A05.3 Bijlage 3 RES Herijking_digitaal toegankelijke versie.pdf
Tekst van het document
RES regio Utrecht Herijking Onderweg naar 2050 Conceptversie ten behoeve van ter inzage legging
De RES regio Utrecht is een samenwerkingsverband van 16 Utrechtse gemeenten; Bunnik, De Bilt, Houten, Stichtse Vecht, Utrechtse Heuvelrug, Utrecht, De Ronde Venen, Zeist, Woerden, Wijk bij Duurstede, Nieuwegein, IJsselstein, Montfoort, Oudewater, Lopik en Vijfheerenlanden, de provincie Utrecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, waterschap Amstel, Gooi en Vecht, waterschap Rivierenland en waterschap Vallei en Veluwe en netbeheerder Stedin.
STARTEN
1. Overview Inhoud: 1. Overview
Voor u ligt de Herijking van de RES regio Utrecht (voorheen RES U16). Hierin leest u de doelstelling en stand van zaken van de realisatie van de elektriciteits- en warmtetransitie in de RES regio Utrecht. Ook leest u over de werkwijze en de samenwerking binnen de RES regio Utrecht.
2. Waar staan we nu
NB Dit is de conceptversie ten behoeve van ter inzage legging. Definitieve besluitvorming volgt medio 2025.
Hoe leest u dit document 3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen 11. Verdieping
Dit is de digitaal toegankelijke versie van de RES Herijking. U kunt het document van begin tot einde doorlopen. Via het menu aan de linkerzijde kunt u ook direct naar het onderwerp waar u meer over wilt weten. Per inhoudelijk deel is er een infographic met direct daaronder een tekstuele uitleg van de verschillende onderdelen op de infographic. Vervolgens leest u de belangrijkste opgaven en doelstellingen met betrekking tot dit inhoudelijke onderdeel.
Hoofdlijnen RES Herijking: onderweg naar 2050 In 2021 werd er in regio Utrecht in 16 gemeenteraden, provinciale staten en 4 algemeen besturen van waterschappen besloten over de RES 1.0. Met het oog op de klimaatdoelen voor 2050 werd een gezamenlijke ambitie van 1,8 TWh duurzame elektriciteitsopwek in 2030 vastgesteld. Deze was onderbouwd met plannen, zoekgebieden en de afspraak mogelijke planuitval op te vangen door te blijven zoeken naar aanvullende gebieden. Voor de warmtetransitie werd afgesproken kennis en expertise uit te wisselen en goed af te stemmen als gemeenten in concurrentie konden komen op eenzelfde warmtebron.
Meer dan de helft van de opgave voor 2030 gerealiseerd en in de pijplijn
Er is veel gebeurd de afgelopen jaren. Zon op dak is ruim verdubbeld. Hetzelfde geldt voor grootschalige opwek met zonnevelden en windmolens. In totaal is nu bijna 60% van de opgave voor 2030 gerealiseerd of zit in de pijplijn. Realisatie van het resterende deel is uitdagend en we lopen achter op de planning. Daarbij zijn er stevige verschillen tussen gemeenten. Realisatie van het doel in 2030 vraagt onverminderde inzet.
In dit document zitten links met verdiepende informatie. Door hierop te klikken krijgt u meer informatie over het betreffende onderwerp. Links met dit icoon verwijzen naar een externe website. Beleidskeuzes en kaderstelling staan altijd in de hoofdtekst, nooit achter een link.
Vertrekpunt in 2021 was het Klimaatakkoord met landelijk afspraken over de reductie van CO2 uitstoot. De 1,8 TWh voor 2030 is in dit licht een deel van de opgave. Het landelijke doel is in 2050 klimaatneutraal te zijn.
Bekijk de online versie van dit document hier .
Energiesysteem als vitale infrastructuur
Hoe is dit document opgebouwd Voor deze Herijking gebruiken we het toekomstig Energiesysteem als basis. Dit systeem kent grote ontwikkelingen die sterk doorwerken op de RES. Vervolgens is het opgebouwd rond de onderwerpen Warmtetransitie, Grootschalige Opwek van elektriciteit en Zon op daken en objecten. Onder Hoe werkt de RES leest u meer over de samenwerking, de werkwijze van de RES en het vervolg van deze Herijking en de opgave. Een overzicht van waar we nu staan en welke stappen de afgelopen jaren al zijn gezet in de energietransitie, leest u in Waar staan we nu. Hieronder worden de hoofdlijnen van de RES Herijking weergegeven.
De laatste jaren is steeds duidelijker geworden dat het energiesysteem een vitale infrastructuur is voor de regio. Zonder voldoende energie is het moeilijk wonen en werken. De beschikbaarheid van energie was de afgelopen decennia zo vanzelfsprekend dat daar bij ruimtelijke keuzes geen rekening mee gehouden hoefde te worden. Inmiddels is nieuwbouw van woon- en werkgebieden vaak alleen mogelijk als de energievoorziening (o.a. aansluitbaarheid, warmte, elektriciteit, energieopslag) integraal wordt meegenomen in de planvorming. Samenwerking in de RES kan bijdragen aan het verkleinen van het probleem van netcongestie en het beperken van de afhankelijkheid van de regio van andere schaalniveaus. Nu en voor de toekomst. Deze RES Herijking begint daarom bij het energiesysteem. Daarna wordt vanuit die context de rol vanuit de RES-samenwerking beschreven op de thema’s warmtetransitie en elektriciteitsopwekking.
1. o v e r v i e w Energiesysteem in verandering: blijvend schaarse netcapaciteit
Opwek
Naast de schaarste aan netcapaciteit heeft ook de oorlog in Oekraïne laten zien dat de beschikbaarheid van energie geen gegeven is. De prijs van gas piekte waardoor elektriciteit en warmte slechts met financiële steun van het Rijk betaalbaar gehouden konden worden voor inwoners en bedrijven.
Voor de periode vanaf 2030 ondersteunen we regionaal de individuele ambities van alle deelnemers. Keuzes over een gezamenlijke kwantitatieve ambitie voor opwek voor de periode tot 2035 en 2050 worden in de volgende collegeperiode gemaakt en vastgelegd in de volgende RES. Volgens het Nationaal Plan Energiesysteem zal de hoeveelheid zonne-energie in de periode 2030-2050 moeten verdrievoudigen en wind op land verdubbelen.
Door congestie voor grootverbruik op invoeding (najaar 2021) en afname (najaar 2022) staat de ontwikkelruimte van de regio onder druk. Tot 2029 is het aansluiten van projecten moeilijk (grootverbruik aansluiting). De situatie kan nog verder verslechteren met beperkingen voor nieuwe kleinverbruik aansluitingen en bestaande aansluitingen. Het is niet langer vanzelfsprekend dat elektriciteit altijd beschikbaar is voor iedereen.
Als meest concurrerende regio van Europa groeit de regio, zowel wat betreft bedrijvigheid als het aantal mensen dat hier wil wonen. Gecombineerd met technologische ontwikkelingen en de ambitie om CO2 uitstoot te beperken, zijn dat drie redenen waardoor het energiesysteem tegen haar grenzen aan is gelopen en aan het veranderen is. Bij het gebruik van energie stappen bedrijven voor een groot deel over van aardgas op elektriciteit. In het aanbod van energie gaan we van een volledig stuurbaar energieaanbod van aardgas, olie en steenkool naar een systeem met duurzame energiebronnen zoals zon en wind. Nieuwe technieken bieden nieuwe kansen. Zo staat in de regio bijvoorbeeld de grootste warmtepomp van Nederland bij een rioolwaterzuivering en zijn er meer dan 100.000 daken met zonnepanelen. Het elektriciteitsnet kan deze groei niet bijhouden. Netbewust ontwikkelen is nodig. Om de effecten van netcongestie nu te verzachten én om problemen in de toekomst voor te zijn. Denk aan het streven naar een energiebalans op lagere schaalniveaus, energiebesparing, opwek in de buurt van verbruik, benutten van lokale warmtebronnen en opslag van energie. Dit is ook al terug te zien in Europees, nationaal en provinciaal beleid en regelgeving. Nu de problemen in het energiesysteem zo sterk toenemen is de maatschappelijke sturing op het systeem in beweging.
Overheden pakken en krijgen weer meer verantwoordelijkheid in het energiesysteem. Wie exact welke rol krijgt is nog in ontwikkeling. Vaststaat dat we ook lokaal en regionaal daarin positie hebben te nemen. We brengen daarom het systeem, de lokale en regionale belangen, afhankelijkheden en sturingsmogelijkheden in beeld.
Deze RES Herijking bevat een geactualiseerde onderbouwing van de ambitie van 1,8 TWh duurzame elektriciteitsopwekking in 2030 met windmolens, zonnevelden en zon op daken en objecten. We sturen samen op realisatie uiterlijk in 2030. Als het voor een gemeente of provincie onmogelijk blijkt dit jaartal te halen dan blijft de opgave staan voor na 2030.
Warmte
In 2050 zal geen woning meer op aardgas worden verwarmd. Gemeenten voeren de regie op de warmtetransitie in hun eigen gemeente. We zetten in op regionale samenwerking, ondersteuning, kennisdeling en afstemming. Uiterlijk 2026 moeten gemeentelijke warmteprogramma’s worden vastgesteld. De regio ondersteunt gemeenten bij het opstellen hiervan. Inwoners en netbeheerders wordt zo snel mogelijk duidelijkheid gegeven over de warmtevoorziening in de toekomst. Uitgangspunt in de regionale ondersteuning is dat we maximaal inzetten op besparing en het benutten van duurzame warmtebronnen. In het kader van het NP RES wordt het warmtedeel uit deze RES ook wel de Regionale Structuur Warmte (RSW) genoemd. In 2023 startte het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) met daarin ook een ondersteunende rol voor de regio. Deze RES Herijking is ook leidend voor de regionale activiteiten in het kader van dit programma.
Ruimtevraag
Alle ontwikkelingen vragen ook fysieke ruimte, boven de grond voor bijvoorbeeld transformatorhuisjes en -stations, onder de grond voor kabels, leidingen en warmte systemen. Dit vraagt aandacht van de overheden in hun beleid, regelgeving en projecten. De U10 werkt vanuit het Integraal Ruimtelijk Perspectief aan de samenhang en integratie van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij energie een van de onderdelen is.
1. o v e r v i e w Vervolg
Regionale samenwerking blijft gewenst. We werken aan dezelfde opgave en accepteren lokale verschillen. Zo maken we onze afzonderlijke en gezamenlijke ambities waar. Gemeenten, waterschappen en provincie nemen regelmatig besluiten in uitvoering van of in samenhang met de RES. Het is goed eens per vier jaar de ontwikkelingen samen te brengen en afspraken te maken over het vervolg. Voor de periode na 2030 nemen we bovendien in de volgende RES op wat we gezamenlijk willen en wat nodig is. Uiterlijk in 2029 leggen we de parlementen een geactualiseerde RES voor.
^ Gecombineerde schets van de energietransitie: eigen klimaatambities van de deelnemers (onder), afbouw aardgasverbruik (oranje), opbouw duurzame elektriciteit, inclusief huidige realisatie, pijplijn, en ambitie (blauw).
2. Waar staan we nu
Hieronder een overzicht van de stand van zaken. Verderop vindt u meer informatie per thema.
Inhoud:
Warmtetransitie
GROOTSCHALIGE OPWEK
Elektriciteitstransitie
ZON OP DAKEN EN OBJECTEN
1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
Alle 16 gemeenten hebben een Transitievisie Warmte Momenteel werken de gemeenten aan het opstellen van een warmteprogramma, de update van de Transitievisie Warmte
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
In de regio hebben we nog zo’n 329.300 woningen die we van een alternatief voor aardgas willen voorzien voor 2050.
Ambitie opwek duurzame energie totaal 1,8 TWh in 2030 0,24 TWh aan grootschalige opwek gerealiseerd (zon of wind op land)
0,29 TWh aan zon op daken en objecten gerealiseerd
Er zit nog voor 0,52 TWh aan projecten in de pijplijn
Totale onderbouwing (TWh) (inclusief realisatie 2030-2035)
Huidig Zon op Dak - Huidig Subsidiebeschikking en bouw Vergunningverlening Vergunningaanvraag Voortraject
Direct naar: 8. Energie besparen
Resterende ambitie uitgewerkt
9. Lokaal eigenaarschap
Resterende ambitie niet-uitgewerkt
10. Energiebronnen
Zon op Dak Ambitie ondergrens
11. Verdieping
Dit betekent (bij een gelijke verdeling) 12.665 woningen per jaar of 35 woningen per dag.
Zon op Dak Ambitie bovengrens
3. Energiesysteem Inhoud: 3
1. Overview
CONVERSIE
2
2. Waar staan we nu
PUBLIEKE WAARDEN
8
3. Energiesysteem
ZON OP DAKEN EN OBJECTEN
7
4
GROOTSCHALIGE OPWEK
SCHAALNIVEAUS
4. Warmtetransitie
9
ENERGIE BESPAREN
5. Grootschalige Opwek
ENERGIEBRONNEN
10
6. Zon op daken & objecten
NETCONGESTIE
1
OPSLAG EN BUFFERING
5
7. Hoe werkt de RES
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen 11. Verdieping
WARMTETRANSITIE
6
3. e n e r g i e s y s t e e m
Uitleg bij infographic 1. Aanpak netcongestie
4. Schaalniveaus
De energietransitie en economische groei vragen steeds meer capaciteit van het elektriciteitsnet. Netbeheerders hebben de verantwoordelijkheid tijdig het netwerk uit te breiden. De investeringen houden de toegenomen capaciteitsvraag vooralsnog niet bij (investeringen Stedin , investeringen Tennet ). In bijna de hele regio (actueel overzicht hier ) is er op dit moment congestie op zowel opwek als afname voor grootverbruik aansluitingen. Mogelijk wordt op termijn ook congestie op kleinverbruik afgekondigd.
Het energiesysteem bestaat uit verschillende schaalniveaus. In landelijk beleid wordt vaak gewerkt met 4 niveaus: 1. Internationaal 3. Provinciaal/regionaal 2. Nationaal 4. Lokaal
Deze congestie heeft op korte termijn impact op de woningbouw, ruimte voor economische groei en op de voortgang van de energietransitie. In de Energyboard werken netbeheerders, Rijk, provincie en regio/ gemeenten samen op het aanpakken van congestie. Meer informatie vindt u hier .
2. Publieke waarden Het energiesysteem is aan het veranderen. De vraag is welk energiesysteem we in de toekomst willen hebben. Dit is deels een technisch vraagstuk, maar achter de technische keuzes voor het energiesysteem van de toekomst schuilen maatschappelijke afwegingen. In het NPE is een aantal publieke waarden voor het systeem opgenomen: • Betaalbaar en economisch krachtig • Betrouwbaar en veilig • Duurzaam • Rechtvaardig en participatief • Ruimte en milieu • Transparante afweging van belangen
3. Conversie Conversie is het omzetten van een vorm van energie in een andere vorm van energie. Denk bijvoorbeeld aan de omzetting van aardgas in elektriciteit. Een meer toekomstgericht voorbeeld is de omzetting van elektriciteit in waterstof met een electrolyzer. Waterstof kan gemakkelijker worden bewaard dan elektriciteit en zo kunnen vraag en aanbod van stroom beter op elkaar worden aangesloten. Bovendien is waterstof beter geschikt voor industrieel gebruik met zeer hoge temperatuur. Bij conversie gaat altijd een stukje van de energie verloren voor de omzetting zelf. Normaal gesproken wil je conversie daarom zoveel mogelijk beperken. Een voorbeeld uit de regio: in 2024 is in Nieuwegein een electrolyzer gerealiseerd waarmee jaarlijks 300.000 kilo ^ Elektrolyser groene waterstof Nieuwegein groene waterstof geproduceerd kan worden.
Al deze schaalniveaus zijn met elkaar verbonden. Keuzes en veranderingen op het ene niveau hebben gevolgen voor het andere niveau. De markt voor aardgas is bijvoorbeeld een internationale markt. Verstoringen van de markt door geopolitieke ontwikkelingen kunnen een groot effect hebben dat op de lagere niveaus doorwerkt, zo hebben we gezien naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne. Ook stelt Europa regels ten aanzien van energie. Op het nationaal niveau worden andere keuzes gemaakt. Zo investeert Nederland bijvoorbeeld in een waterstof backbone. Dit moet ertoe leiden dat er een waterstofmarkt ontstaat en de energie-intensieve industrie een transitie naar waterstof kan maken. Utrecht ligt niet op de hoofdroute, mogelijk komt er wel een aftakking. Op het elektriciteitsnetwerk zijn heel duidelijk verschillende schaalniveaus te herkennen. • Bovengrondse en ondergrondse kabels transporteren elektriciteit uit elektriciteitscentrales en het buitenland naar zeer grote energieafnemers of de regionale netten. Deze hoogspanningskabels zijn eigendom van TenneT. • HS-MS stations, ook wel onderstations genoemd, zetten deze hoogspanning om naar middenspanning. Middenspanningsnetten transporteren elektriciteit naar grote organisaties en lokale wijknetten. HS-MS stations en het middenspanningsnet zijn eigendom van de regionale netbeheerder.
• MS-LS stations (transformatorhuisjes) in wijken en buurten zetten middenspanning om naar laagspanning die wordt geleverd aan huishoudens en (kleinere) bedrijven. Ook deze stations en de laagspanningsnetten zijn eigendom van de regionale netbeheerder (Stedin).
Kaart vertakking stroomnetwerk Het kaartje hiernaast geeft inzicht hoe het netwerk zich binnen de provincie Utrecht vertakt. Het hoogspanningsnet in Nederland bestaat uit een 380 kV (rode lijnen) en 150 kV (blauwe lijnen) net. Deze worden beheerd door TenneT. Het 380/150 kV station in de provincie Utrecht is het station Breukelen Kortrijk. Op station Breukelen Kortrijk wordt de 380 kV omgezet in 150 kV. Deze stroom komt op het lokale 150 kV net in de regio. Het 150 kV net van Utrecht staat verder nog in verbinding met de stations in Dodewaard en Lelystad.
^ Hoogspanningsnet
3. e n e r g i e s y s t e e m
Uitleg bij infographic Kaart 150kV stations en 50 kV kabels
6. Warmtetransitie
Op een 150 kV station, wordt de elektriciteit omgezet naar 50 kV (in de meeste gevallen). Vanuit dit punt lopen 50 kV kabels de regio in om kleinere en meer lokale stations te bedienen. Een 150 kV station kan je zien als een regionaal knooppunt. De gekleurde vakken op de kaart hiernaast geven aan welk geografische gebied bediend wordt door één 150 kV station. Daarnaast staan ook de onderliggende MS stations (13 kV of 10 kV) weergegeven.
Er is energie nodig om huizen en bedrijven te verwarmen en voor bedrijfsprocessen. Er vindt een overgang plaats van het gebruik van aardas naar duurzame alternatieven. Regionaal werken we hier samen aan. Lees meer in hoofdstuk 4 Warmtetransitie
7. Grootschalige opwek ^ Elektriciteitsnet hoogspanning (blauw en rood) en middenspanning (paars).
5. Opslag en buffering Het energiesysteem in Nederland is aan het verduurzamen. Grote gas- en kolencentrales maken plaats voor decentrale wind- en zonneparken. Door het veranderende energiesysteem ontstaan er momenten met overschotten aan elektriciteit in de zomermaanden en momenten waarin de productie van duurzame elektriciteit onvoldoende is voor de vraag. Daarom zijn technieken nodig om elektriciteit tijdelijk op te slaan en op andere momenten weer vrij te geven. Ook op lokaal niveau leiden veranderingen in de vraag en het aanbod van elektriciteit ertoe dat de capaciteit van het elektriciteitsnet onvoldoende is voor alle activiteiten. Dit kan ertoe leiden dat initiatieven voor zon en wind vertragen of niet gerealiseerd kunnen worden, of dat nieuwe verbruikers van elektriciteit niet kunnen worden aangesloten. Vanuit deze ontwikkelingen neemt de roep om andere oplossingen, zoals opslag van elektriciteit en batterijen, snel toe. Er zijn veel initiatieven op het gebied van elektriciteitsopslag, maar het is niet altijd duidelijk in hoeverre deze bijdragen aan een robuust energiesysteem. Opslag van elektriciteit kan zorgen voor minder schommelingen in de vraag en het aanbod van elektriciteit. Hiermee kan het elektriciteitsnet optimaler worden benut en worden de pieken en dalen afgevlakt.
Er zijn meerdere technieken voor opslag en buffering, kijk hiervoor in hoodfdstuk 10 Energiebronnen. Daarnaast zijn er ook andere oplossingen, zoals slim gebruik van elektriciteit, lokaal balanceren van vraag en aanbod of omzetting van elektriciteit naar andere dragers.
Met windmolens en zonnevelden kunnen we grootschalig elektriciteit opwekken. In deze RES worden hierover afspraken gemaakt. Lees meer in hoofdstuk 5 Grootschalige Opwek
8. Zon op daken en objecten Op daken en objecten zoals gevels en overkappingen boven parkeerplaatsen, kan elektriciteit worden opgewekt. In deze RES worden hierover afspraken gemaakt. Lees meer in hoofdstuk 6 Zon op daken en objecten
9. Energiebesparing Energiebesparing verwijst naar alle energiebesparende maatregelen. Het gaat bijvoorbeeld om het besparen in bedrijfsprocessen en apparaten. In het kader van de RES gaat het vooral om isolatie van woningen en andere gebouwen. Lees meer in hoofdstuk 8 Energie besparen
10. Energiebronnen In de regio gebruiken we energie, maar er zijn ook allerlei energiebronnen aanwezig. Bijvoorbeeld zonneenergie, windenergie, warmte uit de bodem, water of lucht. Lees meer in hoofdstuk 10 Energiebronnen ^ Projectbatterij in Houten
3. Energiesysteem Energie is de basis van het economisch systeem en noodzakelijk om te kunnen werken, eten, reizen en leven. Het energiesysteem is een vitale infrastructuur. Dit betekent dat het van essentieel belang is voor het dagelijks leven van de meeste mensen in Nederland. Dit systeem is aan het veranderen door technologische ontwikkelingen en om CO2 uitstoot terug te brengen. Bij het gebruik van energie gaan bedrijven bijvoorbeeld veel meer elektriciteit gebruiken in plaats van aardgas. In het aanbod van energie gaan we van een volledig stuurbaar energieaanbod van aardgas, olie en steenkool naar een systeem met duurzame energiebronnen zoals zon en wind. Deze bronnen zijn weersafhankelijk. De beschikbaarheid van genoeg energie en op het juiste moment (over de dag en ook in herfst en winter) komt in het geding als we hier niet op meebewegen. Het systeem kraakt. Dat zien we onder andere aan netcongestie in bijna de hele regio. Voor de RES betekent dit keuzes maken die passen bij het energiesysteem van de toekomst. Vanuit de RES richten we ons vooral op de opwek van duurzame elektriciteit, het beperken van de warmtevraag en aardgasvrije oplossingen voor warmte (en koude) in de gebouwde omgeving. De totale ontwikkelingen zijn belangrijke context voor de RES en de eigen duurzaamheidsambities van de deelnemers voor 2030, 2040 en 2050.
Congestie zit de realisatie van de RES in de weg, tegelijkertijd kan de RES bijdragen aan de oplossing. Dit deel bevat geen inhoudelijk kaderstellende uitspraken. Het beschrijft wat het energiesysteem is, welke problemen er nu zijn, in welke richting het energiesysteem zich ontwikkelt en wat dat voor de RES betekent.
Wat is het energiesysteem Het energiesysteem gaat over alles wat er voor nodig is om energie van de bron op het juiste moment en in de juiste vorm bij de verbruiker te krijgen. Hoe zorgen we bijvoorbeeld voor warmte voor het verwarmen van onze huizen en voor productieprocessen van bedrijven. In het systeem gaat het om: • het gebruik van energie • energiebronnen • energieopslag • omzetting van energie (conversie 1) • de kabels en leidingen om de energie van de bron naar de verbruiker te krijgen. Klik hier 2 voor drie kaartjes van het energiesysteem in de regio. Er zijn vier energieketens: elektriciteit, waterstof, koolstof en warmte. Deze ketens staan niet los van elkaar. Soms wordt energie omgezet. Bijvoorbeeld van gas naar warmte in een warmtenet of van elektriciteit naar waterstof om de energie op te kunnen slaan. Het elektriciteitsnet is van oudsher centraal opgebouwd. Vanuit elektriciteitscentrales wordt de energie via een steeds fijner vertakt systeem naar de gebruiker gebracht. Het aanbod en het gebruik van elektriciteit moeten daarbij op ieder moment in balans zijn. Dit wordt nu gedaan door extra elektriciteit te produceren als de vraag groot is. Het systeem gaat ook over het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op ieder moment van de dag. Met name bij elektriciteit is dit van belang.
Met steeds meer weersafhankelijke energieopwekking is het aanpassen van het energiegebruik op de beschikbaarheid van energie steeds belangrijker.
Wie gaat er over het energiesysteem
Er is niet één partij die verantwoordelijk is voor het totale energiesysteem. Voor elektriciteit geldt dat de netbeheerders verantwoordelijk zijn voor het systeem op verschillende niveaus. Zo is er een landelijk netwerk van TenneT, wat aan de ene kant internationaal verbonden is en aan de andere kant via het regionale netwerk van Stedin naar woningen en bedrijven gaat. Gemeenten hebben geen eerste verantwoordelijkheid voor het energiesysteem. Zij hebben wel een regiefunctie in de keuze voor aardgasvrije warmteoplossingen in wijken
3. e n e r g i e s y s t e e m en op bedrijventerreinen en zijn vaak verantwoordelijk voor de vergunningverlening voor energieprojecten. Daarmee hebben gemeenten bijvoorbeeld invloed op waar zon en wind opgewekt wordt en transformatorstations wel en niet mogen komen. Ook de provincie is in een aantal gevallen het bevoegd gezag. Zo is zij vergunningverlener bij windparken en grootschalige batterijopslag. Bovendien geeft de provincie met de Energievisie en P-MIEK mede richting aan de ontwikkeling van het systeem en de investeringen van de netbeheerders. De rollen en verantwoordelijkheden ten aanzien van het energiesysteem zijn in beweging. Hoe het precies gaat worden, is nog niet bekend. Daarom is het in ieder geval van belang te weten waar belangen en afhankelijkheden voor de eigen gemeente en regio liggen en wat sturingsmogelijkheden zijn. Meer over wie er over het energiesysteem gaat vindt u hier 3.
Het systeem kraakt Het elektriciteitsnet kan de ontwikkelingen niet bijbenen. Deze vitale infrastructuur om in de regio te kunnen wonen en werken hapert. Dat leidt steeds vaker tot problemen. De bestaande kabels en transformatiestations hebben niet genoeg capaciteit om op piekmomenten alle gevraagde of aangeboden elektriciteit te vervoeren. De netbeheerders hebben daarom congestie op grootverbruik afgekondigd. Wat is er aan de hand? • Elektriciteitsverbruik verdrievoudigd, pieken tot 10x zo hoog: de regio groeit snel en bovendien verschuift het energieverbruik in de regio meer en meer naar elektriciteit. Dit heet elektrificatie. Gebouwen worden verwarmd met een warmtepomp, bedrijfsprocessen schakelen over van gas naar elektriciteit en ook auto’s en bussen rijden steeds vaker op elektriciteit in plaats van benzine of diesel. Daarnaast verandert ook de bron van elektriciteit sterk. Elektriciteit komt nu bijvoorbeeld ook van al meer dan 100.000 daken in plaats van enkele centrale punten. Dit alles leidt er toe dat er veel meer elektriciteit over het netwerk gaat. Op termijn wel drie keer zoveel. De pieken in de opwek en afname van stroom nemen nog veel sterker toe.
Door een stapeling van elektrificatie van bedrijfsprocessen, duurzame warmteoplossingen, groei van de regio en het laden van elektrische voertuigen ontstaan er grote pieken in de vraag op bepaalde momenten op de dag, met name in de winter. Zonnepanelen geven juist de meeste opbrengst op koele zonnige middagen in het voorjaar. • Weersafhankelijke energieproductie: aanbod en vraag van elektriciteit moeten altijd in balans zijn. Zonne-energie en windenergie laten zich niet leiden door de vraag naar elektriciteit maar door de hoeveelheid zon en wind. Het is niet altijd even zonnig en het waait niet altijd even hard. Dat geldt gedurende de dag, stroom uit zonnepanelen kan je (nog) niet op grote schaal bewaren voor de avond. Het geldt ook door de seizoenen heen. Terwijl gas
gemakkelijk opgeslagen kan worden voor de winter, is seizoensopslag van elektriciteit nog in ontwikkeling. Het in balans houden van het net door het aanbod aan te passen aan de vraag wordt daardoor steeds uitdagender. • Uitbreiding elektriciteitsnet kan de groei niet bijhouden: om deze veel hogere pieken op te vangen wordt het netwerk uitgebreid. Het net tot 10 keer verzwaren is duur, tijdrovend en kost veel materiaal en ruimte. Het is ook niet nodig. Naast verzwaring van het net wordt nu ook geprobeerd de piekbelasting naar beneden te krijgen door te sturen op (het moment van) energieverbruik, -opwek en opslag. • Schaarste op elektriciteitsnet nieuwe realiteit: de netbeheerders hebben congestie afgekondigd. Dat wil zeggen dat er op dit moment geen nieuwe grootverbruikaansluitingen mogelijk zijn voor opwek of afname totdat de netbeheerders het netwerk voldoende hebben uitgebreid om de gegroeide piekvraag en -aanbod aan te kunnen. Mogelijk wordt de komende jaren het gebrek aan netcapaciteit zo nijpend dat ook congestie op kleinverbruik ontstaat. Netbeheerders investeren tot 2030 ongeveer 740 miljoen euro in de provincie. In 2029 hopen de netbeheerders door netuitbreiding de grootste problemen verholpen te hebben. Als we echter geen netbewuste keuzes maken waardoor we slimmer gebruikmaken van het elektriciteitsnet dan schiet de regio na 2030 zo weer de congestie in.
Wilt u meer informatie over netcongestie klik dan hier 4.
Ontwikkeling van het energiesysteem Het huidige systeem is dus niet ingericht voor de opgave waar we voor staan. Congestie beïnvloedt het tempo waarin de RES-doelen gerealiseerd kunnen worden. Echter, realisatie van de RES-doelen kan juist ook bijdragen aan oplossingen voor congestie. We willen robuuste keuzes maken die bijdragen aan een oplossing en die passen bij hoe de wereld er in de toekomst uit ziet. Het gaat daarbij om het verlagen van de fossiele energievraag en het vergroten van de (lokale) duurzame opwek van energie (trias energetica 5).
We zien een aantal ontwikkelingen die zullen doorzetten:
• Decentraal systeem: energie is overal: zon, wind, energie uit bodem, lucht of water. Naast een paar centrale energiebronnen zoals elektriciteitscentrales zijn er meer en meer decentrale bronnen: zonnepanelen op daken en in het veld, windmolens, lokale warmtebronnen enz. In onze regio wordt nu al op meer dan 100.000 plekken energie opgewekt.
3. e n e r g i e s y s t e e m • Batterijen en buffering: bij elektriciteitsopwekking werd het net de afgelopen jaren als een soort batterij beschouwd. Overdag aan het net leveren als de zon schijnt en ‘s avond het licht aan en het huis verwarmen met stroom die ergens anders vandaan komt. Op momenten gaat er nu heel veel stroom de regio uit. Op andere momenten gaat er vervolgens weer heel veel stroom de regio in die ergens anders is opgewekt. Dat vraagt veel van het netwerk en is niet efficiënt. In toenemende mate zie je daarom de opkomst van opslag van energie waarbij de energie even wordt vastgehouden om daarna lokaal te worden gebruikt. Het gaat daarbij om kleine en grote batterijen, maar ook om het opslaan van warmte en/of het omzetten van (overtollige) stroom in waterstof. Batterijen die bij het opladen en ontladen geen rekening houden met de drukte op het elektriciteitsnet verergeren overigens juist de congestie. • Regelbaar vermogen: ook zien we toenemend regelbaar vermogen. Dat wil zeggen dat bedrijven hun bedrijfsprocessen zo inrichten dat energie vooral gebruikt wordt als het overvloedig beschikbaar is en het net dat aankan en juist minder elektriciteit gebruiken als dat weinig beschikbaar is of het net dat niet aankan. Ook batterijen kunnen dit, indien juist ingeregeld, doen.
Deze ontwikkeling wordt gestimuleerd door de invoering van flexibele tarieven voor elektriciteit. Een hoge prijs als elektriciteit schaars is en een zeer lage prijs bij energieoverschot. Zo wordt regelbaar vermogen ook een onderdeel van het bedrijfsmodel. • Maatschappelijke veerkracht: ondernemers en bewoners slaan ook steeds vaker de handen ineen om zelf de controle te krijgen over het lokale energiesysteem. Vanuit een lokale coöperatieve gedachte streven zij naar een betrouwbare en betaalbare energielevering voor iedereen. De inzet is: maximaal gebruik van lokale duurzame bronnen, het minimaliseren van transport door het afstemmen van opwek, opslag, gebruik en conversie en gelijktijdig vraag en aanbod bij elkaar brengen. We zien dit bijvoorbeeld in energiehubs waar vraag en aanbod van energie van verschillende bedrijven op elkaar zijn afgestemd.
• Balanceren op lagere schaalniveaus: we zien schaalniveaus in het systeem ontstaan waarbij het loont zo min mogelijk afhankelijk te zijn van hogere niveaus. Dat kan zijn achter de elektriciteitsmeter van een huis of bedrijf, gezamenlijk als bedrijventerrein, als wijk of dorp en zo voort. Overal in de regio zijn er ruimtelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld woningbouw projecten. Het slim benutten van de lokaal aanwezige energiebronnen door deze projecten vermindert de afhankelijkheid van het elektriciteitsnet voor deze ontwikkelingen.
^ Verschillende schaalniveaus
• Netbewust ontwikkelen: keuzes voor energiebronnen hebben invloed op elkaar en zijn deel van de oplossing of vergroten juist het probleem. Bijvoorbeeld gebiedsontwikkeling of woningbouw zonder daarbij de netbelasting zoveel mogelijk te beperken is een risico voor de haalbaarheid van het project en kan op andere plekken problemen geven. Bij het onderstaande kopje ‘wat betekent dit voor de RES’ staan meer voorbeelden van netbewuste keuzes. • Ruimtevraag: alle verzwaringen van het energiesysteem vragen ook fysieke ruimte, vaak op plekken waar daar nog geen rekening mee is gehouden. Trafohuisjes in de wijk, kabels voor stroom en leidingen voor warmte in de grond, warmtebuffers, WKO-installaties, warmtepompen enzovoort, allemaal hebben ze ruimte nodig.
Ontwikkelingen in beleid, wet- en regelgeving We zien de ontwikkelingen van het energiesysteem ook terug in wet- en regelgeving. In het Nationaal Plan Energiesysteem 6 (NPE) geeft het Rijk aan hoe een duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar energiesysteem (2050) vorm gaat krijgen. Achter technische keuzes voor het toekomstig energiesysteem schuilen maatschappelijke afwegingen. Daarom noemt het NPE een aantal publieke waarden voor het systeem:
3. e n e r g i e s y s t e e m • Betaalbaar en economisch krachtig • Betrouwbaar en veilig • Duurzaam • Rechtvaardig en participatief • Ruimte en milieu • Transparante afweging van belangen Mede op basis hiervan zijn er richtinggevende keuzes gemaakt. Elektriciteit wordt gezien als de ruggengraat van het energiesysteem. Het verbruik van elektriciteit zal ongeveer verdrievoudigen om op een duurzame manier te kunnen verwarmen, transporteren en produceren. Het kabinet hanteert een doelstelling voor een CO2 -vrij elektriciteitssysteem in 2035. Dat betekent dat alle elektriciteit afkomstig is uit hernieuwbare bronnen of kernenergie. Volgens het NPE zal de hoeveelheid energie geproduceerd uit zonne-energie in de periode 2030-2050 daartoe moeten verdrievoudigen en de energieproductie uit wind op land verdubbelen. Voor de warmtevraag wordt ingezet op het benutten van lokale warmtebronnen waar mogelijk. De Energievisie van de provincie Utrecht sluit aan op het NPE. Er wordt gekozen voor 1,5% energiebesparing per inwoner per jaar, het optimaal benutten van duurzame energiebronnen binnen de provincie met als doel energieneutraal te zijn in 2050 voor de gebouwde omgeving. Daarom zet de provincie in op het uitbreiden van de lokale opwekcapaciteit en op warmtenetten als de maatschappelijke kosten van een collectieve warmteoplossing niet significant afwijken van een individuele oplossing.
Ook zet de provincie in op het flexibiliseren van de energievraag en energieopslag. Energie dient beschikbaar en betaalbaar te zijn voor iedereen waarbij gestreefd wordt naar de laagste maatschappelijke kosten. De provincie wil energiekosten omlaag brengen en het systeem robuuster maken door met bedrijven, andere organisaties en inwoners gezamenlijk het lokale energiesysteem te herontwerpen in energiehubs. Ook kiest de provincie voor zoveel mogelijk lokaal eigenaarschap, minimaal 50% bij elektriciteitsopwekking. Bij het ontwerpen van het energiesysteem houdt de provincie nadrukkelijk rekening met ruimtelijke kwaliteit, beleving van het landschap en een zorgvuldige ruimtelijke verdeling van energievraag en -opwek in het landelijk en stedelijk gebied, waarbij opwek zoveel mogelijk plaatsvindt nabij het gebruik. De provincie volgt samen met relevante partners de ontwikkeling van SMR’s actief. De komende jaren ligt inzet van een SMR nog niet voor de hand. Voor waterstof wordt voor de gebouwde omgeving alleen een rol gezien voor piekwarmte voor warmtenetten.
Wat betekent dit voor de RES Deze RES Herijking bevat geen inhoudelijke kaders ten aanzien van het energiesysteem. Wel hebben de geschetste ontwikkelingen gevolgen voor de keuzes in en uitvoering van de RES. Op hoofdlijnen zien we de volgende consequenties:
Algemeen
• Warmteoplossingen, energiebronnen en buffering/opslag in samenhang ontwikkelen. Bijvoorbeeld bij de elektrificatie van de warmtevraag van woningen zijn zonnepanelen weinig zinvol zonder ook een vorm van opslag te integreren. • Denken in schaalniveaus: balans in tijd en omvang van energielevering en -gebruik op zo laag mogelijk schaalniveau, daarmee hogere schaalniveaus ontzien. • Vraag en aanbod van energie bij elkaar brengen. • Bij nieuwe ontwikkelingen zoals woningbouw en bedrijvigheid het energiesysteem al in het ontwerp meenemen. • Maatschappelijke kracht van inwoners en bedrijven benutten bij onder andere energiehubs en energiegemeenschappen.
Elektriciteitsopwekking
• Duurzame energieopwekking op land zal verder toenemen ook na 2030. • Energieopwek steeds meer in samenhang met de lokale energievraag ontwikkelen. • SMR (kernenergie op kleine schaal) is in ieder geval tot 2030 geen onderdeel van het systeem. Het ministerie van Klimaat en Groene Groei gaat zelfs uit van 2040.
Warmtetransitie
• Keuzes in de warmtetransitie afstemmen op de haalbaarheid van het hele systeem, het kan netcongestie verergeren (hogere piekvraag) of juist dempen (buffercapaciteit). • Lokale warmtebronnen, zoals oppervlaktewater en rioolwater, zoveel mogelijk (collectief) benutten. • Vanuit het energiesysteem heeft een collectief warmtenet, waar mogelijk, de voorkeur boven individuele oplossingen. • Waterstof alleen toepassen voor piekwarmte bij warmtenetten. Om de impact van de ontwikkelingen in het energiesysteem op gemeenten en regio te kennen, te weten waar belangen en afhankelijkheden voor de eigen gemeente en regio liggen en wat de sturingsmogelijkheden zijn, komen we in 2025 tot een regionaal energiebeeld. Daarbij nemen we het gemeentelijk schaalniveau als uitgangspunt.
4. Warmtetransitie Inhoud: 1. Overview
2
WARMTENET
2. Waar staan we nu
1
3. Energiesysteem
GEOTHERMIE
4
WIJKAANPAK
4. Warmtetransitie
6
WARMTEPOMP
8
KOUDEVRAAG
5. Grootschalige Opwek
6. Zon op daken & objecten
7. Hoe werkt de RES
ENERGIE BESPAREN
AQUATHERMIE
5
9
GEMEENTE EN INWONERS
3
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen 11. Verdieping
SEIZOENSOPSLAG
7
4. w a r m t e t r a n s i t i e
Uitleg bij infographic 1. Geothermie
7. Seizoensopslag
Geothermie, ofwel warmte uit water uit de diepe ondergrond, lijkt potentie te hebben in onze regio. Eind 2025 hebben we de resultaten van de geplande onderzoeksboring. Tot die tijd bereiden we, samen met Energie Beheer Nederland (EBN), de inzet van geothermie voor.
Warmteopslag is het opslaan van warmte voor gebruik later. Vaak levert een duurzame warmtebron continu warmte of met name in de zomer, terwijl de warmtevraag verandert op een dag en over het jaar. Op schaarse momenten gebruik je de eerder opgeslagen warmte. Er zijn verschillende vormen van warmteopslag, een voorbeeld is warmtekoudeopslag, ofwel WKO.
2. Warmtenet Een collectief warmtenet kent vele vormen. Denk aan de traditionele stadsverwarming, een bronnet waarbij de temperatuur pas bij de woning opgewaardeerd wordt of een mini-warmtenet voor een kleine groep woningen. De warmtebron, de warmtevraag en de mogelijkheden voor infrastructuur bepalen samen de vorm. We doen ons best om waar mogelijk en haalbaar, de duurzame warmtebronnen die de regio rijk is te benutten, d.m.v. een warmtenet.
3. Gemeente en inwoners Gemeenten hebben de regie op de warmtetransitie, maar doen dit niet alleen. Samen met inwoners en andere stakeholders maken ze plannen en leggen deze vast in een Warmteprogramma voor de hele gemeente en Wijkaanpakken of Uitvoeringsplannen per wijk/buurt/gebied. Inwoners kunnen ook een rol spelen in lokaal eigenaarschap.
4. Wijkaanpak In elke wijk werken gemeenten samen met bewoners en andere stakeholders, zoals de woningcorporatie en de netbeheerder, aan de wijkaanpak. Daarin kiezen ze samen voor een warmteoplossing en werken deze uit.
5. Energie besparen Energie besparen (zowel door gedrag als isoleren) zorgt ervoor dat er minder energie opgewekt hoeft te worden. Daarnaast biedt een beter geïsoleerd gebouw meer comfort. ^ Dakisolatie
6. Warmtepomp Een warmtepomp is een installatie die je individueel (per gebouw) en collectief (per buurt- of huizenblok) kunt toepassen. Er zijn hybride warmtepompen, die nog gas gebruiken als het echt koud is en voor tapwater, en all electric warmtepompen, die elektriciteit gebruiken voor de piekvraag.
^ Individuele warmtepomp
8. Koudevraag Naast de behoefte aan warmte neemt ook de behoefte om te koelen, de koudevraag, toe. Niet elke duurzame warmteoplossing is ook geschikt om te koelen. Dit aspect nemen we mee in de keuzes die we maken voor een duurzame warmteoplossing.
9. Aquathermie Een collectief warmtenet kent vele vormen. Denk aan de traditionele stadsverwarming, een bronnet waarbij de temperatuur pas bij de woning opgewaardeerd wordt of een mini-warmtenet voor een kleine groep woningen. De warmtebron, de warmtevraag en de mogelijkheden voor infrastructuur bepalen samen de vorm. We doen ons best om waar mogelijk en haalbaar, de duurzame warmtebronnen die de regio rijk is te benutten, d.m.v. een warmtenet.
^ Warmtebuffertank Eneco Utrecht
4. Warmtetransitie In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas zijn. Dit om de CO2 emissie met 95% te verlagen t.o.v. 1990. Elke gemeente heeft de regie op haar eigen warmtetransitie, maar werkt hier uiteraard niet alleen aan. Samen met inwoners, woningcorporaties, bedrijven en ondernemers, energieinitiatieven en de deelnemers van RES regio Utrecht werken we aan concrete warmteprogramma’s, waarin energie besparing en het benutten van de aanwezige duurzame warmtebronnen centraal staan. Door deze programma’s samen tot uitvoering te brengen, proberen we tot betrouwbare en betaalbare duurzame warmteoplossingen te komen. Dit hoofdstuk geeft richting aan de regionale activiteiten in het kader van zowel NP RES als NPLW en is tevens de Regionale Structuur Warmte (RSW).
Waar staan we nu? Het benutten van de aanwezige warmtebronnen is belangrijk om afhankelijkheid van schaarse elektriciteit (aanbod en netcapaciteit) te beperken. De verschillende aardgasvrije warmteopties hebben elk een verschillende impact op de elektriciteitsvraag, op de woning en de wijk en op het ruimtegebruik. We zoeken in de regio naar de juiste balans, in afstemming met bewoners (door gemeenten). De bovengemeentelijke warmtebronnen van betekenis in de regio zijn geothermie 1 en aquathermie 2 uit oppervlaktewater (TEO). Betrokken gemeenten, provincie en waterschappen werken samen aan kennisdeling, onderzoek en een eerlijke en slimme verdeling van deze bronnen. Waar nodig kijken we ook bovenregionaal voor samenwerking. Zo is gemeente De Ronde Venen over geothermie in contact met de MRA-gemeenten (Metropoolregio Amsterdam). De warmtevraag vanuit de gebouwde omgeving Update van de warmtevraag volgt uit PBL Startanalyse Q4-2024
Trends en ontwikkelingen We zien een aantal trends en ontwikkelingen in de warmtetransitie. • Uitdagingen in de wijkaanpak: Gemeenten zijn gestart met het aardgasvrij maken van de eerste buurten en wijken. Daarbij komen ze uitdagingen op verschillende vlakken tegen, zoals betaalbaarheid, een overbelast elektriciteitsnet 3 de komende jaren, de inpassing in de ruimte 4 en de toenemende koudevraag. Ook is er nog behoefte aan een goed verhaal over de noodzaak en een aantrekkelijk toekomstbeeld. • Instrumentarium collectieve oplossingen nog niet op orde: De alternatieven voor verwarmen met aardgas zijn nog niet voor iedereen financieel aantrekkelijk en aan vernieuwde wet- en regelgeving wordt nog gewerkt (o.a. WGIW, WCW, waarborgfonds). • Technische innovaties: Ook in de warmtetransitie staat innovatie niet stil. Zo worden warmtetechnieken niet alleen stiller, compacter en efficiënter, maar wordt ook gekeken naar modulaire en opschaalbare warmtesystemen. Daarnaast is er steeds meer aandacht voor biobased isoleren en het slimmer afstemmen van vraag en aanbod van warmte. Regionaal nemen we deze ontwikkelingen mee in de ondersteuning aan gemeenten.
4. w a r m t e t r a n s i t i e
Ambities voor 2030 en daarna De afspraken in het Klimaatakkoord onderschrijven we allemaal. Sommige gemeenten hebben deze voor zichzelf zelfs aangescherpt; zo wil bijvoorbeeld gemeente Wijk bij Duurstede in 2030 energieneutraal zijn en gemeente Montfoort in 2040.
Regionaal stellen we geen tussentijdse gezamenlijke kwantitatieve doelen, maar zetten we in op samenwerking, ondersteuning, kennisdeling en afstemming. We zorgen er samen voor dat de warmtetransities van alle gemeenten bij elkaar leiden tot een duurzaam energiesysteem.
Uit de jaarlijkse monitor warmtetransities, verzorgd door provincie Utrecht voor de 3 RES regio’s binnen de provincie, blijkt dat in de RES regio Utrecht nog een kleine 330.000 woningen van het aardgas moeten. Ook heeft een deel van de stadsverwarming nog een duurzame bron nodig.
Alleen aardgas Aantal woningen (percentage)
Stadsverwarming*
Elektrisch verwarmd
Zonder gebruik aardgas
Met gebruik aardgas (hybride)
Zonder gebruik aardgas
Met gebruik aardgas (hybride)
Onbekend
2017
324.306 (80,2%)
47.312 (11,7%)
14.153 (3,5%)
1.618 (0,4%)
1.213 (0,3%)
15.771 (4,0%)
2022
329.321 (77,1%)
61.080 (14,3%)
11.960 (2,8%)
11.960 (2,8%)
3.417 (0,8%)
9.397 (2,3%)
* De uitsplitsing zonder/met gebruik aardgas betreft het gebruik in de woning. Het gebruik van aardgas in de centrale wordt hierin niet meegenomen. Ter vergelijking: Alleen aardgas (2022): 81,1% (PU) en 87,4% (NL) ^ Tabel Hoofdverwarmingsinstallaties woningen regio Utrecht
4. w a r m t e t r a n s i t i e
Inzet komende periode De opgave is groot en complex en nog niet alle randvoorwaarden 5 zijn passend, maar stilstaan is geen optie. De focus van de regionale activiteiten ligt op zaken die wél kunnen, nu en ter voorbereiding op het moment dat er meer kan.
Uitgangspunten voor regionale ondersteuning
De regionale ondersteuning baseren we op onderstaande uitgangspunten. We denken daarmee te komen tot een robuust en duurzaam energiesysteem en te voldoen aan landelijk gestelde kaders en deadlines. 1. We zetten maximaal in op energie besparen (gedrag, isoleren, ventileren en zonwering). Dit doen we ook als isoleren niet nodig is voor de duurzame warmteoplossing (zoals een MT warmtenet met bijv. geothermie als bron). En ook als energie besparen de business case van een warmtenet of bronnet minder rendabel maakt doordat de warmtevraag daardoor afneemt. We kiezen hiervoor omdat: • een lager energieverbruik een lagere energierekening betekent • geïsoleerde gebouwen beter geschikt zijn voor een duurzaam warmtealternatief dat een lagere temperatuur heeft dan de huidige fossiele bronnen • hoe beter het gebouw geïsoleerd is en het gedrag van de gebruiker is afgestemd op de beschikbaarheid van energie, hoe minder elektriciteit er opgewekt hoeft te worden. • een geïsoleerd gebouw comfortabeler is voor de gebruiker. • de Europese richtlijn voor energieprestaties gebouwen (EPBD iv) stelt dat het energieverbruik van woningen omlaag moet, nieuwe gebouwen vanaf 2030 zeroemission buildings (ZEB) moeten zijn en vanaf 2050 alle gebouwen, waarvoor dat haalbaar is, een ZEB zijn.
Uiteraard houden we betaalbaarheid en de consequenties voor het energiesysteem goed in de gaten bij de keuzes die gemaakt worden rondom besparen.
2. Om bewoners en Stedin op korte termijn duidelijkheid te geven over de plannen voor de gebouwde omgeving, ondersteunen we gemeenten om z.s.m. concrete warmteprogramma’s op te stellen en vast te stellen. Daarin is per wijk/gebied aangegeven of er een warmtenet of bronnet wordt voorzien of dat het een allelectric wijk zal worden. Ook wordt er een fasering gegeven. In de keuzes wordt naast duurzame warmte ook koeling meegenomen. We hanteren bij voorkeur de volgende denklijn: • We willen zo goed mogelijk de warmtebronnen die te realiseren zijn benutten, zodat we zo min mogelijk elektriciteit en groen gas nodig hebben. Daarom starten we met het opstellen van nieuwe uitvoeringsplannen in wijken waarin een warmtenet of bronnet kansrijk lijkt. Dit voorkomt (gedeeltelijk) dat bewoners zelf een individuele oplossing regelen en de aanleg van een warmtenet of bronnet financieel minder aantrekkelijk wordt. • In wijken waarin een warmtenet of bronnet niet kansrijk lijkt en een individuele oplossing het meest logische alternatief is, geven we de bewoners die duidelijkheid, maar we stimuleren de installatie van all-electric warmtepompen nog niet. Dat kan pas als het net verzwaard is (na 2030) of als er regelbare warmtepompen zijn die verplicht kunnen worden. We stimuleren wel isolatie en de installatie van hybride warmtepompen, die we als goede tussenoplossing zien.
In de periode dat het elektriciteitsnet verzwaard wordt, bereiden we ons voor op wijkaanpakken om de installatie van all-electric warmtepompen te stimuleren door collectieve inkoopacties en ontzorging. Zo kunnen we direct aan de slag zodra het mogelijk is. • In de wijkaanpakken wordt utiliteit in de wijk meegenomen, bedrijventerreinen krijgen elk hun eigen aanpak. • Groen gas en waterstof lijken in de gebouwde omgeving weinig kansrijk door schaarste. Alleen voor hoogwaardige toepassingen in de industrie, of daar waar waterstof lokaal opgewekt en gebruikt kan worden, is groen gas of waterstof een optie.
4. w a r m t e t r a n s i t i e
• Het lang in stand houden van het aardgasnet terwijl een groot deel van de gebouwde omgeving al over is op een duurzame warmteoplossing, leidt tot hoge maatschappelijke kosten. Deze landen o.a. bij de meest kwetsbare groep. Daarom kan het inzetten van de aanwijsbevoegdheid verstandig zijn. Ook helpt dat voor de haalbaarheid van een collectieve oplossing. 3. Bij de inzet van duurzame warmtebronnen kijken we breder dan gemeentegrenzen en stemmen we regionaal af, zoals wordt gevraagd in het wetsvoorstel voor de Wet Collectieve Warmte . 4. We zorgen er gezamenlijk voor dat de som van de warmtetransities bijdraagt aan een robuust en duurzaam regionaal energiesysteem. Daarbij kijken we niet alleen naar duurzame warmtebronnen, maar ook naar piekvoorziening, buffering en seizoensopslag.
Door dit met elkaar af te spreken en uit te voeren, hebben we een vergelijkbaar speelveld en is het makkelijker om lef te tonen. Uiteraard respecteren we elkaars (eerder genomen) besluiten, ook als deze afwijken van deze uitgangspunten. Deze uitgangspunten zijn in lijn met het NPE en de Energievisie van provincie Utrecht.
Regionale activiteiten
Op basis van genoemde trends, ontwikkelingen en uitgangspunten, zet de regio zich in om de warmtetransitie verder te brengen door: • Inzicht te krijgen in de som van de zestien gemeentelijke warmtetransities en de impact daarvan op het energiesysteem • Relevante onderzoeken uit te zetten • Inzicht te krijgen in lokale en regionale netcapaciteit • Verdelingsvraagstukken rondom duurzame bronnen te begeleiden, waar relevant • ‘Kopieerbare’ kennis en ervaringen te delen • De warmtetransitie te monitoren • Te lobbyen en door gemeenten te ondersteunen bij: • Strategieontwikkeling voor de inzet van bronnen • Het verkrijgen van inzicht in kansrijke warmteoplossingen per wijk • Het verder uitwerken van afwegingscriteria per warmteoplossing • Het opstellen van een Warmteprogramma 6 als programma onder de Omgevingsvisie • Het uitwerken van de opzet van een gemeentelijk warmtebedrijf • Kennisuitwisseling over diverse vormen van participatie • Samenwerking met energie-initiatieven • Het verkennen van publiek en lokaal eigenaarschap • Duidelijkheid krijgen in rollen en bevoegdheden De regionale ondersteuning op warmte is verdeeld over verschillende partijen: RES regio Utrecht , NPLW , provincie Utrecht en Energie Diensten Centrum (EDC) . We streven naar optimaal samenwerken en verdelen van werkzaamheden tussen de partijen.
5. Grootschalige Opwek Inhoud:
2
ZON-WIND-BALANS
1. Overview
2. Waar staan we nu
6
OPTIMALE TURBINES BEDRIJVENTERREINEN
3. Energiesysteem
3
4. Warmtetransitie
1
OER
CLUSTEREN LANGS INFRASTRUCTUUR
7
ENERGIE HUB
5. Grootschalige Opwek CLUSTEREN OPWEK EN GEBRUIK
6. Zon op daken & objecten
8
4
DUBBEL RUIMTEGEBRUIK
9
DELEN AANSLUITING
7. Hoe werkt de RES LOKAAL EIGENAARSCHAP
5
PROJECTBATTERIJ
10
Direct naar: 8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap 10. Energiebronnen 11. Verdieping
5. g r o o t s c h a l i g e o p w e k
Uitleg bij infographic 1. OER
5. Lokaal eigenaarschap
OER staat voor Opwek van hernieuwbare Energie op Rijksvastgoed. In onze regio verkent Rijkswaterstaat samen met de gemeenten de mogelijkheden voor zonprojecten op rijksgronden langs de snelwegen. Kansrijke gebieden worden aanbesteed met minimaal 50% lokaal eigenaarschap. Projecten dragen bij aan de RES-ambitie.
Vandaag de dag is lokaal eigenaarschap in opwekprojecten vanzelfsprekend geworden. In bijna alle gemeenten en bij de provincie is de verplichting van (minimaal) 50% lokaal eigenaarschap vastgelegd in beleid.
Kijk hier
voor extra informatie over OER voor regio Utrecht.
2. Zon-wind-balans Omdat de wind niet altijd waait en de zon niet altijd schijnt is een goede balans tussen zon en wind belangrijk. Voor een korte periode kan worden gebalanceerd met batterijen. Als naar seizoenseffecten wordt gekeken, is wind belangrijk voor het winterseizoen. Alleen al omdat de stroomvraag in de winter toeneemt voor het elektrisch verwarmen van woningen en andere gebouwen. Vanuit het energienet heeft een vermogensverhouding van 50-50% de voorkeur.
3. Clusteren langs infrastructuur Vanuit de verschillende belangen, regionale landschapsstudies en het participatieproces is een duidelijke voorkeur naar voren gekomen voor windparken en zonneparken langs hoofdinfrastructuur (snelwegen, spoor, Amsterdam-Rijnkanaal). Onder clusteren valt ook het combineren van zon en wind. Door clusteren bij infrastructuurlandschappen kunnen de cultuurhistorische en natuurlijke landschappen zoveel mogelijk worden ontzien. Clusteren langs infrastructuur stond ook al in de RES 1.0.
4. Dubbel ruimtegebruik Ruimte is schaars in de regio Utrecht. Daarom wordt bij nieuwe zonnevelden (en windparken) actief gezocht naar mogelijkheden voor de combinatie met andere functies. Daarbij kan gedacht worden aan zonnepanelen gecombineerd met fruitteelt en/of schapen en natuurinclusieve zonneparken. Vanuit de Zonneladder heeft zon op landbouw- en natuur grond niet de voorkeur. Op deze gronden is voor toekomstige zonnevelden dubbel ruimtegebruik een vereiste. Ook in de subsidieverlening (SDE) voor zonnevelden wordt dubbelruimtegebruik een vereiste. De overheden hebben bestuurlijke afspraken gemaakt over de voorkeursvolgorde zon .
Het lokaal eigenaarschap wordt meestal ingevuld door lokale energiecoöperaties. Via de coöperaties kunnen bewoners en bedrijven meedenken, meedoen en meeprofiteren bij opwekprojecten. Meer over lokaal eigenaarschap lees je in hoofstuk 9: Lokaal eigenaarschap.
6. Optimale turbines bedrijventerreinen Vanuit het principe van clusteren van opwek bij verbruik en voor meer regie op de eigen energievoorziening, groeit vanuit ondernemers de wens voor meer windturbines bij bedrijventerreinen. Deze windturbines komen dan wel nabij de gebouwde omgeving. Moderne windturbines met een hoogte van 225 m (en hoger) nabij de gebouwde omgeving kan op gespannen voet staan met mogelijke hinder en beperkte acceptatie uit de omgeving. De optimale windturbines op deze plekken (vanuit duurzaamheid en acceptatie) zijn mogelijk lager dan de moderne windturbines. Daarbij speelt dat de lagere turbines in de markt slecht verkrijgbaar zijn en dat lagere turbines economisch niet/moeilijk haalbaar zijn.
7. Energiehub In het energiesysteem van de toekomst is het wenselijk energievraag en -aanbod zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Lokaal uitwisseling, opslag en omzetting (bijvoorbeeld van stroom naar waterstof of warmte) van energie is daar onderdeel van. Dat gebeurt in energiehubs. Deze kunnen ook bijdragen aan het verminderen van netcongestie. De mogelijkheden van energiehubs worden onder regie van de provincie verkend bij bedrijventerreinen. De energiehubs kunnen in de toekomst ook een rol spelen bij nieuwe woongebieden.
8. Clusteren opwek en gebruik Vanuit het energiesysteem is het wenselijk dat stroom wordt opgewekt dicht bij de plek waar het wordt verbruikt. Het energienet wordt daarmee ontzien, bedrijven en andere grote energiedragers hebben meer regie over eigen energie en er wordt bijgedragen aan het verminderen van netcongestie.
5. g r o o t s c h a l i g e o p w e k
Uitleg bij infographic 9. Delen aansluiting Het komt zelden voor dat het hard waait en de zon schijnt. Daarom kunnen windparken en zonnevelden vaak gebruik maken van dezelfde aansluiting door deze te delen (ook wel cable pooling genoemd). Door de aansluiting te delen hoeft er maar een, in plaats van twee, kabel te worden aangelegd. Dit zorgt voor minder maatschappelijke kosten, lagere aanlegkosten voor een opwekproject en betere netinpassing waardoor meer opwekprojecten kunnen worden aangesloten. Met een combinatie van zonne- en windenergie kan tot vier keer meer energie opgewekt worden op dezelfde infrastructuur dan met enkel zonne-energie.
10. Projectbatterij Zon- en windprojecten leveren de opgewekte energie terug aan het net. Bij pieken in de opwek is er meestal ook een piek in de opwek bij andere zon- of windprojecten. Het net kan daarbij overbelast raken. Dat kan ertoe leiden dat er tijdelijk geen of minder stroom kan worden teruggeleverd (dat wordt curtailment genoemd). Dat heeft ook een direct effect op de opbrengsten van de opwek. Om die reden wordt bij steeds meer opwekprojecten voorzien in een projectbatterij, waarbij in pieksituaties (een deel van) de opgewekte stroom tijdelijk wordt opgeslagen. Deze stroom kan worden terug geleverd op momenten met weinig opwek.
^ Projectbatterij bij zon op dak
5. Grootschalige Opwek Duurzame (lokale) elektriciteit is de ruggengraat van ons toekomstige energiesysteem. Het draagt bij aan het realiseren van de klimaatdoelen en zorgt voor de benodigde energie voor onze woningen, scholen, ziekenhuizen, winkels, bedrijven en transport. In de toekomst gebruiken we tot 3 keer meer stroom. Daarom zullen we in de regio ook meer stroom gaan opwekken met wind- en zonne-energie. Er is alleen windenergie als het waait en alleen zonne-energie als de zon schijnt. Daarom is een goede mix tussen wind en zon belangrijk. Grootschalige opwek dient goed te worden ingepast in ons totale energiesysteem. Nieuwe opwek wordt bij voorkeur gerealiseerd nabij energievraag en waar mogelijk gecombineerd met slimme energieoplossingen.
Waar staan we nu De helft van de ambitie is inmiddels ingevuld, nog stap nodig om ambitie te halen
In de regio hebben we afgesproken in 2030 1,3 TWh duurzame elektriciteit op te wekken met zonnevelden en windparken. Met 0,5 TWh aan zon op dak komen we daarmee op een ambitie van 1,8 TWh. Andere technieken 1, waaronder kleinschalige kernenergie, worden vooralsnog niet meegenomen in de RES. Deze zijn op dit moment nog onvoldoende marktrijp en/of onvoldoende opschaalbaar om een rol te kunnen spelen in de ambitie voor 2030. We volgen de ontwikkelingen en als daar aanleiding toe is kunnen we in de toekomst nieuwe technologieën meenemen. De regionale ambitie wordt ingevuld met de bijdragen van de gemeenten. Wij zijn daar sinds de RES 1.0 voortvarend mee aan de slag gegaan. Inmiddels is 0,6 TWh aan zonnevelden en windparken vergund en deels ook gerealiseerd 2. En nog eens 0,2 TWh aan grootschalige opwek is concreet bij initiatiefnemers in voorbereiding. Voor de helft daarvan is de vergunning inmiddels aangevraagd.
Een aantal gemeenten heeft de afgesproken bijdrage inmiddels gerealiseerd. Andere zijn op weg hun bijdrage te realiseren. Bij enkele gemeenten blijkt het om technische, ruimtelijke en/of juridische redenen moeilijk de volledige bijdrage te kunnen leveren. Er zijn ook enkele gemeenten waar de noodzakelijke besluitvorming over (een deel van de) zoekgebieden en projecten lijkt te stagneren. Separaat heeft de provincie een besluit over extra windlocaties genomen. Om de regionale ambitie te kunnen realiseren is daadkrachtige besluitvorming over de bestaande en aanvullende zoekgebieden door gemeenten nodig. Dit moet ervoor zorgen dat in de regio de komende vijf jaar 1,3 TWh aan grootschalige elektriciteit wordt opgewekt. Onderstaande tabel geeft per gemeente de bijdrage weer aan de regionale ambitie van 1,3 TWh in 2030. Daarnaast staat het ingeschatte totale opwekvermogen van de concrete zonen windprojecten en de zoekgebieden die nog door de gemeenten op haalbaarheid worden onderzocht en/of worden uitgewerkt. Deze zoekgebieden dragen bij aan het invullen van de bijdrage voor 2030 en bij een aantal gemeenten bevatten ze ook een doorloop naar extra opwek tot 2035. Dit omdat gemeenten ook werken aan hun eigen klimaatambities na 2030. In de laatste kolom staat de opwek die reeds is ingevuld met concrete projecten waarvan de vergunning is aangevraagd/verleend tot en met realisatie.