CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

B04.2 Biedboek Oudewater Kapellestraat 1-3 De Klepper V1.pdf

Gemeenteraad 10 april 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 7: Ingekomen stukken23.121 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de grote zaal met vide, garderobe, berging, sociëteit en verder aanbehoren, gelegen te 3421 CT Oudewater, Kapellestraat 1, 3, kadastraal bekend gemeente Oudewater, sectie B, complexaanduiding 6565, appartementsindex 1, uitmakende het een/derde (1/3e) onverdeeld aandeel in de gemeenschap, bestaande uit het gebouw met ondergrond en verder aanbehoren, plaatselijk bekend Kapellestraat 1, 3 te Oudewater, ten tijde van de splitsing in appartementsrechten kadastraal bekend gemeente Oudewater, sectie B nummer 6565, groot acht are en tien centiare (8 a 10 ca), en b. het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de verenigingsruimten met aanbehoren, gelegen te 3421 CT Oudewater, Kapellestraat 1, 3, kadastraal bekend gemeente Oudewater, sectie B, complexaanduiding 6565, appartementsindex 2, uitmakende het twee/derde (2/3e) onverdeeld aandeel in de hiervoor onder a. gemelde gemeenschap,"; Dit is onjuist en moet zijn: " a.

het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de grote zaal met vide, garderobe, berging, sociëteit en verder aanbehoren, gelegen te 3421 CT Oudewater, Kapellestraat 1, 3, kadastraal bekend gemeente Oudewater, sectie B, complexaanduiding 6565, appartementsindex 1, uitmakende het een/derde (1/3e) onverdeeld aandeel in de gemeenschap, bestaande uit het gebouw met ondergrond en verder aanbehoren, plaatselijk bekend Kapellestraat 1, 3 te Oudewater, ten tijde van de splitsing in appartementsrechten kadastraal bekend gemeente Oudewater, sectie B nummer 5267, groot acht are en tien centiare (8 a 10 ca), en b. het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de verenigingsruimten met aanbehoren, gelegen te 3421 CT Oudewater, Kapellestraat 1, 3, kadastraal bekend gemeente Oudewater, sectie B,

Onroerende Zaken Hyp4 : 67954/72 24-03-2016 14:25

-2-

complexaanduiding 6565, appartementsindex 2, uitmakende het twee/derde (2/3e) onverdeeld aandeel in de hiervoor onder a. gemelde gemeenschap,". VERBETERING VAN DE CLERICAL ERROR Vervolgens ben ik, notaris, overgegaan tot het aanbrengen van gemelde verbetering in gemelde akte. WOONPLAATSKEUZE Terzake van de uitvoering van deze overeenkomst, ook voor fiscale gevolgen, wordt woonplaats gekozen ten kantore van de bewaarder van deze akte. WAARVAN AKTE, in minuut is verleden te Oudewater, ten dage in het hoofd dezer gemeld, waarna de akte door mij, notaris, is ondertekend. Volgt ondertekening. UITGEGEVEN VOOR AFSCHRIFT (getekend:) mr. A.J.W. Kuiper. De ondergetekende, mr. Andries Jan Willem Kuiper, notaris te Oudewater, verklaart dat dit afschrift inhoudelijk een volledige en juiste weergave is van de inhoud van het stuk waarvan het een afschrift is.

Blad 3 van 3

Verklaring: Het voorgaande stuk is ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers op 24-03-2016 om 14:25 in register Onroerende Zaken Hyp4 in deel 67954 nummer 72. Een elektronisch document met voornoemde inhoud was gewaarmerkt met een digitale handtekening, die blijkens bijbehorend certificaat van KPN Corporate Market CSP Organisatie CA - G2 met nummer 101F06D968A370B3FE6B26B6297A6840 toebehoort aan Andries Jan Willem Kuiper. Naam bewaarder: Mr. B.H.J. Roes.

Onroerende Zaken Hyp4 : 67954/72 24-03-2016 14:25

Blad 1 van 3

-1-

AANVULLING BIJ INSCHRIJVING HYPOTHEKEN 4, DEEL 67954 NUMMER 72 PROCES-VERBAAL CONSTATERING EN VERBETERING (CLERICAL ERROR)

Heden, één april tweeduizend zestien, ben ik, mr. Andries Jan Willem Kuiper, notaris te Oudewater, overgegaan tot het ambtshalve opmaken van een proces-verbaal met betrekking tot de verbetering van een zogenaamde clerical error als bedoeld in artikel 45, tweede lid van de wet op het Notarisambt. CONSTATERING VAN EEN CLERICAL ERROR. In de akte op eenentwintig maart tweeduizend zestien verleden voor mij, notaris, ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers op tweeëntwintig maart tweeduizend zestien in het register hypotheken nummer 4, deel 67954 nummer 72, werd door een kennelijke schrijffout/misslag abusievelijk een onjuistheid / onvolledigheid opgenomen waardoor de kadastrale wijziging niet kan worden bijgewerkt. Het volgende staat vermeld: " TENIETGAAN SPLITSING IN APPARTEMENTEN EN OPSTALRECHTEN Door de levering van het verkochte aan de koper, tevens zijnde de grondeigenaar, gaan zowel de verkochte appartementsrechten als het daaraan ten grondslag liggende opstalrecht hierbij teniet.

Koper verzoekt de Bewaarder van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers het grondperceel weer uitsluitend en volledig op naam van de gemeente Oudewater te stellen." Doordat het in appartementsrechten gesplitste opstalrecht juridisch in eigendom is geleverd aan de eigenaar treedt vermenging op waardoor de splitsing in appartementsrechten juridisch en van rechtswege niet meer bestaat. Bovenstaande passage is echter, naar is gebleken, voor de kadastrale bijhouding onvoldoende en de bewaarder ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers heeft te kennen gegeven dat partijen de splitsing in appartementsrechten dienen op te heffen, louter voor de kadastrale bijhouding. Namens partijen ben ik, notaris, overgegaan tot het opmaken van een proces-verbaal van rectificatie en wordt bovengemelde passage aangepast en verbeterd, alleen omdat dat voor de juiste kadastrale tenaamstelling is vereist. Deze passage was dus (kadastraal) onjuist en had moeten luiden als volgt en wordt derhalve gerectificeerd als volgt, zodat deze na wijziging luidt als volgt: " TENIETGAAN SPLITSING IN APPARTEMENTEN EN OPSTALRECHTEN Door de levering van het verkochte aan de koper, tevens zijnde de grondeigenaar, gaan zowel de verkochte appartementsrechten als het daaraan ten grondslag liggende opstalrecht hierbij teniet door vermenging, hetgeen thans wordt geconstateerd.

Partijen verklaarden dat de splitsing in appartementsrechten opgeheven dient te

Onroerende Zaken Hyp4 : 68014/67 01-04-2016 11:21

-2-

worden / is door deze juridische levering, zodat na de onderhavige levering en door de vermenging en de opheffing van de splitsing in appartementsrechten als enige eigenaar bij het kadaster dient te worden aangetekend: de koper in deze, zonder vermelding van de splitsing en de appartementsrechten. Koper verzoekt de Bewaarder van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers het grondperceel weer uitsluitend en volledig op naam van de gemeente Oudewater te stellen." VERBETERING VAN DE CLERICAL ERROR Vervolgens ben ik, notaris, overgegaan tot het aanbrengen van gemelde verbetering in gemelde akte. WOONPLAATSKEUZE Terzake van de uitvoering van deze overeenkomst, ook voor fiscale gevolgen, wordt woonplaats gekozen ten kantore van de bewaarder van deze akte. WAARVAN AKTE, in minuut is verleden te Oudewater, ten dage in het hoofd dezer gemeld, waarna de akte door mij, notaris, is ondertekend. Volgt ondertekening. UITGEGEVEN VOOR AFSCHRIFT (getekend:) mr. A.J.W. Kuiper. De ondergetekende, mr. Andries Jan Willem Kuiper, notaris te Oudewater, verklaart dat dit afschrift inhoudelijk een volledige en juiste weergave is van de inhoud van het stuk waarvan het een afschrift is.

Blad 3 van 3

Verklaring: Het voorgaande stuk is ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers op 01-04-2016 om 11:21 in register Onroerende Zaken Hyp4 in deel 68014 nummer 67. Een elektronisch document met voornoemde inhoud was gewaarmerkt met een digitale handtekening, die blijkens bijbehorend certificaat van KPN Corporate Market CSP Organisatie CA - G2 met nummer 101F06D968A370B3FE6B26B6297A6840 toebehoort aan Andries Jan Willem Kuiper. Naam bewaarder: Mr. B.H.J. Roes.

Onroerende Zaken Hyp4 : 68014/67 01-04-2016 11:21

Bijlage 3: Archeologish bureauonderzoek

Gemeente Oudewater Plangebied Kapellestraat 1 te Oudewater

Auteur: E.A.M. de Boer

Archeologisch bureauonderzoek Status: definitief BAAC Rapport V-17.0147

1

augustus 2017

Archeologisch bureauonderzoek

Colofon ISSN: Auteur(s): Cartografie: Redactie: Copyright:

1873-9350 mw. E.A.M. de Boer MSc, MA mw. E.A.M. de Boer MSc, MA dhr. drs. J.F. van der Weerden BAAC bv te ‘s-Hertogenbosch

Redactie senior archeoloog :

drs. J.F. van der Weerden

26-7-2017

Accordering senior prospector:

E.A.M. de Boer MSc, MA

26-7-2017

© BAAC, ’s-Hertogenbosch (2017) BAAC aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

BAAC bv Onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuur- en Cultuurhistorie Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ‘s-Hertogenbosch Tel.: (073) 61 36 219 Fax: (073) 61 49 877 E-mail: denbosch@baac.nl

1

Postbus 2015 7420 AA Deventer

Archeologisch bureauonderzoek

2

Inhoud

Samenvatting

5

1

Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Ligging van het gebied 1.3 Administratieve gegevens

7 7 8 9

2

Bureauonderzoek 2.1 Werkwijze 2.2 Landschappelijke ontwikkeling 2.3 Bewoningsgeschiedenis 2.3.1 Inleiding 2.3.2 Historie 2.3.3 Archeologie

11 11 11 15 15 16 21

3

Archeologische verwachting

27

4

Conclusie en aanbevelingen

29

5

Geraadpleegde bronnen

31

Bijlagen

Bijlage 1

3

37

Overzicht van geologische en archeologische tijdvakken

Archeologisch bureauonderzoek

4

Samenvatting

In opdracht van Erfgoed Advies Groen B.V. heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Kapellestraat 1 te Oudewater. Aanleiding voor het onderzoek is het plan de huidige bebouwing in het plangebied te verbouwen, waarbij mogelijk de fundering zal worden hersteld en een nieuwe parkeergarage zal worden gebouwd. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in het Pleistoceen deel uitmaakte van de riviervlakte van de Rijn en Maas met een verwilderd geulenpatroon. Deze afzettingen bevinden zich tegenwoordig vermoedelijk op een diepte van 10 à 11,2 m –mv. In het vroeg- en midden-holoceen zijn deze afzettingen geërodeerd door een meandergeul, waardoor aan archeologische waarden (vuursteenvindplaatsen) voor het paleolithicum tot en met het mesolithicum een lage verwachting wordt toegekend. Als gevolg van de stijgende zeespiegel in het Holoceen, steeg de grondwaterspiegel en ontstond vanuit het westen geleidelijk een veenmoeras met meanderende rivieren. De stroomgordels vormden vanwege hun hogere ligging aantrekkelijke vestigingsplaatsen. Lange tijd lag het plangebied echter niet op een stroomgordel, waardoor aan het neolithicum tot en met de vroeg Romeinse tijd een lage verwachting wordt toegekend.

Vanaf de midden Romeinse tijd is ten zuiden van het plangebied een nieuwe rivierloop ontstaan, de Hollandse IJssel, waarbij tot in het plangebied oeverwalafzettingen zijn afgezet. Bekend is dat bij de monding van de Lange Linschoten in de Hollandse IJssel, ten noordwesten van het plangebied, in ieder e geval vanaf de 8 eeuw vermoedelijk een nederzetting aanwezig was e (Oudewater). Vanaf de 11 eeuw is het omringende moerasgebied door de bisschop van Utrecht uitgegeven, waarna het gebied vanaf de oeverwallen van de rivieren, zoals de Hollandsche IJssel en de Lange Linschoten, systematisch is ontgonnen (de zogenaamde cope-ontginningen). Op de ontginningsbasis ontstonden nederzettingen. Hoewel niet bekend is of het plangebied daadwerkelijk bewoond is geweest, is de kans hierop wel aanwezig. Door het latere stedelijke gebruik (zie hieronder) zal de natuurlijke bodem in meer of mindere mate verstoord zijn. Deze verstoring bestaat echter uit archeologische sporen. Derhalve wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (nederzettingsresten) uit de midden Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen A. In ieder geval is in 1234 langs de westgrens van het plangebied de IJsseldijk verzwaard. Vermoedelijk was hier ook al eerder sprake van een kade. Een deel van de ophoging van de dijk/kade kan binnen het plangebied vallen.

Het e plangebied is aan het begin van de 14 eeuw opgenomen binnen de stadsmuren van de stad Oudewater. Mogelijk was hiervoor ook als sprake van bewoning in het plangebied, maar het plangebied was in ieder geval vanaf het midden van de e 16 eeuw grotendeels bebouwd. Als gevolg van het eeuwenlange gebruik als stedelijk erf en gezien de ligging langs een dijk is het plangebied opgehoogd,

5

waarbij het pakket varieert van 1 tot meer dan 2 m. Hierdoor zullen de jongere bodemingrepen (funderingsleuven, kabels en leidingen e.d.) de archeologische waarden slechts plaatselijk (deels) hebben aangetast. Op basis van deze gegevens wordt aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (nederzettingsresten) uit de late middeleeuwen B tot nieuwe tijd. Gezien de (middel)hoge verwachting wordt geadviseerd bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm –mv een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek of (indien dit niet mogelijk is) een archeologische begeleiding.

Archeologisch bureauonderzoek

6

1 1.1

Inleiding

Onderzoekskader

In opdracht van Erfgoed Advies Groen B.V. heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Kapellestraat 1 te Oudewater. Aanleiding voor het onderzoek is het plan de huidige bebouwing in het plangebied te verbouwen, waarbij mogelijk de fundering zal worden hersteld. Hierbij zal naar verwachting de bodem tot dieper dan 30 cm –mv worden verstoord. Tevens zal mogelijk in het plangebied een parkeergarage worden gerealiseerd. Aangezien de plannen nog in een beginstadium zijn, zijn er nog geen gedetailleerde gegevens beschikbaar over de exacte diepte, omvang en locatie van de geplande bodemingrepen.1 Gezien de plannen en de ligging van het plangebied in de oude binnenstad van Oudewater bestaat er echter een gerede kans bestaat dat eventueel aanwezige archeologische waarden verstoord of vernietigd worden. Het doel van een bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied aan de hand van bestaande bronnen. Met behulp van de verworven informatie wordt een specifiek archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Tijdens het onderzoek dienen de volgende onderzoeksvragen uit het onderzoeksvoorstel2 te worden beantwoord: 

 

1 2

7

Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? Meer specifiek o.b.v. bouwdossieronderzoek: o Wat was de funderingsdiepte en de diepte van vloerniveaus ten opzichte van het originele maaiveld? o Waren of zijn in het plangebied kelders of andere verdiepte ruimten aanwezig en zo ja, waar bevinden deze zich en welke omvang hebben zij? o Zijn eventuele ingravingen ten opzichte van het originele maaiveld gedaan, of is er eerst opgehoogd? Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied? In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm?

Schriftelijke mededeling dhr. P. Groen (Erfgoed Advies Groen B.V.) 18 juli 2017. Bergman 2017.

Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 3 versie 4.0 , het vigerende gemeentelijke beleid en het onderzoeksspecifieke onderzoeksvoorstel4.

1.2

Ligging van het gebied

Het plangebied ligt in de oude stadskern van Oudewater in de gelijknamige gemeente (provincie Utrecht). Het plangebied wordt gevormd door het perceel aan de Kapellestraat 1 en wordt in het zuidwesten begrensd door deze straat. De noordwestelijke begrenzing wordt gevormd door de Oude Huijgensteeg en de 2 oostelijke door een parkeerplaats. De oppervlakte bedraagt circa 1010 m . In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

Figuur 1.1 Ligging van het plangebied.

3 4

CCvD 2016. Bergman 2017.

Archeologisch bureauonderzoek

8

1.3

Administratieve gegevens

Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Datum gunning: Datum conceptrapportage: Datum definitief rapport: BAAC-projectnummer: Coördinaten:

Kaartblad: Oppervlakte: Complextype: Datering: Onderzoeksmeldingsnummer: AMK-terrein: ARCHIS-zaakidentificatienr.: Type onderzoek: Opdrachtgever: Bevoegde overheid: Beheer documentatie: Uitvoerder:

Projectleider:

9

Utrecht Oudewater Oudewater Kapellestraat 1 Gemeente Oudewater, sectie B, nr. 5267 en 5317 (deels) 28 juni 2017 26 juli 2017 22 augustus 2017 V-17.0147 119.715/448.356 119.723/448.328 119.680/448.326 119.676/448.346 38B 2 1010 m nederzetting Midden Romeinse tijd – Nieuwe tijd 4556334100 12020 N.v.t. Archeologisch bureauonderzoek Erfgoed Advies Groen B.V. Contactpersoon: dhr. P. Groen Gemeente Oudewater Contactpersoon: mw. E. Mietes Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (ARCHIS), Dans Easy en archief BAAC bv. BAAC bv, vestiging 's-Hertogenbosch Graaf van Solmsweg 103 5222 BS 's-Hertogenbosch tel. 073-6136219 Mw. T. Buikema

Archeologisch bureauonderzoek

10

2 2.1

Bureauonderzoek

Werkwijze

Tijdens het bureauonderzoek is aan de hand van bestaande bronnen een archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld. Bij de inventarisatie van de archeologische waarden is gebruik gemaakt van gegevens van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) (ARCHIS3) en de gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidskaart. Met name voor de recentere archeologische periodes zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. Er is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebestand Nederland, oude kadastrale en topografische kaarten en bouwtekeningen uit het (gemeente)archief. Literatuur over de geologie, geomorfologie en de bodemopbouw van het onderzoeksgebied is eveneens bestudeerd om op basis van locatiekeuzetheorieën een uitspraak te doen over de kans op aanwezigheid van archeologische resten. In navolgende paragrafen worden de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een synthese in de vorm van een specifieke archeologische verwachting. Een opsomming van de geraadpleegde literatuur en gebruikte kaarten is terug te vinden in de literatuurlijst. Voor een tabel met een overzicht van geologische en archeologische tijdvakken wordt verwezen naar bijlage 1.

2.2

Landschappelijke ontwikkeling

Het plangebied maakt deel uit van het rivierenlandschap.5 In het Pleistoceen stroomden de voorlopers van de Rijn en de Maas door het gebied, waarbij grof zand en grind werden afgezet (Formatie van Kreftenheye). Delen van de riviervlakte vielen periodiek droog, waardoor door de wind zand kon worden verplaatst en duinen konden opstuiven. Deze uit grof zand opgebouwde rivierduinen (ook wel donken genoemd), reiken tegenwoordig plaatselijk door de jongere afzettingen heen tot dicht aan het maaiveld (Boxtel Formatie; Delwijnen Laagpakket). In het plangebied komen de pleistocene rivierafzettingen echter dieper dan circa 9 m -NAP (d.w.z. circa dieper dan 10 à 11,2 m –mv) voor.6 Onder invloed van de klimaatsverbetering op de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen smolt het landijs af en steeg de zeespiegel. Het vlechtende rivierpatroon kreeg door veranderingen in het afvoerregime een meanderend karakter met enkele hoofdgeulen die zich in de oudere riviervlakte insneed. Alleen bij zeer hoge rivierstanden traden de rivieren buiten hun geulen en werd op de oudere grindige rivierafzettingen een kleilaag (Laag van Wijchen) afgezet. Als gevolg van de doorgaande zeespiegelstijging steeg de grondwaterstand en

5 6

Berendsen 2005; Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (38W) 1984. Geologische kaart van Nederland 1:50.000 (blad 38 West) 1992, bijkaart 1.

11

ontstond ter hoogte van het plangebied na verloop van tijd een groot drassig gebied waar veen werd gevormd (Formatie van Nieuwkoop; Basisveenlaag).

Figuur 2.1 Blokdiagram van een meanderende rivier (Verbraeck 1984).

Onder invloed van de stijgende zeespiegel veranderden de zich insnijdende meanderende rivieren tussen 8000 en 7000 BP (d.w.z. in het midden mesolithicum) in aggraderende rivieren. In de bedding van de rivieren werd het grofste materiaal, voornamelijk zand en grind, afgezet. Bij overstroming werden zand en klei uit de bedding gelicht en op de oevers afgezet, waardoor oeverwallen ontstonden (zeer fijnzandig en zavelig materiaal; Echteld Formatie7). Verder van de rivier af kwam het overstromingswater tot rust en werd klei (Echteld Formatie) afgezet. In de kommen ontstond onder invloed van een hoge grondwaterspiegel veen (Formatie van Nieuwkoop; Hollandveen Laagpakket). Mede als gevolg van de invloed van de getijdewerking op de rivierstand vonden regelmatig doorbraken van de oeverwallen plaats, waardoor crevassegeulen ontstonden. In en langs de crevassegeulen vond sedimentatie plaats. De crevasseafzettingen zijn meestal minder dik dan stroomgordelafzettingen, waarbij bovendien de lithologische samenstelling over korte afstand sterk kan variëren. Na verloop van tijd verzandde de bedding en verlegde de rivier zijn loop. Het zandige geullichaam en de oeverwallen bleven hierbij achter (zie figuur 2.1).

Door het zandige karakter van het geullichaam en de oeverwallen kwamen deze delen door ontwatering en differentiële klink8 hoger te liggen en vormden ze door de eeuwen heen gunstige plaatsen voor bewoning.9

7

Voorheen Formaties van Gorkum en Tiel. Klei en veen klinken sterker in dan zand, waardoor de oorspronkelijk laag gelegen stroomgordels na verloop van tijd hoog in het landschap kwamen te liggen. 9 Verbraeck 1984; Bosch & Kok 1944. 8

Archeologisch bureauonderzoek

12

Figuur 2.2 De locatie van het plangebied op de geologisch-geomorfologische kaart (Cohen et al. 2012).

Volgens de geologisch-geomorfologische kaart 10 maakt het plangebied deel uit van een gebied waar zich in het Vroeg- en Midden-Holoceen (8050-7800 14C BP11). een meanderende geul heeft ingesneden. Omstreeks 2390 BP (oftewel in de vroege ijzertijd) werd op circa 250 m ten noordwesten van het plangebied de noordoost-zuidwest georiënteerde stroomgordel van de Lange Linschoten actief (vermoedelijk een perimariene crevasse geul). Nadat omstreeks 1830 BP (middenRomeinse tijd) op circa 50 m ten zuidwesten van het plangebied de Hollandse IJssel is ontstaan, raakte de geul van de Lange Linschoten buiten gebruik en vond in deze geul alleen bij hoog water van de Hollandse IJssel sedimentatie plaats. De Hollandse IJssel heeft ter hoogte van het plangebied oeverwallen gevormd. In 1285 na Chr. is de IJssel bij Klaphek afgedamd, maar vermoedelijk was de rivier hiervoor al bedijkt. Als gevolg hiervan werd de sedimentatie beperkt tot het buitendijkse gebied.12 Volgens de geologische kaart bestaat de ondergrond van het plangebied uit

afzettingen van Tiel (komafzettingen) op een afwisseling van Hollandveen met Afzettingen van Gorkum (kom- en oeverafzettingen) (kaarteenheid rF2k). Direct ten zuidwesten van het plangebied bevinden zich afzettingen van Tiel (geulafzettingen, eventueel bedekt door oeverafzettingen) van de Hollandse IJssel (kaarteenheid rD0g).13 Met behulp van de boorgegevens uit het DINOloket kan de geologische opbouw van de omgeving van het plangebied nader gespecificeerd worden. Uit de boringen blijkt dat zich op 150 m ten zuidwesten van het plangebied, d.w.z. op de rand van de restgeul van de IJssel, een 70 cm dik pakket zwak humeus, matig tot zeer grof zand aanwezig is met daaronder tot minimaal 3 m –mv zwak

10

Berendsen & Stouthamer 2001. BP = Before Present (vóór 1950). 12 Berendsen & Stouthamer 2001; Harbers 1981; Cohen et al. 2012. 13 Geologische kaart van Nederland 1:50.000 (kaartblad 38 West) 1992. 11

13

humeuze, zwak tot matig zandige klei.14 Vermoedelijk bevindt deze boring zich ter hoogte van restgeulafzettingen van de Hollandse IJssel. Op ruim 150 m ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een 1,8 m dik pakket matig siltige klei (Formatie van Echteld) met daaronder tot 7,6 m –mv een pakket gyttja en veen met aan de basis zandige kleilagen (Hollandveen en Basisveen van de Formatie van Nieuwkoop met aan de basis Formatie van Echteld). Vanaf 7,6 m –mv (8,4 m –NAP) bevindt zich een pakket klei dat is geïnterpreteerd als klei van de Formatie van Kreftenheye (Laag van Wijchen).15 In een nabij gelegen boring is vanaf 8,4 m –mv (9,6 m –NAP) matig grof zand van de Formatie van Kreftenheye aangetroffen.16 Deze boringen bevinden zich ter hoogte van de (oeverwalnabije) komafzettingen van de Hollandse IJssel. Op ruim 150 m ten zuidoosten van het plangebied is een 2,2 m dik pakket klei aangetroffen dat aan de top siltig is en aan de basis humeus en zandig. Hieronder bevindt zich tot 10,4 m –mv (9,85 m –NAP) een pakket zand dat met toenemende diepte grover wordt (van zeer fijn siltig zand tot zwak grindig zand). Deze afzettingen behoren tot de beddingsedimenten van de Hollandse IJssel.

Hieronder bevindt zich een pakket grindig, grof zand van de Formatie van Kreftenheye.17 Plaatselijk is het grove zand van Kreftenheye afgedekt met een 50 cm dikke laag sterk siltige klei (Laag van Wijchen; Formatie van Kreftenheye).18 Deze boringen bevinden zich op de beddingafzettingen van de Hollandse IJssel, die zijn afgedekt met oeverwalafzettingen. Vermoedelijk heeft het plangebied een vergelijkbare geologische opbouw. De gegevens van een milieukundig bodemonderzoek kunnen eveneens gebruikt worden om een (globaal) beeld te krijgen van de bodemopbouw van het plangebied. Voor zover bekend heeft er in het plangebied tot op heden geen milieukundig bodemonderzoek plaatsgevonden.19 Op de geomorfologische kaart is het plangebied vanwege de ligging in de bebouwde kom niet gekarteerd. Op basis van extrapolatie van de omringende gebieden blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van een rivieroeverwal (kaarteenheid 3K25). Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een rivierkomvlakte (kaarteenheid 1M23).20

14

DINOloket 2017, boring B38B2285. DINOloket 2017, boring B38B1949. 16 DINOloket 2017, boring B38B1345 17 DINOloket 2017, boring B38B0068. 18 DINOloket 2017, boring B38B0026. 19 Schriftelijke mededeling dhr. P. Groen (Erfgoed Advies Groen B.V.) 18 juli 2017; Bodemloket 2017. 20 ARCHIS 3 2017. 15

Archeologisch bureauonderzoek

14

Figuur 2.3 De ligging van het plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2 2017).

Op de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van een gebied waar twee hoger gelegen zones (circa 0 m +NAP) (stroomgordels van de Hollandse IJssel en de Lange Linschoten) samenkomen. De hoogte van de omringende, laaggelegen komgebieden bedraagt circa 1 à 1,5 m –NAP. Vanwege de ligging in de oude stadskern (0,5 à 3,2 m +NAP) van Oudewater en dan met name langs de Lange Linschoten (1,5 à 3,2 m +NAP) heeft het plangebied echter een beduidend hogere ligging. Het plangebied helt sterk in oostelijke richting af van 2,2 m +NAP naar 0,95 m +NAP. Dit betekent dat er vermoedelijk een 1 à ruim 2 m dik stedelijk ophoogdek aanwezig is ter hoogte van het plangebied.21 Ook op de bodemkaart is het plangebied vanwege de ligging in de bebouwde kom niet gekarteerd. Op basis van de omringende gekarteerde gebieden is af te leiden dat zich in het plangebied van nature kalkhoudende poldervaaggronden (kaarteenheid Rn95A) bevinden, die zijn ontstaan in zware zavel en lichte klei met grondwatertrap VI.22 Poldervaaggronden worden gekenmerkt door een vrij dunne, zwak ontwikkelde, humeuze bovengrond met daaronder de C-horizont, die meestal direct onder de A-horizont sterk roestig en grijs gekleurd is. Als gevolg van de ligging in de oude stadskern van Oudewater zal de natuurlijke bodem echter afgedekt zijn met een stedelijk ophoogpakket.

2.3

Bewoningsgeschiedenis

2.3.1 Inleiding Het plangebied maakt deel uit van een klei-op-veengebied, dat doorsneden werd door rivieren. De zandige stroomgordels vormden van oudsher aantrekkelijke e vestigingslocaties. Vermoedelijk is al in de 8 eeuw op het schiereilandje waar het ‘oude water’ (het riviertje de Lange Linschoten) in de Hollandsche IJssel uitmondde, oftewel ten noordwesten van het plangebied, een nederzetting 21 22

AHN3 2017. Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (38 West) 1984.

15

ontstaan. In ieder geval was er omstreeks 1100 sprake van een tufstenen kerk in Oudewater. e

Vanaf de 11 eeuw is het omringende moerasgebied door de bisschop van Utrecht uitgegeven, waarna het gebied systematisch is ontgonnen. Vanaf de oeverwallen van de rivieren, zoals de Hollandsche IJssel en de Lange Linschoten, werden evenwijdige sloten gegraven om het gebied te ontwateren, waardoor langgerekte, smalle kavels ontstonden. Deze zogenaamde cope-ontginningen, genoemd naar de overeenkomst (‘cope’) die de bisschop met de ontginners sloot, werden omgeven door een dijkje of kade om gebiedsvreemd water te weren. Als gevolg van de inklinking van de bodem kregen de boeren steeds meer te maken met wateroverlast en werd het noodzakelijk langs de rivieren dijken aan te leggen. De Kappellestraat, langs de westgrens van het plangebied, maakte deel uit van de IJsseldijk. Bekend is dat de IJsseldijk in ieder geval in 1234 is verzwaard. Als gevolg van de doorgaande inklinking van het land en de ophoging (als gevolg van buitendijkse sedimentatie) van de bedding van de Hollandsche IJssel werd de afwatering echter steeds moeilijker. Door in 1285 de Hollandsche IJssel bij Klaphek af te dammen, kreeg de rivier een lager waterpeil waardoor de omringende gebieden makkelijker konden afwateren. De Lek werd vervolgens de hoofdafvoer van het Rijnstelsel.23

Figuur 2.4 Indicatieve ligging van het plangebied op een uitsnede van een kaart uit het midden van de 16e eeuw (Van Deventer 1558).

2.3.2 Historie In 1265 kreeg Oudewater van de bisschop van Utrecht stadsrechten, waarna de nederzetting verder uitgroeide en in 1321 stadsmuren kreeg (zie figuur 2.4).24 Het plangebied lag vanaf deze periode in de stadskern van Oudewater. Het plangebied lag op de hoek van twee straten; de Kapellestraat in het westen en de Oude Huijgensteeg in het noorden. Langs beide straten was een aaneengesloten 23 24

Alkemade et al. 2010; Geschiedkundige Vereniging Oudewater 2017. Geschiedkundige Vereniging Oudewater 2017; Blijdenstijn 2015.

Archeologisch bureauonderzoek

16

bebouwinglint aanwezig, waardoor alleen het uiterste zuidoostelijke deel onbebouwd was en in gebruik als tuin. De Oude Huijgensteeg stak via de Visbrug op circa 20m ten zuidwesten van het plangebied de Lange Linschoten over. 25 In 1575 werd de stad bezet door de Spanjaarden, waarna de stad geplunderd werd. In november 1576 kregen de burgers van Oudewater hun stad weer in handen en werd begonnen met de herbouw. Hoewel het stadhuis alleen beschadigd was, werd er ten westen van het plangebied (aan de overzijde van de Kapellestraat) een nieuw stadhuis gebouwd. De verdedigingswerken rond Oudewater werden gemoderniseerd door de aanleg van aarden wallen en lunetten (zie figuur 2.5).26

Figuur 2.5 Indicatieve ligging van het plangebied op een uitsnede van een kaart uit de 17e eeuw (De Wit 1698, gebaseerd op Blaeu 1649).

Het plangebied is sinds de late middeleeuwen altijd bebouwd geweest. Op de hoek met de Oude Huijgensteeg bevond zich in 1795 een bakkerij met ten zuiden daarvan de woning van toenmalige burgemeester Johannes Justus Montijn. In 1811 kocht dhr. Montijn het aangrenzende huis om het geheel tot een classicistisch pand met nieuwe kap te verbouwen (zie figuur 2.6).27 Omstreeks 1840 bevonden zich achter dit pand twee uitbouwen en een blok van drie (bij)gebouwen langs de Oude Huijgensteeg (zie figuur 2.10).28 Ten oosten van deze bijgebouwen bevonden zich (deels in het plangebied) nog enkele woonhuizen.29 Op een ansicht uit omstreeks 1900 zijn deze nog net zichtbaar (zie figuur 2.6).30 Ten zuiden van het perceel van dhr. Montijn bevonden zich nog twee panden in het plangebied. De begrenzing van deze panden is in deze 25

Van Deventer 1558. Geschiedkundige Vereniging Oudewater 2017; Blaeu 1649; De Wit 1698. 27 Geschiedkundige Vereniging Oudewater 2017; Anoniem 1723; Tirion 1749; Topographische en Militaire kaart 1839-1859; Topotijdreis 2017, kaart 1875, 1881, 1898, 1911; Van Oudewater is geen kadastrale kaart uit 1811-1832 (meer) beschikbaar (Beeldbank RCE 2017). 28 Kadastraal wijzigingsblad 1842. 29 Kadastraal wijzigingsblad 1912. 30 RHC Rijnstreek 2017, fotonr. 00300. 26

17

periode niet bekend. Pas op het kadastrale wijzigingsblad van 1903 is de eerste omgrenzing bekend van de Kapellestraat 5. Van Kapellestraat 3 zijn geen gegevens bekend tot het wijzigingsblad van 1920.31 Het is niet duidelijk of de wijziging op het blad betrekking heeft op nieuwbouw of op wijzigingen aan de kadastrale percelen. In 1911 is Kapellestraat 5 aan de achterzijde uitgebouwd en is het woonhuis langs de Oude Huijgensteeg dat (deels) in het plangebied viel gesloopt.32 In 1914 is het pand op de hoek van de Oude Huijgensteeg en de Kapellestraat, maar ook de aangrenzende buurpanden langs de Oude Huijgensteeg en het buurpand langs de Kapellestraat gesloopt.33

Figuur 2.6 Zicht vanaf de Visbrug in noordoostelijke richting omstreeks 1900 met centraal op de ansicht de oude bebouwing (vermoedelijk alle drie de panden) in het plangebied (RHC Rijnstreek 2017, fotonr. 00300).

In 1916 is in het plangebied naar ontwerp van architect. S.B. van Sante het Rooms Katholieke patronaatsgebouw St. Antonius gebouwd.34 Van de bouw van het pand zijn geen bouwtekeningen beschikbaar. Het is mogelijk dat (deels) gebruik is gemaakt van de oude funderingen.35 Bekend is in ieder geval dat de bebouwing iets verder richting de Oude Huijgensteeg is gebouwd dan de oude panden. Een patronaatsgebouw is een gebouw bedoeld voor bijeenkomsten (preken, feestavonden, gymnastiek en dergelijke) van het patronaat, een instituut voor e e vorming en scholing van de rooms-katholieke jeugd in de 19 en 20 eeuw. Aan de oostzijde van het pand bevond zich een open ruimte die van de Oude Huijgensteeg was gescheiden door middel van een muur. Aan de zuidzijde van het gebouw bevond zich een pand met mansardedak dat omstreeks 1900 al

31

Kadastrale wijzigingsblad 1895, 1903, 1911, 1912 en 1920. Kadastrale wijzigingsblad 1912. 33 Geschiedkundige Vereniging Oudewater 2017. 34 Schriftelijke mededeling mw. A. Gosliga (Gosliga kunsthistorisch onderzoek) 29 juni 2017. 35 Mondelinge mededeling dhr. R. Gruben (Bouwhistoricus BAAC bv) 25 juli 2017. 32

Archeologisch bureauonderzoek

18

aanwezig was.36 In 1927 is in het gebouw een ‘Electrische Licht Installatie’ aangelegd.37

Figuur 2.7 Zicht vanaf de Visbrug in noordoostelijke richting in het begin van de 20e eeuw 1900 met centraal op de ansicht het patronaatsgebouw en rechts daarvan het andere pand dat binnen het plangebied valt (In Oude Ansichten 2017).

In 1955 is in het patronaatsgebouw het Thalia Theater geopend.38 In 1975 is het pand voor het gebruik als Jeugd- en Jongerencentrum Oudewater verbouwd, waardoor zowel tekeningen van de oude en de nieuwe situatie (na de verbouwing) aanwezig zijn. Hieruit blijkt dat het pand in eerste instantie kleiner was en dat het zuidelijk gelegen buurpand (voorheen Kapellestraat 3) bij het gebouw is getrokken. Dit pand, dat in 1900 al aanwezig was, is vrijwel geheel verbouwd/gesloopt, waarbij de gevel is vervangen en opgehoogd en de binnenmuren zijn verwijderd. Vermoedelijk zijn de oude zijmuren en funderingen gespaard.39 Uit de doorsnedes (zie figuur 2.7) blijkt verder dat het vloerniveau van de straatzijde van het pand hoger ligt dan de achterzijde. Onder het patronaatsgebouw bevinden zich twee kleine kelders, die respectievelijk in gebruik waren als buffet en ruimte onder het podium. Vanaf de ruimte onder het podium liep een trap omhoog naar buiten (zie figuur 2.8). De buffetkelder is dieper dan de ruimte onder het podium, maar de exacte maten zijn niet weergegeven in de tekening. Volgens dhr. P. Groen (Erfgoed Advies Groen) bevindt de keldervloer van de buffetkelder zich op 1,4 m –mv, waardoor de ruimte tot circa 1,75 m –mv zal zijn afgegraven. Doordat het maaiveld naar achteren sterk omlaag loopt, zal de ruimte onder podium echter amper in de bodem uitgegraven.

Ook van de funderingen zijn geen dieptematen bekend. Volgens dhr. P. Groen heeft het pand een strokenfundering van beton (naar verwachting 80 cm –mv) en zijn er geen heipalen gebruikt. Ook hiervoor geldt

36

In Oude Ansichten 2017. Bouwtekeningen 1927. 38 Dukker z.j.; Krietemijer 1956. 39 Bouwvergunning 1975; Mondelinge mededeling dhr. R. Gruben (Bouwhistoricus BAAC) 25 juli 2017. 37

19

echter dat de funderingssleuven aan de voorzijde van het pand door het verloop van het terrein dieper zijn ingegraven dan aan de achterzijde.40

Figuur 2.8 Doorsnede verbouwing 1975 (Bouwvergunning 1975).

Het pand is in 2001 aangewezen als rijksmonument.41 Het patronaatsgebouw is tegenwoordig in gebruik als partycentrum De Klepper.42 Volgens waarnemingen van de opdrachtgever is het pand voorzien van een kruipruimte, waarvan de bodem is bedekt met grof zand. Aan de achterzijde van het pand, langs de Oude Huijgensteeg, bevindt zich nog een restant van een oude tuinmuur.43

40

Bouwvergunning 1975; Schriftelijke mededeling dhr. P. Groen (Erfgoed Advies Groen) 13 augustus 2017. 41 Monumentnr. 517471 (Rijksmonumentenregister 2017). 42 Topotijdreis 2017, kaart 1921, 1929, 1936, 1959, 1969, 1989, 1995, 1998, 2009 en 2015; ArcGISonline 2017; De Klepper 2017. 43 Mondelinge mededeling dhr. P. Groen (Erfgoed Advies Groen B.V.) 24 juli 2017.

Archeologisch bureauonderzoek

20

Figuur 2.9 Recent aanzicht van het plangebied met links het patronaatsgebouw en rechts de uitbreiding uit de jaren zeventig (Wikipedia 2017).

Figuur 2.10 Ontwikkeling bebouwing in de 19e en 20e eeuw (o.b.v. Kadastrale wijzigingsbladen 1842-1980)

2.3.3 Archeologie Over het algemeen zijn in Nederland op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk) archeologische (verwachtings-)kaarten opgesteld. Het huidige beleid, dat van toepassing is op het plangebied, is gebaseerd op de geactualiseerde archeologische beleidskaart (zie figuur 2.11). Volgens deze kaart van de gemeente Oudewater maakt het plangebied deel uit van een gebied met archeologische waarde (oude stadskern van Oudewater, bordeauxrood op de kaart), waarvoor geldt dat archeologisch onderzoek 2 noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 50 m en dieper dan 30 cm –mv. Voor deze gebieden geldt het Archeologisch vooronderzoek protocol 1 oftewel een bureauonderzoek, waarbij het vervolgonderzoek afhankelijk is van de resultaten van het bureauonderzoek en de grootte van de ingreep. Bij elk type veldonderzoek dienen in ieder geval ook boringen tot 6 m –mv te worden gezet.44

44

Van den Ende 2015.

21

Figuur 2.11 Ligging van het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart (Archeologische

Naast deze verwachte archeologische waarden zijn rond het plangebied in het verleden ook daadwerkelijk archeologische waarden aangetroffen. In de database van de RCE, ARCHIS 3, zijn rond het plangebied (in een vergelijkbare landschappelijke en historische context) binnen een straal van circa 150 meter diverse archeologische vondsten bekend (zie figuur 2.12). Bepaalde gebieden zijn vanwege hun archeologische waarde vermeld op de Archeologische Monumentenkaart. Het plangebied maakt deel uit van de historische kern van Oudewater uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd, dat is aangewezen als terrein van hoge archeologische waarde (monumentnr. 12020). Op circa 120 m ten westen van het plangebied bevindt zich een terrein van zeer hoge archeologische waarde waar zich de kerk (circa 1400) met resten van haar voorganger uit de 12e eeuw bevinden (monumentnr. 12326). Direct ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Oude Huijgensteeg (plangebied Wijngaardstraat), heeft het ARC in 2003 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2177737100). Bij het booronderzoek zijn 8 boringen gezet tot een diepte van maximaal 155 cm –mv. In alle boringen is sterk zandige klei met puin en plaatselijk zand aangetroffen. In het pakket is een fragment grijsbakkend e e e aardewerk (mogelijk 14 eeuw) en een pijpensteeltje (17 of 18 eeuw) aangetroffen.

Ondanks de ligging in de oude stadskern van Oudewater, dat gekenmerkt wordt door een antropogeen ophoogpakket uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd, is vanwege de aanwezigheid van puin de conclusie getrokken dat de bodem verstoord is en dat de kans op archeologische resten klein is. Er is geen vervolgonderzoek aanbevolen.45 Voor een perceel op 25 m ten zuiden van het plangebied (Kapellestraat 15) heeft Becker & Van de Graaf in 2008 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2242788100). De resultaten van dit onderzoek zijn niet in Archis of Dans Easy bekend. 45

Essink 2003.

Archeologisch bureauonderzoek

22

Figuur 2.12 Ligging van het plangebied met vondstmeldingen, onderzoeksmeldingen en AMK-terreinen (ARCHIS 3 2017).

Op 50 m ten westen van het plangebied (Markstraat 37) heeft ArcheoMedia in 2005 een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (ARCHISzaakidentificatienr. 2103020100). Bij dit onderzoek zijn aardewerk- en botfragmenten uit de late middeleeuwen B tot nieuwe tijd en houtskoolfragmenten uit (vermoedelijk) de Romeinse tijd – late middeleeuwen aangetroffen. Aangezien het rapport niet is opgenomen in Archis of Dans Easy, is niet bekend in welke context de vondsten zijn aangetroffen of wat de bodemopbouw van het gebied is. Voor een deel van dit gebied heeft ADC ArcheoProjecten in 2006 een archeologische begeleiding uitgevoerd (ARCHISzaakidentificatienr. 2113608100). Bij dit onderzoek is een 90 cm diepe put uitgegraven, waarin muurresten zijn aangetroffen, die behoren tot een e afgebroken 17 eeuws pand. Op een dieper niveau zijn oudere muurresten aangetroffen, die niet konden worden gedateerd. Er zijn verschillende beer- en e waterputten aangetroffen, die vermoedelijk dateren uit de 17 eeuw. Twee e e houten waterputten doorsnijden de laat 14 / vroeg 15 eeuwse afvallagen en e dateren vermoedelijk uit de midden tot late 15 eeuw.

Geadviseerd is om het terrein en aangrenzende terrein bij toekomstige bouwplannen goed in de gaten te houden.46 Op 75 m ten zuidwesten van het plangebied heeft IDDS Archeologie in 2012 in opdracht van Hazenberg Archeologie in het kader van de gedeeltelijke sloop en 46

Williams 2006.

23

renovatie van de Mariaschool (Nieuwstraat 9-11) een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2360731100 en 2384643100). Uit het onderzoek blijkt dat het gebied ligt op de oeverwal van de Hollandse IJssel, die is afgedekt door antropogeen opgebrachte woonlagen (sterk zandige, humeuze klei, top op 1,85 m +NAP). De top van de oeverwal ligt op 0,25 à 1,15 m +NAP en is gebioturbeerd. Als gevolg van de sloop van de voormalige bebouwing is een deel van het gebied tot onder het archeologisch niveau e verstoord. Er zijn archeologische resten vanaf de 17 eeuw aangetroffen, die echter op die locatie gemengd zijn met modern puin. Geadviseerd is om bij bodemverstoringen dieper dan 50 cm –mv in het oostelijke deel een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren.47 In 2013 heeft ADC ArcheProjecten vervolgens voor een deel van het terrein een archeologische begeleiding uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2427151100). Tijdens het onderzoek is een 10 tot 20 cm dikke laag tegels met stabilisatiezand aangetroffen. Hieronder bevindt zich tot 80 à 120 cm –mv een pakket donkergrijze tot grijsbruine, licht humeuze, sterk zandige klei met baksteenfragmenten, grind, kolengruis, slakken en aardewerkfragmenten uit de e nieuwe tijd.

Dit pakket is gedateerd in het midden van de 16 eeuw tot heden en is mogelijk te relateren aan de ontmanteling van het klooster dat sinds 1582 heeft plaatsgevonden. Hieronder bevindt zich een pakket grijsbruine, sterk siltige klei met enkele spikkels baksteen en houtskool. Dit pakket is geïnterpreteerd als een vermenging van de top van de oeverwal met de latere bebouwingsresten. De oeverwalafzettingen zijn niet bereikt. De archeologische resten bestonden uit e e e muurresten van twee bouwfases (17 -20 eeuw), het restant tonput uit de 16 48 eeuw en het restant van de vloer of straat. Op bijna 100 m ten zuidoosten van het plangebied heeft ADC ArcheoProjecten in 2007 aan de Sint Janstraat een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2167133100). De resultaten van dit onderzoek zijn niet in Dans Easy of Archis opgenomen. In 2009 heeft ADC ArcheoProjecten in het zuidelijke deel van dit gebied een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2267939100). Bij dit onderzoek zijn de e resten van een 17 eeuwse bastion (walresten en grachtvulling) aangetroffen. De middeleeuwse stadsmuur is echter niet aangetroffen.49 In 2015 heeft ArcheoMedia voor het noordelijke deel van het terrein (WijngaardstraatKapellestraat) een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (ARCHISzaakidentificatienr. 3982977100).

Op basis van dit onderzoek een archeologische verwachting (nederzettingsresten) toegekend voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd. De archeologische resten worden vanaf 1,6 à 2,45 m –mv verwacht. Derhalve is een vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een archeologische begeleiding.50 In 2016 heeft RAAP vervolgens op de locatie een archeologische begeleiding uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 4006092100). De resultaten van dit onderzoek zijn nog niet bekend. In 2008 heeft ADC ArcheoProjecten op bijna 100 m ten noordoosten van het plangebied (Lange Burchwal 80) een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2224870100). De resultaten van dit onderzoek zijn niet in Archis of Dans Easy opgenomen. In 2007 heeft ADC ArcheoProjecten vervolgens op de locatie een archeologische begeleiding uitgevoerd vanwege de 47

Koekkelkoren & Moerman 2012. Loopik 2015. 49 Jezeer 2010. 50 Van Dasselaar 2016. 48

Archeologisch bureauonderzoek

24

ligging op de voormalige vestingwerken van Oudewater (ARCHISzaakidentificatienr. 2174383100). Bij de begeleiding zijn vanwege de zeer smalle, met water gevulde sleuf geen archeologische sporen of structuren aangetroffen.51 In 2010 heeft ADC ArcheoProjecten vervolgens voor de Lange Burchwal 102-104 een archeologische begeleiding (conform protocol opgraving) uitgevoerd (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2270335100). Vooronderzoek had uitgewezen dat op deze en andere locaties in Oudewater de middeleeuwse stadsmuur en de jongere vestingwal verwacht kunnen worden. Tevens zouden mogelijk de resten van het middeleeuwse gasthuis aanwezig kunnen zijn. Tijdens het onderzoek, waarbij een vlak tot 40 à 75 cm –mv is aangelegd, zijn inderdaad resten van de oude stadsmuur (uitbraaksluif en funderingen) en de gedempte binnenste stadsgracht gevonden. In de uitbraaksleuf is aardewerk uit de periode 1550-1600 aangetroffen. Resten van de gasthuis zijn niet aangetroffen. Tegen de stadsmuur ontbreekt een vegetatiehorizont, die elders wel is aangetroffen. Hieruit is de conclusie getrokken dat tegen de buitenmuur een aarden wal heeft gelegen. Aan e e de stadszijde van de vestingwal heeft vermoedelijk een met (17 /18 eeuwse) 52 IJsselstenen geplaveide straat gelegen of hebben huisjes gestaan.

Vanaf 150 m ten zuiden van het plangebied bevindt zich een cluster losse vondsten, die bij de afgraving van een ernstige verontreiniging gevonden zijn door een particulier. De vondsten zijn gedaan op het terrein van een voormalige e e e gasfabriek en betreffen enkele aardewerkfragmenten uit de 14 , 15 en 17 eeuw (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2905124100, 2905108100 en 2905116100), alsmede muurresten uit de late middeleeuwen B (ARCHIS-zaakidentificatienr. 2905092100). Mogelijk is het muurwerk, waarvan het steenformaat wijst op een e datering in de eerste helft van de 14 eeuw, onderdeel van de middeleeuwse ommuring van Oudewater. De ondergrond bestaat uit schone, bruine zavelige klei (ARCHIS-zaakidentificatienr. 3106530100).

51 52

Bouma 2008. De Ridder 2011.

25

Archeologisch bureauonderzoek

26

3

Archeologische verwachting

Het plangebied maakt deel uit van een gebied waar in het Holoceen onder invloed van fluviatiele activiteit een circa 9 m dik pakket veen, klei en zand is afgezet en een circa 1 à ruim 2 me dik antropogeen pakket is opgebracht. In zowel verticale als horizontale zin kunnen hierdoor verschillende niveaus met elk een eigen archeologische verwachting worden onderscheiden. Hieronder zal per periode de archeologische verwachting van het gebied worden behandeld. paleolithicum – mesolithicum Het plangebied maakte lange tijd deel uit van de riviervlakte van de Rijn en Maas met een verwilderd geulenpatroon. Deze afzettingen bevinden zich tegenwoordig vermoedelijk op een diepte van 10 à 11,2 m –mv. Hoewel op deze rivierterrassen archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is de kans om deze daadwerkelijk aan te treffen, zeker gezien het oorspronkelijke paleolandschap onbekend is, klein. Daarbij ligt het plangebied bovendien ter hoogte van een vroege holocene meandergeul, die de oudere afzettingen zal hebben geërodeerd. Derhalve wordt aan de pleistocene ondergrond in het plangebied voor deze periode een lage verwachting toegekend voor archeologische waarden (vuursteenvindplaatsen). neolithicum – vroege Romeinse tijd Als gevolg van de stijgende zeespiegel, steeg de grondwaterspiegel en ontstond vanuit het westen geleidelijk een veenmoeras met meanderende rivieren.

De stroomgordels vormden in deze periode mogelijke bewoningslocaties. Omstreeks 2390 BP (oftewel in de vroege ijzertijd) werd op circa 250 m ten noordwesten van het plangebied de noordoost-zuidwest georiënteerde stroomgordel van de Lange Linschoten actief. Het plangebied ligt echter buiten de oeverwalafzettingen van deze geul. Derhalve is de archeologische verwachting voor deze periode laag. midden Romeinse tijd – late middeleeuwen A Vanaf de midden Romeinse tijd is ten zuiden van het plangebied een nieuwe rivierloop ontstaan, de Hollandse IJssel, waarbij tot in het plangebied oeverwalafzettingen zijn afgezet. Dergelijke hoger gelegen gebieden vormden van oudsher aantrekkelijke vestigingsgebieden. Bekend is dat bij de monding van e de Lange Linschoten in de Hollandse IJssel in ieder geval vanaf de 8 eeuw e vermoedelijk een nederzetting aanwezig was (Oudewater). Vanaf de 11 eeuw is het omringende moerasgebied door de bisschop van Utrecht uitgegeven, waarna het gebied vanaf de oeverwallen van de rivieren, zoals de Hollandsche IJssel en de Lange Linschoten, systematisch is ontgonnen (de zogenaamde copeontginningen). Op de ontginningsbasis ontstonden nederzettingen. Hoewel niet bekend is of het plangebied daadwerkelijk bewoond is geweest, is de kans hierop wel aanwezig.

Door het latere stedelijke gebruik (zie hieronder) zal de natuurlijke bodem in meer of mindere mate verstoord zijn. Deze verstoring bestaat echter uit archeologische sporen. Derhalve wordt aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (nederzettingsresten) uit de

27

midden Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen A. Deze archeologische resten worden op een diepte van 1 à 2,2 m –mv verwacht. late middeleeuwen B - Nieuwe tijd In ieder geval is in 1234 langs de westgrens van het plangebied de IJsseldijk verzwaard. Vermoedelijk was hier ook al eerder sprake van een kade. Een deel van de ophoging van de dijk/kade kan binnen het plangebied vallen. e

Het plangebied is aan het begin van de 14 eeuw opgenomen binnen de stadsmuren van de stad Oudewater en is het plangebied bebouwd geraakt. Mogelijk was hiervoor ook als sprake van bewoning in het plangebied. Zowel het noordelijke (langs de Oude Huijgensteeg) als het westelijke deel (langs de e Kapellestraat) van plangebied was in ieder geval vanaf het midden van de 16 eeuw bebouwd. Het zuidoostelijke deel van het plangebied behoorde tot het binnenterrein tussen de bebouwing en zal in gebruik zijn geweest als tuin en erf. Als gevolg van het eeuwenlange gebruik als stedelijk erf en gezien de ligging langs een dijk is het plangebied opgehoogd. De dikte van dit stedelijke ophoogpakket bedraagt ter hoogte van het oostelijke deel van het plangebied circa 1 meter, terwijl het westelijke deel (mede door de ligging langs een dijk) meer dan 2 m is opgehoogd. De huidige bebouwing in het plangebied dateert uit 1916 en 1975. Het deel van het gebouw uit 1916 is deels onderkelderd. De diepte van de kelders is niet bekend, maar zal (mede door het verloop van het maaiveld) beperkt zijn. Het pand is tevens voorzien van kruipruimtes, maar aangezien het vloerniveau verhoogt ligt, zal de verstoring van de bodemopbouw hierdoor beperkt zijn. Alleen ter hoogte van de dragende muren zullen diepere funderingssleuven zijn gegraven. Mogelijk is er bij de bouw gebruik gemaakt van oudere funderingen.

e Voor de 20 eeuwse uitbouw geldt dat de bodem dieper verstoord zal zijn en vermoedelijk voorzien zal zijn van palen. Gezien de aanwezigheid van een dik stedelijk ophoogdek zullen de aanwezige archeologische resten (deels) beschermd zijn. Op basis van deze gegevens wordt aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor archeologische waarden (nederzettingsresten) uit de late middeleeuwen B tot nieuwe tijd. Op basis van onderzoek in de omgeving lijkt dat e zich binnen 90 cm –mv al archeologische resten uit de 15 eeuw aanwezig kunnen zijn. Dit betekent dat jongere archeologische resten ondieper zullen voorkomen, terwijl oudere resten tot in de top van de oeverwal aanwezig kunnen zijn (meer dan 2 m –mv). De top van het archeologische niveau zal door de huidige bebouwing (met name de kelders) deels verstoord zijn. Onder de kelders kunnen in het stedelijk ophoogdek echter nog oudere archeologische resten aanwezig zijn.

Archeologisch bureauonderzoek

28

4

Conclusie en aanbevelingen

Hieronder volgt de beantwoording van de onderzoeksvragen zoals gesteld in het 53 Plan van Aanpak :

Zijn binnen het plangebied bekende archeologische waarden aanwezig? Zo ja, zijn er gegevens bekend over de omvang, ligging, aard en datering hiervan? In het plangebied zijn tot op heden geen archeologische resten bekend. In de e directe omgeving van het plangebied zijn archeologische resten bekend uit 14 eeuw en later. Gezien de ligging op de oeverwal van de Hollandse IJssel kunnen in het plangebied archeologische resten vanaf de midden Romeinse tijd aanwezig e zijn. Het plangebied is in ieder geval in het begin van de 14 eeuw opgenomen in de stad Oudewater, maar ook voor die tijd kan het plangebied bebouwd zijn geweest. Bekend is in ieder geval dat het plangebied vanaf het midden van de e 16 eeuw grotendeels bebouwd is geweest, waarbij het zuidoostelijke deel behoorde tot het binnenterrein.

Wat is de verwachte bodemopbouw in het gebied en zijn er gegevens bekend over bodemverstorende ingrepen in het verleden binnen het plangebied? In het plangebied worden een stedelijk ophoogpakket op kleiige oeverwalafzettingen van de Hollandse IJssel verwacht met daaronder venige afzettingen gevolgd door Pleistocene rivierafzettingen op circa 9 m –NAP. Als gevolg van de het gebruik als erf zal de natuurlijke bodem naar verwachting deels zijn verstoord en deels zijn opgenomen in het ophoogdek. Deze verstoring vormen echter ook archeologische sporen. De huidige bebouwing (met name ter hoogte van de kelders) zal de top van het stedelijke ophoogpakket en daarmee een deel van het archeologisch niveau hebben verstoord. De diepte van verstoring is niet bekend en zal, mede door het hoogteverloop, met name in het oostelijke deel van het plangebied beperkt zijn. Bovendien is het mogelijk dat bij e de bouw van een deel van het pand in het begin van de 20 eeuw gebruik is gemaakt van oudere funderingen.

Wat is de specifieke archeologische verwachting voor het gebied?(indien mogelijk gespecificeerd naar aard, vindplaats(en) /periode(n)? Op basis van het bureauonderzoek is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor de steentijd tot en met de vroege Romeinse tijd, een middelhoge verwachting (nederzettingsresten, dijklichaam e.d. in de top van de oeverwal van de Hollandse IJssel vanaf 1 à ruim 2 m -mv) voor de midden Romeinse tijd tot en met de late middeleeuwen A en een hoge verwachting (nederzettingsresten, dijklichaam e.d. in het stedelijk ophoogpakket tot in de top van de oeverwal) voor de late middeleeuwen B- nieuwe tijd. Vermoedelijk zal de top van de bodem door recente ingrepen (aanleg kruipruimte, kabels en leidingen, bestrating) recent zijn verstoord of opgebracht. Hoe dik dit pakket is, is niet bekend en zal bovendien over korte afstand sterk variëren.

53

Bergman 2017.

29

In hoeverre worden archeologische resten bedreigd en is vervolgonderzoek nodig en zo ja, in welke vorm? Op het moment van dit onderzoek is nog niet bekend of de bodem zal worden verstoord en zo ja, tot hoe diep en over welk oppervlakte. Bij funderingsherstel wordt meestal een aan weerszijden van de funderingen een sleuf (tot circa 1,5 breed) gegraven tot aan de onderzijde van de bestaande funderingen.54 Dit zou betekenen dat de bodem tot buiten de oorspronkelijke funderingssleuven zou worden verstoord. Ook bij de aanleg van een parkeergarage zal de bodem tot in het archeologische niveau worden verstoord. Derhalve wordt geadviseerd bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm –mv een vervolgonderzoek uit te voeren. Gezien de aanwezigheid van een antropogeen ophoogdek en de aard en ouderdom van de archeologische resten vormt een proefsleuvenonderzoek met doorstart naar een opgraving hiervoor de meest geëigende methode. Vanwege de beperkende omstandigheden vormt bij het funderingsonderzoek een archeologische begeleiding van de werkzaamheden de enige mogelijke onderzoeksmethode. Bij elk type veldonderzoek dienen, conform het gemeentelijk beleid, altijd boringen te worden gezet tot 6 m –mv. Voorafgaand aan het onderzoek dienen de eisen waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in een Programma van Eisen (PvE).

Bovenstaand advies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid (gemeente Oudewater) en leidt tot een selectiebesluit. Dit betekent niet dat reeds gestart kan worden met bodemverstorende activiteiten of de daarop voorbereidende activiteiten. Het rapport is op 8 augustus 2017 goedgekeurd door mw. E. Mietes (gemeente-archeoloog van Oudewater).55

54

Mondelinge mededeling dhr. R. Gruben (bouwhistoricus BAAC bv) 25 juli 2017. Schriftelijke mededeling mw. E. Mietes (gemeente-archeoloog Oudewater) 8 & 22 augustus 2017. 55

Archeologisch bureauonderzoek

30

5

Geraadpleegde bronnen

Alkemade, M, et al., 2010. Archeologiebeleid gemeente Oudewater.

Ontwikkeld in samenwerking met de gemeenten Lopik, Woerden en Montfoort. Vestigia V08-1434. Amersfoort. Bakker, H. de & J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Centrum voor Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. De fysischgeografische regio’s. (Fysische geografie van Nederland). Koninklijke Van Gorcum, Assen. Berendsen,

H.J.A.

development

of

& E.

the

Stouthamer,

Rhine-Meuse

2001.

delta,

Palaeogeographic The Netherlands.

Koninklijke Van Gorcum, Assen. Bergman, W.A., 2017. Onderzoeksvoorstel Archeologisch

bureauonderzoek. Plangebied Kapellestraat 1 te Oudewater. BAAC bv, ’s-Hertogenbosch. Blijdenstein, R., 2015. Tastbare tijd. Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht 2.0. Provincie Utrecht. Bosch, J.H.A. & H. Kok, 1994. Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Gorinchem West (38W). Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Bouma, N., 2008. Plangebied Lange Burchwal 80 te Oudewater. Een Archeologische Begeleiding. ADC Rapport 1398. ADC ArcheProjecten, Amersfoort. CCvD, 2016. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.0. Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Cohen, K.M. et al., 2012. Rhine-Meuse Delta Studies’ Digital Basemap

for Delta Evolution and Palaeogeography. Dept. Physical Geography7. Utrecht University. Dasselaar, M. van, 2016. Archeologisch onderzoek aan de

Wijngaardenstraat/Kapellestraat te Oudewater. Bureauonderzoek. Rapport A15-112-F. ArcheoMedia, Capelle aan den IJssel. Ende, H. van den, 2015. Actualisatie archeologiebeleid 2015.

Gemeente Oudewater.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/639/documents/19379