CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A14.4 Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied versie UPLG 1.0 Deel 2 Bijlagenrapport.pdf

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken21.818 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het aandeel van bedrijven dat aan verbredingsactiviteiten doet ligt met 58% ook aanzienlijk hoger dan het landelijk gemiddelde van 43%. Vooral het ­aantal ­bedrijven met huisverkoop, agrarisch natuurbeheer en stalling van ­g­oederen en dieren nam toe. Ongeveer 32% van de Utrechtse agrarische bedrijven deed in 2020 aan (agrarisch) natuurbeheer en ruim 14,3% van de primaire agrarische bedrijven (334 bedrijven) heeft in 2020 (een deel van hun) producten afgezet via een korte keten, oftewel via geen of 1 schakel tussen de producent en de consument.

5.2 Uitdagingen

landelijk gebied. De omvang van de opgaven verschillen per deelgebied en zijn met name groot in de Veenweiden, op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug, in overgangszones rondom N2000-gebieden en in de beekdalen van de Gelderse Vallei. De te behalen doelen voor Utrecht zijn in Hoofdstuk 2 van het hoofddocument samengevat weergegeven (tabel 1). Behalve de hierboven genoemde thema’s die volgen uit het Nationaal Programma Landelijk Gebied hoort ook dierenwelzijn bij een rendabele en toekomstgerichte landbouw. Gezonde dieren geven boeren minder zorgen en lagere dierenartskosten. Dierenwelzijn heeft een direct verband met een aantal andere doelen in het UPLG. Zo draagt beweiding in belangrijke mate bij aan dierenwelzijn, maar zorgt ook voor minder ammoniakemissie uit de stal. Omdat er minder mest hoeft te worden uitgereden draagt het ook bij aan minder veldemissies. De landbouw­ sector kan deze opgaven alleen maar realiseren als er alternatieven voor het ­huidige verdienmodel zijn.

Uit Landbouwbrief 28 november 2022: Omschakelen door nieuwe producten en diensten aan te bieden en over te gaan op een andere bedrijfsvoering, zoals: • biologische landbouw en natuurinclusieve landbouw; • het produceren van nieuwe producten zoals hernieuwbare energie (bijvoorbeeld vergisting van mest), het telen van gewassen om in nieuwe vragen te voorzien (bijvoorbeeld nieuwe eiwitten of vezelgewassen voor de productie van biobased bouwmaterialen); • maatschappelijke diensten (bijvoorbeeld beheer van watergangen, natuurbeheer en natuurontwikkeling door boeren). Voor landbouwgrond met een substantiële natuurfunctie wordt, conform het Coalitieakkoord, het instrument ‘landschapsgrond’ geïntroduceerd; • multifunctionele landbouw: combinatie van landbouw met recreatie, agrotoerisme, zorg, boerderijeducatie, agrarische kinderopvang, of een boerderijwinkel.

Uit de analyses van de opgaven voor natuur (en stikstof), water en klimaat blijkt dat zij gevolgen zullen hebben voor de landbouw. De belangrijkste uitdagingen voor de agrarische sector zijn als volgt samen te vatten: verminderen van de uitstoot van stikstof en broeikasgassen, verminderen van af- en uitspoeling van nutriënten en landbouwgerelateerde stoffen, ecologisch beheer van de watergangen, bijdragen aan een meer klimaatbestendig (en daarmee natter)

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

23

5.3 Kansen De complexiteit van de vraagstukken waar de landbouw voor staat is groot. Het gaat niet meer alleen over stikstof, maar ook over de opgaven voor natuur, water en klimaat. Dit betekent dat we hiermee de vraagstukken in het landelijk gebied in samenhang moeten bezien, meer vanuit een systeembenadering dan vanuit losse individuele vraagstukken. We kunnen hiermee een ontwikkeling in gang zetten die gericht is op een landbouwsysteem dat bijdraagt aan een gezondere leefomgeving en een duurzame maatschappij. De rol van de agrarische sector wordt hierdoor breder: niet alleen voedselproducent maar ook landschapsbeheerder en leverancier van ecosysteemdiensten. Bij dit alles horen nieuwe verdienmodellen zodat de boer vanuit deze bredere rol ook nog steeds een goede boterham kan verdienen. De uitdaging is groot en pasklare oplossingen zijn er niet. In paragraaf 5.3.3 is verder uitgewerkt hoe wij de agrarische ondernemers willen ondersteunen bij het realiseren van de opgaven en wat Utrecht wil doen om aanvullende verdienmodellen te faciliteren.

5.4 PAS-melders Utrecht heeft ongeveer 150 PAS-melders (bijna uitsluitend agrarische bedrijven) en een onbekend aantal interimmers. Op grond van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering moeten de PAS-melders binnen 3 jaar na vaststelling van het Legalisatieprogramma PAS-meldingen voorzien zijn van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Het programma voor legalisatie van ­ PAS-meldingen is op 28 februari 2022 ingegaan, dus per eind februari 2025 zouden alle PAS-melders gelegaliseerd moeten zijn. Het legaliseren van PAS-melders is een verantwoordelijkheid van het Rijk. Maar vanwege het belang dat provincies hechten aan dit onderwerp, spannen ook zij zich in om tot legalisatie te komen.

Maatregelen die hiervoor genomen worden moeten geborgd zijn. Een tweede belangrijke reden is dat rondom het verkrijgen en weer uitgeven van stikstofruimte allerlei staatsteunaspecten een rol spelen. Een aantal provincies zijn daarom bezig om in verband hiermee een regeling voor aankoop van stikstofruimte ter notificatie aan de Europese commissie voor te leggen, Utrecht doet hieraan mee. Ook onze stikstofdepositiebank willen wij inzetten om PAS-melders te legaliseren.

6

Overige thema’s Naast de opgaven vanuit het Nationaal Programma Landelijk Gebied zijn er andere ruimtelijke opgaven die gevolgen hebben voor de toekomstige inrichting van het landelijk gebied. In onze analyse hebben we deze daarom meegenomen.

6.1 Wonen, werken en groen op de grens van stad en land Een aantal meer stedelijke opgaven uit de provinciale Omgevingsvisie en ­afspraken met Utrechtse regio’s en het Rijk hebben gevolgen voor de inrichting van het landelijk gebied. Het gaat dan om de uitbreiding van steden en dorpen met woon- en werklocaties, inclusief mobiliteit, maar ook over het toevoegen van groen en landschap rondom stad en dorp ten behoeve van recreatie en ­klimaatadaptatie (Groen groeit mee). Al deze ontwikkelingen brengen een claim op de ruimte met zich mee. Voor de eerste provinciale ruimtelijke doorrekeningen van deze ruimteclaims zie het ‘Memo ruimtegebruik nu en in de toekomst’, ­vastgesteld door GS (20-12-2022). In bijna alle Utrechtse landschappen speelt deze verstedelijkingsopgave op de grens van stad en land, zowel meer grootschalig in regio’s als Utrecht-Amersfoort en Foodvalley als kleinschaliger bij ­uitbreidingen van dorpen. In het ambtelijk memo ‘Memo ruimtegebruik nu en in de toekomst’ (provincie Utrecht 2023) wordt ingegaan op de omvang van de ruimtelijke opgaven die op het landelijk gebied afkomen. Daarbij is gekeken naar zowel de opgaven op middellange (tot 2030) als lange termijn (2030 en verder).

Er is een aantal redenen waarom dit proces van legalisatie uiterst moeizaam verloopt. De belangrijkste daarvan is dat bij de overdracht van stikstofruimte van de ene agrariër naar de andere rekening gehouden moet worden met het additionaliteitsvereiste: het bevoegd gezag (de provincie) moet kunnen aantonen dat de stikstofruimte niet nodig is voor instandhouding van de natuur en ingezet kan worden voor legalisatie.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

24

6.2 Energietransitie In het Klimaatakkoord hebben overheden, bedrijven en maatschappelijke partners afgesproken dat 30 regio’s een Regionale Energiestrategie (RES) opstellen. In de provincie Utrecht gaat het om drie Regionale Energiestrategieën: Regio U16, Regio Foodvalley en de Regio Amersfoort. In de Regionale Energiestrategieën maken regionale overheden en maatschappelijke organisaties afspraken over het opwekken van duurzame energie op land, de verdeling van duurzame warmtebronnen en de daarvoor benodigde opslag en energie-infrastructuur. Voor het opwekken van duurzame energie op land zijn zoeklocaties aangewezen. Deze zoeklocaties liggen grofweg in de volgende gebieden: • Gelderse Vallei, met name voor windenergie. • Veenweidengebied (met uitzondering van Vijfheerenlanden), zon- en windenergie. • Kromme Rijngebied, met name wind rondom stad Utrecht, met name zon • in rivierengebied. • Vijfheerenlanden (zuidelijk deel veenweidengebied), met name voor windenergie. • Langs snelwegen en spoor A1, A12, A28, spoor, zowel wind als zon. Geconstateerd wordt dat er nu te weinig perspectief is dat we de doelen uit de RES’sen halen. Er is een evenwichtige combinatie van opwekking via zon en wind nodig om jaarrond over voldoende duurzame energie te beschikken en om de netinfrastructuur optimaal te benutten. Er zijn nu te weinig locaties voor wind.

Er wordt (mede op basis van een PlanMER) onderzocht waar in de provincie windturbines mogelijk zijn. Ten behoeve van de energietransitie zullen er veel aanpassingen aan de energienetwerk-infrastructuur nodig zijn. Dit vraagt ruimte in het landelijk gebied, o.a. vanwege de realisatie van grote hoogspanningsstations.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

7

Dynamiek per Utrechts landschap In een deel van de Utrechtse landschappen komen veel opgaven samen en is veel dynamiek te verwachten. In andere landschappen is dat juist minder het geval. In deze paragraaf gaan we in op de stapeling van opgaven per type landschap: 8. Veenweidengebieden: Utrechts deel Groene Hart en Eemland 9. Utrechtse Heuvelrug 10. Kromme Rijnstreek 11. Gelderse Vallei

7.1 Veenweiden: hoog dynamisch gebied In het grotendeels agrarische veenweidegebied (Utrechtse deel Groene Hart en Eemvallei) komt een flink aantal opgaven vanuit het UPLG bij elkaar. De opgaven met de grootste impact op het agrarisch gebruik zijn de reductie van broeikasgassen uit veenbodems (met name de veenbodems met kleine of geen kleilaag) met daarbij een aangepast waterbeheer gericht op een hogere grondwaterstand, het verbeteren van de waterkwaliteit, stikstofreductie rondom de Natura 2000VHR-opgave voor weidevogels en moeras en de realisatie Aanvalsplan Grutto. Deze opgaven kunnen (met maatwerk) goed gecombineerd worden. De opgave voor de uitbreiding van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is hier relatief beperkt en richt zich vooral op de uiterwaarden van de rivieren, de verbinding met de Natura 2000-gebieden, vernatting van veenweiden en kruidenrijk grasland voor weidevogels en versterking van landgoederen. Nieuw bos (Bossenstrategie) is in dit gebied relatief weinig kansrijk, omdat bos zich niet goed laat combineren met de open weidevogelgebieden in de veenweiden. Bovendien zijn grote delen van het Utrechtse veenweidengebied in de provinciale Omgevingsvisie vanuit cultuur­ historisch oogpunt aangewezen als Agrarisch cultuurlandschap. Openheid is hier een landschappelijke kernkwaliteit die behouden moet blijven.

De grootste kansen voor het realiseren van bos in het Utrechtse veenweidengebied zijn aan de westkant van de stad Utrecht en het voorbeeldproject Hollandse IJssel (Groen groeit mee). Tot slot zijn er in de veenweide zoeklocaties voor wind­energie en zonne-energie en zijn er aan de rand van het Groene Hart en Eemland (bij Amersfoort) plannen voor wonen en werken.

25

7.2 Utrechtse Heuvelrug met flanken: hoog dynamisch gebied Een groot deel van dit gebied bestaat uit natuur- en recreatiegebieden. Daarnaast is het vanuit cultuurhistorisch oogpunt een zeer gelaagd en waardevol gebied met de buitenplaatsenzone en het militair erfgoed. Uit de analyse komt dat de ­opgaven voor water en natuur grote impact kunnen hebben op de ontwikkelingen in dit g­ ebied, met name op de flanken van de Heuvelrug. Op deze flanken komt een ­aantal opgaven bij elkaar: herstel van het water- en bodemsysteem, functie­ verandering ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland, potentie voor de realisatie van bos (Bossenstrategie) en herstel van kwel- en stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (Kolland & Overlangbroek op de flanken en de Rijntakken in het aangrenzende landschap). Op en rondom de defensieterreinen bij Soesterberg zal de komende jaren mogelijk veel dynamiek plaatsvinden. Het Ministerie van Defensie heeft de ambitie om hier haar logistieke en operationele eenheden te centreren. In het Langbroekerweteringgebied is de stapeling van opgaven zo groot dat dit naar verwachting gevolgen zal hebben voor het toekomstige ruimtegebruik waarbij het huidig peilbeheer voor zowel landbouw als natuur suboptimaal is. In dit gebied is er een sterke verwevenheid tussen natuur en landbouw.

Voor de instandhouding van de natuur en volhoudbaar waterbeheer is een robuuster ­watersysteem nodig, waarbij meer water wordt vastgehouden en minder wordt ­afgevoerd. Ook is het belangrijk dat de kwelstromen vanuit de Heuvelrug ­voldoende ter beschikking komen van de kwelafhankelijke natuur in dit gebied. Tenslotte is het belangrijk de natuurgebieden onderling beter te verbinden. Deze stapeling van opgaven noopt tot een natuurinclusiever en wellicht ook extensiever landgebruik. Op de heuvelrug zelf liggen grote opgaven voor met name de kwaliteit van het bos. Ook op andere plekken langs de flanken zullen aanpassingen in het ruimtegebruik nodig zijn.

7.3 Utrechtse deel Gelderse Vallei: hoog dynamisch gebied De belangrijkste combinatie van opgaven in de Gelderse Vallei heeft betrekking op de beekdalen op hoge zandgronden. Hier komen de opgaven vanuit water, natuur en klimaat bij elkaar zoals verbetering van de waterkwaliteit, het klimaatbestendig inrichten van het beekdallandschap, functieverandering ten behoeve van natuurnetwerk Nederland, de realisatie van bos (bijvoorbeeld habitattype beekbegeleidend bos) en de reductie van stikstof en methaan in de landbouw. Deze stapeling van opgaven heeft waarschijnlijk gevolgen voor het huidig landgebruik. Met name in het zuidelijk deel is de veehouderij heel intensief. Door de intensiteit van de bedrijfsvoering met een hoog energieverbruik en het gebruik van veevoer dat van ver wordt aangevoerd ligt hier een grote opgave voor de reductie van broeikasgassen en ammoniakemissie, zowel uit stallen als uit mest. Voor het Natura2000-gebied het Binnenveld liggen er natuuropgaven waaronder verbetering van de hydrologische situatie en de aanleg van ecologische verbindingen. Tot slot is de verstedelijkingsopgave hier aanzienlijk (uitbreiding wonen en werken Veenendaal en Rhenen) en zijn er zoeklocaties voor wind aangewezen.

7.4 Westelijk deel Kromme Rijnstreek: minder dynamisch gebied In het westelijk deel van het Kromme Rijngebied komen relatief minder opgaven samen. Er zijn wel opgaven vanuit natuur, water en klimaat, maar de impact hiervan is waarschijnlijk beperkt. Generieke opgaven zoals de reductie van methaan en stikstof en de uitbreiding van de groenblauwe dooradering spelen hier ook.

Tot slot zal de uitbreiding van wonen en werken in de aangrenzende stedelijke gebieden van de regio’s U16, Amersfoort en Foodvalley een toename van de recreatieve druk op het gebied tot gevolg hebben. Nieuw recreatief groen en landschap (Groen groeit mee) in en rondom de Utrechtse Heuvelrug is daarom gewenst. Daarmee kan tevens de recreatiedrukte van de Utrechtse Heuvelrug worden afgeleid.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

26

Bijlage 3 • Bijlage 3A • Bijlage 3B • Bijlage 3C • Bijlage 3D

Kaderrichtlijn Water (KRW) De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn die in 2000 van kracht is geworden met het doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater te waarborgen. De doelen voor oppervlaktewater zijn erop gericht om te zorgen voor schoon en ecologisch gezond water en het voorkomen van achteruitgang van de kwaliteit van het water. De KRW schrijft voor dat alle wateren in 2027 in een goede toestand zijn, wat nu nog niet het geval is. Voor de KRW dient in uiterlijk 2027 te worden voldaan aan wettelijke KRW-doelen/ normen. Dit geldt voor: • De biologische kwaliteitselementen in het oppervlaktewater; • Algemene fysische chemie, waaronder temperatuur, zuurstof gehalte en doorzicht van het oppervlaktewater; • Concentraties nutriënten (P en N) in grond- en oppervlaktewaterlichamen; • Concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen; • Concentraties van overige verontreinigingen en prioritaire stoffen in het oppervlaktewater; • Een goede kwantitatieve toestand voor de grondwaterlichamen. Voor de provincie Utrecht zijn de bovenstaande KRW-doelen vastgelegd in het ‘Bodem en waterprogramma provincie Utrecht 2020-2027’ en de Stroomgebiedbeheerplannen 2022 – 2027.

Er is de afgelopen jaren al veel gedaan aan het terugdringen van de emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, maar er is nog meer nodig om de ecologische doelen voor de KRW te kunnen halen. Het is onzeker of alle KRW-doelen tijdig in 2027 gehaald zullen zijn, zowel voor grondals oppervlaktewater. In 2024 zal onder leiding van het ministerie van IenW een tussenevaluatie voor de KRW worden uitgevoerd. Uit deze evaluatie zal blijken of aanvullende maatregelen nodig zijn om de KRW-doelen te halen.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

27

Oppervlaktewater De KRW geldt in principe voor al het grond- en oppervlaktewater, maar in de praktijk wordt gewerkt met zogenaamde ‘waterlichamen’. Voor oppervlaktewater zijn de waterlichamen grotere waterlopen, meren of plassen, waarin de waterkwaliteit wordt gemonitord en beoordeeld. Deze ‘waterlichamen’ zijn ingedeeld op grond van internationale richtsnoeren en zo gekozen dat ze representatief zijn voor de waterkwaliteit in een groter stroomgebied. In Utrecht is gekozen voor 60 regionale KRW-oppervlaktewaterlichamen. De KRW-opgave voor het landelijk gebied in het UPLG heeft betrekking op de onderdelen biologie, nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en overige (mogelijk) landbouw gerelateerde stoffen zoals ammonium en metalen. Volgens de meest recente toetsing voldoet nog geen enkel oppervlaktewaterwaterlichaam volledig aan de eisen. Ook de doelen overig water zijn nog niet bereikt. Bij een aantal van de waterlichamen is het fosfaatgehalte te hoog, vooral in het veen­ weidengebied. Stikstof vormt minder vaak een probleem. Biologie In de KRW wordt voor de beoordeling van de biologische waterkwaliteit gekeken naar het voorkomen van de vier biologische kwaliteitselementen algen, waterplanten, vissen en macrofauna. Deze biologische kwaliteit is het belangrijkste onderdeel van de KRW-beoordeling van de ecologische toestand en is een goede indicator voor de natuurkwaliteit.

Voor de biologie staat de KRW-toestand in 2021 weergegeven in figuur 1. Uit de figuur blijkt dat de verschillen tussen de oostelijke en westelijke kant van de heuvelrug groot zijn. Een goede toestand wordt met een groene kleur weergegeven, een matige toestand kleurt geel, ontoereikend oranje en slecht kleurt rood. Ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug voldoen de meeste waterlichamen aan de gestelde biologische doelen. Ten westen van de Heuvelrug is het juist ­andersom en voldoen veel waterlichamen niet voor de biologie. De meeste water­ lichamen bevinden zich in een matige, maar ook in een ontoereikende of slechte toestand. Het niet halen van een goede biologische toestand wordt in bijna alle water­lichamen veroorzaakt door het KRW-oordeel voor waterplanten, soms in ­combinatie met macrofauna, fytoplankton of vis.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Nutriënten In het UPLG speelt de belasting door nutriënten een belangrijke rol, omdat het een essentiële schakel vormt voor een goede ecologische waterkwaliteit. Streef­ waarden voor ecologie-ondersteunende parameters, zoals nutriënten, temperatuur, doorzicht, zuurgraad en zuurstofconcentratie, zijn randvoorwaarden om de ecologische doelen te bereiken. In een groot deel van de provincie zijn de ­nutriënten bijna op orde, maar is er nog wel een restopgave. Voor de ondersteunende parameters stikstof en fosfor staat in figuren 2 en 3 het doelgat voor de toetsing in 2021 weergegeven (SGBP3). Het doelgat is het berekende verschil tussen de voor de KRW berekende (3-jarig-zomergemiddelde) concentratie en het gestelde KRW-doel. De wit gekleurde KRW-waterlichamen voldoen aan het gestelde doel. Voor de niet wit gekleurde waterlichamen is er nog een doelgat, waarbij het doelgat groter wordt naarmate de kleur verandert van geel via oranje naar rood. Voor stikstof laat de toestand in 2021 zien dat er in de meeste KRW-water­lichamen wordt voldaan aan de gestelde doelen. De waterlichamen in de Oostelijke ­vechtplassen en de Utrechtse Venen vormen hierop een uitzondering. Veel waterlichamen in deze gebieden voldoen nog niet aan het gestelde doel. Daarnaast zijn er 3 waterlichamen in de andere gebieden waar het doel nog niet gehaald wordt.

Er ligt nog een opgave in de Eem, de Biltse Grift en de door effluent gevoede Zijdewetering bij Ede. Fosfor laat een ander beeld zien dan stikstof, figuur 3. Ook hier voldoen veel ­waterlichamen in zowel het gebied van de Oostelijke Vechtplassen als in de Utrechtse Venen niet aan de gestelde doelen. In tegenstelling tot stikstof voldoet ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug geen enkel KRW-waterlichamen aan het doel voor fosfor. De waterlichamen in de overige gebieden voldoen op een 3-tal uitzonderingen na. Overige wateren De provincie Utrecht legt de doelen vast voor de niet-KRW-wateren van de waterschappen. Bij het bepalen van de ecologische doelen is rekening gehouden met het effect van de overige wateren op het KRW-stroomgebied en de prioriteiten die in een gebied zijn gesteld op basis van de KRW (en ook overig beleid). Onderstaand figuur toont de ecologische toestand in de overige wateren. In het gebied ten oosten van de Utrechtse Heuvelrug is de ecologische toestand vaak ­ontoereikend (oranje gearceerd).

28

Figuur 1: Toestand 2021 KRW voor biologie totaal voor de verschillende KRW-waterlichamen op basis van de vier kwaliteitselementen waterplanten, algen, macrofauna en vis (www. waterkwaliteitsportaal.nl). Goede toestand is groen, matige toestand is geel, ontoereikende toestand is oranje en slechte toestand is rood.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

29

Figuur 2: Doelgat, overschrijding van de norm per KRW-waterlichaam in Toetsjaar 2021 voor N-totaal (KRW-NUTrend). Donkerrood: >5 keer hoger dan de norm, rood: 2-5 hoger dan de norm, oranje: 1.5-2 hoger dan de norm , geel: 1-1.5 hoger dan de norm en wit: binnen de norm.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

30

Figuur 3: Doelgat, overschrijding van de norm per KRW-waterlichaam in Toetsjaar 2021 voor P-totaal (KRW-NUTrend). Donkerrood: >5 keer hoger dan de norm, rood: 2-5 hoger dan de norm, oranje: 1.5-2 hoger dan de norm , geel: 1-1.5 hoger dan de norm en wit: binnen de norm.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

31

De biologische toestand in de KRW-waterlichamen scoort daar juist goed. In het westelijke deel van Utrecht is de ecologische toestand van de overige wateren veelal goed tot matig, maar zijn ook veel wateren matig tot slecht. Het beeld aan de westkant van Utrecht voor de overige wateren komt goed overeen met de biologische kwaliteit van de KRW-waterlichamen. Gewasbeschermingsmiddelen en metalen De KRW-doelstellingen voor gewasbeschermingsmiddelen en metalen zijn op nationaal en Europees niveau vastgelegd. Uit de toetsing van 2021 bleek dat geen enkel KRW-waterlichaam voldoet aan de normen voor de chemie. Voor de gewasbeschermingsmiddelen zijn in Provincie Utrecht overschrijdingen gevonden in oppervlaktewater voor imidacloprid, heptachloor, lambda-cyhalothrin, mevinfos en tributyltin. Voor een tiental stoffen is de norm lager dan de rapportagegrens. Deze stoffen worden als niet toetsbaar beschouwd. In veel waterlichamen overschrijden de metalen arseen, kobalt, seleen, zilver en soms zink de norm. Er vindt momenteel een landelijke studie plaats waarin ­gekeken wordt naar de herkomst van deze stoffen en het (regionaal) voorkomen in Nederland. Daarbij wordt in beeld gebracht of het natuurlijke of antropogene ­oorsprong betreft. Een deel van deze metalen komt via diervoeding en mest door uit- en afspoeling in het oppervlaktewater terecht.

Voor ammonium vindt een soortgelijke studie plaats. De resultaten worden in de 2e helft van 2023 verwacht. Grondwater Het KRW-doel voor grondwater wordt bepaald door 5 verschillende deeltesten. In onderstaande tabel wordt per deeltest beschreven of wordt voldaan aan de KRW-doelstelling. Op grondwaterlichaam-niveau wordt voldaan aan de a­ lgemene eisen voor chemie en de grondwatervoorraad. Gemeten op ca 10 en 25 meter ­diepte onder het maaiveld, is de algemene chemische toestand goed. Tegelijkertijd constateren we dat de kwaliteit van het grondwater onder druk staat. Lokaal zijn er overschrijdingen van de kwaliteitsnormen voor verschillende veront­ reinigende stoffen, waaronder nitraat en bestrijdingsmiddelen. Ook treffen we tal van verontreinigende stoffen aan onder de norm of stoffen waarvoor nog geen norm beschikbaar is. Het grondwater is langzaam aan het “vergrijzen”. Er wordt dus niet voldaan aan het doel voorkomen en beperken van inbreng. Op het niveau van het hele grondwaterlichaam wordt voldaan aan de chemische doelen, het voorkomen van achteruitgang en het ombuigen van trends.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

32

Figuur 4: Ecologische toestand overige wateren op basis van water- en oevervegetatie (BWP 2022-2027, atlas.nl).

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

33

Voor de KRW voldoen enkele drinkwaterwinningen (Groenekan, Woerden, Bunnik, Lexmond en Bethunepolder), grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen (Natura 2000-gebieden Botshol, Oostelijke Vechtplassen, Binnenveld, Zouweboezem, Kolland&Overlangbroek de Schraallanden van de Meije.) en grondwaterafhankelijke oppervlaktewaterlichamen (Beken Gelderse Vallei: Heiligenbergerbeek, Lunterse Beek, Modderbeek, Barneveldse Beek, Hoevelakensebeek) niet aan de KRW eisen. De kwaliteit van de drinkwaterwinningen Groenekan, Woerden, Bunnik, Lexmond (en Bethunepolder) wordt sterk beïnvloed door infiltratie van oppervlaktewater. In deze winningen komen relatief veel verontreinigende stoffen voor, waaronder bestrijdingsmiddelen. Dit wordt voor een deel veroorzaakt door ingelaten gebiedsvreemd water.

Hydrologische condities (minimale vereiste 11) Om te bepalen welke maatregelen nodig zijn om de hydrologische condities voor Natura 2000-gebieden op orde te brengen (ook volgens KRW-verplichting) wordt inzichtelijk gemaakt: • Welke Natura 2000-gebieden hydrologisch wel en welke nog niet op orde zijn. • Wat de oorzaak is bij gebieden waar de hydrologie nog niet op orde is. • Hoe systeemherstel kan leiden tot het voldoen aan de hydrologische vereisten van de instandhoudingsdoelstellingen Voor een gedetailleerde beschrijving van de opgaven en mogelijke maatregelen per gebied wordt verwezen naar de natuurdoelanalyses (NDA’s) die per gebied zijn opgesteld.

KRW doel per deeltest

Voldoet

Toelichting

1. Voorkomen en beperken inbreng

nee

Diffuse belastingen (nutriënten, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten etc) a.g.v. activiteiten aan maaiveld zijn moeilijk aan te pakken. Aanpak puntbronnen (Spoedlocaties Wbb) is nog niet afgerond.

2. Goede toestand grondwaterlichaam

nee

GW-lichamen chemisch en kwantitatief op orde, maar beschermde gebieden nog niet

3. Voorkomen achteruitgang toestand

ja

Op niveau grondwaterlichaam

4. Ombuigen stijgende trends

ja

Op niveau grondwaterlichaam

5. Realiseren doelen beschermde gebieden

nee

Verdroogde N2000 gebieden hydrologisch nog niet op orde, beken Gelderse Vallei hebben last van verontreinigingen in grondwater, Drinkwaterwinningen nog niet op orde.

6. Voorkomen achteruitgang kwaliteit grondwater voor menselijke consumptie

nee

Enkele drinkwaterwinningen vertonen stijgende trend verontreinigende stoffen

7. Streven verbetering grondwaterkwaliteit om zuiveringsinspanning te kunnen verlagen

ja

Aanpak knelpunten beschermingsgebieden dmv Uitvoeringsprogramma Drinkwater Utrecht 2016-2021

Tabel 5: Toestand KRW-doel per deeltest voor de KRW-grondwaterlichamen in de provincie Utrecht.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

34

Maatregelen Om te voldoen aan de gestelde KRW-doelen zijn door de waterbeheerders ­maatregelen opgenomen in de KRW-factsheets. Indien alle genoemde maat­ regelen worden uitgevoerd, wordt verwacht dat er geen extra opgave (doelgat) voor de KRW overblijft voor nutriënten en biologie, mits de opgave voor stikstof en de opgenomen (vrijwillige) DAW maatregelen worden uitgevoerd.

Combi pakket maatregelen KRW Doelbereik

Effecten maatregelen andere opgaven

In het UPLG wordt voor de KRW-opgaven vooral gekeken naar de ruimtelijke ­maatregelen. Dit zijn hydromorfologische maatregelen en maatregelen voor de reductie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen, zie ook tabel 6. In de gebiedsprocessen moeten de noodzakelijke maatregelen voor waterkwaliteit landen, vooral in samenhang met andere opgaven. Op het niveau van de gebiedsagenda’s worden afspraken gemaakt over de uitvoering en inzet van de b ­ estaande instrumenten. Belangrijk daarbij is dat de waterkwaliteit bij veranderingen in een gebied niet achteruitgaat, bijvoorbeeld door verplaatsing van agrarische ­bedrijven. Ook de effecten van maatregelen voor andere opgaven moeten getoetst worden op gevolgen voor waterkwaliteit.

Aanvullende maatregelen in UPLG proces, agrarische sector, groenblauwe dooradering, Bossenstrategie

In onderstaand figuur staan de maatregelen om aan de KRW-opgave te v­ oldoen schematisch weergegeven. Indien dit combipakket wordt uitgevoerd is de ­verwachting dat voldaan wordt aan de opgave voor de nutriënten. De twee ­onderste maatregelen zijn al vastgelegd, de bovenste zullen via lopende ­processen worden vastgesteld. De genoemde maatregelen worden van onder naar boven beschreven.

SGBP 3 Waterbeheerder en andere partijen

Aanvullende (KRW) maatregelen waterbeheerder Tussenevalusatie 2024

Generieke maatregelen 7e AP nitraatrichtlijn + Addendum

1. Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 (SGBP3) De ecologische doelen worden bepaald door de potentie van hydromorfologische ingrepen in te schatten ervanuit gaande dat de ondersteunende parameters (o.a. nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen) in orde zijn. De systematiek van de KRW is zo dat in principe het doel haalbaar is als alle KRW-maatregelen (uit SGBP3) zijn uitgevoerd en er geen hinder meer is van menselijke invloed (bijvoorbeeld nutriënten uit mest). Naast maatregelen die door de waterbeheerder zelf worden uitgevoerd, worden ook extra maatregelen gevraagd die komen uit generiek beleid en DAW.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

35

Het Rijk heeft in de handreiking gebiedsprogramma NPLG aangegeven (paragraaf 3.1 gebaseerd op wetsvoorstel transitiefonds Artikel 2 lid 2 onderdeel d) dat KRW-maatregelen uit het SGBP3 geen onderdeel uitmaken van het gebiedsprogramma. De DAW maatregelen hebben via het UPLG wel een impuls nodig om de KRW-doelen te halen. Deze maatregelen zijn op dit moment op vrijwillige basis, maar voor het behalen van de benodigde waterkwaliteit wordt er door de waterschappen wel uitgegaan van realisering, zie ook punt 5 Effecten maatregelen andere opgaven (o.a. DAW). Een eerste inschatting in RAO Rijn-West geeft aan dat de waterbeheerders maar voor een beperkt deel aan zet zijn voor het bereik van de doelen, zo’n 25%. Het resterende deel zal uit een andere aanpak moeten komen. De maatregelen voor de KRW staan beschreven in: • KRW factsheets voor grond- en oppervlaktewater: • SGBP3 Stroomgebiedbeheerplannen Rijn, Maas, Schelde en Eems 2022-2027 • SGBP3 achtergronddocumenten • Andere relevantie informatie over de toestand van de KRW in 2021: • Monitoringsresultaten oppervlaktewater • Monitoringsresultaten grondwater 2. Generieke maatregelen • Addendum op 7e AP nitraatrichtlijn Voor de doelen ten aanzien van de oppervlaktewaterkwaliteit van de Nitraatrichtlijn en de landbouwopgave van de Kaderrichtlijn Water, zijn aanvullende maatregelen nodig zijn.

In het 7e AP Nitraatrichtlijn en het bijbehorende addendum worden maatregelen beschreven die meehelpen om de doelen te behalen. Het gaat daarbij om brede beekdalen, extensivering van de landbouw, verlaging mestproductieplafonds, grondgebondenheid melkveehouderij en additionele maatregelen. • Kamerbrief derogatiebeschikking (20 januari 2023): In de derogatiebeschikking worden onder andere de verplichte bufferstroken, de verminderde derogatie en vanggewassen beschreven.

Begin juni is de vorming van het KRW-impulsprogramma bekendgemaakt. Met het KRW-impulsprogramma willen Rijk en regio met een stevige, aanvullende inzet op het uitvoeren van verbeteracties voldoen aan de eisen van de KRW. 4. Aanvullende maatregelen in UPLG proces, agrarische sector, groenblauwe dooradering, bossenstrategie Voor de KRW kunnen maatregelen uit het UPLG een positieve invloed hebben. Dit zijn onder andere hydromorfologische maatregelen en maatregelen in de landbouw die zorgen voor reductie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. 5. Effecten maatregelen andere opgaven (o.a. DAW) DAW-maatregelen vormen een regionale uitwerking van aanvullende, vrijwillige, maatregelen. De Gebiedsdocumenten Agrarische Wateropgave (GAW) in het kader van het DAW en de bijbehorende subsidieregeling (Tijdelijke subsidieregeling uitvoering maatregelen DAW) vormen de basis voor lokaal maatwerk en input voor gebiedsagenda’s. Belangrijke maatregelen zijn een goede landbouwpraktijk en de inrichting van natuurvriendelijke oevers. Alle waterbeheerders hebben in het KRW-maatregelenpakket stimuleringsmaatregelen opgenomen om de nutriëntenbelasting uit de landbouw te verminderen, zie onderstaande tabel. Daarnaast stimuleren alle waterschappen een goede landbouwpraktijk, ecologisch oever- en slootbeheer en inrichting door agrariërs, via verschillende regelingen.

Dit is sowieso nodig voor de doelen overig water en draagt ook bij aan de KRW-doelen. Voorbeelden van maatregelen: precisiebemesting, bodemverbetering, baggerspuiten, natuurvriendelijk slootschonen, afrasteren, drinkbakken voor veedrenking, natuurvriendelijke oevers. Ecologisch beheer en inrichting door agrariërs hebben via het UPLG een impuls nodig om de KRW-doelen te halen, zie ook punt 1 Stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027 (SGBP3)

3. Aanvullende (KRW) maatregelen waterbeheerder Tussenevaluatie 2024 In 2024 zal onder leiding van het Ministerie van IenW een tussenevaluatie voor de KRW worden uitgevoerd. Uit deze evaluatie zal blijken of aanvullende KRWmaatregelen nodig zijn om de KRW-doelen te halen.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

36

Beheergebied

Naam

Waterschap Rivierenland

Stimuleringsaanpak landbouw

Waterschap Rivierenland

Verminderen emissie gewasbeschermingsmiddelen landbouw

Waterschap Amstel, Gooi en Vecht

Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken. Via subsidieregeling ‘Regionaal partnerschap voor water en bodem Utrecht en Zuid-Holland’

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW)emissiereductie & beheer en onderhoudsmaatregelen (initiatiefnemer: landbouw)

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Stimulering emissiereductie landbouw door WS

Waterschap Vallei en Veluwe

Stimuleren DAW-maatregelen

Provincie Utrecht

Stimuleren landbouwsector gericht op voorkomen achteruitgang grondwaterkwaliteit (nutriënten)

Provincie Utrecht

Stimuleren landbouwsector voorkomen achteruitgang grondwaterkwaliteit (gewasbeschermingsmiddelen)

Tabel 6: KRW-maatregelen uit stroomgebiedbeheerplan 2022-2027 met ruimtelijke impact

6. Maatregelen drinkwaterwinningen Het beoordelen van de toestand van de winningen voor de openbare drinkwatervoorziening gebeurt formeel middels de KRW-toets. Om inzicht te krijgen in de risico’s op achteruitgang van de grondwaterkwaliteit bij de afzonderlijke winningen, worden daarnaast risicoanalyses gemaakt. Die vormen een belangrijk onderdeel van het gebiedsdossier dat voor elke winning is opgesteld; ze zijn de basis voor maatregelen die moeten voorkomen dat de toestand van die winningen achteruitgaat.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Een deel van de maatregelen uit het Uitvoeringsprogramma Drinkwater 2021-2027 is meegenomen bij het formuleren van de maatregelen voor de KRW. In de periode 2021-2027 omvat de opgave voor de grondwaterwinningen de volgende onderdelen: 1. Beter benutten van de vergunningscapaciteit (beperkingen binnen de vergunning te onttrekken hoeveelheid opgepompt water per tijdseenheid, oftewel het ‘debiet’, zijn bijvoorbeeld aanwezige bodemverontreinigingen, de toestand van de natuur, verzilting en verstopping). 2. Beperken van de invloed van gewasbeschermingsmiddelen op drinkwaterbronnen. 3. Beter inzicht in de aanwezigheid en risico’s van bodemenergiesystemen. 4. Verminderen van de invloed van aanwezige bodemverontreiniging op ­drinkwaterbronnen en aanpak spoedlocaties. 5. Beperken van de invloed van infrastructuur (bijvoorbeeld wegen) op ­drinkwaterbronnen. • Verbeteren van het inzicht in de kwaliteit van ruwwater en van ­toestromend grondwater, ook buiten de beschermingszones. • Verbeteren van de monitoring van de waterkwaliteit (early warning). • Beperken van de invloed van nutriënten op de kwaliteit van de ­drinkwaterbronnen. • Verminderen drinkwatervraag particulieren en bedrijven door besparingen. • Bewustwording van particulieren en bedrijven ten aanzien van regels grondwaterbescherming.

De maatregelen voor de drinkwaterwinningen staan beschreven in Uitvoeringsprogramma Drinkwater 2021-2027.

37

Bijlage 3 • Bijlage 3A • Bijlage 3B • Bijlage 3C • Bijlage 3D

Belangrijkste conclusies uit de natuurdoelanalyses per N2000-gebied Hieronder volgen de belangrijkste maatregelen per Natura 2000-gebied. Binnenveld Het Binnenveld is afhankelijk van kwel van de Utrechtse Heuvelrug. Het ­overgangsgebied kan bijdragen aan de hydrologie en de connectiviteit ofwel het verbinden met andere natuurgebieden. Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het Natura 2000-­gebied. Deze maatregelen zijn vooral gericht op: • Het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische ­depositiewaarde (KDW)het herstellen van het watersysteem: er moet weer meer grondwater naar het gebied stromen en het water moet hier langer worden vastgehouden en minder worden afgevoerd. • Daarnaast dient verbinding gemaakt te worden met nabij gelegen ­natuurgebieden om te zorgen dat uitwisseling van soorten plaats kan vinden in een groter en niet meer versnipperd gebied. • Het gebied [omschrijving] moet toegevoegd worden aan het Natura 2000-gebied • Om verzuring en verruiging tegen te gaan moet de stikstofdepositie ­verlagen en mogen de grondwaterpeilen in de zomer niet te laag zijn. • Exotenbeheer is een terugkerende beheerinspanning. Kolland & Overlangbroek Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het N ­ atura 2000-­gebied. Bij de inrichting moet rekening gehouden worden met het ­coulisselandschap.

• Deze maatregelen zijn vooral gericht op het herstellen van het ­kwelwatersysteem: er moet weer meer grondwater naar het gebied ­stromen en het water moet hier langer worden vastgehouden. • Daarnaast dient er één aaneengesloten natuurgebied gecreëerd te ­worden om te zorgen voor een groter en niet meer versnipperd gebied.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

38

• Om verruiging van de bodembegroeiing tegen te gaan moet doorgegaan worden met het aanplanten van soorten die zonlicht van de bosbodem af kunnen houden. Zodra het kan moet dit gebeuren met essen die resistent zijn voor de schimmel die essentaksterfte veroorzaakt. • De verruigde bodembegroeiing zoals braam moet vaker verwijderd ­worden. Uiterwaarden Lek Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het Natura 2000-­gebied. De overgangszones zijn goed te gebruiken voor de connectiviteit. De aanvullende maatregelen zijn onder andere gericht op: • het beëindigen van intensieve landbouwpraktijken binnen het gebied; • het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische depositie­ waarde (KDW); • het verschralen van te rijke bodem; • optimalisatie van het beheer; • het (deels) terugbrengen van de dynamische waterstanden; • als de benodigde oppervlaktes van de habitattypes niet binnen de ­begrenzing van het Natura 2000-gebied kunnen worden gerealiseerd, zal er buiten de begrenzing gezocht moet worden naar geschikte locaties; • Voor kamsalamander moeten de bestaande poelen verbeterd worden, moeten nieuwe poelen gerealiseerd worden en moet de verbinding met leefgebieden buiten Uiterwaarden Lek worden versterkt. Zouweboezem Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen als buiten het Natura 2000-­gebied.

De overgangszones zijn goed te gebruiken voor de connectiviteit. De aanvullende maatregelen zijn onder andere gericht op: • het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische depositie­ waarde (KDW) • verhogen van het peil en de peildynamiek • het verbeteren van de waterkwaliteit • het uitvoeren van specifiek beheer • het verminderen van de ganzenpopulatie in het gebied • het vergroten van de oppervlakten en het onderling verbinden van ­leefgebieden binnen en buiten de gebiedsgrenzen • Ook moet de stikstofdepositie verder worden teruggebracht.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Botshol Voor Botshol kan een overgangszone gecombineerd worden om de w ­ ater­kwaliteit te verbeteren en om wegstromen van oppervlaktewater te verminderen. ­Aanvullende maatregelen zijn nodig, zowel binnen en als buiten het N ­ atura 2000-gebied, om de gunstige staat van instandhouding te realiseren. Het ­waterbeheer, de bodem, de stikstofdepositie en het beheer en onderhoud van de habitattypen zelf zijn de belangrijkste stuurknoppen om de kwaliteit te v­ erbeteren. • Het terugbrengen van de stikstofdepositie tot de kritische depositie­ waarde (KDW) • Het habitattype Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden zal niet op eigen kracht kunnen terugkeren en zal moeten worden geherintroduceerd nadat de (a)biotische conditities op orde zijn. • Hiervoor dient aanvullend op de reeds geplande maatregelen onder ­andere de visstand van soorten zoals de brasem te worden gereduceerd. De overgangsvegetaties en drogere habitattypen zijn nog aanwezig, maar veelal van matige kwaliteit. • Vanwege het wegstromen van water is momenteel inlaat noodzakelijk, waardoor oplossingen zowel gezocht moeten worden in optimalisatie van het peilbeheer, de waterkwantiteit, als de waterkwaliteit van het in te laten water. Voor een robuust systeem is verbetering van al deze ­stuurknoppen noodzakelijk.

• Ook is extra inzet nodig om het watersysteem te herstellen in het ­omliggende gebied, zoals het aanzienlijk verhogen van het peil om ­wegzijging te verminderen • De atmosferische stikstofdepositie moet verlaagd worden voor de ­ontwikkeling van de veenmosrietlanden. • De verruiging van terrestrische natuur dient te worden tegengegaan met adaptief verschralingsbeheer. • Invasieve exoten dienen te worden aangepakt. • Veenmosrietlanden kunnen op gecontroleerde wijze worden geplagd • Moerasbossen kunnen worden omgevormd tot hoogveenbos en ­veenmosrietland. • Lichtvervuiling dient te worden aangepakt. Noorderpark (onderdeel van N2000 Oostelijke Vechtplassen) In de NDA is niet gemeld dat een overgangszone nodig is voor het V ­ ogelrichtlijn deel en mogelijk wel voor het Habitatrichtlijn deel. Relatie met de Blauwe ­agenda is aanwezig waarbij de hydrologische relatie met de Utrechtse Heuvelrug ­belangrijk is.

39

Aanvullende maatregelen zijn nodig om de gunstige staat van instandhouding te behalen: • Toename van bufferend grondwater is een belangrijke maatregel om ­plassen te krijgen met Kranswierwateren en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, maar ook voor Trilvenen is aanvulling van grondwater een vereiste, waarbij ook het Blauwgrasland zal profiteren. Hier is nader ­onderzoek nodig om precies te kunnen bepalen welke maatregelen­buiten en binnen het Natura 2000-gebied genomen dienen te worden. • Daarnaast is exotenbestrijding een belangrijk aandachtspunt. • Rietontwikkeling en aanleg van pioniersmoerassen met slikkige zones zijn nodig voor de verschillende soorten reigers en Porseleinhoen. Nieuwkoopse plassen en de Haeck incl schraalland langs de Meije Aanvullende maatregelen zijn nodig om de gunstige staat van instandhouding te behalen: • Inrichten van de bufferstrook • Aanleg van een siflon waarbij oppervlaktewater uit de Nieuwkoopse ­plassen kan worden aangevoerd. Rijntakken Komt na juli Lingegebied & Diefdijk Aanvullende maatregelen zijn nodig om de gunstige staat van instandhouding te behalen.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

40

Bijlage 3 • Bijlage 3A • Bijlage 3B • Bijlage 3C • Bijlage 3D

Concretisering Bossenstrategie De provincies is gevraagd om in de gebiedsprogramma’s te verankeren waar de maatregelen uit de Bossenstrategie moeten komen, welke bostypen dat moeten zijn om optimaal bij te dragen aan de VHR-opgave voor bos en waar verdere maatregelen worden getroffen ter revitalisering (Ontwikkeldocument Nationaal Programma Landelijk Gebied, 2022). Het ruimtebeslag dat met de uitvoering van de Bossenstrategie is gemoeid, wordt gebruikt als onderlegger voor keuzes binnen het UPLG die een ruimtelijke impact hebben. In deze bijlage is de gevraagde uitwerking, conform de richtlijnen uit de Handreiking Nationaal Programma Landelijk Gebied (2023), opgenomen.

Realisatie nieuw bos in 2030

Aantal ha

Binnen NNN

948

Buiten NNN

500

Boscompensatie N2000

52

Totaal

1500

1. Aantal hectare nieuw bos binnen het NNN in 2030

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Realisatie nieuw bos in NNN

Aantal ha

Nog te realiseren NNN

320

Omvorming

180

Groene contour

448

Totaal

948

41

2. Aantal ha nieuw bos buiten het NNN in 2030 (inclusief ­verkenningen beekdalen en rijkspartijen met grondposities)

Bostype

Totaal nieuw areaal natuur (bos)

Nieuw areaal, mogelijk binnen bestaande NNN

Nieuw te realiseren areaal natuur (bos)

Realisatie nieuw bos buiten NNN

Aantal ha

Vochtige bossen

125

25

100

Groene dooradering

120

Droge bossen

170

110

60

Agroforestry

300

60

-

60

Rondom steden en dorpen

80

Bossen met productiefunctie

Totaal

500

Totaal

355

135

220

3. Aantal ha nieuw bos bovenwettelijke compensatie in 2030 Realisatie Boscompensatie N2000

Aantal ha

Boscompensatie Natura 2000

52

Totaal

52

4. Bijdrage bosuitbreidingen aan VHR Bostype

Totaal nieuw areaal natuur (bos)

Nieuw areaal, mogelijk binnen bestaande NNN

Nieuw te realiseren areaal natuur (bos)

Vochtige bossen

37,5

7,5

Droge bossen

51

Bossen met productiefunctie Totaal

5. Aantal ha bos wat omgevormd wordt naar andere natuur Op basis van de ‘Bos Heide notitie’ (vastgesteld door GS, 2018) is het nog ­mogelijk om 33 ha bos om te vormen naar heide en zandverstuivingen. H ­ ierbij geldt dat bij uitzondering een ontheffing geldt voor compensatie. 6. Maatregelen om bestaand bos te revitaliseren, uitgesplitst in 2030 en 2050 Maatregelen om bestaand bos te revitaliseren zijn uitgewerkt in het Revitaliseringsplan. Dit is op te vragen via strategisch_bosbeleid@provincie-utrecht.nl. Het Revitaliseringsplan zal de komende maanden verder aangescherpt worden en voor besluit­vorming worden voorgelegd aan GS. 7. Klimaat Berekening CO2 opslag opgave bossenstrategie provincie Utrecht op basis van cijfers Klimaatakkoord. Bosrealisatie

hectare

Mton/jaar

30

Bosuitbreiding

900

0,004

33

18

Omvorming bos

180

0,0006

18

-

18

Agroforestry

300

0,0009

106,5

40,5

66

Groene dooradering

120

0,0005

Totaal

1500 ha

0,006 Mton/jaar

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

42

Bijlage 3 • Bijlage 3A • Bijlage 3B • Bijlage 3C • Bijlage 3D

Emissie en d ­ epositie van ­ stikstof in Natura 2000­gebieden voor zover ­gelegen op het grondgebied van de provincie Utrecht 1. Emissies van NOx en NH3 in Utrecht in het referentiejaar 2018 (bron: dataset van de Emissie Registratie die tevens gebruikt is om de r­ eferentie situatie voor de uitgangssituatie van het NPLG vast te stellen).

Sector

NOx emissie in kg per jaar

komt overeen met x kg N

NH3 emissie in kg per jaar

komt overeen met x kg N

totaal kg N per sector

Energie

577.442

173.233

801

649

173.882

Industrie

654.297

196.289

15.655

12.681

208.970

Landbouw

1.903.476

571.043

4.912.701

3.979.288

4.550.331

Scheepvaart

2.063.816

619.145

487

395

619.539

Vervoer en overig verkeer

1.544.636

463.391

532

431

463.821

Wegverkeer

7.425.247

2.227.574

427.261

346.082

2.573.656

Luchtvaart

19.758

5.928

0

5.928

Overige sectoren

1.043.714

313.114

722.104

584.904

898.019

Totaal

15.232.386

4.569.716

6.079.542

4.924.429

9.494.145

2. Mate van overbelasting van de stikstofgevoelige delen van de ­Utrechtse ­Natura2000 gebieden Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

43

Het percentage geeft aan welk deel van het oppervlak met stikstofgevoelige ­habitats in welke mate wordt overbelast. (bron: Aerius monitor 2022 op basis van data uit 2020)

Natura2000 gebied

geen overbelasting

naderende overbelasting

lichte overbelasting

matige overbelasting

sterke overbelasting

Binnenveld

2,6%

42,4%

7,9%

45,9%

1,2%

Botshol

48,6%

0,0%

0,1%

50,3%

1,1%

Kolland & Overlangbroek

97,9%

0,2%

0,0%

1,9%

0,0%

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

66,1%

9,6%

8,5%

15,9%

0,0%

Nieuwkoopse Plassen & De Haeck

0,2%

0,0%

46,8%

53,0%

0,0%

Oostelijke Vechtplassen

94,3%

0,6%

0,3%

4,6%

0,2%

Rijntakken

97,6%

1,2%

0,4%

0,8%

0,0%

Uiterwaarden Lek

57,9%

13,5%

17,0%

11,6%

0,0%

Zouweboezem

75,4%

4,7%

0,8%

19,1%

0,0%

3. Depositie en herkomst van de depositie per N2000 gebied Met behulp van de Data Analyse Stikstof Herkomst (DASH 20221) van het RIVM is voor de Provincie Utrecht afgeleid wat de geografische herkomst van de depositie is (in mol NH3/jaar), voor de Natura2000 gebieden die (deels) gelegen zijn in de Provincie Utrecht. Per Natura2000 gebied is in een tabel de geografische herkomst van de depositie aangegeven. In de tabel is de depositie die afkomstig is van buitenlandse bronnen niet opgenomen. De aanduiding ‘continentaal plat2’ duidt de depositie aan die afkomstig is van bronnen van zee3.

De herkomst naar sector is in het staafdiagram weergegeven. Hierbij is de ­ situatie in 2018 weergegeven en de prognose voor de relatieve bijdrage per sector uit ­Aerius Monitor voor de jaren 2020, 2025 en 2030. De kleuren in de staafdiagrammen representeren de volgende sectoren:

Buitenland Overige sectoren Scheepvaart Wegverkeer

1 Hiervoor is gebruik gemaakt van de Data Analyse Stikstof Herkomst (DASH) dataset van het RIVM, data.rivm.nl/data/stikstof/DASH/2022/ met een ruimtelijke selectie op de regio Provincie Utrecht. 2 Het Nederlandse Continentaal Plat (NCP) is gelijk aan de Nederlandse Exclusieve Economische Zone (EEZ). 3 Met name scheepvaart en industriële activiteiten op zee Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

Vervoer en overig verkeer Industrie Landbouw

44

Botshol Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

1274,1

Drenthe

270,8

Flevoland

905,8

Fryslân

645,8

Gelderland

2597,5

Groningen

220,4

Limburg

321,9

50

Noord-Brabant

2741,4

40

Noord-Holland

12634,1

Overijssel

866,2

Utrecht

18920,2

20

Zeeland

1112,1

10

Zuid-Holland

10440,6

totaal

52950,9

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

45

Zouweboezem Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

215,2

Drenthe

41,8

Flevoland

88,3

Fryslân

85,4

Gelderland

944,1

Groningen

36,2

Limburg

98,2

50

Noord-Brabant

1438,9

40

Noord-Holland

383,5

Overijssel

142,2

Utrecht

6089,9

20

Zeeland

338,1

10

Zuid-Holland

3362,0

totaal

13263,9

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

46

Kolland en Overlangbroek Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

815,9

Drenthe

236,0

Flevoland

563,6

Fryslân

439,0

Gelderland

14941,3

Groningen

187,5

Limburg

618,4

50

Noord-Brabant

7080,9

40

Noord-Holland

1486,4

Overijssel

929,4

Utrecht

27244,3

20

Zeeland

953,8

10

Zuid-Holland

4162,7

totaal

59659,1

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

47

Binnenveld Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

146,7

Drenthe

51,1

Flevoland

129,0

Fryslân

94,4

Gelderland

5249,5

Groningen

39,4

Limburg

151,4

50

Noord-Brabant

1469,7

40

Noord-Holland

279,5

Overijssel

223,4

Utrecht

3167,4

20

Zeeland

164,6

10

Zuid-Holland

612,0

totaal

11778,1

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

48

Oostelijke Vechtplassen Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

29646,4

Drenthe

7786,6

Flevoland

31956,6

Fryslân

17512,4

Gelderland

98439,5

Groningen

5995,7

Limburg

9724,5

50

Noord-Brabant

86648,9

40

Noord-Holland

307762,8

Overijssel

26865,2

Utrecht

423268,8

20

Zeeland

27898,0

10

Zuid-Holland

209785,9

totaal

1283291,3

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

49

Nieuwkoopse Plassen & de Haeck Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

6689,9

Drenthe

1180,3

Flevoland

3090,7

Fryslân

2672,6

Gelderland

12838,2

Groningen

1014,6

Limburg

1751,6

50

Noord-Brabant

16698,4

40

Noord-Holland

21710,9

Overijssel

3716,0

Utrecht

56409,9

20

Zeeland

7209,9

10

Zuid-Holland

123971,4

totaal

258954,4

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

50

Lingegebied en Diefdijk Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

2122,0

Drenthe

464,2

Flevoland

897,8

Fryslân

883,6

Gelderland

53556,3

Groningen

385,4

Limburg

1347,3

50

Noord-Brabant

25800,4

40

Noord-Holland

3327,0

Overijssel

1615,6

Utrecht

26694,9

20

Zeeland

3489,1

10

Zuid-Holland

24697,7

totaal

145281,2

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

51

Rijntakken Geografische herkomst depositie herkomst

mol/jaar

Continentaal Plat

44475,2

Drenthe

30675,1

Flevoland

64562,3

Fryslân

44965,5

Gelderland

1787362,6

Groningen

17248,2

Limburg

85275,7

50

Noord-Brabant

585062,9

40

Noord-Holland

80991,0

Overijssel

370255,0

Utrecht

216214,2

20

Zeeland

47226,8

10

Zuid-Holland

151030,6

totaal

3525345,1

100

%

90 80 70 60

30

0

2018

2020

buitenland

overige sectoren

vervoer en overig verkeer

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

2025

2030

scheepvaart

wegverkeer

industrie

landbouw

52

4. Monitoring van stikstof De monitoring van stikstof heeft zowel betrekking op emissie als depositie. Monitoring stikstof (ammoniak)emissie De stikstofopgave die Utrecht van het Rijk heeft gekregen heeft betrekking op de reductie van ammoniakemissie uit de landbouw met 46 % in 2030 ten opzichte van het referentiejaar 2018. Voor het monitoren van de emissiedoelstelling zijn de provincies afhankelijk van het RIVM, omdat de provincies zelf niet beschikken over de data die daarvoor nodig zijn. Het betreft de zogenaamde meitellingsgegevens. Op dit moment wordt de monitoringsaanpak uitgewerkt door Rijk en provincies in samenspraak met het RIVM. Monitoring stikstof(ammoniak)depositie Met betrekking tot de monitoring van stikstofdepositie wordt primair aangesloten bij de landelijke meetnetten voor het meten van stikstof concentraties in de lucht en depositie op de grond. Een belangrijk meetnet is het MAN (Meetnet Ammoniak Natuurgebieden). Momenteel vinden er geen MAN metingen plaats in de provincie Utrecht, wat gevolgen kan hebben voor de kalibratie van gebruikte stikstofmodellen in AERIUS. Wij zijn daarom van plan om meetpunten toe te voegen in alle Natura 2000-gebieden die geheel of gedeeltelijk in Utrecht liggen. Het uitbreiden van het aantal meetpunten is een verfijning van het al reeds bestaande (en betrouwbare) meetnet.

Daarnaast willen wij meetpunten plaatsen op de Utrechtse Heuvelrug in verband met de verhoogde stikstofgevoeligheid. Meetnet stikstof FoodValley In de regio FoodValley is in de afgelopen jaren een meetnetwerk opgezet dat van groot belang wordt geacht voor de (grote) stikstofopgave in de regio. Utrecht levert hier een bijdrage aan via het spoor van de Regio Deal. Deze loopt per eind 2024 af. De vraag moet beantwoord worden wat er daarna met het meetnetwerk gaat gebeuren. Het is goed denkbaar dat het meetnetwerk ook na 2024 wordt gecontinueerd of eventueel zelfs uitgebreid.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

53

Bijlage 4

Eerste overzicht van de ­instrumentenkoffer Deze bijlage omvat een tabel met daarin een opsomming van (binnenkort) beschikbaar instrumentarium, gerangschikt op de vier thema’s van het UPLG. Het geeft een eerste overzicht van het beschikbare instrumentarium zonder volledig te willen en kunnen zijn. Het instrumentarium is immers voortdurend in ontwikkeling. Terwijl de gebiedsprocessen gaan lopen, zal deze lijst als uitgangspunt worden gebruikt en de basis vormen om de instrumentenkoffer gaandeweg te vullen en aan te passen.

Concept Utrechts Programma ­Landelijk Gebied, versie UPLG 1.0

54

Thema

Provinciaal Doel

Instrument

Uitleg

Overkoepelend

Deze instrumenten dienen óf meerdere doelen tegelijk óf zijn nodig ter ondersteuning van het andere instrumentarium.

Grond: 1.a. Grondbeleid 1.b. Provinciale Grondbank 1.c. Grondstrategieplan 2. Utrechtse stikstofdepositiebank 3. Algemene subsidieregeling Gebiedsgerichte aanpak Landelijk Gebied 4. Systematiek Friesland

1. Grond is de motor in gebiedsprocessen. Beschikbaarheid van grond is nodig om schuifruimte te creëren in gebiedsprocessen. De stikstofdepositiebank zal binnenkort in werking worden gesteld. 3. Hieronder krijgen alle doelstellingen van het UPLG een plek. Dit maakt het invoeren van nieuwe regelingen eenvoudiger, en zorgt ervoor dat er een centrale plaats is waar de verschillende doelen zichtbaar zijn in een provinciale regeling. 4. In Friesland is een systematiek ontwikkeld waarbij via bestaand instrumentarium tot 98% van de vermogens- en inkomensschade gecompenseerd kan worden. Deze systematiek van flankerend beleid is ontwikkeld samen met de landbouwsector en is nu opgepakt door een nationale werkgroep vanuit het ministerie van LNV. Utrecht heeft interesse om een botsproef te doen met deze systematiek in onze provincie. Deze manier van financieel compenseren is namelijk kansrijk voor Utrecht omdat het aansluit bij de Utrechtse gebiedsgerichte aanpak vanuit vrijwillige - marktconforme verwerving van gronden op basis van samenwerking en vertrouwen. Vermogens- en inkomensschade kan voor elk perceel apart en vóóraf worden berekend. Dit helpt in het draagvlak omdat de agrariër vooraf inzicht krijgt in de consequenties en opties in de gebiedsprocessen. De compensatie van vermogensschade kan worden gegeven in vorm van zowel grond als geld.

Door te compenseren via grond wordt bijgedragen aan een duurzaam landbouwkundig perspectief voor blijvende agrarische bedrijven. Borging vindt plaats via bestaand instrumentarium zoals de WILG, het peilbesluit en de omgevingsvisie van gemeenten. Kavelruil kan daarvan onderdeel uitmaken. Dit is mogelijk op zowel vrijwillige basis of via verplichting (via de wettelijke variant van de WILG). De systematiek wordt genotificeerd bij de Europese Commissie zodat duidelijk is dat dit kan worden gehanteerd binnen de vigerende staatssteunkaders. De methode kent een objectieve en wetenschappelijk gefundeerde basis via o.a. de Water Wijzer Landbouw.

Water

KRW: 1. Waterkwaliteit Nutriënten grond- en oppervlaktewater Gewasbestrijdingsmiddelen 2. Waterkwantiteit 3. Hydrologische conditie Natura2000 in orde

1.a. het Deltaprogramma Agrarisch Waterbeheer (DAW). 1.b. subsidiemogelijkheden van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) 1.c. subsidiemogelijkheden uit het Nationaal Strategisch Plan (NSP/GLB). 1.d. Ruimtelijk: zonering 2/3. Grondwateronttrekkingsplafond

1.a. Verschillende maatregelen die bijdragen aan verbetering van waterkwaliteit vallen hieronder: aanpassing in bedrijfsvoering, technische maatregelen en aanvullende maatregelen bij de boer zoals bijvoorbeeld bufferstroken en vernatting. 1.e. Het NPLG vraagt provincies om zones in te richten langs beken in de zandprovincies, rond N2000-gebieden en rond drinkwaterwinningen. Hieraan kan invulling worden gegeven door inzet van ruimtelijk instrumentarium, complementair aan landelijk beleid (nutriënten en bestrijdingsmiddelen) en onder de voorwaarde dat het rijk de middelen beschikbaar stelt waarmee landbouwers in bedoelde zones een perspectief kan worden geboden. 2/3. Voor het behouden van de goede kwantitatieve staat van de grondwaterlichamen en het versterken van grondwaterafhankelijke functies (waaronder Natura 2000-gebieden en drinkwaterwingebieden). De vorm en inhoud van het onttrekkingsplafond wordt in de komende jaren bepaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/544/documents/17158