CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A13.2 Ontwikkelperspectief Groene Hart-vs mei 2024 definitief_4.pdf

Gemeenteraad 28 mei 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 5: Vaststellen wijze van afdoening van de ingekomen stukken13.501 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

Ontwikkelprincipe: 7.

Geef (naast de sectoren landbouw en recreatie/toerisme) prioriteit aan sectoren die passend en veelbelovend zijn voor kwaliteiten en leefbaarheid van het gebied en die de economie van het Groene Hart verder versterken.

4.7 Bouwen In het Groene Hart wordt volop gewoond en gewerkt. Uit het doel van het perspectief om het Groene Hart als waardevol geheel

zich meebrengen. Het heeft daarom de voorkeur te bouwen op kleigronden en niet in veengebieden en diepe polders. Bouwen in veengebieden en diepe polders is niet uitgesloten, in verband met lokale woningbehoefte en lokale bedrijvigheid. Hiervoor gelden

te behouden volgt logischerwijs voort dat er beperkingen en

dan wel klimaatbestendigheid en bodemdalingsbestendigheid

voorwaarden zullen moeten zijn voor het ruimtebeslag van woningen

als randvoorwaarden; de dikte en het type van het veenpakket is

en bedrijven. Daarnaast kan bouwen op zakkende veenbodems en

daarbij een van de relevante factoren. Advies is om bij afweging

diepe polders op lange termijn grote maatschappelijke kosten met

voor bouwlocaties altijd rekening te houden met de volledige

31

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

levenscyclus van bebouwing en de openbare ruimte, dus ook de kosten voor beheer en onderhoud van het gebied als geheel.

4.8 Natuur en biodiversiteit De Natura-2000 instandhoudingsdoelen en het voldoen aan de Kaderrichtlijn Water zijn belangrijke doelen voor (verbetering

Ontwikkelprincipe: 8.

Bouw woningen en bedrijventerreinen bij voorkeur op de kleigronden en niet in veengebieden en diepe polders. Bouwen in veengebieden en diepe polders is daarmee niet uitgesloten, in verband met de behoefte aan ruimte voor lokale woningbouw en bedrijvigheid. Hiervoor gelden dan wel klimaatbestendigheid en bodemdalingsbestendigheid als randvoorwaarden.

van) de kwaliteit van het Groene Hart. Het gaat om het tot stand brengen en versterken van een robuust natuurnetwerk, gericht op het bereiken van een basiskwaliteit voor de natuur en op ecosysteemherstel (met kenmerkende biodiversiteit). Ook aandacht voor kenmerken soorten buiten Natura-2000 gebieden is van belang, zoals weidevogels. Kansen hierbij zijn de transitie van het landelijk gebied en het daarmee bevorderen van de biodiversiteit, en waar nodig reductie van stikstofdepositie in natuurgebieden. Ook het realiseren van 10% groenblauwe dooradering draagt bij. Verhogen van de grondwaterstand in delen van het gebied

Positie provincie Zuid-Holland: Zuid-Holland kan aan de uitwerking van 4.7 (bouwen) en het ontwikkelprincipe 8 geen uitvoering geven vanwege strijdigheid met het ruimtelijk voorstel en het coalitieakkoord van Zuid-Holland. In het ruimtelijk voorstel maakt Zuid-Holland (ruimtelijke) keuzes omdat niet alle opgaven passen in de beperkte ruimte. Dit mede als antwoord op de vragen die het Rijk heeft gesteld in het ‘Provinciaal startpakket fysieke leefomgeving’ van 12 december 2022.

32

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

kan echter door uitspoeling van fosfaten nadelig zijn voor de waterkwaliteit. Partijen zijn bereid om dit effect op de korte termijn te accepteren nemen als daarmee CO2-reductie voor de lange termijn wordt bewerkstelligd. Met onder meer het rijk moet wel worden overlegd over de impact op het doelbereik van de KRW en de vraag hoe daarmee om te gaan.

Ontwikkelprincipe: 9.

Behaal de wettelijke doelen voor natuur en waterkwaliteit (VRH en KRW) en verbeter daardoor de biodiversiteit en waterkwaliteit in het gebied.

Afhankelijk van keuzes met betrekking tot de verhoging van grondwaterstanden in veengebieden kunnen meer mogelijkheden ontstaan

voor

natuurontwikkeling,

zowel

door

agrarisch

natuurbeheer,door de realisatie van de groen-blauwe dooradering (landelijke doelstelling is 10% van het landelijk gebied in 2050) als door eventuele transformatie van landbouwgrond. Dit kan de landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit van het Groene Hart versterken, en daarmee ook de toeristische sector.

4.9 Mobiliteit en verbindingen Een goed bereikbaar Groene Hart is van grote betekenis voor de kwaliteit van leven en de economie voor de inwoners van zowel het Groene Hart als van de omringende steden. Om de vitaliteit van bestaande bebouwing te versterken en om de ontwikkeling van de recreatie en toerisme te bevorderen is verbetering van

33

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

ov-verbindingen,

fietsverbindingen,

bestaande

infrastructuur

4.10 Erfgoed en landschap

(waaronder weg- en vaarwegen) noodzakelijk, met bijzondere

Het Groene Hart kent belangrijk cultuurhistorisch erfgoed. Benut

aandacht voor duurzame mobiliteitsoplossingen om de druk op het

dit erfgoed voor de opgaven die het gebied kent. Zo kan verhoging

wegennet te verlichten. Bij het verbeteren van de bereikbaarheid

van de grondwaterstanden in het veenweidegebied worden

kunnen watergangen, waterbergingsgebieden, onderhoudspaden

gerealiseerd door gebruik te maken van de inundatievelden

en ecologische verbindingen worden benut. Een groen-blauw

van de Oude en Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van

raamwerk kan daarmee bijdragen aan zowel betere mobiliteit als

Amsterdam.

aan meer leefkwaliteit. Goede routenetwerken kunnen aansluiting bieden op het stedelijk netwerk binnen en aan de randen van het Groene Hart. Mobiliteitshubs bij stadsrandzones zijn belangrijk als schakels tussen de steden en het omliggende gebied. Om het karakter van het Groene Hart te behouden is aanleg van nieuwe grootschalige weginfrastructuur niet wenselijk. Met name het veenweidegebied is daarvoor minder geschikt.

Ontwikkelprincipe:

Het landschap van het Groene Hart is een belangrijke drager van

10. Verbeter de verbindingen naar en binnen het Groene Hart, met een voorkeur voor het versterken van OV, fiets- en vaarverbindingen.

ruimtelijke kwaliteit in West-Nederland, en heeft een belangrijke functie als binnentuin van de Randstad. Door de landschappelijke samenhang van deze ‘binnentuin’ met de omliggende landschappen

34

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

van Kust, IJsselmeer, Rivierengebied en Delta te versterken

geformuleerd voor (duurzame) energieopwekking. Landelijk moet

ontstaat een robuuste en toekomstbestendige landschappelijke

in 2030 35 TwH op land zijn gerealiseerd; naar verwachting volgt na

hoofdstructuur en ook een ecologische verbinding. Daarmee neemt

2030 weer een nieuwe/extra doelstelling. Van het Groene Hart mag

de betekenis van het Groene Hart toe. Dit biedt de juiste balans en tegenwicht ten opzichte van de groeiende verstedelijking van en in de Randstad. Daarnaast kent het uiteraard ook een duidelijke wisselwerking met de omringende steden. Kansen liggen er ook in het verbeteren van de kwaliteit en beleefbaarheid van grote stille landschappen en het versterken van groene scheggen tot groene zones die stad en landschap beter met elkaar verbinden, zodat de identiteit van het Groene Hart wordt behouden of versterkt.

Ontwikkelprincipe: 11. Benut het cultuurhistorisch erfgoed voor de opgaven die het gebied kent. Versterk de aanwezige cultuurhistorische waarden voor meer kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

4.11 Energieopwekking De beschikbaarheid van voldoende energie is randvoorwaardelijk voor (duurzaam) wonen en een sterke (duurzame) lokale economie. Voor het Groene Hart is geen afzonderlijke opgave

worden verwacht dat zij daaraan ook een bijdrage levert. Het gebied kent zeven RES-regio’s waarvoor plannen worden uitgewerkt.

Er

is

ruimte

voor

meer

duurzame

energie-

opwekking in het gebied; partijen zien hiervoor niet alleen een verantwoordelijkheid, maar ook kansen. Het ontwerpend onderzoek ‘Groene energie in het Groene Hart 2050’ bevestigt dit. De inpassing van energieopwekking vergt in het landschap van het Groene Hart maatwerk. Kansen liggen, omdat het gebied waterrijk is, naast wind- en zonne-energie ook bij aquathermie.

Ontwikkelprincipe: 12. Maak duurzame energieopwekking in het Groene Hart mogelijk, zowel vanwege gezien de grote landelijke opgave voor energieopwekking als vanwege de kansen voor de regionale economie. Zoek daarbij naar mogelijkheden die goed aan aansluiten bij de kwaliteit van het landschap.

35

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

4.12 Drinkwatervoorziening Het voorzien in voldoende drinkwater van goede kwaliteit is een probleem voor de toekomst van het Groene Hart en het omliggende stedelijke gebied. Oorzaken hiervan zijn toenemende perioden van droogte en een stijgende vraag naar drinkwater in zowel Nederland als in de buitenlandse stroomgebieden van de grote rivieren. Keuzes voor verhoging van de grondwaterstand moeten daarom in samenhang worden bezien met de beschikbaarheid van voldoende zoet water voor de drinkwatervoorziening. Daarnaast zijn er ook kwalitatieve opgaven: zowel verzilting als verontreiniging kunnen de geschiktheid van locaties voor drinkwatervoorziening bedreigen.

Ontwikkelprincipe: 13. Zorg voor voldoende plekken voor drinkwaterbronnen van voldoende kwaliteit in het gebied en maak keuzes voor verhoging van de grondwaterstand in samenhang met de beschikbaarheid van voldoende zoetwater van voldoende kwaliteit voor de drinkwatervoorziening in het gebied.

36

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

5. Naar een nieuw toekomstbeeld Toepassing van het Ontwikkelperspectief en de bijbehorende ontwikkelprincipes zal ertoe moeten leiden dat het Groene Hart ook over enkele decennia herkenbaar is en blijft als een groen, leefbaar en economisch vitaal gebied, zowel binnen de Randstand, binnen Nederland als Internationaal. Een gebied met een mix van landschappen waarin enerzijds de historie van oude cultuurlandschappen zichtbaar is, maar ook nieuwe vormen van landgebruik opdoemen die passen bij de kansen en opgaven van de 21ste eeuw. Wanneer het uitgangspunt ‘water en bodem zijn sturend’ wordt toegepast, en wanneer beperking van de bodemdaling met name in het veenweidegebied daadwerkelijk wordt beoogd en gerealiseerd, zijn er beperkingen én kansen. Verhoging

van

grondwaterstanden

in

veengebieden

is

onontkoombaar, en zal gedeeltelijk leiden tot een andere landbouw en beperkingen opleggen aan zowel nieuwe woningbouw als aan (industriële) bedrijvigheid. Tegelijk ontstaan grote kansen voor biodiversiteit, nieuwe natuur, recreatie en toerisme, en een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor het midden- en kleinbedrijf, ook in de dienstensector en voor de landbouw passend bij de karakteristieken van het gebied.

37

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bestaande bebouwing in landelijk gebied zal beter tegen verzakking

Ook energieopwekking, wateropslag, natuurbeheer en recreatie

zijn beschermd. Nieuwe woningen, in het bijzonder voor de al

kunnen aanwezig zijn. Wanneer gekozen wordt voor verregaande

aanwezige inwoners en hun families, zijn op daarvoor in aanmerking

verhoging van grondwaterstanden in het veengebied zullen ook

komende plekken in het Groene Hart geclusterd gerealiseerd. In de

droogmakerijen naar verwachting transformeren, als gevolg van

eerste plaats op kleibodems. Maar ook duurzame en betaalbare

beperking van de zoetwateraanvoer. Mogelijke alternatieven zijn

woningconcepten in het veengebied kunnen ruimte bieden aan

meer ruimte voor opwekking van duurzame energie, andere typen

woningzoekenden, afhankelijk van het tempo van innovatie.

teelten en wateropslag.

Met name de landbouw staat voor een grote opgave. Die zal voor

Het verleden heeft laten zien dat het Groene Hart zich altijd heeft

een aantal bedrijven kunnen worden ingevuld door extensivering, door andere teelten, en door andere bronnen van inkomsten dan agrarische voedselproductie. Steun van de overheid, onder meer

ontwikkeld een aangepast aan veranderende omstandigheden. Waarom zouden we dat nu niet kunnen?

door adequate beloning van groen-blauwe beheerdiensten is daarvoor een voorwaarde. Het Groene Hart als geheel is door betere OV-, fiets en vaarverbindingen beter toegankelijk. Door de combinaties van verbeterde mobiliteit en nieuwe recreatiefuncties in het landschap, zal het gebied meer een uitloopgebied voor inwoners van de Randstad en toeristen worden. Wie door het Groene Hart wandelt, fietst, rijdt of vaart zal een natter en diverser landschap zien. De veenweiden blijven overwegend een open en uitgestrekt karakter houden en kunnen in verschillende mate een hogere grondwaterstand hebben, waardoor meer extensievere vormen van landbouw zichtbaar zijn.

38

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

6. Vervolgproces De volgende stap in het NOVEX-proces is het ontwikkelen van een Uitvoeringsagenda en een bijbehorende Regionale Investeringsagenda. In deze fase werken de betrokken partijen aan het maken van afspraken en het realiseren daarvan voor (delen van) het Groene Hart. Parallel daaraan zullen nadere keuzes gemaakt moeten worden onder meer met betrekking tot een aantal vraagstukken die naar voren zijn gekomen bij de voorbereiding van het Ontwikkelperspectief 1.0 (zie bijlage 2). Deze keuzes kunnen samen met opgedane praktijkervaring en aanvullend onderzoek (zie bijlage 3) er toe leiden dat het Ontwikkelperspectief wordt geactualiseerd tot een 2.0 versie. Dat zal door het Bestuurlijk Platform nader worden bezien. Om het geschetste toekomstbeeld te ontwikkelen en te realiseren is samenwerking tussen alle betrokkenen een voorwaarde. De betrokken overheden, samenwerkend in het Platform Groene Hart, nemen daarbij een bijzondere plaats is. Zij vertegenwoordigen immers de inwoners van het gebied, stellen de doelen, maar moeten

Tenslotte het volgende. Het OWP 1.0 bevat een visie op de toekomst van het Groene Hart. Zo’n visie is nodig om een punt op de horizon

ook de gewenste ontwikkeling op alle mogelijkheden manieren

te zetten en om het beleid in de goede richting te sturen. Maar

ondersteunen. Ook de inwoners van het gebied, het bedrijfsleven

een visie is natuurlijk niet voldoende; er moet ook naar gehandeld

en de maatschappelijke organisaties die in het gebied actief zijn

worden. Het Bestuurlijk Platform rekent én vertrouwd er op dat dat

moeten bij de verdere ontwikkeling worden betrokken.

daadwerkelijk gaat gebeuren.

39

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bijlage 1. Geraadpleegde bronnen •

Expertteam Groene Hart (2023). Toekomstperspectief Groene Hart 2050

•

SteenhuisMeurs (2021), Landschapsbiografie Groene Hart

•

Ontwerpend onderzoek bodem, water en landgebruik (2019)

•

Ontwerpend Onderzoek Energietransitie in het Groene Hart 2050

•

RLi (2020), rapport ‘Stop bodemdaling in veengebieden’.

•

Advies Regionale Energiestrategieën en het Groene Hart (2020)

•

Van Haaren, J, van Oort, F., Boschma, R., Balland, P.A. (2022), Ruimtelijk-economische analyse van het Groene Hart en de Peel

40

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bijlage 2. Vraagstukken en te maken keuzes

wateroverlast op het maaiveld en grotere waterbehoefte. Hoe

In de totstandkoming van dit Ontwikkelperspectief 1.0 zijn een

aan lokale, gebiedsgerichte oplossingen in landgebruik.

willen de partijen in het gebied hier mee om gaan? Daarvoor werken partijen aan landelijke afspraken over wateraanvoer én

aantal vraagstukken naar voren gekomen die om nadere afweging en keuzes vragen. Deze worden hieronder kort benoemd. Overigens is dit geen limitatieve opsomming; ongetwijfeld zullen nog andere punten naar voren komen waar nadere besluiten over moeten worden genomen. 1. Hoe behouden en bevorderen we de identiteit van het Groene Hart terwijl we weten dat er forse veranderingen zullen plaatsvinden? 2. Welke

keuzes

5. Voor de langere termijn moeten ruimtelijke systeemaanpassingen worden verkend om afwenteling tegen te gaan. 6. Welke (landelijke en andere) middelen komen beschikbaar voor ondersteuning van de agrarische sector ten behoeve van de noodzakelijke transitie? 7. Het verder ontwikkelen van realistische verdienmodellen en implementeren gaat langzaam, hoe gaan we hier mee om terwijl de transities urgentie hebben 8. Zijn de partijen bereid om afspraken te maken over ruimte die

worden

gemaakt

in

hoogte

van

de

beschikbaar wordt gemaakt voor economische groei in het

grondwaterstanden ten opzichte van maaiveld in (deelgebieden)

Groene Hart, zowel als het gaat om het beperken als om het

van het veenweidegebied, in samenhang met keuzes voor het

stimuleren van specifieke sectoren in het Groene Hart?

grondgebruik (zie ook de opties in de bijlage). 3. Welk ruimtebeslag is gemoeid met de ontwikkeling en inrichting

9. Indien de woningbouwopgave voor het Groene Hart in eerste instantie binnenstedelijk

wordt gerealiseerd, en indien

van het watersysteem, en waar kan deze ruimte gevonden

overige nieuwbouw (naast de al aangewezen grootschalige

worden in samenhang met de afhankelijkheid en inlaten van de

ontwikkellocaties) alleen in beperkte mate aan de randen

wateraanvoer van elders?

worden gerealiseerd, zouden over het voorzien in de resterende

4. Aanpassen aan de extra wateropgaven als gevolg van het

woningbehoefte in het gebied afspraken moeten worden

verhogen van het grondwaterpeil geeft grotere kans op

gemaakt met omliggende gemeenten. Die hebben op hun

41

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

beurt belang bij recreatieve en toeristische mogelijkheden en voorzieningen in hun nabije omgeving. 10. Waar en in welke mate willen de betrokken partijen in het gebied meer natuur ontwikkelen en de biodiversiteit versterken? 11. Hoe gaan we om met behoud van erfgoed, indien dit onder druk zou komen te staan door de impact van klimaatverandering en door voorgenomen maatregelen in het water- en bodemsysteem? 12. De ‘openheid van het landschap’ wordt regelmatig als waarde van het Groene Hart benoemd. Hoe wordt deze kwaliteit gewogen ten opzichte van de komst van windmolens en zonneweides? Het ontwerpend onderzoek Energietransitie van het Bestuurlijk Platform Groene Hart werkte enkele richtingen uit met verbeelding hoe het landschap er dan uit kan komen te zien. Van belang is om hierover in de regio het gesprek voeren, in samenhang met de RES aanpak. Willen de partijen voor het Groene Hart als geheel een doelstelling voor energieopwekking formuleren en hierover gezamenlijk afspraken maken?

42

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bijlage 3. Suggesties onderzoeksagenda

en linten)? •

draagkracht van de ondergrond onder de huidige infrastructuur in het landelijk gebied?

In de consultatieronde voor het Ontwikkelperspectief zijn de volgende suggesties voor nader onderzoek gedaan:

Welke impact hebben de hogere waterstanden op de

•

Welke nieuwe en alternatieve methodes voor het remmen van bodemdaling zijn kansrijk en willen we in de praktijk toetsen?

Water en bodem • •

• •

•

Ruimtelijke verkenning: waar kan waterconservering het beste

of voorkomen van CO2-uitstoot. Waar ligt het optimum in kosten

opgelost worden?

en baten van deze vormen?

Voor de opties grondwaterpeil -20 cm en moeras de

•

Welke drinkwaterbedrijven leveren er allemaal drinkwater

sociaaleconomische impact en het perspectief voor inwoners

aan de mensen die wonen in het Groene Hart? Welke

en ondernemers in het gebied in beeld te brengen.

drinkwaterbedrijven (en hoeveel klanten) zijn afhankelijk van

Onderzoek naar schuurpunt zoektocht drinkwaterwinning in

water in het Groene Hart om drinkwater te maken? Hoeveel

veenweidegebied en het effect op bodemdaling

inwoners (en bedrijven) zijn afhankelijk van het drinkwater dat

Op welke wijze kunnen lokale overheden vanuit de life-cycle-cost

de drinkwaterbedrijven maken? Wat is de opgave, hoeveel extra

benadering in staat worden gesteld mede te investeren in een

drinkwater is er nodig?

goede inrichting van de benodigde en gewenste ontwikkelingen

•

Zijn er ook alternatieven mogelijk voor het reduceren, vastleggen

om zo kosten in het toekomstig beheer van de openbare ruimte

Landbouw

zoveel als mogelijk te voorkomen?

•

vanuit de eigen autonomie – de toekomst tegemoet te treden?

Wat is de impact van beoogde hogere grondwaterstanden op bestaande gebouwde functies en langs infrastructuur (bv:

Op welke wijze kan en wil de overheid de agrariërs helpen om –

•

Hoe kan voorkomen worden dat de subsidieafhankelijkheid in

vochtoverlast) en welke aanpassingen zijn hiervoor nodig in het

de agrarische sector de autonomie van de (agrarische) inwoners

watersysteem (bv: loskoppelen peilbeheer van diverse kernen

overvleugeld en er geen ruimte meer is voor ondernemerschap?

43

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Andere bedrijvigheid

Energie

•

•

Welke ruimte is er (perspectief 2050) nodig om schuifruimte te

•

de

ruimteclaim

van

duurzame

zijn. •

Is het haalbaar en wenselijk voor partijen om te investeren in

Welke ruimtewinst kan realistisch geboekt worden door

ondergrondse infrastructuur om meer energieopwekking op

intensivering in combinatie met klimaatadaptatie?

het boerenbedrijf mogelijk te maken, waarbij kwaliteitsaspecten

Met welke middelen en instrumenten kunnen wij sturen op

als landschappelijke inpassing (kleinschaligere opwek) en

de doelstellingen van beter benutten, duurzaam en intensief

toegankelijkheid vanuit de stad richting het buitengebied mee

ruimtegebruik van (nieuwe) bedrijventerreinen?

worden gewogen. •

Welke bijdrage kan het winnen van waterstof uit me leveren aan de energietransitie en op welke wijze kunnen we deze potentie

In hoeverre is verdere verdichting (door bijvoorbeeld hoger te

benutten?

in relatie tot de woningbehoefte, identiteit, ensemble-waarde

Mobiliteit en verbindingen

omgeving erfgoed en de impact op het landschap? Dit vanwege

•

Welke middelen zijn er vanuit de (rijks/provinciale) overheid

mogelijk toekomstige groeiambities van gemeenten.

en/of omliggende steden beschikbaar om de bereikbaarheid

Welke ruimte is er binnen de bestaande kernen voor realisatie en

en doorwaadbaarheid van het Groene Hart per fiets en OV te

behoud van voldoende groen,nodig om een goede leefkwaliteit

verbeteren?

te borgen bij langere periodes van hitte en weersextremen? •

wat

van de intensiever gebruik van bedrijventerreinen en kunnen

bouwen) en/of uitbreiden van de bestaande kernen verantwoord

•

brengen

energieopwekking (en bijbehorende infrastructuur) na 2030 zal

Wonen •

beeld

creëren voor de gewenste ontwikkelingen en het versterken partijen het daarover eens worden? •

In

•

Onderzoek of ruimtelijke ontwikkelingen gekoppeld kunnen

In welke generieke behoefte aan woningbouw (denk onder

worden aan regiopoorten zoals Woerden en Breukelen met qua

meer aan de huisvesting van vluchtelingen, groei in omvang

bereikbaarheid een focus op fiets en OV.

sociale woningbouw) kan in het Groene Hart in redelijkheid worden voorzien en op welke wijze is dat ook haalbaar te maken (draagvlak, financieel)? 44

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bijlage 4. Opties voor ophogen van de grondwaterstand in de veengebieden

In het navolgende worden verschillende opties en hun conse-

Ophogen van de grondwaterstand in veenweidegebieden is, op

volledig is, onzekerheden bevat en nader moet worden uitgewerkt

basis van de huidige inzichten, de belangrijkste maatregel om bodemdaling te remmen (en daarmee CO2-uitstoot te reduceren en schade te voorkomen). Hoe hoog de grondwaterstand in de veengebieden moet zijn is een van de belangrijkste vraagstukken voor het Groene Hart. Leidend is de opgave om de broeikasgasemissie en bodemdaling in het landelijk veenweidegebied te beperken, maar ook andere afwegingsfactoren zijn van belang: de fysieke gesteldheid, de impact op en kansen voor de verschillende functies, en de gevolgen voor

quenties samenvattend geschetst. Daarbij wordt op voorhand opgemerkt, dat het hier een eerste verkenning betreft, die niet alvorens voor deelgebieden van het Groene Hart tot keuzes te kunnen komen. Verschillende opties zijn: Optie ‘0’: doorgaan op de huidige weg, grondwaterstanden dieper dan -0,40m t.o.v. maaiveld (huidige tempo bodemdaling en CO2uitstoot zet door) Momenteel zijn op veel plekken in de veengebieden de de grondwaterstanden lager dan -40m onder het maaiveld. De bodem klinkt daardoor steeds meer in. Op sommige plekken in het Groene Hart zijn de veenpakketten relatief dun, maar op

omliggende gebieden De opties zijn niet overal in het Groene Hart

anderen plekken nog meters dik. Doorgaan op de huidige weg

toe te passen; dat is zowel technisch onmogelijk als gezien de lokale

betekent over de grenzen van het bodem en water systeem heen

verschillen onwenselijk. Per gebied zal afhankelijk van de dikte van

blijven werken. Worden de grondwaterstanden niet verhoogd, dan

het veenpakket en andere natuurlijke omstandigheden en lokale

blijven CO2 uitstoot en zakking van het maaiveld nog jaren lang

afwegingen tot specifieke keuzes moeten worden gekomen. Het is

ongewijzigd doorgaan ongewijzigd doorgaan. Dit zal leiden tot hoge

mogelijk om de verschillende opties ruimtelijk (tussen gebieden,

maatschappelijke kosten voor het in stand houden en versterken

maar ook binnen gebieden) te combineren, en ook om daar in de

van bebouwing en infrastructuur. Doelen uit het klimaatakkoord

tijd gefaseerd mee om te gaan.

om CO2-uitstoot uit het veen te reduceren worden niet gehaald.

45

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Aspect

Optie ‘0’: doorgaan op de huidige weg, grondwaterstanden lager dan -0,40m t.o.v. maaiveld (huidige tempo bodemdaling en CO2-uitstoot zet door)

Broeikasgasuitstoot

Huidige niveau van CO2-uitstoot zet door

Bodemdaling remmen

Bodemdaling niet afgeremd

Optie 1: grondwaterstand tot -0,20m t.o.v. maaiveld (minimalisatie van CO2-uitstoot en maximalisatie remmen bodemdaling) Om de CO2-uitstoot en bodemdaling in het Groene Hart met het oog op de lange termijn (2050 en verder) te verminderen wordt in deze redeneerlijn een grondwaterstand van -0,20m onder het maaiveld in het veenweidegebied als uitgangspunt genomen. Dit peil is volgens de huidige inzichten in de literatuur optimaal voor de reductie van

Robuust watersysteem

de broeikasgassen CO2, methaan en lachgas. Door de verhoging

Wateraanvoer

Geen extra aanvullende wateraanvoer nodig (los gezien van toename drinkwaterbehoefte en verwachte periodes van droogte)

Waterberging

Geen extra beperkingen voor waterberging

Waterkwaliteit

Geen extra effecten op waterkwaliteit

van de grondwaterstand via een hoger slootpeil in combinatie met waterinfiltratiesystemen zal vermoedelijk extra methaanuitstoot optreden, maar in het geheel van broeikasgasuitstoot wordt netto grote winst behaald. Bij deze grondwaterstand is slechts zeer beperkte peilfluctuatie in de watergangen mogelijk. De mogelijkheden om in het watersysteem water te bergen zijn daarmee beperkt, waardoor in tijden van droogte extra watervraag van buiten het gebied ontstaat. Deze optie leidt dus tot een extra

Leefbaarheid en vitaliteit

watervraag en meer wateroverlast op percelen en omgeving bij

Wonen

Maatschappelijke kosten voor schade aan bebouwing blijven oplopen

Mogelijkheden bedrijvigheid

Maatschappelijke kosten voor schade aan bebouwing blijven oplopen

De

Impact mobiliteit

Maatschappelijke kosten voor schade aan infrastructuur blijven oplopen

nieuwe infrastructuur in veengebieden en aanpassing van de afvoer

piekbuien. vergaande

verhoging

van

de

grondwaterstanden

in

veengebieden stelt ook extra eisen aan nieuwe bebouwing en van hemelwater uit bestaand bebouwd gebied (de kernen). De

46

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

mate en tempo van zakking en schade van bestaande bebouwing en infrastructuur in landelijk gebied zal daarentegen afnemen. Daar

Aspect

staat tegenover dat te hoge grondwaterstanden onder woningen en onder infrastructuur ook voor overlast en schade kunnen zorgen. Door verhoging van de grondwaterstanden in de veengebieden komt de melkveehouderij in zijn huidige vorm onder grote druk te staan; daarmee ontstaat een ingrijpende transformatieopgave voor de sector. In de gebieden waar het de grondwaterstand wordt verhoogd wordt de verzilting beperkt. Maar in droge perioden komt de wateraanvoer in met name de laag gelegen gebieden (de droogmakerijen) in gevaar, waardoor ook daar het huidige agrarische grondgebruik wordt belemmerd. Bij verhoging van de de grondwaterstanden nemen de kansen voor biodiversiteit, regionaal watersysteemherstel en nieuwe natuur toe. Nieuwe

Broeikasgasuitstoot Bodemdaling remmen

Impact van optie 1 (grondwaterstand tot -0,20 t.o.v. maaiveld: minimalisatie van CO2-uitstoot en maximalisatie remmen bodemdaling) Deze variant levert minder CO2-uitstoot, maar extra methaan-uitstoot op Rem op bodemdaling. Verdere bodemdaling wordt zeer beperkt

Robuust watersysteem Wateraanvoer

Bij -0,20 m is grofweg 40% extra wateraanvoer nodig

Waterberging

Er is minder ruimte voor waterberging in het watersysteem

Waterkwaliteit

Op korte termijn extra uitspoeling van nutriënten (met name fosfaat), op lange termijn neemt dit af

mogelijkheden ontstaan ook voor toerisme en recreatie. Leefbaarheid en vitaliteit Wonen

Extra eisen aan bouwen op veenbodems. Positief effect op bestaande voorraad

Mogelijkheden bedrijvigheid

Als bij wonen

Impact mobiliteit

Als bij wonen

47

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Optie 2: grondwaterstand tot -0,40m t.o.v. maaiveld (beperkte reductie CO2-uitstoot en beperkte remming bodemdaling)

Aspect

In deze redeneerlijn is het uitgangspunt een grondwaterstand van -0,40m onder maaiveld. Het realiseren daarvan brengt veranderingen met zich mee, maar minder verregaand dan bij een grondwaterstand van -0,20m. De gewenste aanpassingen kunnen al in 2030 worden gerealiseerd. De gevolgen voor de melkveehouderij zijn veel minder ingrijpend; de huidige landbouwpraktijk zou overwegend kunnen worden gecontinueerd. Op de lange termijn (2100) is deze optie echter niet gunstig, omdat problemen op

Broeikasgasuitstoot

Deze variant beperkt CO2 en voorkomt toename van methaan-uitstoot

Bodemdaling remmen

Bodemdaling wordt beperkt geremd

Robuust watersysteem Wateraanvoer

Bij -0,40 m is grofweg 20% extra wateraanvoer nodig

Waterberging

Er is beperkter ruimte voor waterberging in het watersysteem

Waterkwaliteit

Het opzetten van de grondwaterstand zorgt voor extra uitspoeling van nutriënten. Waar de grondwaterstand al – 0,40 m-mv is, treedt er geen extra uitspoeling op.

het gebied van bodemdaling en CO2-uitstoot hiermee worden uitgesteld en niet worden opgelost; de kosten van dit uitstel worden

Impact van optie 2 (grondwaterstand tot -0,40m t.o.v. maaiveld: beperkte reductie CO2-uitstoot en beperkte remming bodemdaling)

afgewenteld op toekomstige generatie. Leefbaarheid en vitaliteit Wonen

Als bij optie 1, maar in mindere mate

Mogelijkheden bedrijvigheid

Idem

Impact mobiliteit

Idem

48

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Optie 3: variërende grondwaterstand t.o.v. maaiveld (zelfvoorzienend watersysteem)

Aspect

In deze redeneerlijn is het uitgangspunt dat er sprake is van een zelfvoorzienend en robuust watersysteem in de veenweidegebieden, waarbij zo min mogelijk op technische maatregelen wordt geleund en geen tot beperkte water aan- en afvoer nodig is. Ook vindt

Broeikasgasuitstoot

geen/beperkte afwenteling naar de omgeving of naar de toekomst plaats. Water en bodem sturend wordt hier het meest verstrekkend toegepast. Dit zelfvoorzienend watersysteem zal ertoe leiden dat veel veenweidegebieden transformeren in veenmoerassen en/of veenbossen, en dat drooglegging en daarmee samenhangende grondwaterstanden sterk zullen fluctueren. Vernatting

van

sommige

gebieden

stelt

hoge

eisen

aan

Bodemdaling remmen

Wateraanvoer

Natuurlijk systeem (gebruik maken van neerslagoverschot), waterpeil en grondwaterstand zakt uit in de zomer

Waterberging

Er is ruimte voor peilfluctuatie, overtollige neerslag zorgt voor peilstijging

Waterkwaliteit

Op korte termijn extra uitspoeling van nutriënten op lange termijn zijn effecten onbekend

Bestaande bebouwing en infrastructuur in landelijk gebied zijn gebaat bij verhoging van grondwaterpeilen, maar grote peilfluctuatie kan ook tot problemen leiden. Het huidige agrarisch grondgebruik zal op veel plaatsen niet kunnen worden voortgezet.

Er vindt waarschijnlijk minder CO2uitstoot, maar meer methaan-uitstoot plaats. Zoektocht naar gewassen die koolstof kunnen vastleggen. Veenmos aangroei kan mogelijk voor een positieve balans zorgen Er treedt geen tot zeer beperkte bodemdaling op. Mogelijk zelfs te combineren met extra veenmos aangroei

Robuust watersysteem

nieuwe bebouwing en infrastructuur en aanpassingen aan de hemelwaterafvoer uit bestaand bebouwd gebied (kernen).

Impact van optie 3 (variërende grondwaterstand t.o.v. maaiveld (zelfvoorzienend watersysteem)

Door vernatting in de veengebieden zullen delen van het gebied geheel transformeren, met veel kansen voor biodiversiteit, natuur, watersysteemherstel, recreatie en toerisme.

49

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Aspect

Impact van optie 3 (variërende grondwaterstand t.o.v. maaiveld (zelfvoorzienend watersysteem)

van de tijdsplanning voor hun implementatie. Het behalen van doelen in 2100, 2050 of 2030 maakt een significant verschil in de haalbaarheid en impact van elke strategie. In onderstaande tabel

Leefbaarheid en vitaliteit

Wonen

De realisatiemogelijkheden van de verschillende opties is afhankelijk

is te zien in hoeverre een redeneerlijn bijdraagt aan het realiseren Stevige voorwaarden en aanpassingen nodig voor bouwen op veenbodems. Kans en noodzaak om bestaande voorraad te versterken

Mogelijkheden bedrijvigheid

Idem

Impact mobiliteit

Idem

van doelen voor de betreffende tijdspanne.

2030

2050

2100

Doorgaan op huidige weg

-

-

-

1. Minimalisatie van CO2-uitstoot en remmen bodemdaling (tot -0,20m)

+

+

++

2. Faciliterend watersysteem (tot -0,40m)

+/-

+/-

+

3. Zelfvoorzienend

-

+/-

++

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/721/documents/21278