A15.5 Bijlage 4 Intentieovereenkomst - Biedboek De Klepper.pdf
Tekst van het document
31
https://www.oudewater.nl/sites/default/files/Rapporten/actualisatie %20archeologiebeleid%202015%20gemeente%20oudewater.pdf. Essink, M., 2003. Een archeologisch inventariserend veldonderzoek
(IVO) door middel van een bureauonderzoek en boringen aan de Wijngaardstraat te Oudewater, gemeente Oudewater (U.). ARCRapporten 2003-32. ARC. Harbers, P., 1981. Bodemkaart van Nederland. Schaal 1:50.000. Toelichting bij kaartblad 38 Oost Gorinchem. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Jezeer, W., 2010. Voormalig bastion aan de Sint Janstraat te
Oudewater. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proeflsleuven. ADC Rapport 2173. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Koekkelkoren, A.M.H.C. & S. Moerman, 2012. Mariaschool,
Oudewater. Gemeente Oudewater. Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase. IDDS Archeologie rapport 1463. IDDS Archeologie, Noordwijk. Krietemijer, C., 1956. Film, jaargang 1955 en 1956. Alphabetisch overzicht van de onderwerpen. Te raadplegen via http://www.filmbioscoopbranche.nl/issue/FLM/1955-0601/edition/null/page/9?query=. Loopik, J., 2015. Gemeente Oudewater – Mariaschool. Een archeologische begeleiding. ADC Rapport 3980. ADC ArcheProjecten, Amersfoort. Markus, W.C., 1984. Toelichting bij kaartblad 38 West Gorkum. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Ridder, J.A.A. de, 2011. Archeologisch onderzoek van vestingwerken
en een mogelijk weeshuis aan de Lange Burchwal 102 en 104 te Oudewater. Een archeologische begeleiding. ADC Rapport 2669. ADC ArcheoProjecten, Amersfoort. Verbreack, A., 1984. Toelichtingen bij de geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Tiel West (39W) en blad Tiel Oost (39O) . Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Williams, G.L., 2006. Oudewater Markstraat 37. Een Archeologische begeleiding. ADC raooirt 617. ADC ArcheProjecten, Amersfoort.
Geraadpleegde kaarten en afbeeldingen AHN3, Actueel Hoogtebestand Nederland. Verkregen via ArcGISonline, http://www.arcgis.com, juni 2017.
Archeologisch bureauonderzoek
32
Anoniem, 1723. Plaan van de Fortificatiewercken van Oudewaeter. Te raadplegen via http://www.gahetna.nl, kaartcollectie Ministerie
van Oorlog, Plans van Vestingen, inventarisnr. O41. Archeologische beleidskaart, 2015. Te raadplegen via https://www.oudewater.nl/content/archeologie-beschikbarebestanden. Blaeu, J., 1649. Tooneel der Steden van de Vereenighde Nederlanden met haare Beschrijvinge. Oudewater. Te raadplegen via http://www.gelderlandinbeeld.nl/blaeu-atlas. Bodemkaart van Nederland 1:50.000. Kaartblad 38 West Gorkum. 1984. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Bouwvergunning, 1927. Electrische Licht Installatie St. Antonius Patron: te Oudewater. 1927. Aangeleverd door mw. A. Gosliga (Gosliga kunsthistorisch onderzoek), 17 juli 2017. Bouwvergunning, 1975. Jeugd- en Jongerencentrum Oudewater Definitief ontwerp 1975. Aangeleverd door dhr. J. Overbeek (beleidsadviseur Vastgoed Gemeente Oudewater), 17 juli 2017. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts. 2012 Digitaal
Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta / Rhine-Meuse Delta Studies’ Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography. Dept. Physical Geography. Utrecht University. Digital Dataset. Utrecht. Deventer, J. van, 1558. Oudewater. Te raadplegen via http://www.gahetna.nl, Kaartcollectie Jacob van Deventer, inventarisnr. 1.8. Dienst van het kadaster en de openbare registers, 2017. Apeldoorn. Dukker, G.J., z.j. [foto Kapellestraat, Oudewater]. Te raadplegen via http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl, objectnummer 108.942. Geologische kaart van Nederland 1:50.000, Kaartblad Gorinchem West (38W), 1992. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Kadastrale wijzigingsbladen, 1842-1980. Kapellestraat 1-3, Oudewater. Te raadplegen via het Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC). Tirion, I., 1749. Nieuwe grondtekening der Stad Oudewater. Te raadplegen via https://www.atlasenkaart.nl/toonkaart.php?kaart=7470. Topographische en Militaire kaart van het Koninkrijk der Nederlanden, 1839-1859. In: Grote Historische Provincie Atlas 1:50.000. I West-Nederland 1839-1859. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties bv, Groningen.
33
Wit, F. de, 1698. Perfecte aftekeningen der steden van de XVII Nederlandsche Provincien in platte gronden. Oudewater. Te raadplegen via https://galerij.kb.nl/kb.html#/nl/stedenatlasdewit/page/45/zoom/4/lat/ -31.91486750327621/lng/5.80078125.
Geraadpleegde websites ArcGIS Online, http://www.arcgis.com, juni 2017. ARCHIS 3, het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, http:zoeken.cultureelerfgoed.nl, juni 2017. Bodemloket, http://www.bodemloket.nl, juli 2017. De Klepper, http://klepper.nl, juni 2017. DINOLoket, Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond, http://www.dinoloket.nl, juni 2017. Geschiedkundige Vereniging Oudewater, http://geschiedkundigeverenigingoudewaer.nl, juni 2017. In Oude Ansichten, St. Antonius Patronaat, Oudewater (Collectie P. den Hertog), http://www.inoudeansichten.nl/ansichten/oudewatercollectie-peter-den-hertog/p82026-st-antonius-patronaat.html, juli 2017. Monumentenregister, https://monumentenregister.cultureelerfgoed.nl, juni 2017. RHC Rijnstreek, http://rhcrijnstreek.nl, juli 2017. Topotijdreis, over 200 jaar topografie, http://www.topotijdreis.nl, juni 2017. Wikipedia, patronaatsgebouw, https://nl.wikipedia.org/wiki/Patronaatsgebouw, juli 2017.
Overige bronnen Mondelinge mededeling dhr. R. Gruben (bouwhistoricus BAAC bv) 25 juli 2017. Schriftelijke mededeling dhr. P. Groen (Erfgoed Advies Groen B.V.) 18 juli & 13 augustus 2017. Schriftelijke mededeling mw. E. Mietes (gemeente-archeoloog Oudewater) 8 & 22 augustus 2017.
Archeologisch bureauonderzoek
34
Schriftelijke mededeling mw. A. Gosliga (Gosliga kunsthistorisch onderzoek) 29 juni 2017.
35
Archeologisch bureauonderzoek
36
Bijlage 1 Geologische en archeologische tijdvakken
Bijlage 1: Geologische en archeologische tijdvakken Chronostratigrafie
MIS
Holoceen (warme periode)
1
11.650
14.030
Laat
Laat
30.000
60.000
Weichselien (ijstijd)
14.640
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
75.000
Formatie van Kreftenheye (Rijn) 2
MiddenPleniglaciaal (koud)
3
VroegPleniglaciaal (zeer koud)
4
VroegWeichselien (gematigd koud)
Pleistoceen
117.000
Kwartair
5a 5b 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6-10
Holsteinien (warme periode)
11
Elsterien (ijstijd)
12
Cromerien (warme periode)
1322
Pre-Cromerien
23104
Eem Formatie (marien, lagunair en lacustrien) Formatie van Drente (Glaciaal)
130.000
Midden
410.000
Midden
370.000
475.000
2.600.000
Vroeg
Vroeg
850.000
Formatie van Urk (Rijn) Formatie van Peelo (Glaciaal) Formatie van Sterksel (Rijn)
Chrono-, zuurstofisotopen- en lithostratigrafie voor Noordwest-Europa naar De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Berendsen (2008) en Cohen et al. (2009). Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor Cultuurhistorisch Erfgoed (RCE). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2008). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Formatie van Beegden (Maas)
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
13.900
Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm) LaatPleniglaciaal (zeer koud)
Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
Formatie van Boxtel (eolisch en lokaal terrestrisch)
12.850
Lithostratigrafie
Formatie van Stamproy (eolisch en lokaal terrestrisch)
Ouderdom (jr) 0 = 1950 n. Chr.
Ouderdom (kal. jaren BP1)
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
Vegetatie
Archeologische perioden (kal. jaren v/n. Chr.) nieuwe tijd (1500-heden)
450 Vb2 1150
1250
1962
Laat
1500
Subatlanticum (koeler Vochtiger)
1950
Holoceen
2900
5700
Subboreaal (koeler Droger)
5000
7250
10.250
9000
10.750 10.150
13.900
11.900
14.030
12.100
14.640
12.450
130.000
300.000 (v. Chr.)
1
14
117.000
C-methode loopt tot 43.000 jaar BP
35.000 (v. Chr.)
75.000
III
Loofbos eik en els overheersen, relatief veel iep en linde. Het percentage den neemt af
Boreaal (warmer)
II
Den overheerst, daarnaast hazelaar, eik, iep, linde, es
Preboreaal (warmer)
I
Eerst berk en later overheerst de den
Late Dryas
LW III
Parklandschap (subarctisch)
Allerød
LW II
LaatWeichselien (Laat-Glaciaal) Weichselien (ijstijd)
10.950
Laat-Pleistoceen
12.850
MiddenPleistoceen
11.650
Loofbos. Eik, els en hazelaar overheersen; beuk vanaf IVb >1% en grotere invloed landbouw (granen)
Atlanticum (warm Vochtig) 8000
Vroeg
8700
IVa
Midden
3950
IVb
Vroege Dryas Bølling
Dennen- en berkenbossen Open parklandschap
LW I
Romeinse tijd (12 v.Chr. – 450 n. Chr.)
bronstijd (2000 – 800 v. Chr.)
neolithicum (5300 – 2000 v. Chr.)
mesolithicum (8800 – 5300 v. Chr.)
laat-paleolithicum (35.000 – 8800 v. Chr.)
Open vegetatie met kruiden (bijvoet) en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
Perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (Vroeg-Glaciaal)
Perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Eemien (warme periode)
Loofbos
Saalien (ijstijd)
Maximale ijsuitbreiding Scandinavische ijskap tussen 200.000 en 130.000 jaar BP
BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD.
middeleeuwen (450-1500 n. Chr.)
ijzertijd (800 – 12 v. Chr.)
Va
2750 3050
Vb1
Loofbos, waarbij eik en els overheersen; haagbeuk vanaf Vb1 (>1%); vanaf Vb2 veel cultuurplanten (rogge, boekweit, korenbloem)
midden-paleolithicum (300.000 – 35.000 v. Chr.)
vroeg-paleolithicum (tot 300.000 v. Chr.)
Bijlage 4 : Bouwhistorische verkenning
SINT ANTHONIUS PATRONAAT KAPELLESTRAAT 1 OUDEWATER
RAPPORTAGE BOUWHISTORISCHE VERKENNING PROJECT NR:
117021
Datum: 20 juli 2017 Opdrachtgever: Gemeente Oudewater Auteurs: P.A. Groen en A. Gosliga
1
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING
.
.
2. ARCHIEFONDERZOEK
.
.
.
.
.
.
3
.
.
.
.
.
.
4
.
.
.
.
5
2.1 Verantwoording archiefonderzoek 2.2 Verslag archiefonderzoek 2.2.1 Het Patronaat in Nederland – een korte achtergrond
.
.
.
5
2.2.2. De architect: Simon Bernardus van Sante (1876-1936)
.
.
.
6
2.2.3 Het Patronaat te Oudewater
.
.
.
12
2.2.3 De architect: Simon Bernardus van Sante (1876-1936)
.
.
.
14
2.2.5 De bouw van het Sint Antonius Patronaat .
.
.
.
.
15
2.2.6 Latere wijzigingen aan het gebouw .
.
.
.
.
.
22
2.2.7 Jongerencentrum TJOU .
.
.
.
.
.
.
23
2.2.8 1997- De Klepper
.
.
.
.
.
.
.
25
2.3 Tijdslijn
.
.
.
.
.
.
.
27
3. BESCHRIJVING VAN DE BOUWDELEN .
.
.
.
29
3.1 Beschrijving van het complex
.
.
.
.
.
29
3.1.1 Het Fundament .
.
.
.
.
.
.
.
29
3.1.2. Gevels
.
.
.
.
.
.
.
29
3.1.3. Dak en dakconstructie. .
.
.
.
.
.
.
38
3.1.4. Vloeren en plafonds
.
.
.
.
.
.
.
40
3.1.5. Balkon
.
.
.
.
.
.
.
.
42
3.1.6. Podium
.
.
.
.
.
.
.
.
42
3.1.7. Inbouw en afwerking
.
.
.
.
.
.
.
45
3.1.8. Verwarming
.
.
.
.
.
.
.
46
3.1.9. Elekticiteit en verlichting .
.
.
.
.
.
.
47
3.1.10 Keuken, sanitaire voorzieningen, waterleidingen en riolering
.
.
47
3.1.11 Bouwdeel 1978
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
47
4. WAARDESTELLING .
.
.
.
.
.
.
49
5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
.
.
.
.
50
6. BRONVERMELDING
.
.
.
.
51
.
.
Bijlagen 1. Bouwbestek 2. Uireksel Rijksregister 3. Gedeelte uit dagboek Van Sante 4. Bouwhistorische waardenkaart
2
1. INLEIDING In de historische binnenstad van Oudewater staat een bijzonder pand waarin uitgaanscentrum de Klepper is gevestigd. Het heeft een eclectische gevel waarvan de zware zandstenen elementen nog het meest aan de stijl van Berlage doen denken. Het kruis bovenop de topgevel en de tekst op de zandstenen latei laten zien dat het pand oorspronkelijk voor een heel ander doel gebouwd is: een patronaat.
De gemeente Oudewater is voornemens om het pand op termijn te renoveren. Vooruitlopend hierop heeft de gemeente een Bouwhistorische verkenning laten uitvoeren. De resultaten van dat onderzoek treft u in dit rapport aan. Parallel aan het bouwhistorisch onderzoek is ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn weergegeven in rapport 17.0147 van BAAC.
Tijdens de bouwhistorische verkenning is ter plaatse veldwerk uitgevoerd, waarbij een inventarisatie is gemaakt van de aanwezige onderdelen en bouwsporen. Daarnaast is er archiefonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn gegevens verzameld uit literatuur, historische atlassen, beeldbanken en bekende geschreven bronnen uit het archief. Het gaat dan voornamelijk om de gegevens vanaf het eerste ontwerp in 1913.
De indeling van de rapportage is als volgt: In hoofdstuk 2 worden de uitkomsten van het archiefonderzoek beschreven die een beeld geven van de bouwhistorie en gebruiksgeschiedenis van het pand. Dit wordt verder toegelicht met historisch fotomateriaal dat achterin in dit hoofdstuk is verwerkt. In hoofdstuk 3 volgt de beschrijving van de bouwdelen zoals die in de molen zijn aangetroffen. Hierbij worden ook de gedocumenteerde bouwsporen opgesomd. In hoofdstuk 4 wordt per bouwdeel een waardestelling met motivatie beschreven. De rapportage wordt afgesloten met conclusies, aanbevelingen en bronvermeldingen.
3
2. ARCHIEFONDERZOEK Samenvatting Het Sint Antonius Patronaat te Oudewater, Kapellestraat 1, werd in 1913-1914 ontworpen door architect Simon van Sante in opdracht van de R.K. parochie van de Heilige Fransiscus van Assisië te Oudewater. Het patronaatsgebouw werd tussen 1915-1916 gebouwd en kon op 6 januari 1917 ingewijd worden. Het is een eclectisch gebouw met opvallende natuurstenen elementen. De patroonheilige Sint Antonius is te vinden in de gevelsteen boven de ingangspartij. In het gebouw werd zowel het jongens- als het meisjespatronaat gevestigd. Verder was het gebouw bedoeld voor de vergaderingen en uitvoeringen van de vele katholieke verenigingen in de stad. Begin jaren ’50 werd het Patronaat uitgebreid en vernieuwd. Hiertoe werd het buurpand aan de Kapellestraat aangekocht en bij het pand gevoegd. In de jaren 19511956 werd het Patronaatsgebouw verder uitgebreid met het buurpand aan de Kapellestraat, gerenoveerd en verbouwd tot filmzaal ‘Thalia’. Eind jaren ‘70 zag de kerk zich genoodzaakt het pand te verkopen. In opdracht van een aantal jeugdverenigingen werd het pand verbouwd door K20 architecten tot jeugdcentrum SHOUT. Sinds 1997 is in het pand een partycentrum gevestigd onder de naam ‘De Klepper’. Het buurpand is een bedrijfsverzamelgebouw geworden.
2. Archiefonderzoek: In dit hoofdstuk wordt verslag gedaan van het archiefonderzoek naar het Sint Antonius Patronaat, Kapellestraat 1-3 te Oudewater. Dit onderzoek werd tussen juni en augustus 2017 uitgevoerd door A.N. Gosliga Kunsthistorisch onderzoek te Uitgeest, in opdracht van Erfgoed Advies Groen.
2.1 Verantwoording archiefonderzoek: In eerste instantie is de beschikbare literatuur over Oudewater geraadpleegd. Daarna is het archief van de parochie van de H. Franciscus te Oudewater geraadpleegd. Dit was de opdrachtgever voor de bouw in 1916. Voor gegevens over de bouw is verder gezocht in het archief van het Bisdom Rotterdam, waar de parochie Oudewater sinds 1956 onder valt. Dit archief wordt deels bewaard bij het Bisdom zelf en deels in het Nationaal Archief te Den Haag. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort heeft een bescheiden dossier over het Patronaat met stukken uit de jaren ‘70. Navraag bij het Bisdom Haarlem, het Nieuwe Instituut en het Zaans Archief leverde geen verdere gegevens op. Tijdens dit onderzoek kwam ik in contact met de heer Gerard van Sante, een nazaat van de architect van het Patronaat, Simon van Sante. Hij bezit de dagboeken van de architect en doet op dit moment onderzoek naar diens werk, met het oog op een publicatie. Dhr. Van Sante was bereid zijn onderzoek te delen en dat leverde veel nuttige gegevens op over de bouw. Daarvoor wil ik hem hier hartelijk danken. Voor hulp bij dit onderzoek ben ik verder dank verschuldigd aan: dhr. F. Twisk (Bisdom Haarlem) dhr. D. Hoffman en mw. S.
de Haan (Bisdom Rotterdam), Jonas Overbeek en Wim Westland (Gemeente Oudewater), medewerkers archief RHC Rijnstreek en Lopikerwaard en Cees Kingma (Castricum).
4
2.2 Verslag van het onderzoek
2.2.1 Het Patronaat in Nederland – een korte achtergrond De oprichting van een patronaat, in eerste instantie een school voor vervolgonderwijs voor katholieke jongens, paste in een landelijke trend. De aanleiding voor het stichten van patronaten was de invoering van de zesjarige leerplicht in 1901, die gold voor kinderen vanaf 12 jaar. Tot dan toe was een vervolgopleiding niet verplicht en kinderen uit arme gezinnen gingen na de lagere school meteen aan het werk. Vanaf 1902 richtten vrijwel alle Nederlandse parochies, aangespoord door de bisschoppen, een patronaat op, met als doel om de nu verplichte scholing te organiseren voor de rooms-katholieke jeugd. Het patronaat nam daarbij de rol van beschuttende patroon op zich en de jeugdige leden werden ‘beschermelingen’ genoemd. Er bestonden aparte patronaten voor jongens en meisjes. Ambtshalve stond de pastoor aan het hoofd van het patronaat in zijn parochie. In de praktijk was de dagelijkse leiding echter meestal in handen van een van de kapelaans. Deze werd daarbij geholpen door enkele ouderen uit de parochie, vaak onderwijzers. Bij meisjespatronaten waren veelal de plaatselijke nonnen betrokken. Eind jaren 1920 waren er in Nederland 406 patronaten voor jongens en 208 voor meisjes.
De hoofdactiviteit van het patronaat was het bieden van godsdienstige en zedelijke vorming aan de jeugd. Daarnaast gaven de jongenspatronaten les in het schrijven van brieven en postwissels, in geschiedenis (zoveel mogelijk apologetisch),in maatschappijleer en staatsinrichting, met het accent op de positie van de rooms-katholieken in het Nederlandse staatsbestel. Veel jongenspatronaten gaven ook onderricht in (bouwkundig) rekenen, handtekenen, lijntekenen en meetkunde. In een aantal grotere plaatsen in het Bisdom Haarlem, waar Oudewater in 1916 onder viel, organiseerden de patronaten handelsavondscholen. In de meeste plattelandsparochies gaf het patronaat landbouwonderricht. In meisjespatronaten lag de nadruk juist op huishoudelijke vorming met vakken als koken, voedingsleer, receptenleer, warenkennis, knippen, handwerken, wassen, strijken en het bijhouden van een huishoudboekje. Voor de beroepsscholing werd op veel plaatsen subsidie ontvangen van het gemeentebestuur
In aansluiting op de scholing verzorgden de patronaten ook activiteiten ter ontspanning. Deze kwamen wel op de tweede plaats en werden vooral gezien als aanvullend, die moesten voorkomen dat de roomskatholieke jeugd zijn weg vond naar het (protestantse) café, de bioscoop of de straat. De kern van de activiteiten bestond uit bijeenkomsten op zondagmiddag en -avond. Dan konden de jongeren onder toezicht van de leiding terecht in het patronaatsgebouw om spelletjes te doen, te zingen, te repeteren voor een (stichtelijk) toneelstuk of concert, of zomaar met elkaar te praten en iets te drinken. Veel patronaten richtten zich daarnaast niet alleen op de jeugd, maar ondernamen ook activiteiten van ondersteunende aard zoals drankbestrijding, arbeidsbemiddeling, spaarkassen, lees- en uitleenbibliotheken en missieclubs.
Toen in 1921 de Nijverheidswet werd ingevoerd en daarmee de inrichting van het nijverheidsonderwijs werd geregeld, werd het belang van de patronaten minder. De subsidiëring van het nijverheidsonderwijs beperkte zich namelijk tot scholen die als zodanig door de overheid erkend waren. De patronaten zagen zich daardoor gedwongen om hun onderwijsactiviteiten op te geven. In veel plaatsen verzelfstandigden zij die activiteiten tot ambachts-, huishoud- of avondschool. Bij het overblijvende patronaatswerk vrijetijdsbesteding en godsdienstig/zedelijke vorming, hielden de patronaatbestuurders nog vast aan de oude werkwijze met grote groepen van soms meer dan honderd jongeren. Dit in tegenstelling tot
5
bijvoorbeeld de scouting, die in dezelfde tijd veel succes had met groepsindeling van de leden. Pas tegen het einde van de jaren 1920 kwam hier verandering in, toen het Centraal Comité tot Bevordering van Patronaatsbelangen besloot de organisatiewijze te wijzigen in een combinatie van vrije clubs en verplichte groepsactiviteiten. Zij hoopten daarmee de afnemende belangstelling voor de patronaten te keren. Zo ontstonden sportverenigingen, wandel- en natuurclubs, muziek- en toneelverenigingen en hobbyclubs, die zich gaandeweg los maakten van de patronaatsorganisatie. Bij de groepsactiviteiten namen de patronaten nu wel veel over van de scouting. Toch was er ook nog weerstand tegen deze methode, omdat men vond dat er daarbij te weinig ruimte was voor specifieke scholing en vorming. De groepsactiviteiten kregen daarom een eigen, rooms-katholiek stempel en groeiden uit tot de Jonge Wacht en Kruisvaart, die snel een eigen leven gingen leiden. In 1938 werd de naam ‘patronaat’ officieel afgeschaft: voortaan sprak men van ‘jeugdwerk’.i
2.2.2 Het Patronaat te Oudewater Op 23 april 1913 werd in Oudewater het Sint Antonius Patronaat opgericht, door leden van de RoomsKatholieke Sint Franciscuskerk aldaar.ii Het doel van het patronaat, zoals later verwoord in de statuten van de Patronaatscommissie (opgericht op 1 januari 1917), was ‘de godsdienstelijke, zedige en maatschappelijke vorming bevorderen van de R.K. schoolvrije, mannelijke jeugd der parochie’. De jongens die de lagere school hadden verlaten moesten ondergebracht worden in het patronaat, waar zij voortgezet onderwijs zouden ontvangen. In eerste instantie was dit godsdienstonderwijs, aangevuld met deelname aan ‘bijzondere geestelijke oefeningen en […] kleine liefdewerken’. Op de tweede plaats kwam ‘herhalings- en verder voortgezet onderwijs, onderwijs in natuur- en vaktekenen’, en hulp bij beroepskeuze. Daarnaast konden de jongens sparen bij een spaarbank, was er een bibliotheek en gelegenheid tot ‘lichamelijke ontspanning en gymnastiek’.iii
Voor de uitvoering van haar taken had de Patronaatscommissie een eigen gebouw nodig. Er werd besloten een nieuw gebouw op te richten in de Kapellestraat, waar ook de Franciscuskerk gelegen was (nr. 13). In eerste instantie probeerde het kerkbestuur via een bemiddelaar het hotel De Doelen aan te kopen, dat tegenover de kerk in de Kapellestraat lag. Dit lukte echter niet.iv Het kerkbestuur onderzocht daarop de mogelijkheid een aantal panden te kopen, in bezit van oud-burgmeester Pieter Alidus van Duijnen Montijn (1872-1930), aan het begin van de Kapellestraat. Die zouden gesloopt moeten worden om een bouwterrein te verkrijgen voor een nieuw patronaatsgebouw. [afb. 1] Een van de leden, de heer C. Hoogeboom, zal daartoe op persoonlijke titel onderhandelingen aanknopen. Die verlopen gunstiger, en het kerkbestuur besluit – met uitzondering van het lid T.A.M. van Thier, die tegen is – om deze locatie aan te kopen.v Per brief van 26 juli 1914 wordt aan monseigneur A.J.
Callier, bisschop van Haarlem,vi toestemming gevraagd voor de aankoop van de huizen, voor de afbraak daarvan en voor een geldlening van f 20.000 tot f 22.000,- gulden om de kosten te bestrijden van een gebouw ‘dat zal moeten dienen, a) voor patronaat van de jongens, b) voor vereenigingsgebouw en vergaderlokaal van al de verschillende katholieke vereenigingen van de parochie, die nu geen andere vergaderplaats hebben dan een of nadere gelegenheid, “met vergunning”, of de leeringkamer, welke daartoe te klein is’.vii Met ‘met vergunning’ werd bedoeld het schenken van sterke dranken.
6
Op 4 augustus 1914 kreeg de parochie officieel toestemming van het Bisdom Haarlem om de huizen aan te kopen voor f 7.500,-, om deze te mogen slopen en hier een nieuw patronaatsgebouw te stichten. Daarnaast werd het afsluiten van een geldlening ter hoogte van f 22.000,- goedgekeurd.viii De tekeningen, bestekken en een gedetailleerde bouwbegroting moesten nog wel aan het Bisdom ter goedkeuring geworden opgestuurd. Die stukken waren nog helemaal niet klaar; pas per brief van 14 januari 1916 werden ze opgestuurd door de architect, Simon van Sante, over wie hieronder meer. Het bestek en de begroting werden bij dit onderzoek inderdaad gevonden, de bouwtekeningen helaas niet.ix
Voor het ontwerp had het kerkbestuur dus gekozen voor architect Simon van Sante uit Zaandam, volgens de notulen ‘denzelfden, die de school heeft gebouwd’.x Het is niet helemaal duidelijk wat hiermee bedoeld wordt. De Franciscusschool werd in 1887 gebouwd naar een ontwerp van Evert Margry (1841-1891). In 1905 en 1914 werden er klaslokalen bijgebouwd. Waarschijnlijk doelde men op die laatste verbouwing. Hoe een kerkbestuur uit Oudewater bij een, weliswaar rooms-katholieke, architect uit Zaandam komt, is niet bekend. Mogelijk speelde het Bisdom hier een (adviserende) rol. Van Sante had al eerder verschillende patronaten ontworpen, maar dan vooral in de Zaanstreek. Rond 1913-1916 was hij echter ook actief in de buurt van Oudewater. In 1913 ontwierp hij het (inmiddels afgebroken) patronaatsgebouw te Bodegraven en in 1914 een school in Aarlanderveen. [afb. 3-5]
Zoals beschreven was niet iedereen het eens met de locatie. Dhr. Thier, arts te Oudewater en secretaris van het kerkbestuur, gaf de voorkeur aan een terrein, gelegen naast de Franciscuskerk. In een brief aan de bisschop (dd. 26 juli 1914) reageert pastoor Cornelis Pieterse op dit voorstel.xi Zijn brief antwoordt op de bezwaren tegen koop en stichting gesteld door dhr. Thier, die de bouw afdeed als een ‘katholiek koffiehuis’. Het terrein naast de Franciscuskerk was volgens de pastoor niet geschikt voor een patronaat, omdat er teveel geheid zou moeten worden en het nieuwe gebouw dan in een verscholen hoek naast de kerk kwam te staan. Ook een tuin – zoals dhr. Thier voorstelde - leek de pastoor niet noodzakelijk, ‘daar die hoogstens dienst zou kunnen doen bij uitvoeringen, om de lui gelegenheid te geven eene frische lucht te kunnen inademen, maar dit kunnen zij, en dit is voor de controle op de jongelui veel beter, evengoed op de openbare plaats [NB: voor de ingang] waar het gezicht niet wordt belemmerd door bomen en groen’. Overigens bleef er op de andere locatie toch nog een buitenruimte van 10-12 m over voor de jongens van het patronaat. De aankoop van de panden was daarentegen ‘spoed-eischend’, daar het een ‘zoobelangrijk onderwerp’ betreft. Blijkbaar werd het schenken van alcohol als zeer kwalijk gezien.
In het nieuwe gebouw, zo schrijft de pastoor, zullen natuurlijk ook versnaperingen te krijgen zijn, maar alleen die waarvoor enkel ‘verlof’ volstond. De verenigingen die hier een thuis konden vinden waren talrijk: de Mariavereniging, het Kruisverband, de Agnes-bond, de Hanze, de Boerenbond, de Boerenleenbank, de R.K. Volksbond, de Kiesvereenging, de sociale actie en de toneelvereniging. De bisschop was het blijkbaar met de pastoor eens, want op 24 juli had hij de pastoor al mondeling toestemming gegeven voor de aankoop, die bovendien al gesloten was vóór de brief met het verzoek daartoe verstuurd was. Op 2 juli 1914 kocht de parochie de vijf percelen van Van Duijnen Montijn aan.xii Het ging om zijn herenhuis, gebouwd in 1832 (het hoekhuis met de Oude Huigensteeg, perceelnummer 2567) en de naastgelegen huizen aan de Kapellestraat 3 (perceelnummers 2568 en 507) en de Oude Huigensteeg (perceelnummer 1212), evenals de stal en het koetshuis aan de Oude Huigensteeg (perceelnummer 1213). Het nieuwe patronaatsgebouw werd in het kadaster ingeschreven als perceel 3054. De totale
7
omvang bedroeg 5,25 aren, met uitzondering van 18 centiaren, met als eigenaar de gemeente Oudewater. [afb. 2]
1. Firma D. Kraaijenbrink, De Kapellestraat 1-3 rond 1900. De twee panden midden op de foto werden gesloopt en vervangen door het Patronaatsgebouw. Collectie RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, inv.nr. 00300.
2. Kadastrale kaart van Oudewater. Perceelnummer 3054 is het Patronaatsgebouw. Collectie RHC Rijnstreek en Lopikerwaard, inv.nr. G0719.
8
3-4. S. Van Sante, Ontwerp voor een school (zijgevel en voorgevel) en patronaatsgebouw (voorgevel) te Zwammerdam/Bodegraven, 25 april 1913. Streekarchief Rijnlands Midden, 114.1.09 Collectie bouwvergunningen gemeente Zwammerdam, 1902-1964, inv.nr. 482. Foto’s: Gerard van Sante.
9
5. St Nicolausschool te Nieuwveen, 1914. Foto: bezit Gerard van Sante.
6. Jacob, Theo en Simon van Sante. Bron: www.zaans-industrieel-erfgoed.nl. Foto’s: Gerard van Sante.
10
2.2.3 De architect: Simon Bernardus van Sante (1876-1936) Simon Bernardus Van Sante werd in 1876 geboren als tweede zoon uit het derde huwelijk van Jacob van Sante (1842-1919) met Maria Hooij. Zijn vader had een aannemingsbedrijf in Zaandam en werd opgevolgd door Simons oudere broer Theodorus Jacobus (1874-1959). Gezamenlijk zou de familie vele bouwprojecten uitvoeren, vooral in de Zaanstreek. Simon van Sante was werkzaam tussen 1901-1936.
Simon zal zijn opleiding in de praktijk vooral van zijn vader gekregen hebben. Hij was eerst in dienst van verschillende architectenbureaus vóór hij zich in 1905 vestigde als zelfstandig architect. Zijn eerste baan was bij het bureau Van der Goot en Kruisweg in Hengelo. Daar maakte hij kennis met de zogenoemde ‘chaletstijl’. Rond 1900 werden veel woonhuizen in die stijl gebouwd gebouwd. Ook het ouderlijk huis te Zaandam, door Van Sante in 1905 ontworpen, was nog in deze stijl. Als zelfstandig architect ontwikkelde hij steeds meer een eigen, eclectische stijl. Duidelijke invloeden hierin zijn het werk van de Amsterdamse school en dan vooral van H.P. Berlage. Elementen van de art nouveau komen terug in de decoratieve elementen die hij ontwierp, zoals tegeltableaus. Daarnaast zijn kenmerkende elementen in het werk van van Sante het sierlijk metselwerk en accentuering door middel van natuursteen. Als rooms-katholiek architect was hij verder beïnvloed door het werk van architect Paul (Dom) Bellot (1876-1944), met wie hij samen de Adelbertkapel (1923) te Bloemendaal ontwierp. Van Sante gaf ook les, hij was in het bezit van een tekenakte M.O. Hij was directeur van de Gemeentelijke Avondschool voor Nijverheidsonderwijs in Zaandam van 1914 tot 1929.xiii Van Sante overlijdt plotseling in 1936. Zijn bureau wordt voortgezet door Johannes Bergman.
Van Sante ontwierp een gevarieerd oeuvre aan woonhuizen, scholen, fabriekspanden, kerken, verenigingsgebouwen en sociale woningbouw voor zijn rooms-katholieke opdrachtgevers.xiv Zijn meest bekende bouwwerk is wel de stoommeelfabriek ‘De Vrede’ aan het Noordzeekanaal te Zaandam (1917). Het voormalige zusterhuis van het Sint Josephsgesticht te Zaandam, gebouwd in 1907, is het eerste in een reeks katholieke verenigingsgebouwen met een vergelijkbaar ontwerp. Een rechthoekig volume van rode baksteen, met vaak een vooruitstekende middentravee in de voorgevel die door de daklijst steekt en eindigt in een topgevel. Decoratieve elementen zijn zoals beschreven het gebruik van natuursteen of tegeltableaus met art nouveau vormgeving, het siermetselwerk en de detaillering van de daklijsten. Van Sante past natuursteen toe in de constructie en lateibalken van zijn entrees. Berlage deed dat bij het Beursgebouw te Amsterdam. De decoratieve elementen die Van Sante hier toepast, zijn ook in het Patronaatsgebouw te Oudewater te herkennen. [afb. 7-10]
11
7. R.K. Sint Josephsgesticht, zusterhuis, Oostzijde 18, Zaandam, 1907. Foto: Gerard van Sante. 8. Glas-in-lood ramen in het Sint Josephsgesticht. Foto overgenomen uit Kingma (2012), p. 9.
9. Voormalige meisjesschool, Bovenkarspel, 1913. Foto: Wikipedia.
10. Mariaschool, Grootebroek, 1917. Foto: Wikipedia.
12
11. Sint Antonius Patronaat, Oudewater, 1917.
2.2.3 De architect: Simon Bernardus van Sante (1876-1936) Het Patronaat te Oudewater werd onder bescherming gesteld van de patroonheilige (=beschermheilige) Sint Antonius van Padua. Antonius was een minderbroeder, theoloog en kerkleraar, die in de dertiende eeuw leefde. Hij werd na zijn dood in 1231 heilig verklaard. Sint Antonius is de patroonheilige van de Franciscanen en van de kinderen. Hij staat op het Patronaatsgebouw afgebeeld op de gevelsteen boven de ingangspartij, met het Christuskind op de arm. [afb. 3] Volgens de legende had de heilige namelijk aan het eind van zijn leven onderdak gekregen bij een zekere graaf Tiso, die de zieke Antonius verzorgde. Op een avond zag Tiso een fel licht schijnen in de cel van Antonius. Hij vreesde dat er brand was uitgebroken, maar toen hij de deur opengooide, zag hij Sint Antonius met het Christuskind op de arm. Het felle licht was afkomstig van het kind. Vandaar dat de heilige vaak op deze wijze wordt afgebeeld.
Gevelsteen Sint Antonius Patronaat.
13
2.2.5 De bouw van het Sint Antonius Patronaat Het Sint Anthonius Patronaat werd gebouwd in 1916. In het dagboek van Van Sante uit die jaren en in de notulen van de vergaderingen van de kerkenraad zijn verschillende (korte) aantekeningen te vinden over de voortgang. In januari 1916 legt de architect drie stel tekeningen voor aan het bestuur, waarvan het tweede ontwerp de goedkeuring weg kan dragen, ‘mits er een flinke kelder wordt bijgevoegd’. De plannen zijn helaas niet bewaard, maar de kelder kreeg uiteindelijk een plek onder het toneel. De sloop van de oude panden werd aanbesteed aan de firma Hoorninck voor f 1.500,-.xv Deze firma diende binnen een maand al het gebouwde te slopen, behalve de tuinmuren en de bergschuur op de noord oostelijke hoek van het terrein.xvi De bouw werd uitgevoerd door aannemer Jacob Van Sante (1842-1919) uit Zaandam, de broer van de architect, voor een bedrag van maximaal f 28.500,-. Dagelijks opzichter was Nicolaas Kemper – ook uit Zaandam - ,, tegen een maandloon van f 120,-.xvii Broer Theo Van Sante was ook bij de bouw betrokken. Hij vergezelde de architect regelmatig naar Oudewater of naar toeleveranciers.
De eerste aantekening over de bouw in het dagboek van Van Sante dateert van 10 mei 1916. Van Sante begint met de betaling van de verzekering en het verzenden van gereedschap per spoor. Zelf reist Van Sante naar Montfoort om daar stenen te kopen. Vanaf dan reist de architect een aantal keer per maand naar Oudewater om de voortgang van het werk te bekijken. Op 15 juni 1916 vermeldt hij dat de eerste balklaag ligt, op 3 augustus wordt het eerste spant gesteld. De pastoor betoont zich steeds ‘tevreden over het werk’. Van Sante bezoekt de verschillende leveranciers om hun werk te bespreken. Zo bezoekt hij de beeldhouwer François Nicolas Burie sr. (1869-1931) in Amsterdam. Hij maakte de natuurstenen elementen en legt hij een bezoek af aan het atelier in glas-in-loodkunst van Johannes Willem Gips (18961924) te Den Haag. De bouw wordt in november 1916 afgerond.
Op 6 januari (Driekoningen) 1917 wordt het Patronaat ingewijd. Van Sante noteert over zijn werk: “Het gebouw ziet er inwendig en uitwendig zeer mooi uit. ’T is in één woord een prachtig bouwwerk”. Ook pastoor Pieterse en burgemeester J.M. van Doorninck zijn “vol lof over het werk”. Naderhand reist Van Sante nog tweemaal naar Oudewater, op 6 februari en 10 mei 1917, om de laatste betalingen in ontvangst te nemen. Bij zijn laatste bezoek wijst de vrouw van de conciërge nog ‘eenige kleine gebreken’ aan – hij schrijft er niet bij welke.xviii
12. Artikel over de opening in De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad, 19 januari 1917.
14