de eenpersoonshuishoudens die zowel kort- als langdurig een inkomen hebben tot aan de lage inkomensgrens. Dit geldt ook voor heel Nederland en specifiek sterk voor de groep 55- tot 65-jarigen. Opvallend is dat er in de provincie Utrecht (net als in Nederland totaal), veel meer huishoudens zijn met geregistreerde problematische schulden (47.500 huishoudens) dan met een inkomen tot aan de lage inkomensgrens (19.700 huishoudens). Hier gaan we in deel drie verder op in. Gemeenten apart: Uit analyse van de 26 gemeenten blijkt dat zij onderling heel uiteenlopende armoede(risico)-profielen laten zien. De drie gemeenten die gemiddeld genomen het meest ongunstig

7

scoren binnen de provincie zijn Utrecht, Zeist en Amersfoort. Gemeenten die in totaal relatief gunstig scoren zijn Bunnik, Houten en Woudenberg. Voor de gemeente Zeist geldt dat zij als enige Utrechtse gemeente scores heeft die – ongunstig – boven het Nederlandse gemiddelde uitkomen op zowel het vlak van relatieve woonkosten (woonquote) als energiearmoede. In de bijlagen zijn alle cijfermatige uitkomsten per gemeente en per indicator bij elkaar gebracht.

Armoede in de persoonlijke leefwereld In de afgelopen decennia zijn nieuwe (wetenschappelijke) inzichten ontstaan over hoe armoede invloed heeft op het persoonlijke leven van mensen. Alhoewel er al wel langer (cijfermatige) verbanden werden gezien tussen bijvoorbeeld armoede en minder goede gezondheid, ontbrak het nog vaak aan precieze verklaringen. Daar is nu verandering in gekomen. We noemen vier relevante nieuwe inzichten die toekomstig beleid verder kunnen ondersteunen. Overerving genetische effecten bij zware levensomstandigheden: Op de eerste plaats is er meer kennis over hoe zware sociale levensomstandigheden (die kunnen leiden tot armoede of soms geworteld zijn in armoede) ongunstige genetische effecten kunnen hebben. Het is niet zo dat het DNA van mensen dan zomaar

8

verandert, maar wel dat sommige genen kunnen worden ‘aanen uitgezet’. Dit kan leiden tot fysieke gezondheidsproblemen en tot negatieve impact op het sturen van eigen gedrag. Uiteindelijk kunnen deze genetische effecten ook worden overgeërfd door baby’s, die daarmee al belast ter wereld komen. Deze visie vormt een breuk met eerdere aannames dat sociale omstandigheden weliswaar invloed hebben op het leven van kinderen in het hier en nu, maar op zichzelf niet erfelijk zijn. Aangenomen werd dat baby’s in dat opzicht altijd met een schone lei ter wereld komen. De nieuwe inzichten brengen intergenerationele problematiek sterker in beeld en de mogelijke kwetsbaarheid van baby’s al voor hun geboorte. Landelijke programma’s zoals ‘De eerste duizend dagen van het kind’ spelen onder andere hier op in. Langdurige stress brengt lichamelijke en gedragsmatige veranderingen teweeg: Relatief nieuw stress-gerelateerd onderzoek laat eveneens zien hoeveel consequenties chronische stress kan hebben op gezondheid en gedrag. Door een disbalans in stressnetwerken in het lichaam, bijvoorbeeld als gevolg van armoede- of schuldenproblematiek, kunnen (langdurige) veranderingen optreden in de productie van bepaalde hormonen die daarmee op hun beurt de werking van organen en hersenen in ongewenste richting bijsturen.

Concreet kan dit onder andere betekenen dat er een verminderd vermogen ontstaat om te plannen en langetermijn-beslissingen te nemen, er meer risico komt op

9

bepaalde ziektes en het ervaren van angst en depressie. Mensen die hiermee te maken krijgen lopen sterk risico om op deze manier in een neerwaartse spiraal van problemen te komen. Zelfredzaamheidsproblemen van mensen kunnen niet zomaar worden opgelost: Bij de opkomst van de participatiesamenleving is door beleidsmakers vaak impliciet aangenomen dat mensen in principe zelfredzaam zijn, ofwel tot zelfredzaamheid kunnen worden gebracht door bijvoorbeeld aanmoediging of interventies. In een studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) wordt die visie op een onderbouwde manier bekritiseerd. De WRR stelt dat mensen, als zij taken moeten verrichten, niet alleen hun ‘gewone’ intelligentie gebruiken, maar ook een aantal niet-cognitieve vaardigheden moeten inzetten (om bijvoorbeeld een plan te maken, in actie te komen of met tegenslag om te gaan). Dit laatste noemt de WRR het doenvermogen van mensen, iets dat grotendeels in aanleg gevormd is en niet zomaar kan worden bijgesteld. Juist dit doenvermogen is van wezenlijk belang bij het managen van eventuele financiële problemen, omdat daar risico’s spelen als het overzicht verliezen of geen oog hebben voor langetermijngevolgen.

Het is zaak volgens de WRR dat in de beleidsuitvoering rekening wordt gehouden met de verschillen in doenvermogen tussen mensen zodat er voor iedereen evenveel mogelijkheid ontstaat om zich goed te redden bij (financiële) tegenslag.

10

Gebrek aan grip kan negatieve spiraal van (maatschappelijke) ontevredenheid op gang brengen: Tenslotte is er nog het relatief nieuwe wetenschappelijke inzicht (eveneens van de WRR) dat het gevoel van mensen om ‘grip’ te hebben op situaties sterk samenhangt met levenstevredenheid, geluk en mentale- en fysieke gezondheid. De afwezigheid van dit gevoel hangt sterk samen met gevoelens van maatschappelijk onbehagen. Veel mensen met armoede- en schuldenproblematiek zullen te maken hebben met gevoelens van ‘griploosheid’. Iets dat volgens deskundigen misschien nog wel erger is dan weinig geld hebben. Het wakkert gevoelens van wantrouwen jegens instanties en overheid aan en kan parallel daarmee gevoelens van (vermeend) eigen tekortschieten aanjagen, met negatieve zelfbeelden en een spiraalwerking naar beneden als gevolg. Ook hier geldt volgens de WRR dat er nadrukkelijk meer aandacht moet komen voor dit thema in de beleidsuitvoering. Niet alleen voor de burgers zelf maar vooral ook in het belang van cohesie in de samenleving als geheel.

Samenlevingsbrede ontwikkelingen Armoedevraagstukken hebben zich door de geschiedenis heen altijd voorgedaan, maar veranderen in de loop der tijd wel steeds van context. Op basis van literatuurstudie en analyse van de cijfermatige data noemen we een aantal ontwikkelingen die

armoedeproblematiek in onze huidige tijd kenmerken, ons realiserend dat we deze lijst zeker niet compleet kunnen maken. Communiceren in een (digitale) netwerksamenleving. In de afgelopen dertig jaar zijn er nieuwe waarden ontstaan over hoe er gecommuniceerd moet worden over bijvoorbeeld (de aanvraag van) voorzieningen door burgers. Daarbij wordt er sterker geleund op ieders mogelijkheden om vragen, problemen, wijzigingen in de leefomstandigheden en dergelijke, om te zetten in abstracte digitale acties en het verlies te dragen van menselijk contact waarin de persoonlijke situatie gezamenlijk kan worden doorgesproken. Naast dat aan de digitalisering ook veel goeds kan worden toegeschreven waar het gaat om voorzieningen op het gebied van armoede (zoals maatwerk), draagt de noodzaak tot digitale geletterdheid ook bij aan een potentieel verlies aan controle en grip, zoals hierboven besproken. Veranderende set aan basisbehoeften: Met het veranderen van samenlevingsvormen, verandert ook de set aan basis­ behoeften van mensen. Dit maakt het noodzakelijk om voortdurend te blijven ijken hoe een minimumpakket van voorzieningen er in geval van armoede uit moet zien. Met

11

name de Commissie Sociaal Minimum gaat momenteel uitvoerig in op de brede aspecten van armoede. Zij koppelt daar een streven aan naar (de soms mogelijk verwarrende term) ‘bestaanszekerheid’. De commissie komt met nieuwe berekeningen en beleidsuitdagingen, zoals het versterken van de financiële positie van huishoudens met kinderen en het harmoniseren van gemeentelijke regelingen. Schuldenproblematiek momenteel meest omvangrijke indicator van armoede: In de afgelopen dertig jaar is het aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden bijna verdrievoudigd, waarbij blijkt dat 60% van de huishoudens deze schulden minimaal drie jaar op een rij heeft. Voor de provincie Utrecht geldt, zo blijkt uit dit onderzoek, dat het aantal huishoudens met schulden in 2023 2,4 maal hoger ligt dan het aantal huishoudens met een inkomen tot aan de lage inkomensgrens, waarbij ook nog maar beperkt sprake is van overlap tussen beide. Schuldenproblematiek lijkt daarmee een belangrijkere factor te zijn geworden om armoede te identificeren, dan (alleen) het inkomen. Opkomst van stress-sensitieve benadering in sociaal domein: De nieuwe inzichten over de effecten van stress op gezondheid en gedrag, zoals eerder al toegelicht, worden

12

steeds vaker vertaald naar nieuwe aanpakken in gezondheidszorg en sociaal domein. Onder de noemer ‘stress-sensitief werken’ veranderen bijvoorbeeld afdelingen Werk & Inkomen van gemeenten hun aanpak, gericht op het verlagen van de druk (en stress-niveaus) van mensen met financiële problemen, om op die manier de negatieve spiraalwerking ervan te doorbreken. Bijvoorbeeld krijgen ontmoetingsruimten meer omgevingscomfort en wordt er psycho-educatie gegeven aan cliënten over de impact van stress. Meer ruimte voor ervaringsdeskundigheid: In de afgelopen jaren is er vanuit diverse maatschappelijke organisaties steeds meer ingezet op het opleiden van ervaringsdeskundigen: mensen die hun ervaringen met arm-zijn helder en open weten te verwoorden, met name ook voor beleidsmakers. Tezamen met artikelen en boeken die vanuit dit perspectief zijn geschreven, komt er meer zicht op de diepgaande en complexe impact die armoede kan hebben. Vooral ook hoe de effecten een leven lang bij iemand kunnen blijven, ondanks dat men inmiddels een ‘gewoon’ inkomen heeft. Toenemende verantwoordelijkheid van publieke en private sectoren: Naast het reguliere armoedebeleid van Rijksoverheid en gemeenten zijn er diverse grote maatschappelijke partijen, die betrokken worden bij de (preventie van) armoedeproblematiek. Bijvoorbeeld worden werkgevers door de overheid uitgenodigd om

financiële problemen bij hun personeel zo vroeg mogelijk op het spoor te komen en daarop te handelen. Primair- en voortgezet onderwijsscholen worden gevraagd alert te zijn op signalen van armoede bij kinderen en hun ouders en daarop passende interventies te plegen. Jeugdbeschermers worden bijgeschoold op het vollediger identificeren van financiële stress in een gezin waar zorgen over zijn. Nutsvoorzieningen worden gevraagd melding te doen als rekeningen onbetaald blijven, zodat gemeenten vroegtijdig een hulpaanbod kunnen organiseren. Daarnaast zijn er talloze burgerinitiatieven waarbij men bijvoorbeeld door middel van crowdfunding direct en concreet schrijnende situaties weet op te lossen (Collectief Kapitaal, ‘Lekker Geven’). Soms wordt er vanuit die burgerinitiatieven ook samengewerkt met lokale overheden. Tenslotte: Ondanks deze brede maatschappelijke inzet op het gebied van armoede, blijken de problemen nog lang niet opgelost. Deels gaat het om politieke discussies, deels om een wicked problem van mismatch tussen (latente) vraag en aanbod op onder­ steuningsgebied. De besproken nieuw gegroeide inzichten en maatschappelijke ontwikkelingen rondom armoede zullen hierbij hopelijk op termijn steeds breder toepasbaar en effectief blijken.

13

1

Cijfers over Provincie Utrecht 1.1

Inleiding

1.2

Beeld van armoede in de provincie Utrecht totaal

1.3

Beeld van armoede in gemeenten

1.4

Utrechtse cijfers in context

1.1

Inleiding In dit eerste deel over armoede, kijken we naar de cijfers. Hoeveel mensen (of huishoudens) in de provincie Utrecht zijn volgens officiële cijfers arm te noemen of hebben daar een groot risico op? Welk onderscheid kan daarbij gemaakt worden naar huishoudensvorm (eenoudergezinnen, paren met kinderen, alleen­wonenden), en soort armoede (inkomens-armoede, schulden­problematiek of armoede naar deelgebied zoals energie-armoede)? Het doel is om zo specifiek mogelijk de omvang van (potentiële) armoedeproblemen in de provincie in kaart te brengen. Daarnaast brengen we kort ook de context van deze cijfers in beeld. Het gaat om landelijke analyses die ook voor de Utrechtse situatie van belang zijn.

15

Cijfers over (risico op) armoede in vier hoofdgroepen Het heel precies bepalen wanneer een huishouden arm genoemd kan worden, is lastig. In de afgelopen decennia zijn door kennis­ centra diverse methodieken ontwikkeld om dit te becijferen en dat leidde tot uiteenlopende uitkomsten. Recent hebben CBS, Nibud en Sociaal Cultureel Planbureau hun krachten gebundeld en één gemeenschappelijke methodiek ontwikkeld. Hieruit volgt een nieuw integraal armoedecijfer, wat echter op dit moment voor gemeenten nog niet verder uitgesplitst kan worden naar bijvoorbeeld huishoudenstypes of woonsituatie. Doordat geen van alle beschikbare soorten cijfers op zichzelf een compleet beeld geeft over de mate waarin armoede voorkomt, gebruiken we in deze special meerdere indicatoren naast elkaar. Het gaat om vier hoofdgroepen cijfers, die tezamen vooral het risico op armoede omvatten. De vier hoofdgroepen cijfers over armoede die we onderscheiden zijn: (a) armoedecijfers zoals berekend door CBS, Nibud en SCP gezamenlijk (CBS, Nibud, SCP) (b) cijfers over huishoudens die een inkomen hebben onder de lage inkomensgrens (CBS) (c) cijfers over huishoudens die geregistreerde problematische schulden hebben (CBS) (d) cijfers over mogelijke deeloorzaken op het gebied van armoede, zoals energiekosten en woonlasten (CBS, TNO).

16

Iedere gemeente kiest zelf de breedte van haar armoedebeleid Of iemand werkelijk met armoede te maken heeft, valt van buitenaf nooit zomaar te bepalen. Het hebben van een laag inkomen hoeft niet per se te betekenen dat iemand zich ook arm voelt, en andersom is het ook niet zo dat iemand met een ruim inkomen nooit armoede zal kennen. Daarnaast is het heel belangrijk om op te merken dat gemeenten in hun armoedebeleid een eigen grens bepalen. Zij werken vaak met het wettelijk sociaal minimum (WSM) als uitgangspunt en kiezen daarbij voor bijvoorbeeld 101% van het WSM, 105%, 110% et cetera. Dit vormt vervolgens de basis waarop individuele regelingen kunnen worden toegepast. Het betreft hier niet de toeslagen die centraal door de Rijksoverheid worden toegekend, maar gemeentelijke- of provincieafhankelijke aanvullingen. Dit kan zijn in de vorm van bijzondere bijstand, maar ook in de vorm van speciale passen die bijvoorbeeld korting geven op openbaar vervoer, toegang tot de voedselbank, tegemoetkoming in kosten voor kinderen in het onderwijs en dergelijke. De omvang en aard van regelingen op het gebied van armoede verschillen per gemeente. Dat betekent dat in de praktijk een huishouden in de ene gemeente anders ondersteund kan worden dan in een andere gemeente.

In hoeverre er wel of niet sprake is van ‘ervaren armoede’ is met andere woorden niet uit de hier gepresenteerde indicatoren te herleiden. Deze vormen vooral een theoretisch (risico)model.

Toelichting op vier hoofdgroepen cijfers over (risico op) armoede 1 Integraal armoedecijfer CBS, Nibud en SCP In oktober 2024 zijn CBS, Nibud en SCP gezamenlijk naar buiten gekomen met een nieuw meetinstrument voor armoede. Daarmee wordt een einde gemaakt aan de cijfermatige en kwalitatieve analyses die eerder parallel werden opgesteld en gebaseerd waren op enigszins afwijkende onderliggende aannames. In het nieuwe model worden berekeningen over wat een huishouden minimaal nodig heeft enerzijds wat breder ingestoken dan voorafgaand, met meer oog voor bijvoorbeeld de noodzaak om sociaal te kunnen participeren. Anderzijds wordt nu ook het vermogen van huishoudens meegenomen in de analyses. Als een huishouden een vermogen (en daarmee financiële buffer) heeft dat hoger is dan de armoedegrens op jaarbasis, dan is er geen sprake van armoede volgens de kennisinstellingen. Voor een alleenstaande lag dat bedrag in 2023 op € 18.145, voor een stel met twee jonge kinderen was dat € 30.405.

2 Cijfers over inkomen tot aan de lage inkomensgrens De lage inkomensgrens betreft een vast bedrag aan inkomen dat voor alle jaren en alle typen huishoudens een gelijke koopkracht vertegenwoordigt. De hoogte ervan is geënt op de bijstandsuitkering van een alleenstaande in 1979, toen deze op een hoog niveau lag. Een inkomen onder de lage inkomensgrens hoeft niet per se te betekenen dat een huishouden arm is (of zich arm voelt), maar geeft volgens het CBS in ieder geval wel risico op armoede. In tegenstelling tot het eerder genoemde nieuwe integrale armoedecijfer van CBS, Nibud en SCP kunnen de cijfers over inkomen tot aan de lage inkomensgrens ook gekoppeld worden aan demografische kenmerken. Daardoor is het mogelijk om onderscheid te maken naar deelgroepen op gemeenteniveau, zoals bijvoorbeeld naar huishoudentype en naar duur van de situatie.

17

Toelichting op vier hoofdgroepen cijfers over (risico op) armoede 3 Cijfers over geregistreerde problematische schulden Het CBS heeft registratiedata van schulden die huishoudens hebben bij een 15-tal aan de overheid gekoppelde instanties zoals belastingdienst, DUO, SVB, CJIB en van registraties bij BKR en deelname aan schuldsaneringstrajecten (WSNP). Om te bepalen of er bij een huishouden sprake is van een problematische schuld, zijn er per instantie criteria opgesteld. Bijvoorbeeld is er sprake van een problematische schuld bij de belastingdienst als ten minste één persoon in het huishouden een belastingschuld heeft die in de afgelopen 12 maanden niet inbaar is gebleken. Vaak is er op huishoudensniveau sprake van problematische schulden bij meerdere instanties.

18

4 Cijfers over energiearmoede Energiearmoede wordt door het CBS en TNO berekend door het koppelen van het inkomen van huishoudens aan de hoogte van de energierekening en/of de energetische kwaliteit van de woning. Dit laatste is een maat voor hoe energiezuinig een woning is. Er is sprake van energiearmoede als een huishouden een laag inkomen heeft en een hoge energierekening, ofwel een laag inkomen heeft en een woning met een lage energetische kwaliteit. Deze berekeningen staan los van de vraag of een huishouden tegemoetkoming heeft ontvangen voor deze kosten van een overheid. 5 Verhoudingspercentage woonlasten op inkomen (woonquote) De woonquote is het gemiddelde percentage van het huishoud­ inkomen dat besteed wordt aan woonlasten (exclusief huurtoeslag, koopsubsidie, hypotheekaftrek en dergelijke). Hoe hoger de quote uitkomt, hoe minder inkomen er gemiddeld overblijft om vrij te besteden. Gemiddeld in Nederland is de woonquote hoger voor huurders dan voor woning-eigenaren. In 2022 is de woonquote voor heel Nederland gemiddeld 22,3%.

1.2 Beeld van armoede in de provincie Utrecht totaal Armoedecijfers provincie Utrecht vergeleken met Nederland totaal Provincie Utrecht

Nederland

Armoede (2023) % inwoners dat in armoede leeft volgens integrale CBS, Nibud, SCP-indicator

2,6%

3,1%

1 jaar of langer

3,3%

3,8%

4 jaar of langer

0,9%

1,0%

1 jaar of langer

2,4%

2,5%

4 jaar of langer

0,8%

0,8%

1 jaar of langer

5,4%

5,7%

4 jaar of langer

1,1%

1,3%

1 jaar of langer

4,9%

5,9%

4 jaar of langer

1,1%

1,3%

1 jaar of langer

19.700

296.300

4 jaar of langer

4.800

69.100

1 jaar of langer

3.900

48.400

4 jaar of langer

1.300

15.600

1 jaar of langer

2.100

32.100

4 jaar of langer

400

6.500

1 jaar of langer

10.500

167.600

4 jaar of langer

2.100

32.300

Laag inkomen, procentueel (2023) % huishoudens totaal met laag inkomen % paren met kinderen met laag inkomen % eenoudergezinnen met laag inkomen % eenpersoonshuishoudens met laag inkomen Laag inkomen, absolute aantallen (2023) Aantal huishoudens totaal met laag inkomen Aantal paren met kinderen met laag inkomen Aantal eenoudergezinnen met laag inkomen Aantal eenpersoonshuishoudens met laag inkomen Schulden (2024) % huishoudens met geregistreerde problematische schulden Aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden

7,4%

8,9%

47.500

747.560

21,6%

22,3%

3,2%

4,8%

Woonquote (2022) Woonquote Energiearmoede (2024) % huishoudens met energiearmoede Bron: CBS, TNO, Nibud, SCP

19

Absoluut aantal huishoudens in provincie Utrecht met inkomen tot lage inkomensgrens (2023) en huishoudens met schulden (2024)

Huishoudens met geregistreerde problematische schulden

47.500

Eénpersoonshuishoudens met inkomen tot lage inkomensgrens

10.500

Paar met kinderen met inkomen tot lage inkomensgrens

3.900

Eénoudergezin met inkomen tot lage inkomensgrens

2.100 0

10.000

groep voor armoede. Ruim 2.000 eenpersoonshuishoudens hebben in de provincie Utrecht langdurig (langer dan 4 jaar) te maken met een laag inkomen.

20.000

30.000

40.000

50.000

Op basis van de uitkomsten in de tabel trekken we de volgende conclusies: Utrecht scoort gunstig ten opzichte van Nederland totaal. Uit de tabel blijkt dat de situatie voor de provincie Utrecht op het gebied van armoede, vergeleken met Nederland totaal, relatief gunstig is. We zien dat de percentages voor alle indicatoren, met uitzondering van één, lager liggen dan voor Nederland. De uitzondering wordt gevormd door het percentage paren met kinderen met een langdurig laag inkomen (> 4 jaar), dat voor provincie en Nederland gelijk is (0,8%). Vooral eenpersoonshuishoudens hebben een (langdurig) laag inkomen. In de provincie Utrecht hebben een kleine 20.000 huishoudens een inkomen onder de lage inkomensgrens. Iets meer dan de helft daarvan wordt gevormd door eenpersoonshuishoudens. Deze groep vormt getalsmatig (ook landelijk) de meest kwetsbare

20

Vaker schuldenproblematiek per huishouden dan een inkomen tot de lage inkomensgrens. Zowel landelijk als voor de provincie Utrecht geldt dat er veel meer huishoudens zijn waar schulden­ problematiek speelt dan bijvoorbeeld het hebben van een laag inkomen. Absoluut gezien bestaat de groep huishoudens met een laag inkomen in de provincie Utrecht uit 19.700 huishoudens, terwijl de groep huishoudens met geregistreerde problematische schulden 47.500 huishoudens omvat. Schuldenproblematiek legt daarmee een groter probleem bloot. Hier komen we op terug in deel III. Woonquote in provincie Utrecht ligt gunstiger dan voor Nederland gemiddeld. Het gemiddelde percentage van het huishoudinkomen dat besteed wordt aan woonlasten (exclusief huurtoeslag, koopsubsidie, hypotheekaftrek en dergelijke) is voor Nederland gemiddeld in 2022 22,3%, voor de provincie Utrecht is dat 21,6%. Energiearmoede in provincie Utrecht ligt lager dan in Nederland gemiddeld. Het aandeel huishoudens dat een laag inkomen heeft, en ofwel een hoge energierekening ofwel een woning met lage energetische kwaliteit is in de provincie Utrecht in 2024 met 3,2% lager dan landelijk gemiddeld (4,8%).

1.3

Beeld van armoede in de gemeenten

In bijlagen I en II worden alle cijfermatige uitkomsten per gemeente en per indicator gepresenteerd. We zien dat de aan armoede gerelateerde ‘profielen’ van gemeenten, onderling verschillen. Met de kleuren rood en groen hebben we in de bijlage de cijfers gearceerd waar de gemeente behoort tot de drie meest gunstig scorende binnen de provincie Utrecht (groen), en die waar de gemeente behoort tot de drie meest ongunstig scorende binnen de provincie Utrecht (rood). In onderstaand overzicht worden enkele verschillen tussen gemeenten in risico op armoede bij elkaar gezet.

21

Enkele verschillen tussen gemeenten in (risico op) armoede ten opzichte van Nederland en/of provincie Utrecht Amersfoort

- Relatief veel huishoudens met geregistreerde problematische schulden (8,3%) ten opzichte van provincie Utrecht gemiddeld (7,4%).

Baarn

- Relatief weinig eenoudergezinnen (4%) met laag inkomen ten opzichte van Nederland gemiddeld (5,7%).

De Bilt

--

Bunnik

- Relatief weinig inwoners (1,2%) dat in armoede leeft volgens integrale CBS-Nibud-SCP indicator ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,1%) en de provincie Utrecht (2,6%). - Relatief weinig huishoudens dat vier jaar of langer een laag inkomen heeft (0,4%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,0%) en de provincie Utrecht (0,9%). - Relatief weinig huishoudens (4,3%) met geregistreerde problematische schulden, ten opzichte van Nederland gemiddeld (8,9%) en de provincie Utrecht (7,4%). - Relatief weinig huishoudens (2,1%) met energiearmoede ten opzichte van Nederland gemiddeld (4,8%) en de provincie Utrecht (3,2%).

Bunschoten

- Relatief weinig inwoners (2,2%) met laag inkomen ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,8%) en de provincie Utrecht (3,3%). - Relatief lage woonquote (20,3%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (22,3%).

Eemnes

- Relatief weinig eenoudergezinnen die langdurig een laag inkomen hebben (0,7%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,3%).

Houten

- Relatief weinig inwoners (1,3%) dat in armoede leeft volgens integrale CBS-Nibud-SCP indicator ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,1%) en de provincie Utrecht (2,6%). - Relatief weinig huishoudens met laag inkomen (1,9%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,8%) en de provincie Utrecht (3,3%). - Relatief weinig huishoudens met geregistreerde problematische schulden (5,0%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (8,9%) en de provincie Utrecht (7,4%). - Relatief lage woonquote (20,3%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (22,3%). - Relatief weinig huishoudens (1,4%) met energiearmoede ten opzichte van Nederland gemiddeld (4,8%) en de provincie Utrecht (3,2%).

IJsselstein

- Relatief weinig huishoudens met een laag inkomen (2,2%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,8%) en de provincie Utrecht (3,3%).

Leusden

- Relatief weinig huishoudens dat vier jaar of langer een laag inkomen heeft (0,4%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,0%) en de provincie Utrecht (0,9%). - Relatief weinig huishoudens met geregistreerde problematische schulden (5,1%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (8,9%) en de provincie Utrecht (7,4%). - Relatief lage woonquote (20,4%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (22,3%). - Relatief weinig huishoudens met energiearmoede (1,6%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (4,8%).

Lopik

--

Montfoort

- Relatief weinig eenoudergezinnen met laag inkomen (4,0%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (5,7%) en provincie Utrecht (5,4%). - Relatief weinig eenpersoonshuishoudens met vier jaar of langer een laag inkomen (0,3%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,3%) en de provincie Utrecht (1,1%). - Relatief lage woonquote (20,4%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (22,3%). - Relatief weinig huishoudens met energiearmoede (2,1%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (4,8%).

22

Enkele verschillen tussen gemeenten in (risico op) armoede ten opzichte van Nederland en/of provincie Utrecht Nieuwegein

- Relatief weinig eenoudergezinnen met laag inkomen (4,0%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (5,7%) en de provincie Utrecht (5,4%). - Relatief veel huishoudens met geregistreerde problematische schulden (9,1%) ten opzichte van de provincie Utrecht gemiddeld (7,4%).

Oudewater

- Relatief veel huishoudens met energiearmoede (4,5%) ten opzichte van de provincie Utrecht gemiddeld (3,2%).

Renswoude

- Relatief veel eenpersoonshuishoudens met laag inkomen (9,6%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (5,9%) en de provincie Utrecht (4,9%).

Rhenen

- Relatief weinig eenpersoonshuishoudens met vier jaar of langer een laag inkomen (0,6%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,3%). - Relatief lage woonquote (20,4%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (22,3%).

De Ronde Venen

--

Soest

--

Stichtse Vecht

--

Utrecht (gemeente)

- Relatief veel inwoners (4,1%) dat in armoede leeft volgens integrale CBS-Nibud-SCP indicator ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,1%) en de provincie Utrecht (2,6%). - Relatief veel huishoudens met een laag inkomen (4,7%) ten opzichte van de provincie Utrecht (3,3%) en Nederland gemiddeld (3,8%). - Relatief veel huishoudens met vier jaar of langer een laag inkomen (1,4%) ten opzichte van de provincie Utrecht (0,9%).

Utrechtse Heuvelrug

- Relatief veel eenoudergezinnen met laag inkomen (6,6%) ten opzichte van de provincie Utrecht (5,4%).

Veenendaal

- Relatief veel huishoudens met geregistreerde problematische schulden (8,4%) ten opzichte van de provincie Utrecht gemiddeld (7,4%). - Relatief veel huishoudens met energiearmoede (4,7%) ten opzichte van de provincie Utrecht gemiddeld (3,2%).

Vijfheerenlanden

- Relatief weinig eenoudergezinnen met vier jaar of meer een laag inkomen (0,7%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,3%).

Wijk bij Duurstede

- Relatief veel weinig inwoners (1,4%) dat in armoede leeft volgens integrale CBS-Nibud-SCP indicator ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,1%) en de provincie Utrecht (2,6%). - Relatief weinig huishoudens met laag inkomen (2,2%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,8%).

Woerden

- Relatief weinig eenoudergezinnen met vier jaar of meer een laag inkomen (0,3%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,3%).

Woudenberg

- Relatief weinig huishoudens met een laag inkomen (2,2%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (3,8%) en de provincie Utrecht (3,3%). - Relatief weinig huishoudens met vier jaar of langer een laag inkomen (0,4%) ten opzichte van Nederland gemiddeld (1,0%).

Zeist

- Relatief hoge woonquote (22,9%) ten opzichte van de provincie Utrecht gemiddeld (21,6%) en Nederland gemiddeld (22,3%). - Relatief veel huishoudens met energiearmoede (5,0%) ten opzichte van de provincie Utrecht gemiddeld (3,2%) en Nederland gemiddeld (4,8%).

23

Algemene conclusies Ongunstige positie van gemeenten Utrecht, Zeist en Amersfoort. Alhoewel het grootste deel van de ongunstige armoedecijfers binnen de provincie Utrecht altijd nog gunstiger zijn dan die voor Nederland gemiddeld, zien we dat de gemeenten Utrecht, Zeist en Amersfoort relatief het vaakst slecht scoren op de onderzochte armoede-indicatoren. Dit blijkt zowel als we naar afzonderlijke indicatoren kijken, als uit de integrale armoedemeting van CBS, Nibud en SCP. Gemeente Zeist heeft te maken met relatief meest ongunstige woonquotes en energiearmoede. Voor de gemeente Zeist geldt dat zij als enige Utrechtse gemeente bovengemiddeld ongunstige scores heeft op zowel het vlak van woonquotes als energiearmoede. De woonquote is 22,9%, ten opzichte van 21,6% in Utrecht gemiddeld en 22,3% landelijk. Risico op energiearmoede is er in Zeist bij 5,0% van de huishoudens, ten opzichte van 3,2% in Utrecht gemiddeld.

1.4

Utrechtse cijfers in context

Kennisinstellingen zoals het CBS en Nibud analyseren geregeld op een statistische manier welke verbanden er zijn tussen het hebben

24

van een laag inkomen en andere levensomstandigheden zoals op gebied van werk, wonen, huishoudensvorm. We noemen hier enkele van deze verbanden omdat ze ook duiding geven aan de uitkomsten voor de provincie Utrecht. Veel kinderen met een (langdurig) armoederisico hebben nietEuropese herkomst Het CBS stelt – voor Nederland totaal – dat kinderen met een (langdurig) armoederisico vaak afkomstig zijn uit een eenoudergezin en relatief vaak ook een niet-Europese herkomst hebben. Bij de groep kinderen met een Syrische herkomst is het risico op (langdurige) armoede het grootst, maar ook geïmmigreerde en tweede generatie kinderen uit vluchtelingenlanden Iran, Irak, Afghanistan, Somalië en Eritrea hebben verhoogde risico’s op armoede. Dit is eveneens het geval bij geïmmigreerde Marokkaanse en Turkse kinderen en bij Nederlands-Marokkaanse kinderen. (CBS, 2023) Van de werkenden zijn zzp’ers en deeltijdwerkenden extra kwetsbaar voor armoede Van de werkenden in ons land, is het armoederisico onder zelfstandigen (met en zonder personeel) aanzienlijk groter dan onder werknemers. In 2022 liep 0,9% van de werknemers risico op armoede ten opzichte van 2,9% van de zelfstandigen met personeel (zmp’ers) en 5,9% van de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers).

Onder werknemers is er daarnaast een aanzienlijk verschil in risico op armoede tussen voltijds werkenden en deeltijd werkenden. In 2021 liep van de werknemers in deeltijd 2,1% risico op armoede, ten opzichte van 0,3% van de werknemers in voltijd. Het risico op langdurige armoede was bij de deeltijdwerkers 0,5% en bij de voltijdswerknemers vrijwel verwaarloosbaar. (CBS, 2023) Alleenstaanden hebben relatief en absoluut vaakst lage inkomens, met name de groep 55- tot 65-jarigen Zoals al genoemd in het beeld over armoede in de provincie Utrecht, vormt de groep alleenwonenden ook landelijk zowel absoluut als relatief de grootste groep met een inkomen tot de lage inkomensgrens. Het CBS stelt dat deze groep eveneens aan kop staat waar het langdurige armoedeproblematiek betreft. Het merendeel van de alleenstaanden met een langdurig armoederisico moet voornamelijk van een bijstandsuitkering rondkomen. Van alle huishoudens in heel Nederland met een inkomen onder de lage inkomensgrens in 2022, kwam 51% voor rekening van alleenstaanden onder de AOW-leeftijd en van de huishoudens met een langdurig laag inkomen was dat 56%. Met name de groep 55- tot 65-jarigen is extra kwetsbaar. In deze groep raken relatief meer mensen door arbeidsongeschiktheid of werkloosheid, afhankelijk van een uitkering.

Met de pensionering verbetert de inkomenssituatie voor velen doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de lage inkomensgrens uitkomt. Bovendien hebben de

meeste ouderen naast AOW nog aanvullend pensioen en inkomsten uit vermogen. De 65-plussers lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minste risico op (langdurige) armoede. (CBS, 2023) Betaalbaarheid energietransitie Uit onderzoek van Nibud (2024) blijkt dat 27% van de Nederlandse huishoudens het gevoel heeft beperkt grip te hebben op energiekosten. Het gaat hierbij met name om huishoudens waarin men moeilijk kan rondkomen en/of huishoudens met een laag of wisselend inkomen. Huurders (31%) geven hierbij vaker aan dat zij beperkte grip hebben op energiekosten dan mensen die in een koopwoning wonen (25%). Wat betreft het verduurzamen van de woning geeft 58% van alle onderzochte huishoudens aan de komende vijf jaar geen grote maatregelen te zullen gaan treffen, zoals isolatie of het plaatsen van zonnepanelen of warmtepomp. Bij huurders (63%) speelt vooral dat ze hierbij afhankelijk zijn van anderen, zoals verhuurder, woningcorporatie of Vereniging voor Eigenaren (VvE). Bij woningeigenaren geldt dit voor 8%. Daarnaast geven woningeigenaren (53%) vaker aan dat hun woning al duurzaam genoeg is dan huurders (17%). Dit zet de groep huurders op (extra) achterstand. Zonder energiebesparende maatregelen verwacht 12% van alle respondenten problemen met het betalen van de energierekening te krijgen. (Nibud, 2024a)

25

2

Armoede en de persoonlijke leefwereld 2.1

Inleiding

2.2

Relatie armoede en persoonlijke leefwereld in cijfers

2.3

Nieuwe inzichten over armoede, erfelijkheid en stress

2.4

Nieuwe inzichten over armoede, redzaamheid en grip

2.5

Samenvattend: armoede is vaak diep geworteld

2.1

Inleiding In dit tweede deel kijken we naar de betekenis die armoede kan hebben in het persoonlijk leven. In de afgelopen decennia is er steeds meer wetenschappelijke en ervaringsdeskundige kennis gekomen over wat het inhoudt om in armoede te leven. Dat blijkt veel consequenties te kunnen hebben voor onder andere gezondheid en opvoeding. Ook wordt er steeds meer bekend over het zelfbeeld dat veel mensen ontwikkelen als ze (langdurig) in armoede leven. Ervaringsverhalen geven daar een indringend beeld van. Niet iedereen die in armoede leeft hoeft daar persoonlijk onder te lijden, het is belangrijk om niet al degenen die met armoede te maken hebben over één kam te scheren. Toch worden er steeds meer patronen zichtbaar in de manier waarop armoede schade kán aanbrengen op persoonlijk vlak. Het herkennen van die patronen kan het verder ontwikkelen van (beleids)interventies ondersteunen.

27

Veel verschillende soorten armoede – en de beleving daarvan Er zijn veel uiteenlopende redenen waarom mensen in een situatie terecht komen die met armoede gepaard gaat. Dat kunnen economische redenen zijn van buitenaf, zoals stijgende energiekosten en sterke inflatie. Het kan ook gaan om veranderingen in persoonlijke omstandigheden, zoals een relatiebreuk, langdurige ziekte of werkloosheid. Het hebben van financiële problemen kan in veel situaties een tijdelijk karakter hebben en/of worden opgevangen met een buffer aan spaartegoed. Aan de andere kant van het spectrum zijn er ook situaties waarin armoede een leven lang bij iemand blijft. Vaak letterlijk, dan groeit men op in armoede en komt daar in de volwassenheid niet van af. Soms figuurlijk, als iemand die in armoede is opgegroeid, zichzelf als ‘arm’ blijft waarnemen ondanks het feit dat hij of zij als volwassene inmiddels genoeg geld verdient om rond te komen. (’S Jongers, 2024) In die situatie is armoede vaak meer dan alleen een tekort aan financiële middelen. Het is eerder een zeer onwelkom en onvermijdelijk aspect van iemands blik op zichzelf en de wereld geworden. In het onderstaande gaan we eerst in op statistische verbanden die er gelegd kunnen worden tussen mensen met een laag inkomen enerzijds en aspecten van hun persoonlijke leefsituatie anderzijds (paragraaf 2.2).

In paragraaf 2.3 gaan we in op relatief nieuwe, armoedegerelateerde inzichten op het gebied van erfelijkheid en

28

stress. In paragraaf 2.4 benoemen we eveneens relatief nieuwe inzichten op het gebied van redzaamheid en grip. In paragraaf 2.5 vatten we onze conclusies samen.

2.2 Relatie armoede en persoonlijke leefwereld in cijfers Lage inkomensgroepen zijn minder tevreden met hun leven en vaker eenzaam De tevredenheid met het leven is bij mensen met een laag inkomen (61%) beduidend lager dan bij mensen met een inkomen boven de lage inkomensgrens (86%). Daarnaast voelen mensen met een (langdurig) laag inkomen zich ruim 2 keer zo vaak sterk eenzaam als mensen met een inkomen boven de lage-inkomensgrens (23% tegen 10%). Het gaat daarbij vooral om het ontbreken van gevoelens van verbondenheid met mensen om zich heen en het vertrouwen in die mensen, ook wel sociale eenzaamheid genoemd. (CBS, 2023) Lage inkomens gaan gepaard met minder goed ervaren gezondheid en meer beperkingen CBS-cijfers tonen eveneens aan dat er een groot verschil is tussen de gezondheidsbeleving van mensen met een laag inkomen, ten opzichte van mensen met een inkomen dat daarboven ligt. 38,4% van de mensen met een laag inkomen ervaart een minder goede

gezondheid ten opzichte van 19,4% van de mensen met een hoger inkomen. Groot verschil is er ook op het gebied van beperkingen: van de mensen met een laag inkomen gaf 44% aan dat ze een beperking hebben, tegen 28% van de mensen in een huishouden met een inkomen boven de lage inkomensgrens. Het hebben van een beperking houdt in dat men zelf aangeeft hier mee te maken te hebben, voor de duur van een half jaar of langer. (CBS, 2023) Psychische klachten kunnen armoede versterken en vice versa Het hebben van financiële problemen blijkt (sterk) samen te hangen met psychische klachten. Zo zorgen blijvende financiële problemen vaak voor stress en kunnen ze bijvoorbeeld de mate waarin mensen angst- en depressieklachten ervaren, versterken. Onderzoek wijst ook op de tweezijdigheid van deze relatie: financiële problemen verhogen de kans op psychische problemen en mensen met psychische problemen hebben meer kans op financiële problemen. Uit panel-onderzoek onder mensen met langdurige psychische problematiek blijkt dat het grootste deel van de leden bezuinigt op uitgaven, en dan niet alleen op energieverbruik, kleding en bood­ schappen, maar ook hobby’s, cultuur, sport en andere zaken die participatie juist zouden kunnen bevorderen.

(Trimbos instituut, 2023) Meer gebruik van ggz en jeugdzorg in huishoudens met schulden Ongeveer een op de zeven huishoudens met geregistreerde problematische schulden maakte in 2017 gebruik van de geestelijke

gezondheidszorg, ten opzichte van een op de dertien huishoudens zonder geregistreerde problematische schulden. Ook jeugdzorg komt twee keer zo vaak voor onder huishoudens met geregistreerde problematische schulden in vergelijking tot huishoudens die hier niet mee te maken hebben. Bijna zes procent van de huishoudens met probleemschulden had in 2018 te maken met jeugdhulp, – bescherming en/of – reclassering tegenover twee procent bij huishoudens zonder geregistreerde schulden. (CBS, 2020) Binnen lage inkomensgroepen vaker ongezonde leefstijl (behalve wat betreft alcoholgebruik) Op de meeste leefstijlaspecten scoren mensen in een huishouden met een laag inkomen, (veel) ongunstiger dan mensen in een huishouden met een inkomen boven de lage inkomensgrens. Er is één uitzondering, en dat is alcoholgebruik. Het percentage mensen van 12 jaar en ouder dat zich aan de alcoholrichtlijn houdt, is in het CBS-onderzoek groter onder personen met een laag inkomen (66%) dan onder personen met een hoger inkomen (45%). Waar het echter roken, overgewicht en bewegen betreft zijn de uitkomsten voor lage inkomensgroepen ongunstiger. De verhouding laag tot hoger inkomen is op het gebied van roken 28% tegen 12%, op het gebied van overgewicht 49% tegen 45% en op het gebied van voldoen aan de beweegrichtlijn 39% ten opzichte van 48%. (CBS, 2023)

29

2.3

Nieuwe inzichten over erfelijkheid en stress

Armoede werd vroeger lange tijd gezien als vooral een ‘sociale omstandigheid’ die te maken heeft met de situatie in iemands leefklimaat. Door interventies in dat leefklimaat, zoals zorgen voor inkomen, werk en gezondheid, kan de armoede worden opgelost. In de afgelopen decennia komen er echter steeds meer wetenschappelijke en ervaringsdeskundige inzichten die aantonen dat het leven in armoede diepere vertakkingen heeft. Dat armoede niet altijd iets is wat je met behulp van directe ingrepen van buitenaf, op bijvoorbeeld inkomensgebied, kan oplossen. Armoede kan zich als het ware ook hechten aan je zelfbeeld en ook heel letterlijk, impact hebben op je genetische materiaal. De ‘ontdekking’ hiervan heeft ook consequenties voor de aanpak van armoede. Het betekent onder andere dat er andersoortige insteken nodig zijn om goede hulp te bieden.

sociale omstandigheden of opvoeding zijn ‘aangeleerd’ ook weer afgeleerd kunnen worden. In de afgelopen decennia komt steeds meer aan het licht dat deze uitgangspunten niet kloppen en te eenvoudig zijn. Zo kunnen sociale omstandigheden, bijvoorbeeld ingrijpende jeugdervaringen of oorlogstrauma’s, gevolgen hebben voor de manier waarop genen in iemands DNA ‘aan’ of ‘uit’ worden gezet (epigenetische veranderingen). Dit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat iemand vatbaarder wordt voor ziektes en/of zijn of haar gedrag minder goed zelf kan bijsturen. Ook kan het betekenen dat erfelijk belast materiaal doorgegeven wordt aan nieuwe generaties kinderen. Die kinderen kunnen dan niet alleen in sociale zin, maar ook in genetisch opzicht de gevolgen ondervinden van trauma’s die eerdere generaties hebben opgelopen. Langdurige, stressvolle en intergenerationele armoedeproblematiek is dus niet iets dat op een oppervlakkige manier, zoals door educatie en het stellen van strikte regels, verholpen kan worden. (UMC Utrecht, 2019) (Augeo foundation, 2023) (Pharos, 2021)

Ook sociale omstandigheden kunnen biologisch worden doorgegeven Tot zo’n vijftig jaar geleden was het heel gebruikelijk om de omstandigheden waarin iemand opgroeide, te verklaren aan de hand van ofwel erfelijkheid ofwel aan de hand van opvoeding / sociale omstandigheden (‘nature-nurture’). Daar werd vaak de verwachting aan gekoppeld dat de dingen die erfelijk zijn eigenlijk onveranderbaar zijn in iemands natuur en de dingen die door

30

Chronische stress heeft directe gevolgen voor gezondheid en gedrag Als er sprake is van langdurige armoede, dan is de kans groot dat er ook chronische stress ontstaat. Relatief nieuw stressgerelateerd onderzoek laat zien dat dit veel consequenties kan hebben op gezondheid en gedrag. Bij chronische stress kunnen mensen het gevoel van controle over hun situatie kwijtraken

Vicieuze cirkel bij stress

Bron: Pharos (2021); Leven met ongezonde stress. Aandacht voor chronische stress in de aanpak van gezondheidsverschillen. Je hebt geldzorgen.

Je krijgt een stressreactie in je lichaam.

Je krijgt er nieuwe problemen bij en komt in een negatieve spiraal.

Je kunt minder goed nadenken en impulsief gedrag neemt toe.

Stress neemt verder toe.

Je hebt moeite problemen aan te pakken en maakt meer ongezonde keuzes.

Je problemen verergeren en je voelt je steeds ongezonder.

waardoor zich fysieke en emotionele uitputting kan gaan voordoen. Stressnetwerken in het lichaam kunnen daarmee in disbalans raken, wat gevolgen heeft voor onder meer de regulering van hormoonproducties (zoals die van adrenaline, cortisol en dopamine) en daarmee voor de werking van organen en hersenen. Hoge cortisolniveaus kunnen bijvoorbeeld gevolgen hebben voor het functioneren van de prefrontale cortex, het deel van de hersenen dat de executieve vaardigheden beheert. Concreet kan dit betekenen dat er (a) een verminderd vermogen ontstaat om te plannen en langetermijnbeslissingen te nemen, (b) een verminderd vermogen om te leren en te onthouden, (c) er eerder angst en onrust kan ontstaan en (d) er een verhoogde kans is op depressie en verslaving. Als armoede en schuldenproblematiek chronische stress veroorzaakt, kan het daarmee het vermogen om langetermijnbeslissingen te nemen aantasten en de focus vooral brengen op het oplossen van schaarste op korte termijn. Hierdoor kunnen vaker (rationeel bezien) onverstandige beslissingen genomen worden en lukt het minder goed om de financiële problemen op te lossen. Dit kan verklaren waarom iemand bijvoorbeeld dure sportschoenen voor zijn of haar kind wil gaan kopen, terwijl eigenlijk de huur moet worden betaald. (Pharos, 2021)

31

32

Risico’s op impactvolle schade bij kinderen Vooral ook bij kinderen, kan het leven in een stressvolle omgeving, veel blijvende impact hebben. Niet alle kinderen die opgroeien in armoede, zullen overigens te maken hebben met veel stress in de thuissituatie (net zo min als kinderen die opgroeien in een welvarende omgeving, géén erge stress zouden kennen). Uit wetenschappelijke literatuur en cijfers blijkt wel dat (langdurig) opgroeien in armoede serieuze risico’s voor hen met zich meebrengt. Zeer hevige of langdurige stress in het vroege leven heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling van de hersenen, hormonen, het zenuwstelsel en het immuunsysteem. Expertisecentrum Pharos stelt dat de hersenontwikkeling tijdens erge armoede ook bij kinderen gefocust kan zijn op omgaan met de stressor (overleven) en niet op de ontwikkeling van executieve functies zoals plannen en impulsbeheersing. Zoals al eerder genoemd kunnen hoge stressniveaus ook impact hebben in genetisch opzicht, zodat ontregelingen ook aan latere generaties kunnen worden doorgegeven. Een belangrijke ‘buffer’ tegen overmatige stress-ervaringen bij kinderen kan gevormd worden door sensitieve ouders, familieleden, leerkrachten en/ of hulpverleners. Deze nemen waar dat het kind stress heeft en reageren hier passend op.

Landelijke programma’s zoals ‘de eerste duizend dagen van een kind’ (waarbij het gaat om de prille ontwikkeling van kinderen, vanaf conceptie tot en met leeftijd van twee jaar) zijn vooral ook in het leven geroepen om dit soort

stressgerelateerde risico-situaties tegen te gaan. (Pharos, 2021) (Pharos, z.d.)

Samenvattend wijzen de nieuwe inzichten gezamenlijk op een complex samenspel van lichamelijke - en omgevingsfactoren waar het om stressvolle levenssituaties gaat. Waar vroeger sneller gedacht werd dat men nieuw gedrag kon aanleren (of herstellen) door bijvoorbeeld veel te oefenen, uitleg te geven of sancties te stellen, wordt nu duidelijk dat het leervermogen van mensen die onder zware stress leven, onder grote druk staat en niet zomaar ‘werkt’. Er zijn zelfs grote risico’s dat het verder uitoefenen van druk, de negatieve spiraal versterkt waarin men terecht gekomen is.

2.4

Nieuwe inzichten over redzaamheid en grip

De stress die mensen kunnen ondervinden als men (langdurig) in armoede leeft kent verschillende ‘lagen’. Oppervlakkig gezien kan de stress zich vooral toespitsen op niet kunnen kopen of ondernemen wat men nodig vindt. Op een dieper niveau kan men ook stress ondervinden door het feit dat men afhankelijk is geworden van (uitkerings)instanties en daarmee aan allerlei administratieve en uitvoerende verplichtingen moet voldoen. Bijvoorbeeld zorgen dat men de juiste informatie aanlevert

33

Executieve vaardigheden 1. Aandacht kunnen richten, vasthouden, verdelen en loslaten 2. Emoties reguleren 3. Flexibel zijn als zaken veranderen 4. Onderdrukken van ongewenst gedrag 5. Activiteiten opstarten 6. Zaken organiseren 7. Plannen 8. Zaken bijhouden 9. Werkgeheugen gebruiken 10. Een reëel zelfbeeld vormen 11. Situaties inschatten 12. Het belang van anderen meewegen Bron: Pharos (2021) / Jungman, Wesdorp en Madern (2020)

op het juiste moment en tijdig voldoet aan afspraken rondom solliciteren. Lange tijd is in veel kringen bijna als vanzelfsprekend aangenomen dat iedere burger wel aan dit soort eisen en verwachtingen kan voldoen. Uitvoeringssystemen zijn vaak dusdanig ingericht (geweest) dat dit de norm was.

34

In 2017 komt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) met een rapport waarin deze vanzelfsprekendheid sterk genuanceerd wordt. Het rapport gaat in op de soorten vaardigheden die burgers moeten hebben, om aan dit soort praktische eisen te kunnen voldoen. Zo wordt bijvoorbeeld het verschil tussen denk­ vermogen en doenvermogen uitgewerkt. (WRR, 2017) Zes jaar later publiceert de WRR een vervolg op dit rapport waarin zij het belang van ‘grip hebben’ op de eigen situatie benadrukt en hoezeer dit van maatschappelijke waarde is. (WRR, 2023) Beide rapporten leggen bloot over welke eigenschappen men ‘hoort’ te beschikken om het persoonlijke leven (en tegenslag daarin) goed te managen en hoe onrealistisch de aannames vaak zijn (geweest) over menselijke mogelijkheden in dit opzicht. Het managen van financiën vraagt een goed ‘doenvermogen’ In het rapport ‘Weten is nog geen doen, een realistisch perspectief op redzaamheid’ (2017) wordt door de WRR voor het eerst expliciet benoemd dat klassieke intelligentie enerzijds en niet-cognitieve vaardigheden anderzijds, zoals ‘een plan kunnen maken’, ‘in actie komen’, ‘met tegenslag omgaan’, ‘met verleiding omgaan’ en ‘volhouden’, twee verschillende soorten persoonlijkheidskenmerken zijn. In het rapport worden ze benoemd als respectievelijk denk­ vermogen en doenvermogen.

Alle mensen verschillen in de mate waarin ze hierover kunnen beschikken. In de praktijk hangt de mate waarin men over zowel denk- als doenvermogen beschikt wel

enigszins samen, maar zeker niet absoluut. Er is volgens de WRR een substantieel deel van de groep lager opgeleiden dat hoog scoort op doenvermogen en omgekeerd is er een substantieel percentage hoger opgeleiden dat hier laag op scoort. Doenvermogen, dat voor een groot deel gaat over executieve functies, is juist van groot belang bij het ‘managen’ van ieders financiële situatie, zeker als deze ongunstig is. Bij problemen op financieel gebied ligt bijvoorbeeld het risico op de loer dat men overzicht verliest en daardoor beslissingen uitstelt of verkeerde keuzes maakt waardoor problemen zich kunnen gaan opstapelen. En, zoals al eerder benoemd, dat er een stress-situatie ontstaat die door biologische reacties de toegang tot executieve vaardigheden vermindert. Doordat het doenvermogen vooral ook een kenmerk is dat men in aanleg heeft meegekregen, stelt de WRR dat niet alle burgers (van jongs af aan) in principe gelijke kansen hebben op redzaamheid. Sommige mensen staan op het gebied van zelfredzaamheid nu eenmaal voor een grotere opgave dan anderen. Niet alleen vanwege verschillen in cognitief vermogen, maar ook doordat zij bepaalde moeilijk veranderbare persoonskenmerken hebben meegekregen die een relatief grote kans op problemen geven. De overheid houdt hier naar de mening van de rapporteurs nog te weinig rekening mee. (WRR, 2017)

35

Het managen van financiën vraagt ook om omgevingscontrole (grip) Waar het in het hierboven genoemde WRR-rapport vooral ging over het in staat zijn het eigen gedrag effectief te sturen, in het tweede rapport van de WRR (‘Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle’) gaat het om omgevingscontrole. Dit is de mate waarin mensen in staat zijn hun omgeving effectief te beïnvloeden, en zo hun doelen te bereiken. Grip op je omgeving kun je volgens het rapport op verschillende manieren hebben, zoals bijvoorbeeld door voldoende financiële middelen, sociale hulpbronnen en rechten, maar ook door een voorspelbare en navigeerbare omgeving. Uit onderzoek blijkt dat het hebben van het gevoel van controle sterk samenhangt met levenstevredenheid, geluk, mentale - en fysieke gezondheid. (WRR, 2023) Het hebben van weinig controle over het eigen leven hangt daarnaast ook samen met het gevoel dat het slecht gaat met de samenleving als geheel, ofwel met maatschappelijk onbehagen. Dit aspect, van het maatschappelijk onbehagen, kan sterk bijdragen aan een kloof in de maatschappij. Mensen die om welke reden dan ook in armoede leven, kunnen extra kwetsbaar zijn in het verliezen van grip. In armoede leven kan gepaard gaan met een olievlek aan bijkomstige zorgen, zoals op gezondheids-, werk- en opvoedingsgebied.

Dit kan op zich al leiden tot gevoelens van machteloosheid omdat de problemen alleen maar

36

toenemen. Daarnaast hebben mensen die in armoede leven grotere kans om met diverse regelgevende instanties te maken te hebben. Ook hierin schuilt grote kwetsbaarheid op het gebied van grip. Lang niet altijd zijn de regels begrijpelijk of overzichtelijk. Instanties kunnen onderling langs elkaar heen werken, maar ook vanuit één enkele instantie kunnen tegenstrijdige, niet transparante of onnauwkeurige berichten komen. Bijvoorbeeld als men wisselende inkomsten heeft uit werk kan het langere tijd onzeker blijven welke rechten men heeft op het gebied van heffingen of toeslagen. Vaak worden deze met terugwerkende kracht berekend. Dit brengt onzekerheid en een belangrijk verlies aan overzicht en controle met zich mee. De schade die verlies aan controle teweeg kan brengen, staat of valt met de mate waarin men kan vertrouwen op de hulp van anderen, de samenleving of de overheid. Een stap verder dan verlies aan controle is dan ook dat fundamentele gevoelens van vertrouwen aangetast raken, bijvoorbeeld in de overheid. Dat men steeds banger wordt voor ‘addertjes onder het gras’ bij de instanties waarvan men afhankelijk is. Meer naar binnen toe gericht kunnen er ook gevoelens van schaamte aangewakkerd worden.

Het nietbegrijpen en niet overzien van de financiële regels die worden toegepast kunnen (ten onrechte!) worden toegeschreven aan eigen ‘tekortkomingen’ op het gebied van intelligentie en vaardigheid. (Nationale ombudsman, 2022) (WRR, 2023)

Als conclusie van de nieuwe inzichten rondom grip stelt de WRR onder andere dat de politiek misschien minder moet kijken naar koopkrachtplaatjes en meer naar grip-plaatjes. Het gaat in geval van armoede dan ook niet (alleen) om het ‘geldprobleem’ van mensen, maar om de manier waarop hun gevoelens van menswaardig zijn aangetast kunnen raken. De WRR vindt dat er meer gekeken moet worden naar wat beleid betekent voor het totaal aan factoren die van invloed zijn op ieders ‘grip op het leven’. Grip op het leven van burgers versterken wordt daarbij gezien als richtinggevend ideaal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/642/documents/19547