A07.1 ROM regionaal advies - vastgesteld NPRD en Nota van Antwoord.pdf
Tekst van het document
MILIEUADVIES Aan T.a.v. Onderwerp Adviseur ROM Telefoon Datum Kenmerk
Gemeenten Regievoerders ODU-gemeenten Milieuadvies definitief NPRD en planMER Ruimte voor Defensie M. Both 030-7023200 23-02-2026 Z/26/2004789 / D2026-1007533
Inleiding Het Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) en de Nota van Antwoord op het ontwerp NPRD (NvA) zijn op 19 december vastgesteld. Over het Ontwerp NPRD en de planMER heeft de ODRU op 3 juli 2025 geadviseerd. ODRU heeft toen geadviseerd om een zienswijze in te dienen op de onderwerpen geluid, trillingen en ecologie. In de NvA op het ontwerp NPRD zijn de zienswijzen beantwoord. In deze notitie wordt samengevat hoe de zienswijzen die zijn ingediend met behulp van het advies van de ODRU zijn beantwoord. Deze antwoorden zijn beperkt en geven geen volledig antwoord op de gestelde vragen. Voor nu is het NPRD definitief vastgesteld en is er geen mogelijkheid om op deze documenten te reageren. In 2026 en verder werkt Defensie aan een verdere uitwerking van het programma door het maken van regionale plannen, het aanvragen van vergunningen en het vastleggen in regelgeving. Vanuit de ODU kunnen we in een vervolgfase nieuwe documenten weer beoordelen. Toelichting aspecten geluid, trillingen en ecologie 1. Geluid en trillingen Advies ODRU: Een nadere motivering op de keuze voor het uitbreiden van de laagvlieggebieden is gewenst. NvA: Defensie heeft de laagvlieggebieden nodig om te trainen en te oefenen ten behoeve van vaardigheden die belangrijk zijn voor de inzetgereedheid van de helikopterbemanningen.
Defensie heeft bij de verdeling van de uren gebruikgemaakt van de inzichten uit het planMER, samen met de operationele eisen en de trainingsbehoefte voor de verschillende gebieden. Daarbij is gezocht naar een zo evenwichtig mogelijke spreiding van de trainingsuren over de verschillende laagvlieggebieden. De uiteindelijke verdeling hangt af van factoren zoals de omvang van het gebied en specifieke aandachtspunten (bijvoorbeeld obstakels, routes of trainingsdoelen). De verdere ontwikkeling en inpassing van laagvlieggebieden, en de concrete verdeling van de vlieguren is afhankelijk van de benodigde vergunningverlening en juridisch-planologische inpassing. Advies ODRU: Meer inzicht in het lokale effect van de laagvlieggebieden is gewenst. NvA: Defensie streeft naar evenwicht tussen het beperken van de overlast van defensieactiviteiten en voldoende ruimte om te kunnen (blijven) oefenen. Er zijn geen vaste routes en de impact van een gevlogen route is zeer lokaal, maar kan inderdaad als hinder ervaren worden. In het planMER is in beperkte mate onderzoek gedaan naar geluid en hinder bij laagvlieggebieden, mede omdat dit slechts een beperkt (realistisch) beeld van de werkelijkheid geeft. Defensie kan in een vervolgfase ook mogelijk meer indicaties geven van mogelijke hinder.
Verder wordt in de NvA aangegeven dat het vliegen over gevoelige bestemmingen en bebouwing in de praktijk zoveel als mogelijk wordt voorkomen. Dit is in lijn met bestaande regelgeving voor laagvlieggebieden met militaire helikopters.
Advies ODRU: De geluidseffecten moeten inzichtelijk worden gemaakt en een geluidsonderzoek ontbreekt. NvA: In het planMER is bij de beoordeling een worst-case benadering gehanteerd. Defensie verstrekt vanwege veiligheidsoverwegingen geen gedetailleerde informatie over toestellen en geluidprofielen. Voor laagvlieggebieden geldt dat de geluidsbelasting zeer afhankelijk is van route, hoogte, snelheid, omgeving en andere factoren.
Daardoor is het niet zinvol om hiervoor berekeningen uit te voeren. Het gaat veel meer over hinderbeleving en voorkomen van te veel hinder op specifieke plekken (door vermijden van gebieden, spreiding, etc.). Advies ODRU: Er is te weinig aandacht voor het belang van de stiltegebieden. NvA: Defensie realiseert zich dat in sommige laagvlieggebieden ook stiltegebieden zijn opgenomen. In de NvA wordt aangegeven dat de verdere ontwikkeling en inpassing van laagvlieggebieden, en de concrete verdeling van de vlieguren afhankelijk is van de benodigde vergunningverlening en juridisch planologische inpassing. Hierbij speelt mee dat de functie van stiltegebied momenteel ook al voorkomt in bestaande laagvlieggebieden. Dit laat volgens de NvA zien dat deze functies naast elkaar kunnen bestaan, mits daar goede afstemming over plaatsvindt. Advies ODRU: Het laagfrequent geluid is niet bij de beoordeling betrokken. NvA: In de NvA wordt aangegeven dat voor laagfrequent geluid de specifieke hoogte, type toestel, locatie, weer, route, afstand etc. randvoorwaardelijk zijn voor de te berekenen geluidbelasting. Dit neemt niet weg dat voorzorg van belang is en hinder niet uitgesloten is. Defensie heeft daarom in een aanvulling op het planMER een algemene aanvulling opgenomen over helikoptergeluid.
Om een inzicht te geven is daarin een berekening van het piekgeluid van een gemiddelde helikopter van Defensie op vijf meter hoogte gegeven. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen over het onderwerp geluid is een beperkte beantwoording opgenomen in de NvA. Er is een algemene aanvulling bij het planMER gekomen over geluidbelasting van helikopters. In de vervolgfase zal Defensie meer duidelijkheid geven over de verdeling van de vlieguren en de te verwachten hinder. Er worden geen verdere geluidonderzoeken uitgevoerd. 2. Ecologie Advies ODRU: We adviseren de zienswijze van de provincie over ecologie te ondersteunen. NvA: Aanvullend onderzoek volgt om de effecten op natuurwaarden verder te onderbouwen. Deze onderzoeken zijn nodig voor vergunningverlening. Advies ODRU: Er moet rekening gehouden worden met gemeentelijke beschermingsgebieden (zoals weidevogelkerngebieden). NvA: Defensie houdt rekening met het broedseizoen in de helikopter laagvlieggebieden. Defensie begrijpt de wens voor bescherming in en van het gebied maar is terughoudend om op voorhand beperkingen in te stellen, omdat dit nadelige impact heeft op het gebruik van het totale laagvlieggebied. Na vaststelling van het programma vindt per gebied een verdere uitwerking plaats. In dat vervolgproces stemt Defensie af met betrokken partijen hoe de knelpunten het beste kunnen worden ingepast.
Daarbij wordt ook gekeken naar de operationele behoefte in het gebied. Conclusie Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen over het onderwerp ecologie zijn geen aanpassingen opgenomen in het NPRD en het planMER. Na vaststelling van het NPRD wordt aanvullend onderzoek gedaan naar de effecten op natuur in het kader van vergunningverlening.
pagina 2 van 2