CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A2 Bijlage Ontwerpbesluit - verlenen.pdf

Forum Samenleving 30 mei 2022, gemeente OudewaterBij agendapunt: 3: RIB en Motie Vergunning verlening pluimveebedrijf11.459 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Pluimveebedrijf Wiltenburg V.O.F. Hekendorpse Buurt 8 3467 PD Hekendorp

Bezoekadres Waardsedijk 219 3421 NE Oudewater

Onderwerp:

Telefoon 14 0348

Postadres Postbus 100 3420 DC Oudewater

Ontwerpbesluit - verlening Locatie: Hekendorpse Buurt 8 in Hekendorp

Fax 0348 566 990 E-mail info@oudewater.nl

Uw kenmerk:

Website www.oudewater.nl

Uw brief van:

Onze kenmerken: Dossiernummer

Zaaknummer

OLO5270769

Z/20/003410

Behandeld door:

Verzenddatum:

T. Hessels

01-02-2022

KvK-nummer 53878388 IBAN NL88BNGH0285006789

Geachte heer/mevrouw, Op 24 juni 2020 heeft de gemeente Oudewater uw vergunningaanvraag ontvangen voor het realiseren van een Wintergarten in 2 pluimveestallen en het verder aanpassen van bestaande stalsystemen en dieraantallen ter plaatse van Hekendorpse Buurt 8 in Hekendorp. De aanvraag is op 30 juni, 14 juli, 6 augustus 2020, 24 december 2020, 15 april 2021, 4 juni 2021 en 23 september 2021 aangevuld. Alle gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van uw aanvraag zijn door u verstrekt. Ontwerp-besluit Wij verlenen de omgevingsvergunning overeenkomstig de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De omgevingsvergunning, met in begrip van de gewaarmerkte bijlagen, wordt verleend voor de volgende activiteiten: • het bouwen van een bouwwerk (Wabo, artikel 2.1, lid 1 onder a) • het veranderen van een milieu-inrichting (Wabo, artikel 2.1, lid 1 onder e) Overwegende dat: • voorschrift 2.7 en de voorschriften in hoofdstuk 15 Milieuzorg (voorschriften 15.1 tot en met 15.14) uit de omgevingsvergunning verleend op 16 december 2008 in worden getrokken; • de voorschriften 1.1 tot en met 1.9 (milieuzorg), voorschrift 2.2 (controlemeting geluid) en de voorschriften 3.7 en 3.8 (geurbeheersplan) aan deze vergunning worden toegevoegd in verband met de actualisatieplicht op grond van artikel 5.10 Besluit omgevingsrecht (Bor); Procedure De besluitvorming is voorbereid met de uitgebreide procedure (Wabo, artikel 3.10). De aanvraag is getoetst aan de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Ter inzage legging Van 9 februari 2022 tot en met 22 maart 2022 zal het ontwerpbesluit ter inzage liggen en wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. De bekendmaking zal plaatsvinden in de IJsselbode.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Voorschriften Aan deze omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden. Het is belangrijk dat u zich aan deze voorschriften houdt. U vindt de volledige lijst met voorschriften in Bijlage 1. Verder attenderen wij u op de lijst met aandachtspunten in de bijlage. Beoordeling •

het bouwen van een bouwwerk (Wabo, artikel 2.1, lid 1 onder a)

Een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” moet worden geweigerd, indien deze in strijd is met de bepalingen van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en/of redelijke eisen van welstand (Wabo, artikel 2.10). Wij hebben uw aanvraag getoetst aan de volgende onderdelen: Bouwbesluit 2012 De aanvraag maakt voldoende aannemelijk dat voldaan wordt aan het Bouwbesluit 2012. De toetsing heeft plaatsgevonden aan de hand van het door de gemeente vastgestelde bouwbeleidsplan. Bouwverordening De aanvraag maakt voldoende aannemelijk dat voldaan wordt aan de Bouwverordening. Bestemmingsplan Het bouwplan is gelegen binnen het bestemmingsplan Landelijk gebied Hekendorp en Papekop en de betreffende grond heeft de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaar. De aanvraag is niet in strijd met de regels van het bestemmingsplan. Welstand De aanvraag is voor advies voorgelegd aan de commissie voor Ruimtelijke kwaliteit “MooiSticht”. Wij hebben het advies ontvangen waaruit blijkt dat het betreffende bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. •

het veranderen van een milieu-inrichting (Wabo, artikel 2.1, lid 1 onder e)

De inrichting omvat een pluimveehouderij. Het bedrijf is een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, lid 1, Wet milieubeheer (Wm). Deze inrichting valt onder categorie 1 (elektromotorisch vermogen), 7 (opslag mest) en 8.1 (houden van dieren) van Bijlage I, onderdeel C, behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) en is ingevolge artikel 1.1, lid 3 Wabo juncto artikel 1.1, lid 3, Wm aangewezen als een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Het bedrijf is vergunningplichtig op grond van artikel 2.1 lid 2 Bor vanwege de activiteit als bedoeld in bijlage I, onderdeel B, lid 2.1 lid 2 van het Bor (IPPC-installatie). Richtlijn Industriële Emissies (RIE) De Richtlijn Industriële Emissies is op 1 januari 2013 geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat onder andere een integratie van de IPPC-richtlijn. Op grond van bijlage 1 van de RIE is sprake van een IPPC-installatie bij intensieve varkens- en pluimveehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, 2.000 plaatsen voor mestvarkens (> 30 kg) of 750 plaatsen voor zeugen. Er worden meer dan 40.000 stuks pluimvee gehouden, zodat sprake is van een IPPC-installatie. Vergunningsituatie Voor de locatie zijn reeds de volgende vergunningen en meldingen geaccepteerd: • Omgevingsvergunning, d.d. 16 december 2008; • Melding artikel 8.19 Wet milieubeheer, d.d.

31 mei 2010; • Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 7 december 2011;

Behandeld door Onderwerp

• • • •

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 24 oktober 2012; Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 24 juli 2013; Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 22 oktober 2015; Melding Activiteitenbesluit, d.d. 19 december 2015.

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht, zoals beschreven in artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo, wordt een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer die vóór 1 oktober 2010 van kracht en onherroepelijk was, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. Het totaal aan vergunningen, zoals hiervoor benoemd, wordt aangeduid als de vergunde situatie. Aanleiding aanvraag De voorgenomen veranderingen bestaan uit de volgende onderdelen: • Het veranderen van het aantal te houden dieren op de verdieping van stal 3; • Het wijzigen van het stalsysteem op de verdieping van stal 3; • Het realiseren van een inpandige wintergarten op de verdieping van stal 3; • Het veranderen van het aantal te houden dieren op beide etages van stal 4; • Het wijzigen van het stalsysteem op de verdieping van stal 4 (E 2.11.1 in E 2.11.2.1); • Het realiseren van een inpandige wintergarten op beide etages van stal 4; • Het toepassen van afrolbare gordijnen ter plaatse van de geperforeerde damwand in het wintergartens ten behoeve van het waarborgen van onderdruk in de wintergartens; • Het verhogen van de uittreesnelheid van stallucht vanuit de stallen 3 en 4.

De uittreesnelheid waarborgen door middel van regelbare schuiven op minimaal 4,0 meter per seconde; • Het verminderen van het totaal aantal te houden dieren; • Het verwijderen van het stofschot tussen de stallen 3 en 4; • Het nadrogen van de pluimveemest afkomstig van de 8.320 legkippen op de verdieping van stal 3 met een mestdroogtunnel (Rav-code E 6.4.1). De veebezetting van de aangevraagde situatie ten opzichte van de vergunde situatie is in onderstaande tabel vermeld. RAVcategorie Stal 3 E 1.8.1 E 6.4.1 E 2.11.2.1 E 2.100 E 6.4.1 Stal 4 E 2.11.1 E 2.11.2.1 E 6.8 E 7.10 E 7.15 Stal 7 E 2.11.1 E 6.4.1

Diercategorie

Opfokhennen Nageschakelde techniek, droogtunnel BWL 2005.06.V2 Legkippen Legkippen Nageschakelde techniek, droogtunnel BWL 2005.06.V2

aantal dieren aanvraag

vergund

24.000 24.000 8.320

24.000 24.000 3.160

8.320

Legkippen Legkippen Langdurige mestopslag (mestloods) Strooiselschuif BWL 2017.02 (begane grond) Positieve ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes BWL 2020.03 (verdieping)

42.000 42.000 21.000 21.000

48.000

Legkippen Nageschakelde techniek, droogtunnel; BWL 2005.06.V2

48.000 48.000

Met de aanvraag worden op het hele bedrijf 840 legkippen minder gehouden.

48.000

48.000 48.000

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Milieueffectrapportage (MER) Gelet op de aangevraagde veebezetting is de omvang van de uitbreiding van het bedrijf niet dusdanig dat de drempelwaarden van de MER-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht worden overschreden. De factoren genoemd in bijlage III van richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (o.a. cumulatie van stank, omvang van de uitbreiding, ligging in de nabijheid van een natuurgebied) geven ook geen aanleiding tot het opstellen van een MER. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in categorie van onderdeel D.14 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zodat wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden. Op 16 juni 2020 is een besluit genomen op de op 29 mei 2020 (en aangepast op 12 juni 2020) ingediende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het besluit maakt onderdeel uit van de aanvraag. Besloten is dat geen milieueffectrapport nodig is. Wet natuurbescherming (Wnb) In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer: 1. een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of; 2.

een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse planten diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten). Wanneer het aanhaken van toepassing is, moet het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning de aanvraag doorsturen naar het bevoegd gezag voor de Wnb (Gedeputeerde Staten van de provincie) met het verzoek een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. Op 15 juli 2020 heeft de gemeente Oudewater een verzoek om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) ingediend bij de provincie Utrecht als bevoegd gezag voor Wnb. Op 23 juni 2021 heeft de provincie de vvgb afgegeven, het besluit van 23 juni 2021 maakt een-op-een onderdeel uit van deze beschikking. Besloten is om de vvgb niet af te geven vanwege het ontbreken van vergunningplicht in het kader van de Wnb (positieve weigering). De reden voor deze positieve weigering is gelegen in het feit dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) op 20 januari 2021 een aantal uitspraken gedaan. De Afdeling verwijst in de uitspraak 201907146/1/R2 naar de per 1 januari 2020 gewijzigde Wnb.

Deze wijziging houdt in dat er in het kader van stikstofdepositie per 1 januari 2020 geen vergunningplicht meer geldt voor een wijziging van een project op basis van 'intern salderen' waarbij geen overige significant negatieve effecten, anders dan stikstofdepositie, bestaan op Natura 2000-gebieden. Als gevolg van het vergunningvrij zijn van 'intern salderen', kunnen geen vergunningen in het kader van de Wnb verleend worden voor projecten die gebaseerd zijn op 'intern salderen' en waarbij geen overige significant negatieve effecten aan de orde zijn. Voor verdere informatie wordt verwezen naar de vvgb. Coördinatie Waterwet Vanuit de inrichting vindt geen lozing plaats waarvoor een watervergunning nodig is, als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet. Van coördinatie overeenkomstig paragraaf 3.5 van de Wabo is daarom geen sprake. Overwegingen Bij de beslissing zijn betrokken: de bestaande toestand van het milieu, de gevolgen voor het milieu die het bedrijf kan veroorzaken, toekomstige ontwikkelingen en de mogelijkheden de gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet voorkomen kunnen worden. Bij de beslissing is rekening gehouden met geldende richtwaarden en zijn grenswaarden, regels en aanwijzingen in acht genomen.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Artikel 2.14, derde lid van de Wabo bepaalt, dat een vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Op grond van artikel 2.22 van de Wabo kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend en moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, door het stellen van voorschriften niet kunnen worden voorkomen, moeten de voorschriften de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Beste beschikbare technieken (BBT) Deze voorschriften in deze vergunning zijn er op gericht dat in het bedrijf ten minste de daarvoor in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast (artikel 2.22, lid 3, Wabo juncto artikel 5.3 Bor). De term BBT staat voor de meest doeltreffende technieken ter voorkoming van emissies en effecten op het milieu, waarvan de praktische bruikbaarheid is aangetoond en die economisch en technisch haalbaar zijn.

In artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (MOR) staat dat het bevoegd gezag bij de bepaling van beste beschikbare technieken (BBT) in het kader van de vergunningverlening rekening moet houden met de Nederlandse informatiedocumenten over BBT en relevante BBT-conclusies in geval van een IPPC-installatie. Met de volgende BBT-documenten is rekening gehouden: Nederlandse informatiedocumenten BBT NRB 2012; Nederlandse richtlijn bodembescherming Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij BBT conclusies Intensieve pluimvee- en varkenshouderij

Jaartal maart 2012 juni 2007 februari 2017

De Europese Commissie heeft de BBT-conclusies van de intensieve veehouderij gepubliceerd op 21 februari 2017 in het Publicatieblad van de Europese Unie. De Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimveeen varkenshouderij van 30 juli 2007 is niet gebaseerd op deze nieuwe BBT-conclusies, maar nog relevant voor de onderwerpen: voermaatregelen (BBT 3, 4 en 24), mestregistratieverplichtingen en mest uitrijden (BBT 20, 21, 22). Voor deze onderwerpen zijn conform deze oplegnotitie dan ook geen eisen in deze vergunning opgenomen. De BBT-eisen voor ammoniak en fijnstof zijn nationaal ingevuld door de Wet ammoniak en veehouderij en het Besluit emissiearme huisvesting. Dit geldt ook voor de eisen voor mestopslag die in het Activiteitenbesluit staan. Te verwachten ontwikkelingen Er zijn met betrekking tot de locatie en de omgeving van de locatie in de toekomst geen significante wijzigingen te verwachten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten opgenomen in het Activiteitenbesluit en zijn IPPC-bedrijven ook type C bedrijven op grond van het Activiteitenbesluit. De voorschriften voor de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen zijn rechtstreeks van toepassing op type C bedrijven.

Voor dit bedrijf houdt dit in dat, naast de in deze vergunning opgenomen voorschriften, de volgende voorschriften toepassing zijn: • paragraaf 3.1.3

Lozen hemelwater, niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening

• paragraaf 3.2.1 • paragraaf 3.4.5

Stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie (inclusief noodstroomaggregaat) Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen

• paragraaf 3.5.8

Het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven, exclusief de artikelen 3.112 t/m 3.119. Zorgplicht voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is Lucht voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen

• Afdeling 2.1 • Afdeling 2.3

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

• Afdeling 2.4

de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is Bodem voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

De aanvraag voor een omgevingsvergunning is voor deze activiteiten aangemerkt als de melding op grond van het Activiteitenbesluit. Naast de voorschriften in hoofdstuk 3 zijn de voorschriften uit hoofdstuk 2 en 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing voor de activiteiten die zijn geregeld in hoofdstuk 3. De voorschriften in afdeling 2.4 (Bodem) zijn, omdat sprake is van een IPPC-installatie, voor alle activiteiten binnen de inrichting van toepassing. Dit volgt uit artikel 2.8a van het Activiteitenbesluit en is een gevolg van de implementatie van artikel 22 van de Richtlijn Industriële Emissies. Er zijn daarom geen bodemvoorschriften in deze vergunning opgenomen. BBT huisvestingssystemen Het Besluit emissiearme huisvesting (hierna: Besluit huisvesting) geeft invulling aan BBT voor huisvestingssystemen. In het Besluit huisvesting zijn maximale emissiewaarden opgenomen voor ammoniak (bijlage 1) en zwevende deeltjes (bijlage 2). Als een huisvestingssysteem voldoet aan de maximale emissiewaarden is in beginsel sprake van het toepassen van BBT. Welke emissiewaarde geldt, is afhankelijk van de datum van het oprichten van een dierenverblijf. Hieronder is in een tabel vermeld welke huisvestingssystemen in welke stal aanwezig zijn en welke maximale emissiewaarde van toepassing is.

Stal

3

RAV-code huisvestingssysteem

datum oprichting stal

Ammoniak kolom van bijlage 1

maximale emissiewaarde kg NH3 per dierplaats per jaar - (*)

emissiefactor (kg NH3 per dierplaats per jaar) 0,05 + 0,001 = 0,051

voldoet

E 1.8.1 / voor 1-7-2015 A Ja E 6.4.1 Begane grond 3 E 2.11.2.1 / voor 1-7-2015 A 0,125 0,055 + 0,002 Ja E 6.4.1 = 0,057 Verdieping 4 E 2.11.2.1 / voor 1-7-2015 A 0,125 0,055 + 0,05 – Ja E 6.8 en E 7.10 0,011 = 0,094 Begane grond 4 E 2.11.2.1 / voor 1-7-2015 A 0,125 0,055 + 0,05 = Ja E 6.8 0,105 Verdieping 7 E 2.11.1 / voor 1-7-2015 A 0,125 0,09 + 0,02 = Ja E 6.4.1 0,110 (*) er is geen maximale emissiewaarde vastgesteld voor opfokhennen jonger dan 18 weken in bestaande niet-batterij huisvesting.

Alle huisvestingssystemen voldoen aan de maximale emissiewaarden voor ammoniak uit het Besluit huisvesting. In het Besluit huisvesting zijn ook maximale emissiewaarden opgenomen voor fijnstof. Deze maximale emissiewaarden gelden voor dierverblijven opgericht op of na 1 juli 2015. Alle aanwezige dierverblijven zijn opgericht en in gebruik genomen vóór 1 juli 2015, hierdoor zijn er geen maximale emissiewaarden voor fijnstof van toepassing. Het aanpassen van de bestaande stallen zoals aangevraagd en bouw van inpandige wintergartens, wordt niet gezien als het oprichten van nieuwe dierenverblijven.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Ammoniak Voor het beoordelen van het aspect ammoniak afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) het toetsingskader. Onderdeel van de Wav is de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) waarin de ammoniakuitstoot per diersoort en stalsysteem staat aangegeven. De Wav maakt onderscheid in de ligging binnen of buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Op grond van artikel 2, eerste lid, Wav wijzen de Provinciale Staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Op 31 mei 2010 hebben Provinciale Staten de zeer kwetsbare gebieden vastgesteld. Dit besluit is op 13 oktober 2010 in werking getreden. Het bedrijf is gelegen buiten een zone van 250 meter van een kwetsbaar gebied. Het meest nabijgelegen zeer kwetsbare gebied ligt op circa 6,7 kilometer meter van het bedrijf. Bij ligging buiten een zone van 250 meter kan de vergunning alleen worden geweigerd vanwege de ammoniakemissie op grond van directe ammoniakschade aan planten, indien een milieueffectrapport moet worden gemaakt of vanwege het niet toepassen van BBT (artikel 3 Wav).

Als sprake is van een bedrijf dat valt onder de IPPC-richtlijn moet de vergunning geweigerd worden indien niet kan worden voldaan aan voorschriften die vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, maar niet met toepassing van BBT kunnen worden gerealiseerd (artikel 3, derde lid Wav). Ammoniakschade aan planten Voor de beoordeling van directe ammoniakschade aan planten is het rapport “Stallucht en Planten”, opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek in 1981, gebruikt. Volgens dit rapport kan de ammoniakemissie van intensieve kippen- en varkenshouderijen directe schade aan planten veroorzaken. In de bestaande situatie is direct naast de inrichting een kassenbedrijf gelegen (Hekendorpse Buurt 10a). Dit bedrijf is een fruitteeltbedrijf met fruitbomen in kassen. Fruitbomen zijn mogelijk gevoelig voor directe ammoniakschade waarbij directe ammoniakschade de is schade van ammoniakuitstoot uit kippen- en varkensstallen aan gewassen van derden op korte afstand van de stal. De bijzondere omstandigheid doet zich voor dat de fruitbomen worden afgeschermd door de kassen. Op grond van het Rapport Stallucht en Planten (juli 1981) wordt voor fruitbomen een afstand van 25 meter geadviseerd. Daaraan kan niet worden voldaan. Echter de ammoniakemissie neemt ten opzichte van de vergunde situatie op bedrijfsniveau af met 3.062,2 kg per jaar (22,9%).

Verwezen wordt naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:BP4765) waaruit blijkt dat aan het rapport “Stallucht en Planten” wordt voldaan indien zich geen verslechtering voordoet ten opzichte van de reeds vergunde situatie. IPPC-installatie: omgevingstoets Er is sprake van een IPPC-installatie, zodat op grond van artikel 3, lid 3 Wav is beoordeeld of technische kenmerken, de geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden aanleiding geven om verdergaande eisen te stellen. Hiervoor is de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij gebruikt. Op basis van de beleidslijn kan bij uitbreiding worden volstaan met toepassing van BBT zolang de emissie niet meer bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg dan moet boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd. De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie (de mate waarin de ammoniakemissie reduceert) en de beschikbaarheid van verdergaande technieken voor de betreffende diercategorie. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding, met toepassing van BBT (tot 5.000 kg) en verdergaande technieken dan BBT (vanaf 5.000 kg), daarna nog meer dan 10.000 kg, dan dient boven het meerdere een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd.

De aangevraagde verandering geeft geen uitbreiding van de jaarlijkse ammoniakemissie, maar zorgt voor een afname. Ook worden er minder dieren gehouden, daarmee is de IPPC toets niet van toepassing,

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Berekenen en monitoring ammoniak Deze BBT-conclusies vereisen dat de vermindering van de ammoniakemissies van de gehele veehouderij die door het toepassen van BBT wordt bereikt, berekend of geraamd moet worden (BBT 23). Met de emissiefactoren is invulling gegeven aan deze BBT-conclusies. In de omgevingsvergunning hoeven geen eisen te worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusie. Omdat op basis van het aantal dieren en de emissiefactoren op elk moment de emissie van ammoniak kan worden berekend, zijn eisen voor monitoring niet nodig (BBT 25). De ammoniakemissie neemt af ten opzichte van de vergunde situatie, zodat er geen reden is om verdergaande emissiebeperkende maatregelen te stellen. Geur Geur dierenverblijven Voor het beoordelen van het aspect geur afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader. De Wgv maakt onderscheid in dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld. Daarnaast maakt de wet onderscheid in de ligging van de veehouderij in of buiten een concentratiegebied en de ligging van de geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom. De gemeente Oudewater is niet gelegen in concentratiegebied. In de omgeving rondom de veehouderij zijn de volgende woningen als maatgevende geurgevoelige objecten (woningen) beoordeeld.

Woningen binnen de gebouwde kom: • Oostkade 3, burgerwoning; • Oostkade 6, burgerwoning; • Oostkade 7, burgerwoning; • Goejanverwelle 33, burgerwoning; • Goejanverwelle 86, burgerwoning; Woningen in de nabijheid van de veehouderij buiten de bebouwde kom. • Hekendorpse Buurt 6a, agrarische bedrijfswoning; • Hekendorpse Buurt 9, burgerwoning; • Hekendorpse Buurt 9a, burgerwoning; • Hekendorpse Buurt 4, burgerwoning; • Hekendorpse Buurt 10a, agrarische bedrijfswoning; • Hekendorpse Buurt 10b, burgerwoning; • Hekendorpse Buurt 11, burgerwoning; • Hekendorpse Buurt 15, agrarische bedrijfswoning; • Hekendorpse Buurt 12, burgerwoning; • Hekendorpse Buurt 17, burgerwoning; • Hekendorpse Buurt 6, burgerwoning. Dieren met geuremissiefactoren Op grond van artikel 3, eerste lid, Wgv moet worden bepaald of wordt voldaan aan de waarde voor de geurbelasting. In een niet-concentratiegebied geldt ter plaatse van een geurgevoelig object een waarde voor de geurbelasting van 2,0 odour units/m3 binnen de bebouwde kom en een waarde van 8,0 odour units/m3 buiten de bebouwde kom. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. De gemeente Oudewater heeft op 27 mei 2010 een geurverordening vastgesteld.

In deze geurverordening zijn afwijkende afstanden tussen woningen en bestaande dierverblijven met vaste afstandsdieren opgenomen maar geen gewijzigde geurnormen voor dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De geuremissie per dierenverblijf van de vergunde en de aangevraagde veebezetting is berekend (zie onderstaande tabellen).

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Vergund diersoort en stalsysteem

Opfokhennen (Rav-code E 1.8.1) Legkippen (Rav-code E 2.100) Legkippen (Rav-code E 2.11.1 en E 2.11.2.1)

aantal

geuremissiefactor geuremissie (odour units per (odour units seconde per dier) per seconde) 24.000 0,18 4.320,0 3.160 0,34 1.074,4 96.000 0,34 32.640,0 Totale geuremissie (odour units per seconde) 38.034,4

Aangevraagd diersoort en stalsysteem

Opfokhennen (Rav-code E 1.8.1) Legkippen (Rav-code E 2.11.1 en E 2.11.2.1)

aantal

geuremissiefactor geuremissie (odour units per (odour units seconde per dier) per seconde) 24.000 0,18 4.320,0 98.320 0,34 33.428,8 Totale geuremissie (odour units per seconde) 37.748,8

Geur droogtunnel Onderdeel van de aanvraag is de rapportage opgesteld door Olfasense (kenmerk WILH20A1 van maart 2021) met daarin de resultaten van geurmetingen aan de droogtunnel voor pluimveemest. Doel van het onderzoek was om te bepalen of het drogen van pluimveemest tot een wezenlijke toename van geur leidt. Uit de metingen is gebleken, dat de geur afkomstig van de droogtunnel marginaal is en veel kleiner dan de onzekerheid die inherent is aan geuronderzoek. De conclusie is dat de geuremissie van de droogtunnel voor mest verwaarloosbaar klein is, waardoor dit niet aangemerkt wordt als een relevante geurbron. Effect wintergarten op stalemissie Een wintergarten is een koude uitloop waar de legkippen verblijven om te scharrelen. Het voordeel van een wintergarten is dat de leghennen door toetreding van daglicht een natuurlijk dag- en nachtritme ontwikkelen. Als het buiten donker wordt gaan de legkippen vanuit de wintergarten naar de stalruimte. Door de realisatie van inpandige wintergartens in de stallen 3 en 4 is ook het stalventilatiesysteem gewijzigd. De ingaande luchtstroom komt in de vergunde situatie de stal binnen via ventilatieventielen in de zijwanden van de stallen. In de aangevraagde situatie komt, zodra de uitloop luiken open gaan, de ingaande luchtstroom uitsluitend de stal binnen via de uitloopluiken.

De ventilatieventielen sluiten zodra de uitloopluiken open gaan. De ingaande luchtstroom komt dus via de geperforeerde damwandplaat en de uitloopluiken in de stalruimte. In de aangevraagde situatie bestaat de buitenwand van de wintergartens in stal 3 en 4 aan de onderzijde uit een (dag)licht doorlatende plaat en aan de bovenzijde uit een geperforeerde damwandplaat (20% open) daarboven. De totale wand is dus maar gedeeltelijk luchtdoorlatend. In zowel stal 3 als stal 4 maakt de wintergarten onderdeel uit van het stalsysteem omdat het oppervlak van de wintergarten onderdeel is van het vereiste leefoppervlak. De emissiefactoren voor de pluimveestal geldt in deze situatie voor de stal inclusief de wintergarten. De gebruikershandleiding voor V-Stacks zegt het volgende over wintergartens: “Bij sommige pluimveestallen is sprake van een overdekte uitloop. Dit is een onverwarmde scharrelruimte, bijvoorbeeld een Wintergarten. Deze uitloop telt niet mee voor de berekening van de geurbelasting. De uitloopopeningen tussen stal en overdekte uitloop zijn geen relevante emissiepunten voor de geurberekening. De reden is dat bij een goed functionerend mechanisch ventilatiesysteem sprake is van constante onderdruk in de stal. De lucht komt door luchtinlaatventielen binnen en verlaat de stal via de warmtewisselaar(s), nok- en/of gevelventilatoren.

Zodra de uitloopopeningen open gaan, gaan de inlaatventielen helemaal of bijna helemaal dicht. Daardoor fungeren de uitloopopeningen naar de uitloop als luchtinlaat en verlaat de lucht de stal via de nok- of gevelventilatoren. De uitloopopeningen en de uitloop daarachter zijn daarom geen relevante emissiepunten. Het is belangrijk om altijd een dimensioneringsrapport te laten overleggen waaruit blijkt dat onderdruk in de stal is gewaarborgd.”

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Onderdeel van de aanvraag is een document waarin de dimensionering van de ventilatie wordt toegelicht. Hieruit blijkt dat door de verhouding tussen het totale oppervlak van de uitloop luiken en het totale oppervlak van de perforaties in de damwandplaten, zodra de uitloop luiken zijn geopend, er sprake is van een ingaande luchtstroom door de geperforeerde dampwandplaten. De buitenzijden van de geperforeerde damwandplaten worden voorzien van een regelbaar transparant gordijn waarbij een onderdruk van minimaal 1 Pascal per meter breedte van de wintergarten wordt gewaarborgd in de wintergarten. Als tijdens bepaalde weersomstandigheden blijkt dat er onvoldoende onderdruk heerst in de wintergarten zullen de rolgordijnen sluiten totdat de noodzakelijke onderdruk is bereikt. Hierdoor kan er altijd gezorgd worden voor een ingaande luchtstroom de stal in, waardoor de wintergartens niet als emissiepunt worden beoordeeld. De betreffende rolgordijnen zijn aangegeven op de gewijzigde plattegrondtekening die is ingediend als aanvulling op de aanvraag d.d. 4 juni 2021. In een voorschrift van deze vergunning is opgenomen dat deze op onderdruk gestuurde rolgordijnen aanwezig moeten zijn en de werking ervan moet zijn gewaarborgd. Onderstaande berekening, geeft de situatie zonder de regelbare rolgordijnen weer. Stal 3 Oppervlak van een uitloopluik is 2,25 x 0,5 meter.

Bij 9 uitloopluiken een totaal oppervlak van (9 x 2,25 x 0,5 =) 10,1 m2 De hoogte van het geperforeerde deel van de zijwand in de wintergarten is 0,77 meter. De lengte van de zijwand is 40 meter. De openingen in de geperforeerde damwand is 20%. Het totale oppervlak van de opening in de zijwand is (40 x 0,77 x 0,2 =) 6,16 m 2 Stal 4 Oppervlak van een uitloopluik is 1,90 x 0,5 meter. Bij 24 uitloopluiken (12 per verdieping) een totaal oppervlak van (24 x 1,90 x 0,5 =) 22,8 m 2 De hoogte van het geperforeerde deel van de zijwand in de wintergarten is 1,4 meter (totaal bij 2 verdiepingen). De lengte van de zijwand is 75 meter. De openingen in de geperforeerde damwand is 20%. Het totale oppervlak van de opening in de zijwand is (75 x 1,4 x 0,2 =) 21,0 m 2 Ten opzichte van de vergunde situatie worden er minder legkippen gehouden, wat een gunstig effect heeft op de geuremissie. V-stacks berekening Per 21 juni 2021 is in artikel 2, lid 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2020 verplicht gesteld voor het berekenen van de geurbelasting vanwege veehouderijen. Met de verspreidingsmodel ‘V-Stacks Vergunning’, versie 2020, is berekend of aan de waarde voor de geurbelasting wordt voldaan. De invoergegevens en het resultaat van de berekening zijn in onderstaande tabellen vermeld.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Aangevraagde situatie

In de wijziging van de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning 2020 is de invoerinstructie voor luchtwassers en stuwbakken (grote, niet-ronde uitstroomopeningen) gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat de emissiepunten van de 3 pluimveestallen in het computerprogramma V-Stacks vergunning 2020 worden ingevoerd met een diameter van het emissiepunt van 1,0 meter. De uitkomst van deze berekening is dat er op de beoordelingspunten voldaan wordt aan de van toepassing zijnde normen. Ondanks dat wordt voldaan aan de geurnormen opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij worden er geurreducerende maatregelen getroffen. Deze maatregelen zijn het verhogen van de uittreesnelheid van de emissiepunten van de stallen 3 en 4 van 2,0 naar 4,0 meter per seconde. Om dit te realiseren is in de aanvraag opgenomen dat de emissiepunten van de stallen 3 en 4 worden voorzien van regelschuiven met flowmeters die ervoor zorgen dat de uitgaande ventilatielucht altijd minimaal 4,0 meter per seconde bedraagt. Dit geeft een betere verspreiding van de uitgaande luchtstroom dan wanneer wordt uitgegaan van de standaard situatie waarmee V-Stacks Vergunning rekent. In de standaard situatie zal met name bij lage buitentemperaturen de uittreesnelheid lager kunnen zijn dan de gemiddelde uittreesnelheid. Met deze aanvullende geurreducerende maatregelen wordt tevens invulling gegeven aan BBT 13.

Uit de berekening blijkt dat de geurbelasting op omliggende woningen lager is dan de geurnorm voor nietconcentratiegebieden binnen en buiten de bebouwde kom. Hiermee wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van de Wet geurhinder en veehouderij en kan vergunning worden verleend voor de aangevraagde situatie.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

De BBT-conclusies geven wel redenen om aanvullende eisen te stellen. In BBT 12 staat dat een geurbeheersplan nodig is als er sprake is van een historie van geurklachten. In een geurbeheersplan komen de volgende punten aan de orde: • een overzicht van de geurbronnen; • een beschrijving van de maatregelen ter voorkoming van geurhinder; • een protocol waarin wordt vastgelegd hoe de communicatie met de omgeving wordt georganiseerd tijdens een klachtensituatie. Onderdeel van de aanvraag is een geurbeheersplan waarin de hiervoor genoemde punten worden omschreven. Hiermee wordt voldoende invulling gegeven aan BBT 12. In de voorschriften is de aanwezigheid van een actueel geurbeheersplan en de regelmatige evaluatie daarvan gewaarborgd. Deze BBT-conclusies vereisen monitoring van de emissie van geur (BBT 26). Monitoring is alleen nodig in gevallen waar geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Door gebruik van de geuremissiefactoren en de berekening met V-Stacks-vergunning kan op basis van het aantal dieren op elk moment de geuremissie en de geurbelasting worden berekend. Deze geuremissiefactoren zijn gebaseerd zijn op metingen conform Europese standaardmethoden. Eisen voor monitoring in deze vergunning zijn niet nodig.

Gevel – gevelafstanden Voor alle stallen gelden minimumafstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de gevel van het geurgevoelig object (artikel 5 Wgv). Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelig objecten geldt een minimumafstand van 25 meter en voor binnen de bebouwde kom gelegen geurgevoelig objecten geldt een minimumafstand van 50 meter. Binnen 50 meter is geen sprake van een bebouwde kom. De afstand tussen de dichtstbijzijnde woning (Hekendorpse Buurt 10A) en de buitenzijde van het meest nabijgelegen dierenverblijf (stal 3) bedraagt 50 meter, zodat aan de vereiste afstand wordt voldaan. Zwevende deeltjes (fijnstof) Het houden van vee leidt tot de uitstoot van fijnstof. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen (Wet luchtkwaliteit), waaronder een grenswaarde voor zwevende deeltjes (fijnstof = PM10 en PM2,5). De volgende grenswaarden voor fijnstof zijn opgenomen: • De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) is maximaal 40 microgram/m3; • De jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM 2,5) is maximaal 25 microgram/m3; • De daggemiddelde concentratie (PM10) van 50 microgram/m3, mag maximaal 35 maal per kalenderjaar worden overschreden.

Als een activiteit in betekenende mate (IBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging moeten de emissieconcentraties getoetst worden aan deze grenswaarden. Er is sprake van niet in betekenende mate (NIBM) als de 3% grens niet wordt overschreden of de activiteit genoemd is in de Regeling NIBM. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor PM10. De emissie van fijnstof is bepaald aan de hand van de door het ministerie van VROM gepubliceerde emissiefactoren. Aanvraag

Diercategorie

aantal dieren

E 1.8.1

Opfokhennen

24.000

E 6.4.1

Droogtunnel

E 2.11.2.1

Legkippen

E 6.4.1

Droogtunnel

Rav-categorie Stal 3

emissiefactor

emissie totaal

fijnstof g/j/d

fijnstof g/j 23

552.000

24.000

-6,9

-165.600

8.320

65,0

540.800

8.320

-19,5

-162.240

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Stal 4 E 2.11.2.1

Legkippen

42.000

65,0

E 6.8

Langdurige mestopslag

42.000

-

2.730.000 -

E 7.10

Strooiselschuif

21.000

-13,0

-273.000

E 7.15

Positieve ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes

21.000

-20,0

-420.000

E 2.11.1

Legkippen

48.000

65,0

3.120.000

E 6.4.1

Droogtunnel

48.000

-19,5

-936.000

Totaal

4.985.960

Stal 7

Ondanks de afname van de emissie van fijnstof is met het verspreidingsmodel ISL3a een berekening uitgevoerd, de resultaten exclusief zeezoutcorrectie zijn in onderstaande tabel vermeld.

De hoogste concentratie fijnstof is berekend op de woning Hekendorpse Buurt 10A met een concentratie van 20,09 µg/m3. De onderzochte fractie PM10 omvat alle zwevende deeltjes met een diameter van 10 µm of kleiner. Hierin zitten dus ook de zwevende deeltjes met een diameter van 2,5 µm of kleiner. De grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie is 25 µg/m3. Uit de ISL3a berekening blijkt dat de concentratie PM10 voldoet aan deze grenswaarde en daarmee ook de concentratie PM 2,5. Uit het voorgaande blijkt dat de grenswaarden niet worden overschreden en de vergunning voor wat betreft de emissie van fijnstof kan worden verleend. De BBT-conclusies geven wel reden om aanvullende eisen te stellen. In BBT 11 staat dat het gebruiken van één of een combinatie van de genoemde technieken de BBT zijn om stofemissies van een stal te verminderen. Dit betekent dat in alle stallen fijnstof reducerende maatregelen getroffen moeten worden. Dit kunnen ook andere technieken zijn dan genoemd in BBT 11. Onder de algemene overwegingen is bepaald dat: “De technieken die in deze BBT-conclusies worden opgesomd en beschreven, zijn prescriptief noch limitatief. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.” Welke maatregelen in een specifiek geval als BBT kunnen worden aangemerkt, moet per geval worden beoordeeld.

Hierbij is het logisch om in Nederland uit te gaan van de technieken die op de fijnstoflijst staan.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Uit de aanvraag blijkt dat binnen alle pluimveestallen een fijnstof reducerende techniek wordt toegepast. Per stal gaat het om de volgende technieken: • Stal 3 is zowel voor de opfokhennen als de leghennen voorzien van een droogtunnel met 30% emissiereductie (Rav-code E 6.4.1); • Stal 4 is op de begane grond voorzien van een strooiselschuif (Rav-code E 7.10) met 20% emissiereductie en op de verdieping voorzien van positieve ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes (Ravcode E 7.15) met 31% emissiereductie; • Stal 7 is voorzien van een droogtunnel met 30% emissiereductie (Rav-code E 6.4.1). De BBT-conclusies vereisen verder monitoring van de emissie van stof (BBT 27). Met de emissiefactoren is invulling gegeven aan deze BBT-conclusies. Omdat op basis van het aantal dieren en de emissiefactoren op elk moment de emissie van fijnstof kan worden berekend, zijn eisen voor monitoring niet nodig. Hiermee wordt voldaan aan de BBT-conclusies voor fijnstof. Risico’s volksgezondheid. De emissies van met name ammoniak en fijnstof (drager van zoönosen en endotoxinen) kunnen leiden tot risico's voor de volksgezondheid. Het bestrijden van besmettelijke ziekten is primair geregeld in andere wetgeving, maar als door het in werking zijn van de inrichting risico’s kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

De aangevraagde veranderingen geven een afname van de emissie van fijnstof met (5.955.840 – 4.985.960 =) 969.880 gram per jaar, hierdoor is er met deze aanvraag geen toename van risico’s voor de volksgezondheid op dit vlak. Aan de geur- en geluidnormen wordt voldaan maar ook als er aan de wettelijke normen voldaan wordt, zal er in de omgeving van het bedrijf wel geur, stof en geluid waarneembaar zijn. Mede naar aanleiding van de vergunningaanvraag is de GGD regio Utrecht gevraagd om een beoordeling van de effecten op gezondheid van omwonenden in de aangevraagde situatie. Op 27 januari 2022 heeft de GGD advies uitgebracht. De GGD heeft vanuit een breed gezondheidskundig oogpunt de situatie beoordeeld op risico's voor de gezondheid. Het advies van de GGD is om er naar te blijven streven om de uitstoot van fijnstof verder terug te dringen, op die manier zal ook de verspreiding van endotoxinen minder worden. De GGD geeft verder in haar rapport aan dat een negatieve associatie met het bedrijf, ook een negatief effect op het welbevinden tot gevolg heeft. De GGD ziet daarom naast het geurbeheersplan ook meerwaarde in een geluidbeheersplan. Zowel het geurbeheersplan als het geluidsbeheerplan zijn meegenomen in de procedure, zie voor geur onder het kopje geur in de veranderingsvergunning en voor geluid onder het kopje actualisatie.

Verder zijn de bepalingen in de Wet dieren en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren er op gericht om dierziektes binnen het bedrijf te voorkomen en te bestrijden. Maatregelen om dierziektes te voorkomen, zijn onder andere het gebruik van bedrijfskleding, het naleven van een hygiëneprotocol en het schoonmaken en ontsmetten van veetransportwagens. Op grond van deze wetgeving zijn op het bedrijf diverse maatregelen getroffen, waaronder een hygiënesluis. Alleen personen die noodzakelijk in de stallen moeten zijn, mogen het bedrijf betreden. Zo wordt de insleep van ziekten zoveel mogelijk beperkt. Geluid Geluidemissie wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de stalventilatie en het aan- en afvoeren van dieren, mest, eieren, kadavers, afvalstoffen en geluid afkomstig van de dieren. Onderdeel van de aanvraag zijn een akoestisch rapport opgesteld door G&O Consult, rapportnummer 2649ao0520v5, laatst gewijzigd 13 april 2021en een meetverslag van door G&O Consult uitgevoerde aanvullende geluidmetingen op 22 september 2021. De aanvullende geluidmeting is uitgevoerd om beter inzicht over over het door G&O Consult toegepaste bronvermogen van de stalventilatoren. De

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

stalventilatoren in stal 4 zijn voorzien van frequentieregelaars waardoor het mogelijk is om de stalventilatoren af te toeren tot maximaal 43 Hz (86%). Om het pikken van de legkippen tegen de plexiglas plaat in de buitenwand van de wintergartens te voorkomen, zijn de plexiglas platen voorzien van afschermend gaas zodat de legkippen niet meer tegen de plexiglas plaat kunnen pikken. Met de aanvullende geluidmetingen op 22 september 2021 is aangetoond dat aan de reeds op 16 december 2008 vergunde geluidnormen kan worden voldaan. Dit is bevestigd door een geluidmeting uitgevoerd door de Odru in oktober 2021 in het kader van handhaving. Een voorschrift is opgenomen dat de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidniveau gelden voor de bestaande activiteiten inclusief de aangevraagde wijzigingen. Verwezen wordt naar de normstelling in de vergunning van 16 december 2008. Het bedrijf moet voldoen aan de richtwaarden voor landelijk gebied zoals opgenomen in de vergunning van 16 december 2008. Er is een voorschrift opgenomen dat er binnen 3 maanden na inwerkingtreding van de vergunning controlemetingen moeten worden uitgevoerd met betrekking tot de gehele inrichting om te toetsen of in de praktijk ook kan worden voldaan aan de geluidsvoorschriften.

De BBT-conclusies kunnen wel reden geven om aanvullende eisen te stellen, dit is meegenomen in het kader van de actualisatie. Brandveiligheid In het Bouwbesluit 2012 zijn eisen opgenomen over brandveiligheid bij het gebruik van gebouwen. Het Bouwbesluit 2012 heeft een directe werking. Alleen als sprake is van bedrijfsmatige opslag van brandgevaarlijke stoffen in hoeveelheden, die groter zijn dan aangegeven in tabel 7.6 van het Bouwbesluit (gebaseerd op de ondergrenzen genoemd in tabel 3 van PGS 15), moeten brandveiligheidseisen in de omgevingsvergunning (onderdeel milieu) worden vastgelegd. Daarvan is hier geen sprake. Wet en regelgeving met rechtstreekse werking Op het bedrijf is voor een aantal onderwerpen wet- en regelgeving rechtstreeks van toepassing. De daarin opgenomen voorschriften/eisen zijn direct werkend, zodat voor deze onderwerpen in deze vergunning geen voorschriften zijn opgenomen. Voorschriften/eisen die op basis van wet- en regelgeving rechtstreeks van toepassing zijn op het bedrijf zijn onder andere: • Activiteitenbesluit (zie onder overwegingen). • Artikel 10:37 van de Wet milieubeheer, waarin de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen aan een erkend inzamelaar is opgenomen.

• Artikel 10:38 van de Wet milieubeheer, waarin is opgenomen dat een registratiesysteem voor de afvoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen aanwezig moet zijn en dat deze gegevens ten minste 5 jaar moeten worden bewaard. • Uitvoeringsbesluit EG verordening ozonlaagafbrekende stoffen. • Ongewone voorvallen die nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) veroorzaken moeten worden gemeld bij het bevoegd gezag. • Warenwetbesluit drukapparatuur voor o.a. de keuring van gasflessen. • Bouwbesluit 2012 (brandveilig gebruik bouwwerken). • Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (kadavers); • Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Conclusie Gezien het voorgaande concluderen wij dat door het stellen van voorschriften de nadelige gevolgen voor het milieu door de verandering van het bedrijf in voldoende mate kunnen worden voorkomen dan wel beperkt.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Actualiseren vergunningvoorschriften Op grond van artikel 5.10 Bor moet binnen vier jaar na het vaststellen van BBT-conclusies worden getoetst of de vergunningvoorschriften voldoen. Op 21 februari 2017 zijn de BBT-conclusies voor de intensieve veehouderij gepubliceerd. Beoordeeld is dat de bestaande voorschriften niet voldoen aan de nieuwe BBTconclusies. Kort samengevat moet vergunde situatie worden geactualiseerd op de volgende onderdelen: 1. Registratie waterverbruik en afvoer van vrijkomende afvalstoffen, BBT 1 en BBT 5. 2. Registratie van energieverbruik, BBT 8. 3. Geluidbeheersplan, BBT 9. 4. Op grond van de nieuwe BBT-conclusies is het bij pluimveebedrijven verplicht om minimaal 1 fijnstof reducerende techniek toe te passen in elke stal, BBT 11. 5. Geurbeheersplan, BBT 12, verhogen van de uittreedsnelheid emissiepunten stallen, BBT 13. 6. Berekenen ammoniakemissie, BBT 23. 7. Monitoren ammoniak, BBT 25. 8. Monitoren geur, BBT 26. 9. Monitoren stof, BBT 27. Afvalstoffen en waterverbruik De BBT-conclusies geven reden om een voorschrift voor registratie van afvalstoffen op te nemen. In BBT 1 staat dat het BBT is om een milieubeheersysteem in te voeren en na te leven. Voor activiteiten die zijn geregeld in het Activiteitenbesluit geven de eisen in combinatie met de zorgplicht invulling aan onderdelen van het milieubeheersysteem.

In het rechtstreeks werkende artikel 10.38 Wet milieubeheer is geregeld dat de afvoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen moet worden geregistreerd en dat deze registratie ten minste 5 jaar moet worden bewaard. Hiermee is voldoende invulling gegeven aan de registratieplicht waardoor het opnemen van een registratievoorschrift in deze vergunning niet meer noodzakelijk is. Waterbesparing Door de vermindering van het aantal te houden legkippen zal er sprake zijn van een geringe vermindering van het waterverbruik. De BBT-conclusies geven wel reden om aanvullende eisen te stellen. In BBT 5 staat dat het BBT is om het waterverbruik te registreren en waterbesparende drink(nippel)systemen te gebruiken. Omdat een dergelijk voorschrift niet is opgenomen in de omgevingsvergunning verleend op 16 december 2008 wordt een registratievoorschrift voor het waterverbruik en het verplicht toepassen van morsvrije drinknippels opgenomen in deze vergunning. Energie Het aspect energie in een aandachtspunt wanneer het bedrijf jaarlijks méér dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgasequivalenten verbruikt. Het energieverbruik bedraagt op basis van het verbruik in 2019 166.600 kWh en 13.660 m3 gas. Het bedrijf is voor wat betreft het aardgasverbruik een kleinverbruiker en voor het elektriciteitsverbruik een middelgrote verbruiker.

Op de daken van de stallen 4 en 7 zijn zonnepanelen aanwezig met als gevolg een jaarlijkse terug levering van circa 60.000 kWh. Middelgrote verbruiker In het landelijk beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energiegebruik te komen. Het is BBT om alle energiebesparende maatregelen te treffen met een terugverdientijd vijf jaar of minder, zie BBT 8. De erkende maatregelen staan in bijlage 10 van de Activiteitenregeling. De regels voor energiebesparing in het Activiteitenbesluit gelden niet voor een type C-bedrijf. Energiebesparing moet worden geregeld in de omgevingsvergunning.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Op grond van artikel 5.5, lid 4 Bor is het noodzakelijk om bij IPPC-inrichtingen waarbij doelvoorschriften zijn opgenomen voorschriften op te nemen waarmee kan worden bepaald dat het beoogde doel wordt behaald. Op grond hiervan is in de voorschriften opgenomen dat binnen 3 maanden de vergunninghouder aan het bevoegd gezag moet rapporteren in de vorm van een energie-uitvoeringsplan met daarin genomen en nog te nemen energiebesparende maatregelen. Het gaat dan in elk geval om de erkende maatregelen die voor dit type bedrijf in tabel 9 van bijlage 10 van de Activiteitenregeling staan. Dit zijn de erkende maatregelen met een terugverdientijd maximaal vijf jaar voor de agrarische sector. Tabel 9. Erkende maatregelen voor energiebesparing in de agrarische sector Type maatregel Nummers Gebouwschil 1-4 Ruimteventilatie 5 Ruimteverwarming 8, 15 Ruimte- en buitenverlichting 11-13 Faciliteiten 25-27 Warm tapwatervoorziening, niet zijnde stookinstallatie 15 Processen 15 Activiteit In werking hebben van een stookinstallatie (emissies naar de lucht) 6, 7, 9, 10, 14 In werking hebben van een koelinstallatie 16-24

Met de hiervoor genoemde verplichtingen voldoet het bedrijf aan BBT 8 over energiebesparing. Geluid In BBT 9 en 10 staat dat het BBT is om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven om één of een combinatie van de technieken te gebruiken om geluidemissies te voorkomen of te beperken. Een geluidbeheerplan is alleen nodig wanneer geluidhinder wordt verwacht of is aangetoond. In de omgevingsvergunning moeten geluidnormen worden opgenomen passend voor de omgeving. Eventueel worden ook maatregelen opgenomen om te borgen dat aan de geluidnormen wordt voldaan. Omdat er de afgelopen twee jaar meerdere geluidsklachten zijn ontvangen vanwege ondervonden hinder, is er in de voorschriften opgenomen dat er een geluidsbeheersplan moet worden opgesteld. Ook de GGD ziet een meerwaarde in een geluidsbeheersplan. Fijnstof reducerende technieken Met de vergunningaanvraag worden nu ook de verdiepingen van de stallen 3 en 4 voorzien van een fijnstof reducerende techniek. Hiermee wordt voldaan aan BBT 11. Geur Het geurbeheersplan is onderdeel van de aanvraag, hiermee wordt voldaan aan BBT 12. Door het verhogen van de uittreedsnelheid van de emissiepunten van de stallen 3 en 4 wordt voldoende invulling gegeven aan BBT 13.

Overige BBT-conclusies Aan de BBT-conclusies 23, 25, 26 en 27 voor wat betreft het berekenen van de ammoniakemissie en het monitoren van de emissies van ammoniak, geur en stof wordt voldaan zoals opgenomen in de considerans van de veranderingsvergunning. Conclusie Uit de toets aan de BBT-conclusies blijkt dat de voorschriften gedeeltelijk moeten worden geactualiseerd. Hiertoe worden voorschrift 2.7 en de voorschriften in hoofdstuk 15 Milieuzorg (voorschriften 15.1 tot en met 15.14) van de omgevingsvergunning verleend op 16 december 2008 ingetrokken en vervangen door de

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

voorschriften 1.1 tot en met 1.9 (milieuzorg). Verder wordt voorschrift 2.4 (geluidbeheersplan) toegevoegd. Zie bijlage 1 voor alle voorschriften Legeskosten Voor het in behandeling nemen van uw aanvraag om omgevingsvergunning bent u leges verschuldigd. Deze worden bepaald bij het definitieve besluit. Inwerkingtreding vergunning Dit is slechts een ontwerpbesluit en geen vergunning die in werking treedt. Heeft u nog vragen? Dan kunt u contact opnemen via het algemene telefoonnummer 14 0348 of via het email adres omgevingsloket@woerden.nl. Met vriendelijke groet, namens burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater, T. Hessels, medewerker team Vergunningen, toezicht en handhaving

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Bijlage 1: Voorschriften milieu De volgende voorschriften zijn van toepassing: 1.

MILIEUZORG Besparing van grondstoffen en voorkomen afvalstoffen

1.1.

Degene die de inrichting drijft, treft alle maatregelen of voorzieningen ter voorkoming of beperking van het ontstaan van afvalstoffen binnen de inrichting, die van hem in redelijkerwijs kunnen worden gevergd. Daarnaast moet scheiding plaatsvinden conform het gestelde in het Landelijk Afvalbeheersplan (LAP). In ieder geval de volgende bedrijfsafvalstoffen worden gescheiden: landbouwplastic of ander kunststofafval, papier en karton, afgewerkte olie en tl-buizen en spaarlampen. Waterbesparing

1.2.

Lekverliezen van water en inefficiënt watergebruik ten gevolge van niet optimaal gebruik van apparatuur moet worden voorkomen.

1.3.

Het waterverbruik (in m3) moet jaarlijks worden geregistreerd.

1.4.

Het drinkwater voor het pluimvee moet worden verstrekt door middel van een morsvrije drinkwatervoorziening.

1.5.

Het watergebruik moet zoveel mogelijk worden beperkt. Hiertoe moet, tenzij dit om technische of organisatorische redenen niet mogelijk is, voor reinigingsdoeleinden buiten de stallen gebruik worden gemaakt van een hogedrukreiniger. Energiebesparing

1.6.

Om inzicht te krijgen in het aardgas- en elektriciteitsverbruik en de variatie daarin om daarmee onnodig verbruik te voorkomen, worden de volgende gegevens geregistreerd: - het gasverbruik in m3/jaar; - het elektriciteitsverbruik in kWh/jaar.

1.7.

Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

1.8.

Degene die de inrichting drijft, stuurt binnen 3 maanden nadat deze beschikking in werking is getreden een energie-uitvoeringsplan naar het bevoegd gezag over: - genomen energiebesparende maatregelen - nog te nemen energiebesparende maatregelen met termijn van realisatie. In het energie-uitvoeringsplan staat in elk geval een overzicht van de erkende maatregelen voor uw branche waarbij per erkende maatregel is vermeld of deze wel of niet is uitgevoerd. Als een erkende maatregel niet is uitgevoerd is hiervan de reden vermeld: a. de activiteit voldoet niet aan de technische randvoorwaarden; b. de activiteit voldoet niet aan de economische randvoorwaarden; c. er is geen sprake van een natuurlijk moment; d. de uitgangssituatie of activiteit is niet van toepassing; e. er is een alternatieve maatregel genomen, welke.

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

Toelichting: Het energie-uitvoeringsplan wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet energie-uitvoeringsplan worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift.

1.9.

De energiebesparende maatregelen, bedoeld in voorschrift 1.8 worden uiterlijk binnen 1 jaar nadat deze beschikking in werking is getreden getroffen. Als dit niet mogelijk is, wordt dit gemotiveerd in het energie-uitvoeringsplan.

2.

GELUID

2.1.

De geluidsvoorschriften 2.1 tot en met 2.6 en 2.8 tot en met 2.17 zoals opgenomen in de omgevingsvergunning verleend op 16 december 2008 zijn eveneens van toepassing op de aangevraagde veranderingen.

2.2.

Uiterlijk 3 maanden na het onherroepelijk worden van deze vergunning moet de vergunninghouder aan het bevoegd gezag rapporteren over de werkelijke emissie van geluid (controlemeting).

2.3.

De controlemeting moet geschieden overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai (HMRI 1999)", uitgegeven door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Ook de beoordeling van de meetresultaten moet overeenkomstig deze handleiding plaatsvinden. Geluidsbeheerplan

2.4.

Binnen de inrichting moet een geluidsbeheerplan aanwezig zijn waarin duidelijk wordt gemaakt hoe wordt omgegaan met geluidklachten en met welke acties adequaat kan worden gereageerd op geconstateerde geluidhinder. Het geluidbeheersplan moet in ieder geval bestaan uit de volgende onderdelen: een overzicht van de geluidbronnen; de genomen en te treffen maatregelen om geluidmissies te voorkomen of verminderen; de wijze van het opsporen van een geluidbron; een protocol voor de monitoring van geluid; een protocol hoe om te gaan met geluidklachten; een jaarlijkse evaluatie van geurincidenten en genomen maatregelen. In het protocol hoe om te gaan met geluidklachten staan acties om adequaat te reageren op geconstateerde geluidhinder.

2.5.

Het geluidbeheersplan moet jaarlijks worden geëvalueerd en actueel worden gehouden.

3.

HOUDEN VAN DIEREN Algemeen

3.1.

In het bedrijf mogen ten hoogste de navolgende aantallen dieren aanwezig zijn: 24.000 opfokhennen (Rav-code E 1.8.1); 48.000 leghennen (Rav-code E 2.11.1); 50.320 leghennen (Rav-code E 2.11.2.1). Nageschakelde technieken

3.2.

De afgedraaide mest van zowel de opfokhennen als de leghennen in stal 3 moet worden nagedroogd door middel van een droogtunnel (Rav-code E 6.4.1).

Behandeld door Onderwerp

T. Hessels Dossiernummer OLO5270769

3.3.

De afgedraaide mest van leghennen in stal 4 mag langdurig worden opgeslagen in een afgesloten mestopslagloods (Rav-code E 6.8).

3.4.

Het stalsysteem op de begane grond van stal 4 moet zijn voorzien van een strooiselschuif (Ravcode 7.10). Het stalsysteem op de verdieping van stal 4 moet zijn voorzien van positieve ionisatie door middel van koolstofborsteltjes (Rav-code E 7.15).

3.5.

De afgedraaide mest van de leghennen in stal 7 moet worden nagedroogd door middel van een droogtunnel (Rav-code E 6.4.1). Wintergartens

3.6.

De geperforeerde damwandplaten in de buitenwand van de wintergartens in de stallen 3 en 4 moeten zijn voorzien van een rolgordijn die de openingen in de geperforeerde damwand (gedeeltelijk) afsluit indien er onvoldoende onderdruk in de wintergartens is. De onderdruk in de wintergartens moet via de automatisch geregelde stalventilatie op minimaal 1 Pascal per meter breedte van de wintergarten gehouden worden. Geurbeheersplan

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/473/documents/14341