A21 - Ingekomen stuk Inspectie SZW - Rapport ‘Niet-gebruik van de algemene bijstand’.pdf
Tekst van het document
3.3 Verklarend model De Inspectie heeft een verklarend model geschat om te zien welke kenmerken individueel samenhangen met niet-gebruik van de algemene bijstand, het model bevestigt de uitkomsten per individueel kenmerk zoals besproken middels beschrijvende statistiek in hoofdstuk 2 en 3. Het model corrigeert voor alle andere kenmerken. Het verklarende model is te vinden in Bijlage IV. De kans op niet-gebruik van de bijstand is 66 procentpunt hoger voor rechthebbenden met een inkomen van 90 tot 100% van de bijstandsnorm ten opzichte van rechthebbenden zonder inkomen. De kans om geen gebruik te maken van de bijstand neemt af naarmate huishoudens een lager inkomen ten opzichte van de bijstandsnorm hebben. Mensen maken dus minder snel gebruik van bijstand naarmate ze een hoger inkomen hebben. Hieruit blijkt dat inkomen sterk samenhangt met het niet-gebruik van de bijstand. Daarnaast is leeftijd een sterke individuele voorspeller van niet-gebruik van de algemene bijstand. De kans op niet-gebruik ligt 43 procentpunt lager voor rechthebbenden in de leeftijd van 57 tot AOW in vergelijking met de groep 18- tot en met 20-jarigen. Ook is te zien dat de kans op niet-gebruik 26 procentpunt hoger is voor thuiswonende meerderjarige kinderen ten opzichte van alleenstaanden.
Het verklarend model laat zien dat het niet-gebruik onder jongeren niet alleen door thuiswonend zijn kan worden verklaard. Als er sprake is van een inkomensbron is te zien dat zelfstandigen ook een sterke samenhang vertonen met niet-gebruik van de algemene bijstand, het niet-gebruik is voor deze groep 34 procentpunt hoger dan voor huishoudens zonder inkomen. De aanwezigheid van een minderjarig kind in het huishouden verlaagt de kans op niet-gebruik van de bijstand, dit geldt het sterkst voor huishoudens met een jong kind (0 tot en met 5 jaar), bij hen neemt de kans op niet-gebruik met 6 procentpunt af. 34 Inspectie SZW (2020). Zzp’ers en bestaanszekerheid, een verkenning. Den Haag: Inspectie SZW.
| 24 |
Verder is de kans op niet-gebruik 16 procentpunt hoger voor mensen met een Europese migratieachtergrond in vergelijking met Nederlanders. Tot slot is opvallend dat wanneer er gecontroleerd wordt voor alle achtergrondkenmerken, er nog steeds een (kleine) samenhang is tussen provincie en niet-gebruik van de algemene bijstand. Dit betekent dat het lagere niet-gebruik in de provincies Friesland, Groningen en Drenthe niet (volledig) wordt verklaard door de beschouwde achtergrondkenmerken van de huishoudens maar dat er nog andere verklaringen zijn. Een wezenlijk verschil in beleid rondom de uitvoering van de bijstand door gemeenten zou hieraan ten grondslag kunnen liggen, net als verschillen in type werk of cultuur.
| 25 |
4 Langdurig niet-gebruik In dit hoofdstuk presenteert de Inspectie de cijfers omtrent de langdurigheid van niet-gebruik van de bijstand. Daarvoor is gekeken of personen die per 1 januari 2018 niet-gebruiker zijn ook niet-gebruiker waren op 1 oktober 2017, 1 juli 2017 en 1 januari 2017. Dit levert een indicatie op van de personen die gedurende een jaar vóór het peilmoment ook niet-gebruiker zijn, die personen noemen we langdurig niet-gebruikers. Daarnaast is aandacht voor de achtergrondkenmerken van de groep niet-gebruikers die langdurig geen gebruik maakt van een bijstandsuitkering. Anders dan in hoofdstuk 2 en 3 gaat de Inspectie voor het bekijken van de langdurigheid van niet-gebruik uit van gegevens op persoonsniveau in plaats van huishoudniveau. De gegevens worden op persoonsniveau bekeken omdat huishoudens gedurende het jaar kunnen wijzigen. Het is daarom niet mogelijk om de huishoudens die bestonden op 1 januari 2018 gedurende het jaar te volgen. Doordat de resultaten in dit hoofdstuk op persoonsniveau worden weergegeven wijken de totalen van de figuren in dit hoofdstuk af van de bevindingen in hoofdstuk 2 en 3 waar de bevindingen op huishoudniveau worden weergegeven.
4.1 Omvang langdurig niet-gebruik Figuur 10 laat zien dat 33% van de niet-gebruikers op 1 januari 2018 langdurig niet-gebruiker was, dit betreft 65 duizend personen. Langdurig niet-gebruikers waren op alle peilmomenten rechthebbend en maakten op die momenten geen gebruik van een bijstandsuitkering. Het gemiddelde inkomen van deze groep blijft op de vier peilmomenten redelijk stabiel. Een kleinere groep (6%) is niet-gebruiker op 1 januari 2017 maar was dit niet langdurig omdat zij per 1 juli en/of 1 oktober niet-rechthebbend of gebruiker waren. Verder is te zien dat 5% van de niet-gebruikers op 1 januari 2018, op 1 januari 2017 nog gebruiker was. Dit is een opvallende groep, want zij zijn immers in beeld als gebruiker maar stoppen met hun bijstandsuitkering terwijl zij hier op 1 januari 2018 nog wel recht op hadden. Het blijkt dat dit een groep is die in januari 2017 niet veel inkomen had. In januari 2018 verdienen zij gemiddeld aanzienlijk meer dan een jaar daarvoor. Zij zijn dan nog steeds rechthebbend, maar maken geen gebruik meer van de bijstand. De inkomensstijging lijkt hieraan ten grondslag te liggen. Waarom zij de bijstandsuitkering stopzetten kan de Inspectie niet zeggen op basis van deze gegevens. Mogelijk hebben ze de bijstandsuitkering niet meer nodig.
Het kan ook zijn dat ze denken dat ze geen recht meer hebben op bijstand en preventief de uitkering stopzetten om eventuele terugbetalingen te voorkomen. Daarnaast kan het zijn dat er sprake was van uitstroom vanwege handhaving of dat de verplichtingen die aan de bijstand verbonden zijn zwaarder wegen dan het ontvangen van een kleine aanvullende uitkering. Daarnaast is te zien dat op 1 januari 2017 56% van de niet-gebruikers van 1 januari 2018 nog geen recht had op bijstand. Daar liggen verschillende redenen aan ten grondslag. Van de groep niet-rechthebbenden in januari 2017 had 68% een te hoog inkomen, 14% studeerde, 9% woonde niet meer in Nederland en 9% had een andere reden (bijvoorbeeld leeftijd jonger dan 18 jaar). Het hebben van een te hoog inkomen is dus duidelijk de belangrijkste reden waarom men een jaar voor 1 januari 2018 nog geen recht heeft op bijstand. Figuur 10 laat ook iets anders opvallends zien. Ongeveer de helft van de niet-gebruikers van 1 januari 2018 heeft op 1 oktober 2017 geen recht op bijstand. Dit lijkt grotendeels te liggen aan een fluctuerend inkomen. In januari 2017 hebben zij een inkomen boven de bijstandsnorm, maar in januari 2018 is dit inkomen gezakt onder de bijstandsnorm. De grootte van de groep niet-gebruikers blijft vervolgens op de overige peilmomenten (1 juli 2017 en 1 januari 2017) redelijk stabiel.
| 26 |
Figuur 10: stroomdiagram niet-gebruik algemene bijstand op 4 peilmomenten uitgaande van de niet-gebruikers per 1 januari 2018
Niet-gebruiker Niet-gebruiker, maar niet duurzaam Niet rechthebbend Gebruiker Bron: Inspectie SZW, op basis van CBS Microdata * Het gaat in dit plaatje om personen.
4.2 Kenmerken langdurig niet-gebruikers Personen met inkomen over het algemeen iets vaker langdurig niet-gebruiker Figuur 11 vergelijkt het inkomen ten opzichte van de bijstandsnorm van de langdurig niet-gebruikers met de totale groep niet-gebruikers op het peilmoment 1 januari 2018. 20 duizend van de 65 duizend langdurig niet-gebruiker hebben weinig tot geen inkomen, zij hebben een inkomen tot 20% van de bijstandsnorm. Het aandeel met weinig tot geen inkomen is daarmee iets lager dan onder de totale groep niet-gebruikers per 1 januari 2018. Figuur 11 laat verder zien dat langdurig niet-gebruikers iets minder vaak een inkomen hebben van 90% tot 100% ten opzichte van de bijstandsnorm in vergelijking tot de totale groep niet-gebruikers per 1 januari 2018. Dit is niet verrassend omdat deze categorie direct grenst aan de bijstandsnorm. De belangrijkste verklaring hiervoor lijkt te zijn dat deze personen op een of meerdere peilmomenten in 2017 een inkomen boven de bijstandsnorm hadden, waardoor ze niet langdurig rechthebbend zijn. Verder zitten er iets minder personen zonder inkomen in de groep langdurig niet-gebruikers.
| 27 |
Figuur 11: verdeling langdurig niet-gebruikers naar percentage inkomen t.o.v. de bijstandsnorm in vergelijking met totale groep niet-gebruikers per 1 januari 2018 90 tot 100% 12% 13%
80 tot 90%
22%
18%
10% 10%
70 tot 80% 7%
60 tot 70% 6%
50 tot 60% 40 tot 50%
5% 5%
30 tot 40%
4% 5% 3%
20 tot 30%
7%
4%
3% 3%
10 tot 20%
8%
8%
1 tot 10%
10%
Inkomen onbekend
18%
0%
5%
10%
15%
Totale groep niet-gebruikers (1/1/2018)
20%
20%
25%
Langdurig niet-gebruikers
Bron: Inspectie SZW, op basis van CBS Microdata * Totalen wijken af van de figuren in hoofdstuk 2 en 3 omdat de resultaten hier op persoonsniveau worden weergegeven in plaats van op huishoudniveau.
Ouderen vaker langdurig niet-gebruiker Figuur 12 laat zien dat er relatief meer personen ouder dan 37 jaar zijn onder de langdurig niet-gebruikers. Dit kan mogelijk komen doordat het inkomen niet substantieel meer wijzigt wanneer men ouder is in tegenstelling tot wanneer men jonger is. Veel ouderen die rechthebbend zijn, zijn daarom mogelijk vaker langdurig niet-gebruiker.35 Figuur 12: verdeling langdurig niet-gebruikers naar leeftijdscategorie in vergelijking met totale groep niet-gebruikers per 1 januari 2018 10%
57-66
13% 20%
47-56
26% 23%
37-46 27-36
27% 31%
25%
21-26
8%
14%
2% 1%
18-20 0%
5%
10%
15%
Totale groep niet-gebruikers (1/1/2018)
20%
25%
30%
35%
Langdurig niet-gebruikers
Bron: Inspectie SZW, op basis van CBS Microdata * Totalen wijken af van de figuren in hoofdstuk 2 en 3 omdat de resultaten hier op persoonsniveau worden weergegeven in plaats van op huishoudniveau.
35 SEO (2011). Niet-gebruik inkomensondersteunende maatregelen. SEO-rapport nr. 2011-31. ISBN 978-90-6733-615-4. Amsterdam: SEO.
| 28 |
Zelfde verdeling naar herkomst bij langdurig niet-gebruikers Figuur 13 toont dat de verdeling naar herkomst niet verschilt voor de groep langdurig niet-gebruikers in vergelijking met de totale groep niet-gebruikers op het peilmoment 1 januari 2018. De verhoudingen zijn vrijwel gelijk gebleven. Van de groep langdurig niet-gebruikers bestaat 49% uit Nederlanders, 41% bestaat uit personen met een niet-Europese migratieachtergrond en de 10% bestaat uit personen met een Europese migratieachtergrond. Figuur 13: verdeling langdurig niet-gebruikers naar herkomst in vergelijking met totale groep niet-gebruikers per 1 januari 2018 39% 41%
Migrant buiten EU 12% 10%
EU-migrant
50% 49%
Nederlander 0%
10%
20%
30%
Totale groep niet-gebruikers (1/1/2018)
40%
50%
60%
Langdurig niet-gebruikers
Bron: Inspectie SZW, op basis van CBS Microdata * Totalen wijken af van de figuren in hoofdstuk 2 en 3 omdat de resultaten hier op persoonsniveau worden weergegeven in plaats van op huishoudniveau
Alleenstaanden minder vaak langdurig niet-gebruiker; personen met kinderen vaker langdurig niet-gebruiker Figuur 14 laat zien dat het aandeel alleenstaanden kleiner is onder langdurig niet-gebruikers in vergelijking met de totale groep niet-gebruikers op het peilmoment 1 januari 2018. Dit percentage is 35% tegen 44% op het peilmoment. Tegelijkertijd is te zien dat partner met kinderen en ouders in eenouderhuishouden vaker langdurig niet-gebruiker zijn. Het inkomen van alleenstaanden lijkt meer te fluctueren dan het inkomen van personen met kinderen. Dit maakt dat alleenstaanden minder vaak langdurig rechthebbend zijn in tegenstelling tot personen met kinderen. Figuur 14: verdeling langdurig niet-gebruikers naar plaats in het huishouden in vergelijking met totale groep niet-gebruikers per 1 januari 2018 2% 2%
Overig lid van een huishouden
16%
Ouder in eenouderhuishouden
19% 19%
Partner met kinderen
23%
10% 10%
Partner zonder kinderen Alleenstaande
44%
35% 10% 11%
Thuiswonend kind 0%
5%
10%
Totale groep niet-gebruikers (1/1/2018)
15%
20%
25%
30%
35%
40%
45%
50%
Langdurig niet-gebruikers
Bron: Inspectie SZW, op basis van CBS Microdata * Totalen wijken af van de figuren in hoofdstuk 2 en 3 omdat de resultaten hier op persoonsniveau worden weergegeven in plaats van op huishoudniveau
| 29 |
5 Beeld gemeenten en aanpak Dit hoofdstuk schetst het beeld dat enkele gemeenten zelf hebben van het niet-gebruik van de algemene bijstand binnen hun eigen gemeente, wat deze gemeenten doen om niet-gebruik tegen te gaan en welke belemmeringen ze hierbij ervaren. Deze bevindingen zijn gebaseerd op interviews met beleidsmedewerkers van zeven gemeenten.
5.1
Beeld niet-gebruik
De beleidsmedewerkers geven allen aan dat zij geen tot slecht zicht hebben op de omvang en kenmerken van niet-gebruikers van de bijstand binnen hun gemeente. Eén van de gesproken gemeenten heeft zelf onderzoek laten doen naar redenen van aanvragers om voortijdig te stoppen met een aanvraag, waaruit naar voren kwam dat aanvragers het of te veel gedoe vonden of dat zij bij nader inzien geen recht bleken te hebben. Uit het onderzoek kwam niet naar voren dat veel bijstandsuitkeringen ten onrechte niet tot stand kwamen. Ondanks dat de beleidsmedewerkers zich niet kunnen beroepen op cijfers, gaven zij wel redelijk eenduidig aan welke doelgroepen vermoedelijk vaker geen gebruik maken van de bijstand. Deels komt het beeld bij gemeenten zelf van de groepen met een verhoogde kans op niet-gebruik overeen met de bevindingen uit de data-analyses. Na de confrontatie met de hoogte van niet-gebruik in de eigen gemeente gaven de beleidsmedewerkers een inschatting van de doelgroepen met een vermoedelijk hoog niet-gebruik. Ten eerste noemen alle beleidsmedewerkers de jongeren. Veel jongeren denken dat ze geen recht hebben op bijstand.
Ten tweede noemen bijna alle beleidsmedewerkers mensen met een westerse migratieachtergrond omdat zij de weg naar bijstand niet goed weten te vinden vanwege gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en omdat zij in tegenstelling tot mensen met een niet-Westerse migratieachtergrond minder goed in beeld zijn doordat zij bij binnenkomst niet begeleid worden. Ten derde vermoeden enkele gemeenten dat het niet-gebruik oploopt naarmate het uitkeringsbedrag waar men recht op heeft lager is. Zij vermoeden dat dit ligt aan het hebben van wisselende inkomsten of dat de juridische toon van de communicatie van de gemeente mensen afschrikt. Ten vierde geven enkele gemeenten aan dat zelfstandigen vermoedelijk ook vaker niet-gebruiker zijn, omdat dit een lastige groep is om te bereiken. Mede doordat zelfstandigen zelf vaak denken geen recht te hebben op bijstand of doordat ze soms te trots zijn om bijstand aan te vragen. Tot slot geven meerdere gemeenten aan dat sommige mensen geen bijstandsuitkering willen aanvragen. Aan deze houding kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen die allemaal te maken hebben met het behouden van een zekere onafhankelijkheid. Dit kan variëren van weerzin om de aanvraag in te vullen, zelf willen kiezen hoe men het inkomen ophoogt, van spaargeld leven, tot het al gebruik maken van een andere uitkering en niet met twee instanties te maken willen hebben.
5.2 Aanpak niet-gebruik De meeste beleidsmedewerkers geven aan geen specifieke acties in te zetten waarbij niet-gebruikers actief worden opgespoord. Wel geven zij allen aan dat zij rechthebbenden informeren middels het aanbieden van algemene informatie over het aanvragen van een bijstandsuitkering op hun website. Een aantal beleidsmedewerkers geeft aan dat het opsporen van niet-gebruikers van minimaregelingen vaker onderwerp van gesprek is dan van niet-gebruikers van de algemene bijstand. Een beleidsmedewerker geeft aan zich niet bewust te zijn dat je ook op het bereik van de bijstand kan sturen, het is in de afgelopen jaren geen onderwerp van gesprek is geweest. Dit wordt ook aangegeven door een andere beleidsmedewerker die stelt dat dit zo is omdat de bijstand als bekend wordt verondersteld. Andere
| 30 |
beleidsmedewerkers geven aan meer op de kant van de beheersing te zitten. Zij gaan bij het uitvoeren van de Participatiewet uit van wantrouwen en focussen zich meer op mensen uit de bijstand krijgen in plaats van erin: “Er was juist inzet op handhavingsonderzoeken om te kijken of er mensen inzaten die er niet in thuishoorden. Bovendien was men van mening dat mensen die het echt nodig hebben, zich toch wel melden. Wat moeten ze anders? Dan komen ze op straat.” Naast het aanbieden van algemene informatie over het aanvragen van bijstand op de website, zetten een paar gemeenten ook op andere manieren informatieverstrekking in om de niet-gebruiker te bereiken. Een gemeente maakt gebruik van een digitale en papieren gids die zij actief onder de aandacht brengen met daarin alle mogelijkheden voor inkomensondersteuning, onderwijs en werk. In deze gids is ook aandacht voor de bijstand. Andere gemeenten maken ook gebruik van een dergelijke gids, maar daarin is dan vooral aandacht voor minimaregelingen en niet voor de bijstand. Enkele beleidsmedewerkers geven aan dat hun gemeente betrokken organisaties in het sociaal domein informeert over de bijstand, zodat ze in staat zijn om mensen door te sturen naar de gemeente als dit nodig is.
Er lijkt namelijk vaak sprake lijkt te zijn van multiproblematiek waardoor de niet-gebruikers ook via andere instanties binnen het sociaal domein in beeld kunnen komen. Daarnaast noemen drie gemeenten dat wijkteams doorverwijzen wanneer zij bij huisbezoeken armoede signaleren en er mogelijk recht op bijstand is. Enkele gemeenten maken gebruik van samenwerking met andere partijen, waarbij de (potentieel) niet-gebruiker actief wordt opgezocht. Ten eerste met het UWV binnen hun arbeidsmarktregio, waarbij het UWV actief doorverwijst naar de gemeente voordat de WW-periode is afgelopen om zo de dienstverlening tijdig te kunnen starten. De volgende reden wordt hiervoor gegeven: “Zodat mensen zich daarop kunnen voorbereiden en een afweging kunnen maken of ze daar zin in hebben. Want de beeldvorming is dat er veel moet en dat het ingewikkeld is en ze hebben soms een verkeerd beeld van hun rechten. Dit gebeurt aan de hand van een telefoontje, waarbij ook aanvraaghulp kan worden geboden.” Ten tweede werkt één van deze gemeenten daarnaast nog actief samen met de woningbouwverenigingen en de energieleveranciers. Bij het niet betalen van de huur en/of de energiekosten krijgt de gemeente via deze organisaties een signaal. Zij treffen dan regelmatig zelfstandigen aan: “Dat zijn regelmatig ZZP’ers, zij hebben vaak het idee nergens recht op te hebben.
Bovendien is de hoogte van hun inkomen vaak onduidelijk en lopen privé- en bedrijfskosten door elkaar.”
5.3 Belemmeringen in aanpak niet-gebruik Een aantal gemeenten geeft aan dat de komst van de AVG beperkingen met zich heeft meegebracht. Het uitwisselen van gegevens is hierdoor minder goed mogelijk geworden. Hierdoor is het ook lastiger geworden om mogelijke niet-gebruikers te identificeren en te bereiken. Eén gemeente schetst dit probleem als volgt: “Vroeger kon de gemeente mensen op basis van CBS-gegevens aanschrijven en met hen spreken over hun (inkomens) situatie, maar sinds de komst van de AVG is dat niet meer mogelijk. Maar misschien is gerichte communicatie over de algemene bijstand toch nodig, want 35% is best een hoog percentage.” Enkele beleidsmedewerkers geven aan dat de Participatiewet zelf een obstakel kan zijn omdat deze ingewikkeld is. Dit maakt enerzijds voorlichting lastig gezien de vele normen die de Participatiewet kent: “Ga maar eens uitleggen wie wanneer ergens recht op heeft. Daarom worden vooral de welzijnsstichtingen zo goed mogelijk geïnformeerd. Zeker als er dingen veranderen. Dan kunnen die stichtingen inwoners bereiken, zij komen vaker op huisbezoek.” Een beleidsmedewerker geeft aan dat doordat de Participatiewet als ingewikkeld wordt ervaren het soms lastig is om integraal te werken met mensen die werkzaam zijn op aanverwante terreinen.
Tot slot benadrukken enkele gemeenten dat de zoekperiode van vier weken voor jongeren een belemmering vormt in de aanpak van niet-gebruik. Het risico is dat jongeren in de zoekperiode geheel uit beeld verdwijnen dan wel verder in de financiële problemen komen: “Want je kunt niets voor ze doen tijdens die periode, maar jongeren hebben echt geen geld als ze de studie afbreken. Soms kunnen ouders het oplossen, vaak niet.”
| 31 |
De zoekperiode dient volgens de geïnterviewde geen doel omdat veel jongeren die bijstand aanvragen kwetsbaar en hulpbehoevend zijn en niet zomaar zelf een baan kunnen vinden. Met de uit beeld verdwenen jongeren worden door deze gesproken gemeenten vaak geen contact meer gezocht.
| 32 |
6 Nawoord De Inspectie SZW heeft kennisgenomen van de gezamenlijke reactie van Divosa en VNG. De Inspectie deelt de mening van Divosa en VNG dat nader onderzoek naar de motieven naar niet-gebruik nodig is. Toch zijn er nu al acties mogelijk, zoals Divosa en VNG ook noemen. De Inspectie onderschrijft de oproep van de VNG en Divosa aan de verschillende betrokken partijen om hierin hun verantwoordelijkheid te nemen. De Inspectie mengt zich niet in een politieke discussie, wel denkt zij dat het goed is dat Divosa en VNG afwegingen over niet-gebruik en de rol van de overheid daarbij aankaarten. Het gaat de Inspectie hierbij niet om niet-gebruik in geïsoleerde zin, maar om een actieve rol van de overheid in een samenhangende benadering van bestaanszekerheid. Dat hoort ook hulp bij het vinden van een baan of passende scholing bij. Ook om die reden is het wenselijk dat deze mensen in beeld bij hun gemeente komen, zeker als het om jongeren gaat die hun hele toekomst nog voor zich hebben. De Inspectie vindt het daarom een positieve ontwikkeling dat Divosa en VNG mogelijkheden bij gemeenten zien om bestandkoppelingen breder te benutten en vindt het een realistische stap om met behulp van experts op het gebied van gegevensuitwisseling te verkennen of dit ook voor de groep 23- tot 27-jarigen ingezet kan worden.
De Inspectie sluit zich tevens aan bij het punt van Divosa en VNG dat voorlichting niet alleen een taak is voor gemeenten, maar ook een taak is voor het Rijk, UWV, werkgevers en andere belangenorganisaties. Divosa en VNG herkennen verder het knelpunt van de Inspectie over de mogelijk perverse prikkel in de financieringssystematiek, een punt dat ook nadrukkelijk naar voren werd gebracht in de evaluatie van de Participatiewet door het SCP. De Inspectie wil hier nog wel aan toevoegen dat gemeenten op de lange termijn zelf ook baat hebben bij het investeren in de niet-gebruikers omdat dit hoge maatschappelijke kosten op aanpalende terreinen (bijv. schuldhulpverlening) kan voorkomen dan wel beperken. Divosa en VNG benoemen daarnaast het zorgpunt of de Participatiewet wel compatibel is met de flexibele arbeidsmarkt en opperen dat het mogelijk zou moeten worden om met terugwerkende kracht een uitkering aan te vragen. De Inspectie vindt dit een interessante denkrichting gezien bijvoorbeeld het hoge niet-gebruik onder zelfstandigen en het hoge risico op wisselende inkomsten binnen deze groep. De Inspectie blijft tot slot graag in gesprek met stakeholders over dit belangrijke thema.
| 33 |
Bijlage I Selectiecriteria keuze regeling36 1. De aanwezigheid van kenmerken die niet-gebruik bevorderen Een centraal selectiecriterium is de mate waarin een bepaalde regeling kenmerken bevat die – direct of indirect – bijdragen aan een hoge mate van niet-gebruik: a. Aanwezigheid van een middelentoets; De aanwezigheid van een middelentoets is volgens Van Oorschot een van de belangrijkstekenmerken die de kans op niet-gebruik verhogen. Toetsing op de aanwezigheid van eigen inkomsten en vermogen kan mensen ervan weerhouden een regeling aan te vragen, niet alleen omdat zij het als een schending van hun privacy ervaren maar ook omdat het te ontvangen bedrag erdoor kan worden verlaagd en daardoor niet langer wordt gezien als de moeite waard. b. Een aanvullend karakter; Wanneer een voorziening een aanvullend karakter heeft, is de noodzaak voor het aanvragen ervan per definitie minder groot dan wanneer de voorziening een basisinkomensbescherming biedt. In het eerste geval zijn er in principe immers nog andere inkomensbronnen in het huishouden aanwezig, zodat niet-gebruik geen al te grote gevolgen hoeft te hebben. Zowel de behoefte aan de aanvullende voorziening als de gepercipieerde baten ervan zullen daarom relatief gering zijn. c. Vage toekenningscriteria; Vaagheid van de toekenningscriteria kan potentiële rechthebbenden ervan weerhouden de desbetreffende regeling aan te vragen.
Men moet relatief veel moeite doen om uit te zoeken of men recht heeft op de voorziening, zodat de ‘kosten’ van het aanvragen al gauw als te hoog worden gezien. Bovendien verhogen deze kenmerken de kans op een foutieve beslissing door de uitvoeringsinstantie. d. Initiatief volledig bij cliënt; Indien een cliënt zelf het initiatief moet nemen om een claim in te dienen, is de kans op niet-gebruik van de desbetreffende inkomensvoorziening beduidend groter dan wanneer er sprake is van (semi)automatische toekenning. De cliënt moet in het eerste geval immers meer moeite doen, en eventuele psychologische belemmeringen spelen een grotere rol dan wanneer de uitkerende instantie het initiatief neemt. e. Het voorzien in de vergoeding van incidentele uitgaven; Vergoedingen van incidentele uitgaven (of van een grote variëteit aan uitgaven) zijn eveneens ontvankelijk voor niet-gebruik. Voor een eenmalige vergoeding wegen de baten lang niet altijd op tegen de kosten van het aanvragen, terwijl men bij regelingen die zich op een diversiteit aan uitgaven richten, moet uitzoeken of de benodigde vergoeding er wel onder valt. In beide gevallen zal een deel van de potentiële rechthebbenden het te veel moeite vinden om een claim in te dienen.
2. De waarschijnlijke omvang van de populatie gerechtigden Maatschappelijk gezien heeft niet-gebruik groter gevolgen naarmate de doelgroep van een bepaalde regeling groter is. Eenzelfde percentage niet-gebruik treft in dat geval immers een groter aantal personen of huishoudens dan bij een relatief kleine doelgroep. Het heeft de voorkeur onderzoek naar niet-gebruik te richten op regelingen met een omvangrijke rechthebbende populatie.
36 Deze selectiecriteria zijn grotendeels ontleend aan de selectiecriteria uit het SCP-rapport Geld op de plank (Wildeboer Schut & Hoff, 2007)
| 34 |
3. Precaire doelgroep Indien een huishouden met een ruim inkomen niet gebruikmaakt van een bepaalde voorziening omdat men daar geen behoefte aan heeft, kan er niet worden gesproken van een zorgwekkende situatie. Van belang zijn vooral die regelingen die zich richten op de mensen met lage inkomens, en die er bij nietgebruik toe leiden dat zij in een kwetsbare inkomenspositie belanden.
4. Hoogte gederfde bedrag bij volledig niet-gebruik Het ligt voor de hand dat regelingen waarin in geval van niet-gebruik het gederfde bedrag slechts zeer gering is, nauwelijks bijdragen aan het tegengaan van armoede. Dit betekent echter niet dat van regelingen die wel relatief grote bedragen uitkeren, de gederfde inkomsten van niet-gebruikers per definitie omvangrijk zijn. Als gevolg van de aanwezigheid van een middelentoets kan ook in dat geval het bedrag waarop iemand recht heeft, gering zijn. Dit geldt dan uiteraard voor de hogere inkomens; personen of huishoudens met een laag inkomen ontvangen in principe het volle pond, en vormen tevens de groep voor wie het gederfde bedrag bij niet-gebruik hoog is.
5. Onlangs verschenen onderzoek Indien er recentelijk nog onderzoek is verschenen naar een betreffende regeling, dan is het minder relevant om ook weer naar deze regeling te kijken.
6. Uitvoerbaarheid onderzoek/vaststelbaarheid voorwaarden Ook speelt een rol dat sommige regelingen zeer complex zijn, waardoor het lastig is het recht volledig te achterhalen. Voor het huidige onderzoek naar niet-gebruik gaat de voorkeur daarom uit naar regelingen met relatief goed na te bootsen toekenningscriteria.
| 35 |
Bijlage II Beschrijving methode In deze bijlage staat beschreven welke brondata zijn gebruikt voor dit onderzoek. Ook wordt nader ingegaan op de opbouw van het analysebestand en de methode die wordt gebruikt om de rechthebbenden van de algemene bijstand te bepalen. Wettelijke voorwaarden voor een algemene bijstandsuitkering Een burger heeft recht op een algemene bijstandsuitkering als men voldoet aan de wettelijke voorwaarden hiervan. De volgende voorwaarden gelden: • • • • • • •
Men woont rechtmatig in Nederland; Men is 18 jaar of ouder; Men heeft de AOW-leeftijd nog niet bereikt; Men heeft niet genoeg inkomen (eigen of partner) of eigen vermogen om in zijn levensonderhoud te voorzien; Men kan geen beroep doen op een andere voorziening of uitkering; Men zit niet in de gevangenis of een huis van bewaring; Men houdt zich aan de verplichtingen.
Stappen data-analyse De voorwaarden worden getoetst door middel van data-analyses met CBS-microdata. Figuur 15 laat zien welke stappen zijn ondernomen om te bepalen of iemand recht heeft op de algemene bijstand. Als peildatum neemt de Inspectie 1 januari 2018. De Inspectie koos voor deze peildatum vanwege de beschikbaarheid en volledigheid van de databestanden die nodig zijn voor de analyse. Diverse onderzoeken hebben aangetoond dat onderbenutting structureel voorkomt.37,38 De Inspectie gaat ervan uit dat per 2021 (ten tijde van het verschijnen van deze rapportage) deze cijfers nog steeds representatief zijn De huidige coronacrisis vraagt juist om extra aandacht voor niet-gebruik gezien de grotere behoefte aan inkomensondersteuning, het is aannemelijk dat hierdoor de absolute omvang van het niet-gebruik in 2021 groter is.
37 SEO (2011). Niet-gebruik inkomensondersteunende maatregelen. SEO-rapport nr. 2011-31. ISBN 978-90-6733-615-4. Amsterdam: SEO. 38 Oorschot, W. (1996). Gedeelde verantwoordelijkheid: Over omvang en oorzaken van niet-gebruik van sociale zekerheid in Nederland. Sociale Wetenschap, 39, 1-32.
| 36 |
Figuur 15: Ondernomen data-analyse stappen om recht op bijstand te bepalen Stap 1: Bepalen wie rechtmatig in Nederland woont op 1 januari 2018 Stap 2: Huishoudens en aantal kostendelers bepalen Stap 3: Huishoudinkomen berekenen Stap 4: Vermogen bepalen Stap 5: Scholieren, stakers en mensen met onbetaald verlof verwijderen Stap 6: Gegevens over bijstandsuitkeringen toevoegen Stap 7: Jongeren en AOW’ers verwijderen Stap 8: Tijdelijke migranten verwijderen Stap 9: Inkomens- en vermogensgrens vaststellen Stap 10: Gebruikers en niet-gebruikers vaststellen
De onderzoekstappen uit Figuur 15 zijn doorlopen met behulp van de volgende CBS-bestanden: •
• • • • • • • • • •
GBAHUISHOUDENSBUS: Bevat van alle personen die vanaf 1 oktober 1994 in de Basis Registratie Personen voorkomen hun plaats in het huishouden, en de gegevens over het huishouden waartoe zij behoren en behoord hebben. GBAPERSOONSTAB: Bevat van alle personen die vanaf 1 oktober 1994 in de Basis Registratie Personen. GBAADRESOBJECTBUS: Bevat gegevens over adressen van personen die vanaf 1 januari 1995 in de gemeentelijke bevolkingsregisters ingeschreven (hebben ge)staan. VEHTAB: Bevat vermogensgegevens van huishouden op 1 januari van het onderzoeksjaar. INPATAB: Bevat Inkomen op jaarbasis van personen op 1 januari van het onderzoeksjaar. INHATAB: Bevat Inkomen op jaarbasis van de huishoudens op 1 januari van het onderzoeksjaar. SPOLISBUS: Bevat kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over banen en lonen van werknemers bij Nederlandse bedrijven over een bepaald verslagjaar of deel van een verslagjaar. SECMBUS: Bevat gegevens over de sociaaleconomische categorie (SECM) van personen in een bepaalde maand. SECMMAANDBEDRAGEN-bestanden: Bevat gegevens over inkomsten per maand. BIJSTANDPERSOONBUS: Dit bestand bevat gegevens over kenmerken van de periodes waarin personen een of meerdere bijstands- of bijstandsgerelateerde uitkeringen hadden. HOOGSTEOPLTAB: Dit bestand bevat gegevens over het opleidingsniveau van personen.
Stap 1: Bepalen wie rechtmatig in Nederland woont op 1 januari 2018 We beginnen met de mensen die rechtmatig in Nederland wonen. De mensen die rechtmatig in Nederland wonen bepalen we door te kijken in de Basisregistratie Personen (BRP). Hiervoor gebruiken we de GBAPERSOONTAB, GBAADRSEOBJECTBUS en de GBAHUISHOUDENSBUS. Stap 2: huishoudens en aantal kostendelers bepalen Vervolgens gebruiken we de GBAHUISHOUDENSBUS om de huishoudsamenstelling te bepalen. Het bestand geeft per persoon de positie in het gezin aan. We gebruiken de positie in het gezin om partners te definiëren. Als er binnen een gezin twee partners zijn, dan zijn zij een huishouden. We gebruiken de positie in het gezin onder andere ook om minderjarige thuiswonende kinderen te definiëren.
| 37 |
Vervolgens bepalen we het aantal kostendelers dat op een adres woont. Dit doen we door binnen een adres het aantal mensen te tellen. De volgende personen tellen niet mee als het gaat om de kostendelersnorm: • • •
Studenten Commerciële relaties Personen tot 21 jaar
Commerciële relaties kunnen we niet goed bepalen, dus deze groep laten wij buiten beschouwing. Dit leidt tot een onderschatting van het aantal rechthebbenden omdat het aantal kostendelers in werkelijkheid lager ligt dan in het bestand. Maar dit effect is waarschijnlijk beperkt, omdat het aantal bijstandsgerechtigden met een inwonende huurder waarschijnlijk laag is. Het SCP39 en SEO40 verwijderen institutionele huishoudens zoals verzorgingshuizen en penitentiaire inrichtingen als zij naar niet-gebruik kijken. Dat doen wij ook en dit heeft een beperkte invloed op de schatting. Wij verwijderen ook overige huishoudens (particuliere huishoudens die uitsluitend bestaan uit overige leden41). Gevolg: dit kan leiden tot een onderschatting omdat wij aannemen dat zij geen recht hebben. Stap 3: Huishoudinkomen berekenen Het inkomen uit de maand januari halen we uit de SECMMAANDBEDRAGEN-bestanden. De SECMcomponenten bevatten maandbedragen, die gebaseerd zijn op een jaarbedrag aan inkomen uit een betreffende bron, die evenredig zijn verdeeld over de daadwerkelijke maanden dat een persoon de betreffende bron aan inkomen had. Het inkomen als zelfstandig ondernemer en uit overige arbeid betreft het jaarbedrag aan winst (verlies wordt niet meegenomen) gedeeld door twaalf. Gevolg: Het maandbedrag kan hiermee licht afwijken van het daadwerkelijk ontvangen bedrag in de maand.
Het maandelijkse inkomen wordt berekend door het maandelijks inkomen uit de verschillende inkomensbronnen bij elkaar op te tellen. De verschillende inkomensbronnen zijn: • • • • • • •
Werknemer Zelfstandige Pensioen Overig actief Ziekte/Arbeidsongeschiktheidsuitkering Werkloosheidsuitkering Overige sociale voorziening.
Als de persoon een partner heeft, dan tellen we het inkomen van de partner hierbij op. Hierdoor verkrijgen we het maandelijkse inkomen op huishoudniveau. Huishoudens waarvan de INHATAB en de INPATAB aangeven dat het inkomen onbekend is verwijderen we uit het bestand. Dit doen we omdat de SECMMAANDBEDRAGEN-bestanden zijn gebaseerd op deze bestanden. Als het inkomen over het jaar 2018 onbekend is in deze bestanden dan is het onmogelijk om het inkomen te bepalen. Het verwijderen van mensen met een onbekend inkomen in geheel 2018 leidt tot een onderschatting van de groep rechthebbenden. Mensen die alleen in januari 2018 een onbekend inkomen hebben, nemen we wel mee.
39 Wildeboer Schut, J. & Hoff, S. (2007). Geld op de plank. Niet-gebruik van inkomensvoorzieningen. Den Haag: SCP (SCP-publicatie 2007/11). 40 SEO (2011). Niet-gebruik inkomensondersteunende maatregelen. SEO-rapport nr. 2011-31. ISBN 978-90-6733-615-4. Amsterdam: SEO. 41
Het gaat bijvoorbeeld om twee broers die samen één huishouding vormen, of een pleegkind.
| 38 |
Stap 4: Vermogen bepalen Naast het inkomen is ook het vermogen belangrijk. Het vermogen halen we uit de VEHTAB. De VEHTAB heeft als peildatum 1 januari van het betreffende jaar. We gebruiken de vermogensbestanden om te toetsen of mensen niet te veel vermogen hebben. CBS heeft gegevens over vermogen op adresniveau en niet op persoonsniveau. Dit zorgt ervoor dat we het vermogen van paren niet kunnen onderscheiden van het vermogen van andere inwoners op het adres, zoals thuiswonende kinderen. Gevolg: Het vermogen van inwoners op een adres wordt bij elkaar opgeteld. Hierdoor schatten we het vermogen te hoog in. Dit leidt tot een onderschatting van het aantal rechthebbenden. Daarnaast verschillen de gezinnen in de vermogensbestanden soms van de gezinnen in de GBA-bestanden. Dit geldt voor ongeveer 2,5% van de mensen die op 1 januari 2018 in Nederland wonen. Om het vermogen binnen het huishouden gelijk te trekken kiezen we altijd voor het vermogen van de referentiepersoon in het GBA- huishouden. Het vermogen bepalen we aan de hand van de variabele ‘VEHWVEREXEWH’ (vermogen zonder woning). Het vermogen is de waarde van de bezittingen minus de hoogte van de schulden. Het CBS heeft alleen niet de beschikking over alle schulden. Daarom is het vermogen van sommige huishoudens in sommige gevallen hoger dan het in werkelijkheid is.
Gevolg: Dit leidt tot een onderschatting van het aantal rechthebbenden. In de schulden-variabele van het CBS zitten ook de studieschulden, maar studieschulden tellen niet als schulden als volgens de participatiewet omdat het mogelijk is om ze kwijt te schelden. Daarom maken we een variabele aan voor het vermogen zonder studieschuld. Als laatst houden we ook rekening met de overwaarde op het huis. De overwaarde wordt bepaald door de variabele ‘VEHW1121WONH’ (waarde woning) minus de variabele ‘VEHW1210SHYH’ (hypotheekschuld) te doen. Als er namelijk voldoende overwaarde in de woning zit, dan heeft de persoon recht op een lening en niet op een bijstandsuitkering. Mensen met een lening worden in de bestanden van het CBS niet aangemerkt als ontvangers van de bijstand. Daarom nemen wij mensen met een overwaarde boven 50.800 euro42 niet mee in onze analyse. De waarde van de auto telt ook als vermogen. Hier hebben we echter geen informatie over. Dit laten we dus buiten beschouwing. Gevolg: Dit leidt tot een overschatting van het aantal rechthebbenden. Stap 5: Scholieren, stakers en mensen met onbetaald verlof verwijderen Daarnaast gelden nog een aantal redenen waardoor mensen geen recht hebben op bijstand. De persoon mag bijvoorbeeld niet gedetineerd zijn. Ook mag de persoon niet op school zitten en studiefinanciering ontvangen.
Om te bepalen of iemand studeert en studiefinanciering ontvangt, maken we gebruik van de SECMBUS. In de SECM zit een code die aangeeft of iemand studeert. Dus als mensen studeren dan verwijderen wij ze uit de populatie. Gedetineerden zijn al uit het bestand verwijderd door de koppeling met de inkomensgegevens (institutionele huishoudens). De Participatiewet kent een scholingsverplichting voor personen jonger dan 27 jaar, indien een jongere nog recht heeft op studiefinanciering dan moet de gemeente beoordelen of het volgen van onderwijs een reële optie is en dus als voorliggende voorziening moet worden beschouwd. Uitgangspunt is dat een jongere minimaal beschikt over een startkwalificatie. In principe zijn jongeren tot 27 jaar verplicht om een startkwalificatie te halen voordat zij in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering. Een startkwalificatie is het minimale onderwijsniveau dat nodig is om duurzaam mee te doen op de arbeidsmarkt. Dit is een mbo- diploma op minimaal niveau 2 of een havo- of vwo-diploma. Echter, gemeenten gaan hier in de praktijk niet eenduidig mee om. Wij hanteren daarom een ruime definitie waarbij we alle jongeren meenemen en een smalle definitie waarbij wij uitgaan dat iemand zonder startkwalificatie geen recht 42 Dit is het maximale eigen vermogen in het eigen huis (box 1) op 1 januari 2018
| 39 |
heeft. Dit bepalen we door gebruik te maken van het bestand ‘Hoogsteopleidingstab’. Hierin staat of iemand een startkwalificatie heeft. Het bestand Hoogsteopleidingstab is niet volledig, maar voor jongere leeftijden bijna wel. Het CBS geeft aan dat de dekking voor mensen onder de 27 jaar boven de 90%ligt. Voor bijvoorbeeld eerste generatie Syrische migranten is de opleiding onbekend. Als iemand geen inkomen heeft door een staking of door onbetaald verlof, dan heeft diegene geen recht op een bijstandsuitkering. Dit kunnen we checken door de SPOLISBUS te koppelen. De SPOLISBUS bevat informatie over banen en lonen van werknemers bij Nederlandse bedrijven. We kijken of iemand voor de variabele ‘SCDINCINKVERM’ de code S (stakingsdagen) of O (onbetaald verlof) heeft op de peildatum 1 januari. Mensen met deze code halen we uit het bestand. Ook verwijderen we de partner van de persoon die onbetaald verlof heeft op de peildatum. Zij hebben namelijk ook geen recht. Er gelden nog een aantal regels die we niet kunnen controleren: • • •
In militaire dienst zijn; Langer dan 4 weken buiten Nederland verblijven; Jonger dan 27 jaar is én door zijn houding en gedrag zijn verplichtingen niet willen nakomen.
Gevolg: Mensen die aan deze voorwaarden voldoen worden niet geïdentificeerd. Dit zorgt voor een lichte overschatting van het aantal rechthebbenden. Stap 6: Gegevens over bijstandsuitkeringen toevoegen Als laatst voegen we de BIJSTANDPERSOONBUS toe aan het bestand. Het bestand bevat op persoonsniveau informatie over de ontvangst van bijstands-, IOAW- en IOAZ- uitkering op de peildatum. Mensen met een andere bijstandsuitkering dan de algemene bijstand verwijderen we uit het bestand. Stap 7: Jongeren en AOW’ers verwijderen Personen jonger dan 18 zijn niet rechthebbend. Daarom zijn mensen die jonger zijn dan 18 uit het bestand verwijderd. Ook verwijderen we huishoudens met een AOW-gerechtigde in het huishouden. Zij hebben mogelijk recht op een AIO-uitkering. Het niet-gebruik van de AIO wordt al onderzocht door SZW, SVB en CBS. Stap 8: Tijdelijke migranten verwijderen Veel verschillende factoren bepalen of een migrant recht heeft op bijstand. Bij een korter verblijf dan drie maanden heeft een migrant meestal geen recht op bijstand. Daarom nemen we mensen die op 1 oktober 2017 nog niet in Nederland woonden niet mee in onze analyse als we uitgaan van de smalle definitie. Resultaat: analysebestand Het resultaat is een analysebestand met potentieel rechthebbenden. Door de bijstandsnorm en vermogensgrens vast te stellen kunnen we het recht op bijstand toetsen.
Voor mensen ouder dan 21 bepalen we de inkomensgrens door de kostendelersnorm toe te passen: (0.4 + A * 0.3) * Norm A Waar A het aantal kostendelers is en Norm het minimumloon. In 2018 is het minimumloon 1417,32. Het persoonlijk inkomen is bruto, daarom moet de netto norm ook een bruto norm worden. Dit gebeurt als volgt: ( I – H) * ( 1 + B) Waar I de hierboven berekende inkomensgrens is, H de algemene heffingskorting en B is de belastingschijf. In dit onderzoek gaan we uit van een algemene heffingskorting van 188,75 euro en een bruterings-
| 40 |
percentage van 57,6%. Het bruteringspercentage komt overeen met het bruteringspercentage dat gehanteerd wordt in het bijstandsverdeelmodel. Het bruteringspercentage wordt aangeleverd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.43 Voor mensen onder de 21 hangt de inkomensgrens niet af van het minimumloon, maar van de kinderbijslag. Ook geldt voor hun de kostendelersnorm niet. Voor mensen onder de 21 is de inkomensgrens 244,91 euro. Als paren een minderjarig kind hebben dan wordt de norm verhoogd met 141,73 euro per persoon. De 141,73 euro geldt niet voor eenouderhuishoudens. Tot nu toe zijn de normen op persoonsniveau, voor paren moeten de normen bij elkaar opgeteld worden. Dit doen we door de inkomensgrenzen van personen in een paar bij elkaar op te tellen. In de wet staan afwijkende normen voor paren waarvan een partner jonger is dan 21 en de andere partner 21 of ouder is. Ook voor mensen met een niet rechthebbende partner, bijvoorbeeld als de partner studeert, gelden afwijkende normen. Hier wordt ook rekening mee gehouden. De vermogensgrens hangt af van de leefvorm. De vermogensgrens per leefvorm staat in Tabel 5. Tabel 5: Maximaal toegestaan vermogen in de bijstand in 2018 Wie
Maximaal toegestaan vermogen in 2018
Alleen en geen kinderen jonger dan 18 jaar
€ 6.020
Geen partner, maar met een of meer kinderen jonger dan 18 jaar
€ 12.040
Partner, samenwonend of gehuwd
€ 12.040
Vervolgens kunnen we bepalen of iemand recht heeft op de bijstand. Het inkomen moet lager liggen dan de inkomensgrens en het vermogen moet lager liggen dan de vermogensgrens. Als de persoon voldoet aan de voorwaarden dan is diegene rechthebbend. Als iemand een bijstandsuitkering ontvangt dan is de persoon een gebruiker. Als de persoon geen gebruik maakt van de bijstand dan is de persoon een niet-gebruiker. Daarna vertalen we de achtergrondkenmerken op persoonsniveau naar achtergrondkenmerken op huishoudniveau. Dit doen we door binnen het huishouden te kijken hoe vaak het desbetreffende achtergrondkenmerk voorkomt. Vervolgens delen we aantal keer dat het achtergrondkenmerk voorkomt door het aantal huishoudleden. Op die manier bepalen we de fractie van het huishouden dat het desbetreffende achtergrondkenmerk heeft. Dit is van belang voor de regressieanalyse. Voor de beschrijvende statistiek zeggen we dat een huishouden een bepaald achtergrondkenmerk heeft als de fractie groter is dan 0. Als laatste veranderen we het bestand van persoonsniveau naar huishoudniveau. Dit betekent dat er maar één observatie is per huishouden. Duurzaamheid niet-gebruik Om de duurzaamheid van het niet-gebruik in kaart te brengen kijken we naar drie extra peilmomenten: • • •
1 januari 2017 1 juli 2017 1 oktober 2017
43 SEO (2020). Vaststellen van de bijstandsbudgetten 2020: Herschatting en verdeling van de budgetten. SEO-rapport nr. 2019-73. ISBN 978-90-5220-016-3. Amsterdam: SEO.
| 41 |
Per peilmoment bepalen we de groep rechthebbenden volgens dezelfde methode. De methode hebben we hierboven beschreven. Alleen het minimumloon, kinderbijslag, heffingskorting, maximale overwaarde en vermogensgrens verandert per peilmoment. De gehanteerde bedragen staan beschreven in Tabel 3. Tabel 6: Bedragen per peilmoment Wie
1 januari 2017
1 juli 2017 1 oktober 2017
Minimumloon
€ 1403,98
€ 1409,31
€ 1409,31
Kinderbijslag
€ 242,6
€ 243,52
€ 243,52
Extra bijdrage voor kinderen als het paar jonger dan 21 is
€ 140,4
€ 140,93
€ 140,93
Heffingskorting
€ 187,83
€ 187,83
€ 187,83
Alleen en geen kinderen jonger dan 18 jaar
€ 5.940
€ 5.940
€ 5.940
Geen partner, maar met een of meer kinderen jonger dan 18 jaar
€ 11.880
€ 11.880
€ 11.880
Partner, samenwonend of gehuwd
€ 11.880
€ 11.880
€ 11.880
Maximaal eigen vermogen in het eigen huis, box 1
€ 50.100
€ 50.100
€ 50.100
Per peilmoment is in kaart gebracht of de persoon, die behoort tot een huishouden dat rechthebbend is maar niet-gebruiker van de algemene bijstand op 1 januari 2018, nog steeds niet-gebruiker is. Als de persoon op alle drie de peilmomenten niet-gebruiker is dan spreken we van langdurig niet gebruik. Als degene op een peilmoment geen niet-gebruiker is dan maken we onderscheid naar gebruiker en niet rechthebbend. Langdurig niet-gebruik is in kaart gebracht op persoonsniveau, omdat huishoudens over tijd kunnen veranderen. Regressiemodel Op basis van het analysebestand met alle rechthebbende op 1 januari 2018 wordt een verklarend model geschat. Het model verklaart de kans op het niet gebruik van de bijstand. Het model wordt geschat op alle rechthebbenden. Het model stelt vast welke achtergrondvariabelen van invloed zijn op het nietgebruik van de bijstand. De afhankelijke variabele is of iemand al dan niet gebruik maakt van de bijstand. Het model wordt geschat met een linear probability model en de standaardfouten zijn geclusterd op gemeenteniveau. De schattingen staan in Tabel 1 in Bijlage IV.
| 42 |
Bijlage III Absolute aantallen totale groep niet-gebruikers Tabel 7: aantal niet-gebruikende huishoudens per achtergrondkenmerk per 1 januari 2018 Wie
Aantal
% t.o.v. totale groep per kenmerk
Inkomen t.o.v. bijstandsnorm
170.209
Geen inkomen
39.379
23%
1 tot 10%
11.484
7%
10 tot 20%
4.948
3%
20 tot 30%
5.254
3%
30 tot 40%
6.803
4%
40 tot 50%
8.095
5%
50 tot 60%
9.508
6%
60 tot 70%
12.121
7%
70 tot 80 %
15.855
9%
80 tot 90%
20.207
12%
90 tot 100%
36.555
21%
Inkomensbron
141.147
Wezenpensioen e.d.
4.703
3%
Werknemer
59.210
42%
Uitkering (anders dan bijstand)
44.480
32%
Zelfstandige
32.754
23%
Leeftijdscategorie
182.784
18-20
4.317
2%
21-27
27.252
15%
27-36
57.091
31%
37-46
40.716
22%
47-56
35.318
19%
57-66
18.090
10%
Herkomst
175.808
Nederlander
88.428
50%
EU-migrant
20.801
12%
Migrant buiten EU
66.579
38%
Plaats in het huishouden
170.209
Thuiswonend kind
20170
12%
Alleenstaand
86064
51%
Partner zonder kinderen
10888
7%
Partner met kinderen
18753
11%
Ouder in eenouderhuishouden
30550
18%
Overig lid
3155
2%
| 43 |
Wie
Aantal
% t.o.v. totale groep per kenmerk
Provincie
170.209
Friesland
4805
3%
Groningen
6371
4%
Drenthe
3505
2%
Overijssel
9302
5%
Zuid-Holland
43682
26%
Gelderland
16342
10%
Limburg
10951
6%
Zeeland
3111
2%
Noord-Brabant
21519
13%
Noord-Holland
34534
20%
Flevoland
4644
3%
Utrecht
11443
7%
| 44 |
Bijlage IV Verklarend model Om het niet gebruik van de bijstand te verklaren is een regressiemodel geschat (zie Tabel 8). De analyse laat zien of de kenmerken individueel samenhangen met niet-gebruik van de algemene bijstand, gecorrigeerd voor alle andere kenmerken. De dataset is dusdanig groot dat wij uitgaan van een significantieniveau van 1%. Tabel 8: Regressieanalyse niet-gebruik algemene bijstand (N=490.206) Coëfficiënt Inkomen t.o.v. bijstandsnorm
Inkomensbron
Leeftijd in jaren
Herkomst
Plaats in het huishouden
Kinderen in het huishouden
Standaardfout
Geen inkomen
Ref.
1-10%
.100*
.003
10-20%
.156*
.005
20-30%
.190*
.007
30-40%
.230*
.009
40-50%
.267*
.006
50-60%
.323*
.006
60-70%
.385*
.007
70-80%
.439*
.007
80-90%
.536*
.007
90-100%
.654*
.006
Geen inkomen
Ref.
Wezenpensioen e.d.
-.031*
.006
Uitkering overig
.103*
.004
Werknemer
.053*
.004
Zelfstandige
.340*
.005
18-20
Ref.
21-26
-.107*
.006
27-36
-.267*
.010
37-46
-.337*
.014
47-56
-.391*
.015
57-AOW
-.432*
.016
Nederlander
Ref.
EU-migrant
.155*
.008
Migrant buiten EU
-.033*
.003
Alleenstaand
Ref.
Thuiswonend kind
.263*
.010
Partner zonder kinderen
-.075*
.003
Partner met kinderen
-.079*
.003
Ouder in eenouderhuishouden
-.030*
.003
Overig lid
.368*
.010
Geen kind
Ref.
| 45 |
Overig inkomen in huishouden
Vermogen
Provincie
R2
Coëfficiënt
Standaardfout
Kind 0 t/m 5 jaar
-.056*
.003
Kind 6 t/m 11 jaar
-.034*
.003
Kind 12 t/m 16 jaar
-.013*
.003
0 euro
Ref.
1-1500 euro
.037*
.008
1500 euro >
.164*
.058
Negatief
.088*
.003
0-2000 euro
Ref.
2000-4000 euro
.042*
.003
4000-6000 euro
.093*
.004
6000 euro >
.190*
.005
Friesland
Ref.
Groningen
.018
.008
Drenthe
.018
.012
Overijssel
.037*
.008
Flevoland
.090*
.010
Gelderland
.050*
.010
Utrecht
.087*
.009
Noord-Holland
.093*
.008
Zuid-Holland
.080*
.008
Zeeland
.069*
.022
Noord-Brabant
.076*
.009
Limburg
.050*
.011
0.487
| 46 |
Bijlage V Bestuurlijke reactie
Inspectie SZW T.a.v. de heer H. de Groot Postbus 90801 2509 LV 'S-GRAVENHAGE
Datum
15 april 2021 Kenmerk
TISA/U202100289 Telefoon Datum
Inspectie SZW T.a.v. de heer H. de Groot Postbus 90801 2509 LV 'S-GRAVENHAGE
06 36 39 63 62 15 april 2021 Bijlage(n) Kenmerk
TISA/U202100289 Telefoon
06 36 39 63 62 Bijlage(n)
Onderwerp
Conceptrapport niet - gebruik van algemene bijstand
Geachte heer De Groot, Onderwerp
Conceptrapport niet - gebruik van algemene bijstand Hartelijk dank voor het toezenden van uw onderzoek naar niet-gebruik van de algemene bijstand. Uit uw onderzoek blijkt dat ongeveer 35% van de huishoudens met een inkomen onder de bijstandsnorm geen gebruik maakt van deze regeling. Voor een flink deel van die groep is het nietGeachte heer De Groot, gebruik ook langer dan drie maanden. Dit zijn hoge cijfers voor een regeling die het laatste vangnet behoort te zijn voor mensen die onder het minimum dreigen te raken. Dat baart ons zorgen, maar Hartelijk dank voor het toezenden van uw onderzoek naar niet-gebruik van de algemene bijstand. roept ook vragen op. Wij maken graag gebruik van de gelegenheid om op dit onderzoek te Uit uw onderzoek blijkt dat ongeveer 35% van de huishoudens met een inkomen onder de reageren. bijstandsnorm geen gebruik maakt van deze regeling. Voor een flink deel van die groep is het nietgebruik ook langer dan drie maanden. Dit zijn hoge cijfers voor een regeling die het laatste vangnet Wat is het verhaal achter de cijfers? behoort te zijn voor mensen die onder het minimum dreigen te raken. Dat baart ons zorgen, maar De cijfers over het niet-gebruik zijn hoog. Dit vraagt om nader onderzoek, zoals de Inspectie ook roept ook vragen op. Wij maken graag gebruik van de gelegenheid om op dit onderzoek te schrijft.
Wat is het verhaal achter deze cijfers? Hoe komen deze mensen nu rond? Hebben ze lage reageren. lasten of andersoortige (maar niet geregistreerde) inkomsten? Waarom kloppen deze personen niet bij de gemeente aan? Niet-gebruik is niet per se een gebrek aan bestaanszekerheid en verdient Wat is het verhaal achter de cijfers? inderdaad nader onderzoek. De cijfers over het niet-gebruik zijn hoog. Dit vraagt om nader onderzoek, zoals de Inspectie ook schrijft. Wat is het verhaal achter deze cijfers? Hoe komen deze mensen nu rond? Hebben ze lage Niet-gebruik heeft meerdere oorzaken lasten of andersoortige (maar niet geregistreerde) inkomsten? Waarom kloppen deze personen niet De Inspectie vermoedt dat vooral jongeren niet bekend zijn met de bijstand. Mogelijk geldt dat ook bij de gemeente aan? Niet-gebruik is niet per se een gebrek aan bestaanszekerheid en verdient voor mensen die werk hebben. Divosa en VNG onderschrijven dat er ook andere dingen kunnen inderdaad nader onderzoek. spelen. Van ‘het is te ingewikkeld’, en ‘ik verwacht binnenkort werk te hebben’ tot aan ‘dit is niet voor mij want ik heb een baantje’ en ‘oh, ik had vorige maand toch minder inkomsten dan verwacht, Niet-gebruik heeft meerdere oorzaken maar nu is het te laat om voor die maand nog bijstand aan te vragen’. Ook schaamte kan een rol De Inspectie vermoedt dat vooral jongeren niet bekend zijn met de bijstand.
Mogelijk geldt dat ook spelen. voor mensen die werk hebben. Divosa en VNG onderschrijven dat er ook andere dingen kunnen spelen. Van ‘het is te ingewikkeld’, en ‘ik verwacht binnenkort werk te hebben’ tot aan ‘dit is niet voor mij want ik heb een baantje’ en ‘oh, ik had vorige maand toch minder inkomsten dan verwacht, maar nu is het te laat om voor die maand nog bijstand aan te vragen’. Ook schaamte kan een rol spelen. Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl
U202100289 PROD Vereniging van Nederlandse Gemeenten
| 47 |
De opdracht was: beroep op bijstand beperken Gemeenten hebben de opdracht gekregen om het aantal mensen in de bijstand zo laag mogelijk te houden. En mede onder druk van jarenlange tekorten op het bijstandsbudget en de financieringssystematiek van de bijstand, zijn gemeenten de afgelopen jaren streng geweest ‘aan de poort’. Mensen krijgen niet zomaar een uitkering. Er wordt eerst over werk gesproken en dan pas over een uitkering. En jongeren hebben een zoektermijn. Dit beleid kan mensen ontmoedigen om een uitkeringsaanvraag in te dienen, zoals de Inspectie ook schrijft. De politieke vraag die niet gesteld is Dit onderzoek werpt ook een politieke vraag op, die de Inspectie niet stelt. Moet de overheid alle mensen die onder het minimum zitten, stimuleren om een uitkering aanvragen? Willen we bijvoorbeeld dat jongeren die thuis wonen en die tijdelijk geen inkomen hebben en door hun ouders onderhouden worden, gestimuleerd worden om altijd bij de gemeente aan te kloppen voor inkomensondersteuning? Of zijn dit soort vormen van samenredzaamheid/zelfredzaamheid juist lovenswaardig? Wat is nu precies de taak van gemeenten? En wat is het maatschappelijk effect dat bereikt moet worden? Het zal u niet verbazen dat wij pleiten voor vervolgonderzoek voordat we op basis van deze cijfers conclusies kunnen trekken voor wat er werkelijk aan de hand is en wat er echt nodig is.
Als er meer inzicht is in het verhaal achter deze cijfers, kunnen we samen met alle betrokkenen gaan bekijken wat de vervolgacties kunnen zijn. Een aantal denkrichtingen vanuit onze kant zetten we hieronder op een rijtje. Wat kunnen gemeenten doen? •
•
•
Mogelijkheden voor bestandskoppeling benutten: De Inspectie SZW ziet een rol voor gemeenten in het persoonlijk opsporen van niet-gebruikers, waar mogelijk via bestandskoppelingen. Dat is zeker een route die gemeenten zouden kunnen verkennen met ondersteuning van experts op het gebied van gegevensuitwisseling. Een eerste stap zou gericht kunnen zijn op jongeren zonder werk en uitkering. Gemeenten hebben nu al de mogelijkheid om de gegevens te ontvangen van jongeren tot 23 jaar zonder werk, zonder uitkering en zonder startkwalificatie (zgn. spookjongeren). Kijk als eerste stap of deze groep uitgebreid kan worden tot bijvoorbeeld jongeren tot 27 jaar. Balans zoeken tussen doelmatigheid en bestaanszekerheid: Een lastige, maar belangrijke rol van gemeenten is dat zij bij de aanvraag van een uitkering de juiste balans moeten zoeken tussen de financiële zekerheid die mensen nodig hebben versus de verplichting om te zoeken naar werk (of meer te gaan werken). Een te sterke focus op de verplichtingen in de bijstand, kan mensen afschrikken en het niet-gebruik vergroten. Maar een minder strenge toegang kan weer leiden tot een niet noodzakelijk beroep op de bijstand omdat de prikkel om werk te zoeken wordt weggenomen. Het Rijk kan gemeenten hierbij ondersteunen door nog eens naar de financieringssystematiek van de bijstand te kijken.
Voorlichting geven: De Inspectie stelt dat vooral jongeren niet altijd bekend zijn met de bijstand. Gezien de uitkomsten van het onderzoek speelt ook de vraag of mensen die inkomsten hebben uit werk of een andere uitkering, weten dat zij hun inkomen kunnen laten aanvullen tot bijstandsniveau. Hier ligt overigens niet alleen een taak voor gemeenten, maar ook voor het Rijk, UWV, werkgevers en organisaties voor werknemers en zelfstandigen.
2/3
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
| 48 |
Wat kan het Rijk doen? •
•
Financiële prikkel in de bijstand onderzoeken. De Inspectie SZW stipt terecht aan dat de financiële prikkel in de bijstand, gemeenten stimuleert om de poort naar de bijstand zo dicht mogelijk te houden. Het zou goed zijn te onderzoeken of deze financieringssystematiek zijn doel niet voorbij schiet. Welke ‘beloning’ krijgen gemeenten die het niet-gebruik succesvol weten terug te dringen? Een passende financiering helpt gemeenten om de balans te vinden tussen de focus op werk en het bieden van bestaanszekerheid. Participatiewet en WW compatibel maken met de flexibele arbeidsmarkt. Tot slot zou de Rijksoverheid kunnen onderzoeken of de Participatiewet en de WW nog wel aansluiten bij de flexibele arbeidsmarkt waar losse baantjes en nulurencontracten legio zijn. Naast het aanpakken van de ver doorgevoerde flexibilisering van de arbeidsmarkt, zou het bijvoorbeeld ook mogelijk moeten worden om met terugwerkende kracht een uitkering aan te vragen. Wie bijvoorbeeld een oproepcontract heeft en in een bepaalde periode te weinig uren kan werken, kan dan achteraf nog aanspraak maken op de bijstand als het inkomen onder het minimum is gezakt.
Ook kan de Rijksoverheid onderzoeken of de Participatiewet wel aansluit bij wat zzp’ers met lage of sterk wisselende inkomsten nodig hebben om zo zelfstandig mogelijk in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien en hun ondernemersrisico’s af te dekken.
Wat kunnen werkgevers doen? •
Voldoende inkomen bieden. Naast de overheid, zijn ook werkgevers aan zet. Die kunnen bijdragen door werknemers voldoende uren te bieden zodat zij rond kunnen komen. Vanuit het project Simpel Switchen krijgt Divosa signalen dat, hoewel het wettelijk gezien niet mag, er nog steeds werkgevers zijn die hun werknemers laagbetaalde nulurencontracten aanbieden en ze verplichten om altijd op afroep beschikbaar te zijn. Werknemers kunnen er daardoor geen baan bij nemen, maar weten nooit of ze aan het einde van de maand voldoende hebben verdiend. En zoals al eerder aangegeven, je kunt geen bijstand en WW aanvragen met terugwerkende kracht. Bied mensen perspectief.
Wij denken uiteraard weer graag met de Inspectie mee als het gaat om vervolgonderzoek. Met vriendelijke groet, Leonard Geluk, VNG
Erik Dannenberg, Divosa
3/3
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
| 49 |
Literatuurlijst •
Algemene Rekenkamer (2019). Ouderdomsregelingen ontleed. Den Haag: Algemene Rekenkamer.
•
CBS (2020). Jaarrapport Integratie 2020. Den Haag: CBS.
•
Corden, A. (1995). Changing Perspectives on Benefit Take-Up. London: HMSO Social Policy Research Unit.