CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B05 - Ingekomen stuk College van B&W Oudewater - Beantwoording technische vragen CDA-fractie inzake 'Zienswijze financiele stukken ODRU'.pdf

Forum Samenleving 31 mei 2021, gemeente OudewaterBij agendapunt: 7.: Raadsvoorstel 'Zienswijze begroting 2022, 1e begrotingswijziging 2021 en jaarstukken 2020 ODRU'7.424 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beantwoording technische vragen D/21/022191 Z/21/012815

Vragen gesteld door:

-

Van de Fractie(s) :

CDA

Op datum:

27 mei 2021

Naar aanleiding van:

Zienswijze jaarstukken 2020, 1e wijziging begroting 2021 en ontwerpbegroting 2022 ODRU

Datum beantwoording:

28 mei 2021

Opsteller:

Ineke Burger

Beantwoording van de vragen:

In de 1e ontwerp begrotingswijziging 2021 staat op blz. 8 dat er als aanvulling op de standaard DVO werkzaamheden in 2021, evenals in voorgaande jaren, weer een groot aantal projecten gecontracteerd zijn. Uit dit document valt af te leiden dat Oudewater 22% van het totale bedrag besteed aan extra werkzaamheden. Vraag Welke werkzaamheden heeft de gemeente Oudewater, aanvullend op de standaard DVO, extra gecontracteerd en om welke bedragen gaat dat. Antwoord: De werkzaamheden in de extra gecontracteerde uren zijn niet anders dan in het DVO-deel te weten: Uitvoering van wettelijke taken zoals, advisering ruimtelijke plannen, klachten, toezicht en handhaving aandachtsbedrijven, (actualisatie) vergunningverlening. Bedrag 2022: € 102.555 (1060 uur). Vraag Wat is nut en noodzaak van het contracteren van deze extra taken en welke resultaten levert dit op. Antwoord De extra gecontracteerde uren bieden vooral een stuk flexibiliteit voor de gemeente. Binnen dit flexibele deel worden vergelijkbare taken uitgevoerd als in het vaste DVO-deel. Het betreft uitvoering van wettelijke taken. Dit levert o.a. op: adviezen ruimtelijke plannen, afhandeling klachten, handhavingsbrieven en afhandelen bezwaar- en beroepszaken, geactualiseerde vergunningen, afhandeling informatieverzoeken. 2.

De Raad wordt gevraagd kennis te nemen (beslispunt 3) van de (ontwerp)begroting 2022 van de ODRU waarin een gemeentelijke bijdrage van de gemeente Oudewater is opgenomen van € 391.451,= (4046 contracturen) Vraag Mede gelet op de moeilijke financiële situatie in 2022-2025 wil de CDA-fractie inzage welke vermindering van contracturen mogelijk zijn in 2022 door het niet (of minder) laten uitvoeren van aan de ODRU opgedragen taken. Pagina 1 van 3

Dat overzicht per opgedragen taakveld voorzien met bedragen. Tevens per opgedragen taakveld aangeven welke maatschappelijke effecten optreden als deze taakvelden niet of significant minder worden uitgevoerd. Antwoord: Onderstaand een overzicht van de taken die de ODRU voor dit jaar uitvoert zoals opgenomen in het Uitvoeringsprogramma, UVP. Het is hierbij relevant om onderscheid te maken in ‘vraag’gestuurde werkzaamheden, zoals afhandelen meldingen en vergunningen, advisering ruimtelijke initiatieven, afhandeling klachten, afhandelen bezwaar en beroep. De omvang van deze werkzaamheden wordt bepaald door de aanvragen van buiten. De gemeente kan binnen de ‘niet-vraag’gestuurde zelf een afweging maken. De belangrijkste posten voor de ‘niet-vraag’gestuurde werkzaamheden zijn apart opgenomen. Zoals in de tabel te zien is, betreft dit vooral het uitvoeren van het programmatisch toezicht. Hieronder ligt een afweging op basis van de risicomodule, dit document is ter informatie als bijlage toegevoegd. Hoofdproduct Beleid, bestemmingsplannen en projecten Vergunningverlening Toezicht en handhaving Specifieke producten Diensten en informatieverstrekking Totaal Kosten

Uren UVP 20211 954 805 2508 400 412

waarvan ‘niet-vraag’gestuurd milieubeleid

aantal uur 300

Programmatisch toezicht

1468

5079 € 482.505

1 4046 uur DVO + 1033 uur extra gecontracteerd = 5079 uur opgenomen in UVP 2021

3. Bij de behandeling van de Kadernota begroting 2022 in de raad van 17 december 2021 antwoorde het college op vragen van het CDA m.b.t. de financiële ontwikkelingen en daarmee samenhangende risico’s: ”Tot nu toe is er voldoende geld beschikbaar voor de ODRU. In onze eigen voorjaarsnota / kadernota bekijken we de financiële situatie van de gemeente opnieuw integraal”. Vraag Wat is de stand van zaken m.b.t. het maken van keuzes en hoe wordt de Raad daarbij betrokken. Antwoord Het proces van de Kadernota loopt. Onlangs is er een bijeenkomst geweest met raadsleden waarin de stand van zaken is toegelicht. 4. In 4.1 van het raadsvoorstel staat de inschatting dat de invoering van de omgevingswet 14% (€ 56.000,=) extra kosten met zich mee brengt. Tijdens de behandeling van de Kadernota in december 2020 werd de inschatting uitgesproken dat hier ca 6% rijksmiddelen tegenover staan, zijnde ca € 30.000,=. Conclusie: De omgevingswet gaat ons met de huidige inzichten ca € 26.000,= per jaar meer kosten. Vraag Neemt het college in de voorbereidingen op de begroting 2022 al een bedrag op voor mogelijke kostenverhogingen t.g.v. de invoering van de omgevingswet. Zo nee, waarom niet. Antwoord Nee.

In het Algemeen Bestuur, AB, van de ODRU is ervoor gekozen om op het standpunt te blijven staan dat het Rijk over de brug moet komen met voldoende financiering en op tijd duidelijkheid moet geven over financiering. De ODRU heeft op verzoek van het AB een informatiebrief opgesteld met nadere toelichting over de risico’s die dat besluit met zich meebrengen. Deze brief is als bijlage toegevoegd. De invoering van de omgevingswet staat op het moment gepland voor 1 juli 2022. Zoals in de beantwoording van de technische vragen van VVD/D66 is aangegeven is het afwachten wat het daadwerkelijke effect is voor de inzet van de ODRU. Voor nu is onze lijn: volhouden dat het Rijk voor voldoende financiering moet zorgen en het risico accepteren dat als die niet komt we een bedrag moeten bijramen of bijvoorbeeld besparen op andere onderdelen binnen de ODRU. Vraag Pagina 2 van 3

Hoe realistisch is het nog dat we aan de zienswijze blijven vasthouden dat de omgevingswet geen kostenverhogingen met zich mee mag brengen. Antwoord Het gehalte aan realisme zal de toekomst uitwijzen. Het is voor nu het beste standpunt ten opzichte van het Rijk afgezet tegen de risico’s die we lopen door deze houding.

Bijlagen: 1. Notitie ITH-model Oudewater 2021 (risicomodule toezicht en handhaving). 2. Informatiebrief AB besluit over tijdelijke opdracht.(extra werkzaamheden Omgevingswet)

Pagina 3 van 3

Adequaat toezicht Oudewater De benodigde capaciteit op grond van het gemeentelijk beleid

Omgevingsdienst regio Utrecht Augustus 2020

Inleiding De afdeling Integraal Toezicht en Handhaving (ITH) voert in mandaat het toezicht uit op milieubelastende activiteiten binnen en buiten inrichtingen en asbest (sloop). Onder andere het gemeentelijk VTH-beleid, de risicomodule en notitie asbesttaken uit 2018 vormen de kaders voor de uitvoering. Naast de prioriteiten die hier uit voortvloeien spelen er ook actuele thema’s. Afhankelijk van de mate waarin deze thema’s aansluiten op de reguliere taken worden zij meegenomen in het uitvoerende werk of zal er middels aanvullende of tijdelijke uren ruimte voor de uitvoering worden gerealiseerd. Voor het UVP van 2021 is opnieuw gebruik gemaakt van de urenberekening zoals gedaan voor het UVP van 2020, tabel 4 is geactualiseerd naar aanleiding van de gegevens die we tot juli 2020 hebben verzameld. Bij de overdracht van de milieutaken van de gemeenten naar de ODRU zijn de uren bepaald op basis van het toenmalige bedrijvenbestand, milieucategorie en de hieruit voortvloeiende bezoekfrequentie. De bedrijfsdemografie is door onder andere het economische klimaat in omvang en samenstelling veranderd. Daarnaast zijn er de afgelopen jaren voor de afdeling ITH taken bijgekomen: energiebesparing/ duurzaamheid, strafrecht, ondermijning, ketentoezicht en een toenemend aantal klachten.

Tot op heden zijn de uren die nodig zijn voor adequaat toezicht op het bedrijvenbestand ingezet op deze taken. Voor het uitvoeren van adequaat toezicht is er hierdoor een correctie nodig op de UVP-uren. Een uitgebreide toelichting en berekening wordt hieronder weergegeven. Programmatisch toezicht De ODRU verhoogt de kwaliteit, effectiviteit en efficiëntie van haar toezicht door over te stappen op programmatisch toezicht. Hierdoor kunnen wij toezicht houden dáár waar nodig is, informatie gestuurd en resultaatgericht. Om dit mogelijk te maken is het voorgestelde budget nodig. Werkzaamheden ITH De afdeling ITH voert voor de gemeente de volgende taken uit: • Toezicht en handhaving milieu bij bedrijven, waaronder informatieplicht energiebesparing; • Klachtbehandeling milieu; • Ketentoezicht; • Toezicht en handhaving op indirecte lozingen (inclusief Blbi); • Toezicht en handhaving op bodemenergiesystemen (toezicht Bodem); • Toezicht en handhaving Besluit bodemkwaliteit (toezicht Bodem en grondstromen); • Toezicht en handhaving sloop/asbest; • Toepassing strafrecht; • Beleidsondersteuning (ondersteuning beleidsmedewerker gemeenten, uitvoering, evaluatie/jaarverslag en hieruit aanpassing prioriteiten; • Ondermijning; • Afstemming handhavingspartners. Hierna volgt per taak een uitleg van de benodigde uren.

Hierbij zijn de taken onderverdeeld in toezicht en handhaving milieu, overige taken met vaste uren en overige taken met berekende uren. Toezicht en handhaving milieu In 2019 zijn de minimale uren voor het uitvoeren van adequaat toezicht berekend. In 2021 zijn deze uren niet opnieuw berekend; de gemeentelijke risico-inventarisatie en het beleid van de gemeente zijn niet aangepast. De uren zijn gebaseerd op drie bronnen: • productdiensten catalogus (PDC versie 2020 1.0); • gemeentelijke risico-inventarisatie (Risicomodule dd. 2014); • bedrijvenbestand SquitXO (situatie augustus 2018). Productendiensten catalogus In de PDC staan voor het product ‘Uitvoeren milieucontroles’ kengetallen per bedrijfscategorie vermeld. Binnen dit kengetal vallen de 1e controle, hercontrole en de mogelijke bestuursrechtelijke handhaving die hieruit voortkomt. Gemeentelijke risico-inventarisatie In de risicomodule is per branche bepaald welk risico er bestaat voor het milieu (niet-naleving) bij geen toezicht. Er vindt een verdere doorrekening plaats om per inrichting de milieucategorie te herleiden. Deze combinatie bepaalt in welke risicoklasse een bedrijf wordt ingedeeld en de hieruit voortvloeiende 2

controlefrequentie. Op basis van onze expertise is besloten dat bij bedrijven die vallen onder het zeer klein risico de bezoekfrequentie verlaagd kan worden. Bedrijvenbestand SquitXO Het aantal bedrijven binnen de gemeente fluctueert. Wij hebben daarom het aantal bedrijven gebaseerd op de situatie van het bedrijvenregistratiesysteem in augustus 2018. In de onderstaande tabel staat per risicoklasse de combinatie van de controlefrequentie en de categorie beschreven. Tabel 1. Overzicht combinatie controlefrequentie en categorie per risicoklasse

Risicoklasse

Controlefrequentie/jaar

Categorie

100-200% Afhankelijk van de activiteit 100% Categorie 4 en IPPC

Zeer groot risico Groot risico

50% Overige inrichtingen met groot risico 50% Categorie 3 en 4

Groot risico Beperkt risico Klein risico

20% Overige inrichtingen met beperkt risico 10% Inrichtingen met klein risico

Zeer klein risico

5% Inrichtingen met zeer klein risico

Beperkt risico

In de risicomodule zijn de branches ingedeeld in vijf risicoklassen. Op basis van het aantal bedrijven is vervolgens met behulp van de controlefrequentie en het kengetal een benodigde aantal uren berekend. In tabel 2 staan de benodigde uren vermeld. Tabel 2. Benodigd aantal uren voor het uitvoeren van milieutoezicht

Risicoklasse Zeer groot risico Groot risico Beperkt risico Klein risico Zeer klein risico Totaal

Benodigd aantal uren ITH 280 526 575 190 43 1.614

Bovenstaande uren worden ingezet voor het uitvoeren van toezicht en handhaving. De uren worden op een effectieve en efficiënte wijze ingezet, zoals omschreven in de Visie op Programmatisch Toezicht, opgesteld door de ODRU ter vaststelling in 2019. Informatie sturing heeft hierin een grote rol. Prioriteiten van gemeenten, zoals energie, waarvoor nu nog separaat uren binnen het UVP wordt gevraagd, worden niet langer als apart project in het UVP opgenomen. Overige taken met vaste uren Een aantal taken van ITH hebben een eigen productblad in de PDC of zijn anderszins bepaald op basis van een vast aantal uren. Het betreft de volgende activiteiten: Tabel 3. Overzicht activiteiten met vaste uren

Taak Ketentoezicht Toepassen strafrecht Beleidsondersteuning Afstemming handhavingspartners

Benodigde uren 130 70 100 40

Afspraak PDC 4.3.1 PDC 4.4.1 PDC 2.3.2 PDC 4.3.3

3

Overige activiteiten met berekende uren Een aantal taken van ITH zijn berekend op een andere wijze dan via een kengetal of een PDCwerkblad. Hieronder een overzicht van de berekende uren. Tabel 4. Overzicht activiteiten met berekende uren

Taak Klachtbehandeling

Benodigde uren 290

Aandachtsbedrijven

320

Ondermijning

50

Toezicht en handhaving Besluit bodemkwaliteit

107

Toezicht en handhaving op bodemenergiesystemen

40

Toezicht en handhaving sloop/asbest

120

Indirecte lozingen

88

Lozingen: Blbi

10

Berekening Taak uit PDC 4.1.2. Uren gebaseerd op basis van trendlijn.

Wordt opgenomen in de nieuwe PDC. Uren op basis van proef. Taak uit PDC 4.2.5. Uren bepaald aan de hand van het aantal Bbk melding uit 2017 en het nalopen van niet gemelde grondtoepassingen. Taak uit PDC 4.2.5. Uren bepaald aan de hand van het verwacht aantal bodemenergiesystemen. Taak uit PDC 4.2.4. Uren bepaald aan de hand van het aantal sloopmeldingen in 2017. Taak uit 4.2.5. Uren berekend op basis van het aantal inrichtingen met een lozingscomponent. Blbi taken berekend op basis van aantal onttrekkingen met lozingsroute riool in 2017. Taak uit 4.2.5.

Totaaloverzicht Tabel 5. Totaaloverzicht benodigde uren Afdeling Integraal Toezicht en Handhaving

Taak

Benodigde uren

Toezicht en handhaving milieu Klachtbehandeling Aandachtsbedrijven Ketentoezicht Ondermijning

1.614 290 320 130 50

Toezicht en handhaving Bodem (BBK en bodemenergiesystemen) Toezicht en handhaving sloop/asbest Indirecte lozingen (inclusief Blbi)

137

Toepassen strafrecht VTH-beleid & Beleidsondersteuning (hieronder zijn ook de uren (25 uur) van het V deel van VTH geraamd, dit werd voorheen separaat in het UVP opgenomen).

60 125

120 98

Mogelijke financiering vanuit ander budget dan gemeentelijk milieubudget

Openbare orde en veiligheid Bouw Openbare ruimte/rioleringsbeheer Het opstellen van rapportages, handhavinguitvoeringspro gramma’s en jaarverslagen, ondersteuning bij het opstellen van VTH-beleid en VTH-strategieën, vertaling van VTH naar 4

omgevingsplannen, en interne beleidsondersteuning. Tevens worden uren gebruikt voor deelname en ondersteuning in het VTHsamenwerkingsverband. Afstemming handhavingspartners Totaal uren per jaar

40 2.994

Ter vergelijking: Voor de uitvoering van bovenstaande taken was in het vastgesteld UVP van 2020 2.532 uur opgenomen.

5

Actuele ontwikkelingen en thema’s in 2021 Actuele ontwikkelingen nemen we mee binnen het budget. Denk hierbij aan het besluit lozen buiten inrichtingen, circulaire economie en de energie informatieplicht. Circulaire economie Om een circulaire economie mogelijk te maken moeten afvalstoffen worden afgevoerd en verwerkt door erkende bedrijven. Tijdens periodieke controles en bij ketentoezicht wordt extra aandacht gegeven aan afval. We houden gerichter toezicht op afvalstromen, verwerkingsmethoden en inzameling door vooraf met externe, landelijke partijen de prioriteiten te bepalen. Besluit lozen buiten inrichtingen De voorschriften voor grondwater lozingen zijn opgesteld om milieuverontreiniging te voorkomen en te beperken. Er wordt vastgelegd of afvalwater op de riolering of op open water geloosd moet worden. In het kader van verdroging van gronden is het van belang om grondwater zoveel mogelijk weer terug te brengen in de bodem. Bij het afhandelen van meldingen wordt hiermee rekening gehouden, maar de ervaring leert dat ondernemers zich niet altijd aan de voorschriften houden die te maken hebben met dit soort lozingen. Energie informatieplicht Het doel van dit jaar is het binnenhalen van alle meldingen op grond van de informatieplicht energiebesparing. Toezicht bij bedrijven wordt verder geïntensiveerd.

Toekomst Er zijn een aantal ontwikkelingen gaande die al dan niet invloed hebben op de inhoud en de omvang van de taken van de ODRU. Twee van deze ontwikkelingen zijn de Omgevingswet en het vernieuwen van de gemeentelijke risico-inventarisatie. Vernieuwen risico-inventarisatie Momenteel wordt provinciebreed gewerkt aan een vernieuwde risico-inventarisatie. Bij deze risicoinventarisatie worden de risico’s bepaald op basis van de verrichte activiteiten, bij de huidige op basis van branches. De risico’s vanuit de bedrijven op de omgeving is natuurlijk in essentie niet afhankelijk van de methodiek. De ODRU is aangehaakt bij de ontwikkeling. Na vaststelling van de nieuwe of update van de bestaande risico-inventarisatie bepalen wij opnieuw de impact op het benodigd aantal toezichturen. Omgevingswet Het is nog niet duidelijk wat de gevolgen zijn van de Omgevingswet en of afdeling ITH hierdoor andere taken gaat uitvoeren. In december 2018 hebben wij een eerste impactanalyse op de verschuiving van taken gepresenteerd aan het Algemeen Bestuur. Hieruit bleek dat een vermindering van de inzet van toezicht en handhaving niet wordt verwacht2. We zijn in gesprek, intern en met gemeenten, om de impact te concretiseren. Hier zijn nadrukkelijk ook een aantal gemeentelijke keuzes op van invloed.

2 Notitie AB (agendapunt 7.4.e.: 27 juni 2019) “De verwachte stijging van de bijdrage aan de ODRU in het

scenario ‘ODRU rechtdoor’ is 27%, bestaande uit 11% nieuwe taken en 16% door de andere parameters die van invloed zijn op de te maken uren en/of producten.” In augustus 2020 is opnieuw gekeken naar het scenario ‘ODRU rechtdoor’ en doordat er meer bekend is over de Omgevingswet kon er realistischer naar de uren gekeken worden.

6

Bezoekadres: Archimedeslaan 6 3584 BA Utrecht

Aan: leden algemeen bestuur ODRU Cc: Regievoerders

Postadres: Postb 13101 3507 LC Utrecht 088 – 0225000 info@odru.nl www.odru.nl kvk 55523544 btw NL85 1750 126 B01 iban NL35 BNGH 0285 1555 71

Utrecht, 7 mei 2021 Uw kenmerk: Ons kenmerk: Behandeld door: Onderwerp:

DIGITAAL VERZONDEN 7 mei 2021 INT20.1011/3934 Informatiebrief AB besluit over tijdelijke opdracht

Beste leden van het algemeen bestuur,

U heeft op 8 april 2021 gekozen voor financiële zekerheid, waarbij u pas bij het sluiten van het uitvoeringsprogramma (UVP) 2022 een besluit neemt over de benodigde uren voor nieuwe en gewijzigde taken als gevolg van de Omgevingswet. Dit betekent dat de ODRU op 1 januari 2022 onvoldoende geschikte capaciteit heeft om deze taken uit te voeren en in het bijzonder nog geen dienstverlening kan bieden op de nieuwe bodemtaken. De belangrijkste risico’s hiervan zijn: bouwen en werken op vervuilde grond, geen (tijdige) beoordeling van en toezicht op saneringen en het mogelijk stil komen te liggen dan wel vertragen van ruimtelijke projecten zoals woningbouw. In deze brief leggen we uit wat de risico’s zijn van het niet kunnen uitvoeren van de nieuwe bodemtaken per 1 januari 2022 en wat onze aanpak is in de tweede helft van 2021. Inleiding Wij bereiden ons voor op het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2022. Binnen het programma Omgevingswet is het takenpakket van de ODRU onder de Omgevingswet vastgelegd en zijn de verwachte structurele financiële gevolgen van de Omgevingswet in beeld gebracht. De taakverdeling en de bijbehorende opdrachtverlening per gemeente moeten dit jaar goed worden vastgelegd. In de ABvergadering van 8 april 2021 bespraken we het dilemma financiële zekerheid versus zekerheid juiste taakuitvoering vanaf het invoeringsmoment van de wet.

We schetsten toen drie mogelijke paden (zie bijlage 1) en in hoofdlijnen de gevolgen van deze paden. Het AB heeft gekozen voor pad 3 (financiële zekerheid), wat betekent dat de ODRU op 1 januari 2022 nog onvoldoende geschikte capaciteit heeft om de taken onder de Omgevingswet uit te voeren. U vroeg de ODRU om de maatschappelijke en financiële risico’s van dit gekozen pad scherp in beeld te brengen. We vragen u om deze brief aan uw colleges van burgemeester en wethouders, en gemeenteraden voor te leggen, zodat zij op de hoogte zijn van de financiële en maatschappelijke risico’s van uw besluit van 8 april 2021.

1 van 10

Structurele financiële gevolgen Omgevingswet Ter voorbereiding van de begroting van de ODRU en de kadernota van de ODRU-gemeenten brachten we in beeld wat er verandert aan de structurele bijdrage 1. We verwachten dat de structurele bijdrage (voor het aantal te maken uren en/of producten door de ODRU) gemiddeld over de ODRU-gemeenten in 2022 stijgt met ongeveer 13%. Een belangrijk deel van deze stijging wordt veroorzaakt door de uitvoering van nieuwe taken (vooral op het gebied van bodem), het andere deel door de uitvoering van gewijzigde taken. Dit laatste zijn taken die vragen om een andere manier van werken en daardoor wijzigen. In bepaalde gevallen is een uitbreiding in uren nodig. Deze financiële gegevens zijn informatief opgenomen in paragraaf 6 van de ontwerp-begroting 2022 die tot 7 juni 2021 voor zienswijzen bij de deelnemers ligt. Besluit algemeen bestuur ODRU op 8 april 2021 voor pad 3 financiële zekerheid Pad 3 houdt in dat de ODRU-gemeenten ervoor kiezen om nu nog geen financieel risico te nemen en pas aan het einde van dit jaar, bij het sluiten van het UVP 2022, een besluit te nemen over de benodigde uren voor nieuwe en gewijzigde taken. De ODRU moet daardoor wachten op de ondertekening van de UVP’s 2022 om nieuwe medewerkers te kunnen werven.

Gevolg daarvan is dat de ODRU op 1 januari 2022 onvoldoende geschikte capaciteit heeft om de taken onder de Omgevingswet uit te voeren. De ODRU heeft het eerste halfjaar van 2022 nodig om nieuwe medewerkers (tijdelijk) aan te nemen en in te werken, waardoor de ODRU in deze periode onvoldoende dienstverlening kan bieden op gewijzigde taken en nog geen dienstverlening kan bieden op nieuwe taken. Het gevolg is het grootste voor de nieuwe bodemtaken, die van de provincie overkomen, omdat de ODRU hiervoor onvoldoende geschikt personeel in dienst heeft. Voor de andere taken is wel geschikt personeel in dienst. Wel kan de ODRU voor deze taken overvraagd worden. In deze brief richten we ons op de gevolgen van dat de ODRU niet op tijd nieuw personeel kan aannemen en daardoor niet de nieuwe bodemtaken al kan uitvoeren per 1 januari 2022. Nieuwe bodemtaken De nieuwe taken bestaan hoofdzakelijk uit de bodemtaken waarvoor de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de vaste bodem van de provincie verschuift naar de gemeente. De gemeenten beleggen een deel van hun nieuwe taken op het gebied van bodem bij de ODRU2. Voor de uitvoering van nieuwe bodemtaken krijgen de gemeenten een bijdrage van het Rijk. Waarschijnlijk is de exacte verdeling van deze bijdrage over de gemeenten niet voor de zomer bekend. In de brief (d.d.

8 februari 2021, kenmerk INT20.1011/3885) die we namens het DB van de ODRU naar de VNG stuurden, vragen we om spoedig meer duidelijkheid te krijgen over de financiering van de bodemtaken na invoering van de Omgevingswet. Er is nog geen formele reactie op deze brief ontvangen. Financiële en maatschappelijke risico’s nieuwe bodemtaken Hieronder beschrijven we de belangrijkste financiële en maatschappelijke risico’s van het niet kunnen uitvoeren van de nieuwe bodemtaken per 1 januari 2022 (afgezien van de mogelijke maar nog onzekere tijdelijke oplossing die de provincie zou kunnen bieden). In bijlage 2 is dit voor de nieuwe bodemtaken verder uitgewerkt. Financieel risico dat gemeenten NIET nemen met keuze voor pad 3 Voor de uitvoering van de nieuwe bodemtaken heeft de ODRU ca. 8 fte nodig, waarvoor grofweg een bedrag van 1 miljoen euro nodig is. Dit bedrag moet worden gedekt vanuit de bijdrage die de 15 gemeenten van het Rijk krijgen voor hun nieuwe bodemtaken. Er komt een bijdrage vanuit het Rijk. Het Rijk is nog met de koepels in gesprek over het verdelen van deze jaarlijkse bijdrage van circa 100 miljoen euro voor apparaats- en uitvoeringskosten. De 1 miljoen euro is dus het maximale directe risico.

1 Notitie ‘3e raming structurele bijdrage onder Omgevingswet’ d.d. 22 maart 2021, per mail verspreid naar de

gemeentelijke regievoerders op 25 maart 2021. 2 Conform AB notitie ‘Uitvoering nieuwe bodemtaken’ d.d. oktober 2020. 2 van 10

Hieronder zijn de maatschappelijke risico’s van de keuze voor pad 3 beschreven, waar ook financiële risico’s aan gekoppeld zijn. (Woningbouw)projecten stagneren of vertragen Projecten, zoals woningbouw op een oud industrieterrein, kunnen stagneren dan wel vertragen. Als de gemeente niet de juiste bodeminformatie aan initiatiefnemers kan verstrekken, kunnen de benodigde bodemonderzoeken niet goed worden uitgevoerd en zal vaker vervolgonderzoek moeten plaatsvinden. Dit kost tijd en extra geld. Ook kunnen bij de uitvoering “verrassingen” (bijvoorbeeld een verontreiniging die bij bodemspecialisten al bekend was) worden gevonden. Door niet aan de voorkant gebruik te maken van de kennis van bodemspecialisten kan de uitvoering stil komen te liggen en moet er ad-hoc een oplossing gevonden worden. Kennis en kunde loopt weg De ODRU wil graag samenwerken met de RUD Utrecht. Bij de RUD is sprake van een afname van bodemwerkzaamheden en daardoor overcapaciteit. De RUD-medewerkers hebben de benodigde kennis en ervaring, ook in uw gemeente. Als de RUD-medewerkers niet op tijd duidelijkheid krijgen over uit te voeren werkzaamheden na 1 januari 2022, dan maken zij hun eigen keuzes en vertrekken of worden omgeschoold. In een later stadium nieuwe bodemmedewerkers werven en in te werken, is in de huidige krappe arbeidsmarkt voor deze specialistische taak een hele lastige opgave.

Geen beoordeling van saneringsvoornemen Het niet uitvoeren van de nieuwe bodemtaken betekent dat de gemeente de ingediende verzoeken voor uitvoeren saneringen niet kan toetsen. Als de gemeente niet binnen vier weken op een ingediende melding reageert, kan een initiatiefnemer starten met de uitvoering. Controle of een melding volledig en juist is ingediend, vindt dan niet plaats. Verder kan niet worden beoordeeld of een bodemgevoelige locatie in gebruik kan worden genomen na het nemen van sanerende of beschermende maatregelen. Geen toezicht op saneringen Met de Omgevingswet wordt toezicht bij bodemsaneringen belangrijker, omdat het saneringsresultaat na afloop niet meer verantwoord hoeft te worden door de initiatiefnemer. Als geen toezicht wordt uitgevoerd heeft de gemeente er geen zicht op of de saneringen adequaat worden uitgevoerd. Dit kan ertoe leiden dat er gebouwd en gewerkt wordt op vervuilde grond met de nodige milieu- (bijvoorbeeld verontreiniging van het grondwater) en gezondheidsrisico’s. Als na realisatie blijkt dat de sanering niet goed is uitgevoerd, kan dit leiden tot noodzaak van herstel. Dit herstel is moeilijk uit te voeren en waarschijnlijk kostbaar als het plan eenmaal is gerealiseerd. Het uitblijven van toezicht nodigt op termijn bovendien uit tot het maken van overtredingen, zeker als dit financieel voordeel oplevert voor de saneerder.

Aangezien de gemeente heeft nagelaten om toezicht te houden, kan de gemeente hierop worden aangesproken door de Inspectie Leefomgeving en transport (ILT). De gemeente kan verweten worden nalatig te zijn. Daarmee krijgt zij de verantwoordelijkheid voor herstel, waarbij juridische procedures nodig kunnen zijn. Ook levert het mogelijk imagoschade en wantrouwen op bij burgers en bedrijven. Geen afhandeling van zorgplichtsituaties en toevalsvondsten Als de gemeente niet optreedt bij een zorgplichtsituatie, dan ontstaat de situatie dat een veroorzaker niet aangesproken wordt op een nieuwe verontreiniging. De verontreiniging wordt daardoor niet opgeruimd, kan omvangrijker worden en uiteindelijk resulteren in hogere opruimkosten. Ook wordt de kans groter dat de gemeente zelf voor de kosten opdraait, omdat het niet meer lukt de veroorzaker aan te spreken. Bij toevalsvondsten kan sprake zijn van gezondheidsrisico’s voor mensen. De gemeente moet dan aangeven welke maatregelen nodig zijn om deze risico’s weg te nemen. Bij het uitblijven van een beoordeling worden risico’s niet onderkend en blijven maatregelen uit of worden verkeerde maatregelen genomen. Later optreden of corrigeren kan juridisch en/of financieel gevolgen hebben.

3 van 10

Het behoeft geen verdere uitleg dat het bovenstaande tot maatschappelijke en politiek bestuurlijke onrust kan gaan leiden in ons verzorgingsgebied. Aanpak 2e helft 2021 Tijdens de AB-vergadering van 8 april 2021 is uitgebreid gesproken over de keuze voor pad 3 en de mogelijke gevolgen. Er is ook gesproken over oplossingsrichtingen. U moedigt aan om het lobbyen richting het Rijk voort te zetten en om in gesprek te gaan met de provincie. De eerste gesprekken met de provincie zijn gepland om te praten over een mogelijke tussenoplossing, totdat de gemeenten weten hoeveel geld ze beschikbaar krijgen van het Rijk. Uiteraard houden we u op de hoogte van de uitkomsten van deze gesprekken en laten we u weten of er bestuurlijk overleg nodig is. Zodra er een besluit is genomen over de verdeling van de bijdrage van het Rijk, dan gaan we met u in gesprek over het beschikbaar maken van mensen voor de uitvoering van nieuwe bodemtaken per 1 januari 2022. Daarbij merken wij op dat zolang het kabinet 1 januari 2022 als beoogde datum heeft, wij daar ook vanuit gaan. Wij passen dit alleen aan wanneer er door het kabinet een ander besluit wordt genomen. Daarvan is – ondanks allerlei vragen die er in de Eerste Kamer leven over de invoeringsdatum – op dit moment geen sprake.

Tot slot Mocht u naar inleiding van deze brief vragen hebben of in gesprek willen, dan kunt u via ons bestuurssecretariaat contact opnemen met ondergetekende of via uw Regievoerder met uw relatiemanager van de ODRU.

Met vriendelijke groet,

A.E. van Vuuren directeur Omgevingsdienst regio Utrecht

Bijlagen: • Bijlage 1: AB notitie 8 april 2021 Opdracht uitvoering taken onder Omgevingswet • Bijlage 2: Gevolgen taakuitvoering vn bodemtaken vanaf 1 januari 2022

4 van 10

Bijlage 1 AB notitie Opdracht uitvoering taken onder Omgevingswet

NOTITIE algemeen bestuur (agendapunt 5c2 – ter bespreking) aan

de leden van het algemeen bestuur

van

Arnold van Vuuren

opsteller

Annemieke Vrij

DB portefeuillehouder

Ivo ten Hagen

telefoon

088 – 022 50 00

datum

24 maart 2021

kenmerk onderwerp

Opdracht uitvoering taken onder Omgevingswet

t.b.v.

Vergadering d.d. 8 april 2021

aantal pag.

4

bijlagen

-

voorstel Voorgesteld wordt om: - Kennis te nemen van het dilemma: financiële zekerheid versus zekerheid juiste taakuitvoering - De ODRU-gemeenten in meerderheid te laten kiezen om via een Collegebesluit dit voorjaar gegarandeerde uren ter beschikking te laten stellen voor in elk geval de uitvoering per 1-1-2022 van de nieuwe taken (pad 2*). Samenvatting Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Binnen het project Helderheid en afspraken over taken en rollen is het takenpakket van de ODRU onder de Omgevingswet vastgelegd en zijn de verwachte structurele financiële gevolgen van de Omgevingswet in beeld gebracht. De taakverdeling en de bijbehorende opdrachtverlening per gemeente moeten komend jaar goed worden vastgelegd. Eerder is in het AB besloten dat dit vastleggen van nieuwe taken en eventuele uitbreiding voor bestaande taken, die gewijzigd worden, eerst in tijdelijke uren en niet in DVO-uren zou gebeuren. Dit vanwege de flexibiliteit die gewenst is om eerst ervaring op te doen. Het nadeel is dat de ODRU dan geen vast personeel kan werven 5 van 10

en niet in staat is om de taken (in elk geval de nieuwe) tijdig en goed uit te voeren. Vooral voor de nieuwe (bodem-) taken geldt dat een keuze voor geen financieel risico in zal houden dat daarmee tevens de keuze wordt gemaakt van géén tijdige uitvoering van wettelijke publieke (bodem-) taken vanaf 1 januari 2022. Anderzijds betekent een keuze voor wél tijdige uitvoering van deze taken dat gemeenten enig financieel risico nemen, omdat nog niet duidelijk is welke bijdrage van het rijk zij hiervoor krijgen. En het AB heeft meermaals gezegd: “geen knaken, geen taken”. In deze notitie vragen we het algemeen bestuur een keuze te maken en – ondanks het uitgangspunt van de knaken en de taken - toch te kiezen om gegarandeerde uren ter beschikking te stellen voor in elk geval de uitvoering per 1 januari 2022 van de nieuwe taken. In de aanloop naar deze vergadering is een ambtelijke werkgroep gestart om na te denken over alternatieven. Over de uitkomsten daarvan wordt ter vergadering verslag gedaan.

toelichting Vraagstuk Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Binnen het project Helderheid en afspraken over taken en rollen is het takenpakket onder de Omgevingswet in december 2020 vastgelegd. Uit het overzicht takenpakket blijkt dat 96 van de 318 taken wijzigen en dat er 31 nieuwe taken bij komen, met name als gevolg van een bevoegdheidswijziging. Begin dit jaar zijn binnen het project Helderheid en afspraken over taken en rollen de financiële gevolgen van de Omgevingswet op de structurele kosten van de ODRU geactualiseerd. De verwachting is dat de structurele bijdrage (voor het aantal te maken uren en/of producten) in 2022 stijgt met circa 13 %. Een belangrijk deel van deze stijging wordt veroorzaakt door de uitvoering van de nieuwe taken, het andere deel door de uitvoering van gewijzigde taken. Dit laatste zijn taken die vragen om een nieuwe manier van werken en daardoor wijzigen, en waarvoor in bepaalde gevallen een uitbreiding in uren nodig is. Van belang is om de taakverdeling en bijbehorende opdrachtverlening per gemeente komend jaar goed vast te leggen. Anderhalf jaar geleden was de afspraak in het AB dat dit vastleggen eerst in tijdelijke uren en niet in DVO-uren zou gebeuren.

In deze notitie willen we de risico’s voor de ODRU en gemeenten van deze afspraak nader toelichten en het algemeen bestuur vragen een keuze te maken voor de wijze waarop opdrachtverlening voor 2022 tot stand komt. Risico’s voor gemeenten Met de uitvoering van nieuwe en gewijzigde taken onder de Omgevingswet gaan, naar uitkomst van de derde raming structurele bijdrage onder Omgevingswet, de volgende kosten gepaard: Soorten taken Nieuwe taken Gewijzigde taken Totaal

Benodigde uren 12.410 7.238 19.648

Kosten €1.178.950 € 687.610 €1.866.560

Financiële dekking Deels door het Rijk Onbekend

Toelichting bij kolom Financiële dekking: De nieuwe taken bestaan hoofdzakelijk uit de bodemtaken waarvoor de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de vaste bodem van de provincie verschuift naar de gemeente. De gemeenten zullen een deel van hun nieuwe taken op het gebied van bodem bij de ODRU beleggen, zoals geschetst in de AB-notitie 6 van 10

‘Uitvoering nieuwe bodemtaken’, d.d. oktober 2020. Voor de uitvoering van nieuwe bodemtaken krijgen de gemeenten een bijdrage van het Rijk. De verwachting is dat de exacte verdeling van deze bijdrage over de gemeenten en daarmee het uiteindelijke budget per gemeente niet voor de zomer bekend is. Het AB van de ODRU heeft in dit kader een brief gestuurd naar de VNG om spoedig meer duidelijkheid te krijgen over de financiering van de bodemtaken na invoering van de Omgevingswet. Het financiële risico om de opdracht voor uitvoering van de nieuwe taken bij de ODRU te beleggen is beperkt door de uiteindelijke financiële bijdrage van het Rijk. Voor de gewijzigde taken is nog geen directe financiële dekking in zicht. Mogelijkheden voor aanvullende leges en extra dekking vanuit het Rijk kunnen hierbij worden onderzocht. De afspraak om de taakverdeling en bijbehorende opdracht vast te leggen in het UVP 2022 heeft het voordeel van de flexibiliteit voor gemeenten. Zij maken de keuze voor de soort taken en hoeveelheid uren op het moment dat zij duidelijkheid hebben over de financiële dekking. Risico voor tijdige dienstverlening door de ODRU Het nadeel van het vastleggen in het UVP 2022 is echter dat de gemeenten het risico lopen dat de ODRU onvoldoende en onvoldoende gekwalificeerd personeel heeft voor de uitvoering van de taken.

De periode tussen het ondertekenen van het UVP 2022 in november/december 2021 en de start van de uitvoering van de Omgevingswet op 1 januari 2022 is te beperkt om voldoende goede mensen te kunnen aannemen. Omdat het in dat geval om tijdelijk uren gaat, mogen wij nieuw personeel geen vaste aanstelling bieden (dit kan alleen op basis van gegarandeerde uren), waaronder bijvoorbeeld gekwalificeerd personeel met ervaring bij de RUD. In de huidige krapte op de arbeidsmarkt levert dit een groot risico, dat de ODRU te laat is om vanaf 1 januari 2022 de taken onder de Omgevingswet goed uit te kunnen voeren. Indien de ODRU vanaf 1 januari 2022 niet direct kan starten, dan worden wettelijke publieke taken niet op tijd vervuld, en ontstaan er achterstanden die uiteindelijk meer geld kosten. Keuze aan ODRU-gemeenten De ODRU vraagt het AB om een keuze te maken over het pad voor opdrachtverlening. In dit pad zien wij drie opties:

Pad 1: Goed voorbereid

Pad 2: Nieuwe taken op de rit

Pad 3: Geen financieel risico

Pad 1: De ODRU-gemeenten kiezen ervoor om een financieel risico te nemen en de ODRU opdracht te geven voor de uitvoering van nieuwe en gewijzigde taken. Het gaat dan om een bedrag van 1.866.560 euro. Dit betekent dat de ODRU tijdig nieuwe medewerkers kan werven en op 1 januari 2022 klaar staat om de taken onder de Omgevingswet uit te voeren.

7 van 10

Pad 2: De ODRU-gemeenten kiezen ervoor om een beperkt financieel risico te nemen en de ODRU alleen opdracht te geven voor de uitvoering van nieuwe taken, waarvoor (deels) budget van het Rijk vrijkomt. Het gaat dan om een bedrag van 1.178.950 euro. Binnen pad 2 kan de keuze nog worden gemaakt of de opdracht wordt verleend in (middelen voor) tijdelijke uren of gegarandeerde uren (pad 2*). Dat laatste maakt het mogelijk vast personeel te werven en/of meerjarige uitvoeringsafspraken met de RUD te maken (die dan het vaste personeel kan behouden). Pad 3: De ODRU-gemeenten kiezen ervoor om nu nog geen financieel risico te nemen en pas aan het einde van dit jaar bij het sluiten van het UVP 2022 de benodigde uren voor nieuwe en gewijzigde taken af te nemen. De ODRU zal in dat geval moeten wachten op de ondertekening van de UVP’s 2022 om nieuwe medewerkers te werven. Gevolg daarvan is dat de ODRU op 1 januari 2022 waarschijnlijk onvoldoende geschikte capaciteit heeft om de taken onder de Omgevingswet uit te voeren. De ODRU heeft dan het eerste halfjaar van 2022 nodig om nieuwe medewerkers (tijdelijk) aan te nemen en in te werken, waardoor de ODRU in deze periode nog geen dienstverlening kan bieden op nieuwe taken.

In het geval dat ODRU-gemeenten geen extra uren in het UVP 2022 voor nieuwe en/of gewijzigde taken afnemen, dan zullen deze gemeenten keuzes moeten maken en bepaalde bestaande taken moeten schrappen en/of om bepaalde nieuwe en/of gewijzigde taken niet uit te laten voeren. Daarbij zullen de consequenties in overleg in beeld worden gebracht. De ODRU voert veelal wettelijke taken uit en het schrappen brengt risico’s met zich mee. De taken die de ODRU uitvoert hangen namelijk samen met een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving.

Voorstel Wij adviseren de ODRU-gemeenten om in meerderheid een zeker financieel risico te nemen en de ODRU nu in ieder geval opdracht te verlenen voor de uitvoering van de nieuwe taken (pad 2). Het voorstel van de ODRU is om pad 2* te kiezen en het aantal DVO-uren hierop aan te passen. Met deze keuze kan de ODRU voor een deel goed, vast personeel aannemen (of meerjarige overeenkomst afsluiten met de RUD), zodat we op 1 januari 2022 klaar zijn voor de uitvoering van de nieuwe taken onder de Omgevingswet. Het risico op achterblijvende dienstverlening bij gewijzigde (uitgebreide) taken in de eerste maanden van 2022 wordt bij de keuze voor dit pad acceptabel bevonden. Het is belangrijk dat alle gemeenten hierin zoveel mogelijk dezelfde keuze maken. Anders is het administratief niet goed werkbaar en worden gemeenten die wel zekerheid bieden benadeeld ten opzichte van de gemeenten die dat niet zouden doen. Gemeenten die in deze fase geen toezegging geven en financieel risico willen nemen, hebben dan ook geen rechten op de voorbereidingen die de ODRU voor de andere gemeenten treft. Om pad 1, 2 of 2* te bewandelen is na een besluit in het AB op deze notitie, besluitvorming in de afzonderlijke colleges noodzakelijk. Wij vragen de ODRU-gemeenten de keuze in het 2e kwartaal van 2021 vast te leggen in een collegevoorstel en het collegebesluit te communiceren met de ODRU.

De ODRU levert hiervoor uiterlijk 23 april 2021 een gemeente specifiek voorstel aan de ODRU-gemeenten, waarmee het gekozen pad in de beslispunten wordt opgenomen. Ambtelijke werkgroep In de aanloop naar de AB-vergadering op 8 april 2021 is de inhoud van deze notitie besproken met de gemeentelijke projectleiders Omgevingswet en de regievoerders. Op advies van de regievoerders is een werkgroep gestart om over meer alternatieven en verdere consequenties na te denken. De resultaten van deze werkgroep kunnen niet tijdig in deze notitie worden verwerkt, maar worden mondeling toegelicht in de AB-vergadering op 8 april 2021. 8 van 10

Bijlage 2 Gevolgen taakuitvoering van bodemtaken vanaf 1 januari 2022 Als niet of niet tijdig door gemeenten uren worden ingekocht bij de ODRU heeft dit gevolgen voor de taakuitvoering van bodemtaken vanaf 1 januari 2022. Hieronder wordt een beeld geschetst van deze gevolgen: 1. Het niet kunnen afhandelen van melding voor de volgende activiteiten: a. Graven beneden de interventiewaarden; b. Graven boven de interventiewaarden; c. Saneren van de bodem; d. Toets ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem; 2. Het niet kunnen afhandelen van zorgplichtsituaties en toevalsvondsten; 3. Het niet kunnen oppakken van specifieke bodemopgaven; 4. Het niet kunnen uitvoeren van toezicht op de uitvoering van bovengenoemde meldingsplichtige situaties; 5. Onvolledige informatievoorziening voor initiatiefnemers van ruimtelijke en civiele projecten; 6. Het niet kunnen verwerken van instructieregels, bruidsschatregels in het omgevingsplan en ook geen gebruik kunnen maken van de bestuurlijke afwegingsruimte; 7. Samenwerking met andere overheden komt niet van de grond; Ad 1. Gevolg van het niet afhandelen van meldingen is dat deze meldingen van rechtswege in werking treden. Het niet uitvoeren van de nieuwe bodemtaken betekent dat de gemeente de ingediende verzoeken voor uitvoeren saneringen niet kan toetsen.

Als er vanuit de gemeente binnen vier weken op een ingediende melding niet wordt gereageerd, kan een initiatiefnemer starten met de uitvoering. Controle of een melding volledig en juist is ingediend vindt dan niet plaats, evenals de signalering dat er een strijdigheid is met andere regels, waardoor een melding niet uitvoerbaar kan zijn. De gemeente heeft geen zicht of saneringen adequaat worden uitgevoerd. Als na realisatie blijkt dat de sanering niet goed is uitgevoerd, kan dit leiden tot noodzaak van herstel. Dit herstel is moeilijk uit te voeren en waarschijnlijk kostbaar als het plan eenmaal is gerealiseerd. In principe is de initiatiefnemer er verantwoordelijk voor dat de werkzaamheden volgens de wet- en regelgeving worden uitgevoerd. Aangezien de gemeente heeft nagelaten om toezicht te houden, kan de gemeente hier op worden aangesproken. De ervaring is nu dat er regelmatig opmerkingen zijn op de meldingen graven / saneren. Daarnaast is het niet mogelijk om maatwerk (afhandeling van een verzoek om een maatwerkvoorschrift) te leveren om ingewikkelde saneringsopgaven in goede banen te leiden, waardoor ontwikkelingen niet of tegen hogere kosten kunnen worden gerealiseerd. Verder kan niet worden beoordeeld of een bodemgevoelige locatie in gebruik kan worden genomen na het nemen van sanerende of beschermende maatregelen. Ad 2.

Gevolg van het niet afhandelen van zorgplichtsituaties en toevalsvondsten zorgt voor financiële en gezondheidsrisico’s. Als de gemeente niet optreedt bij een zorgplichtsituatie, dan ontstaat de situatie dat een veroorzaker niet aangesproken wordt op een nieuwe verontreiniging. De verontreiniging wordt daardoor niet opgeruimd, kan omvangrijker worden en uiteindelijk resulteren in hogere opruimkosten. Benadeelden als grondeigenaren zullen de gemeente verzoeken handhavend op te treden, waar geen vervolg aan kan worden gegeven. Dit kan leiden tot juridisch complexe trajecten met onzekere uitkomsten. Ook wordt de kans groter dat de gemeente zelf voor de kosten opdraait, omdat het niet meer lukt de veroorzaker aan te spreken. Bij toevalsvondsten kan sprake zijn van milieu- en gezondheidsrisico’s voor mensen. De gemeente zal dan aan moeten geven welke maatregelen nodig zijn om deze risico’s weg te nemen. Bij het uitblijven van een 9 van 10

beoordeling worden risico’s niet onderkend en blijven maatregelen uit of worden verkeerde maatregelen genomen. Later optreden of corrigeren kan juridisch en/of financieel problematisch zijn. Ad 3. Gevolg van het niet oppakken van specifieke bodemopgaven is dat de gemeenten kansen laat liggen voor een duidelijke kwaliteitsverbetering van de bodem en ondergrond. Voor specifieke bodemopgaven en toevalsvondsten komen aanvullende financiële middelen beschikbaar, die de gemeente bij het Rijk moet aanvragen. Met aanpak van deze opgaven verbetert de bodemkwaliteit, verminderen gezondheidsrisico’s (bijvoorbeeld diffuus lood) en worden de gebruiksmogelijkheden van bodem en ondergrond verhoogd (bijvoorbeeld voor de warmtetransitie met gebiedsgericht grondwaterbeheer). Ad 4. Door het ontbreken van toezicht op sanerende activiteiten groeit de kans op overtredingen bij saneringen en grondverzet. Met de Omgevingswet wordt toezicht bij bodemsaneringen belangrijker, omdat het saneringsresultaat na afloop niet meer verantwoord hoeft te worden door de initiatiefnemer. Het uitblijven van toezicht nodigt uit tot het maken van overtredingen, zeker als dit financieel voordeel oplevert voor de saneerder. Bij bodemsanering kan daarbij al snel sprake van zijn, omdat illegale verwerking van verontreinigde grond erg lucratief kan zijn.

Ad 5 Bij een onvolledige informatievoorziening vertragen ruimtelijke- en civiele projecten. De voorbereidingen van projecten vertragen, omdat bodemonderzoek niet goed kan worden uitgevoerd en vaker vervolgonderzoek plaats moet vinden. Bovendien kunnen bij de uitvoering “verrassingen” (een niet onbekende verontreiniging) worden gevonden, waardoor de uitvoering stil komt te liggen en er een oplossing voor de “verrassing” moet worden gevonden. Ad 6. Het niet kunnen verwerken van instructieregels en bruidsschatregels ontneemt de gemeente de mogelijkheid eigen ambities te bepalen en ten uitvoering te brengen (eigen bodembeleid). Met de implementatie van de bruidsschatsregels heeft de gemeente de mogelijkheid om eigen kwaliteitsdoelen vast te leggen en uitvoering van werkzaamheden beter te organiseren. Implementatie kan leiden tot een kostenbesparing voor initiatiefnemers en de gemeentelijke organisatie. Als instructieregels niet kunnen worden opgevolgd, kan de gemeente bijvoorbeeld het aantal vergunningsvrije gevallen niet uitbreiden. Om een goede afweging te kunnen maken voor de ontwikkeling van het bodembeleid is een goed proces en adequate aansluiting bij de gemeentelijke omgevingsvisie nodig.

Als er geen capaciteit beschikbaar is om aan te sluiten bij gemeentelijke processen voor de omgevingsvisie en -plan bestaat het risico dat deze processen later deels opnieuw doorlopen moeten worden, omdat essentiële zaken niet geregeld zijn. Ad 7. Bij het uitblijven van samenwerking met andere overheden kunnen er geen afspraken worden gemaakt met deze overheden. Voor een goede uitvoering van de Omgevingswet is het nodig afspraken te maken met andere overheden. Voor bodem- en ondergrond is dit met name van belang voor het grondwater, waarvoor het Rijk weinig heeft geregeld. De andere overheden moeten onderling bepalen wie waarover gaat in het grondwater. De gemeente heeft onder andere een groot belang in het grondwater als het om de energietransitie en bodemdaling gaat.

10 van 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/391/documents/11959