CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A05.1 Brief analyse voorkeursgebied gemeente Oudewater_20241202.pdf

Forum Ruimte 11 maart 2025, gemeente OudewaterBij agendapunt: 4: Toelichting gedeputeerde Huib van Essen op inpassingsbesluit GS2.315 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Oudewater t.a.v. de heer B. Lont, wethouder Postbus 100 3420 DC OUDEWATER Nederland Onderwerp Datum Documentnummer Telefoonnummer E-mailadres Domein/opgave Team

analyse voorkeursgebied gemeente Oudewater 02‑12‑2024 UTSP-27969949358744 +31628918807 robin.hoenkamp@provincie-utrecht.nl SLO RES

Geachte heer Lont, beste Bas, Inleiding De gemeente Oudewater heeft in haar brief van 11 juli, in reactie op de oproep van de provincie om plannen voor de RES te concretiseren laten weten dat zij geen windenergie mogelijk wil maken in de meest kansrijke gebieden voor windenergie met nummers 1, 8 en 18 in haar gemeente. In plaats daarvan is de voorkeur aangegeven voor een strook in het zuiden van de gemeente langs de grens met Lopik, dit is onderzoeksgebied nummer 7 uit het planMER dat grotendeels in weidevogelkerngebied en volledig in stiltegebied ligt. De provincie waardeert het dat de gemeente haar bijdrage in het behalen van de RES-doelstellingen wil leveren. Door windenergie mogelijk te maken zet de gemeente een belangrijke stap naar voren in het proces. De gemeente heeft de provincie verzocht nader onderzoek naar het betreffende gebied uit te voeren om zo duidelijkheid te geven over het mogelijk maken van windenergie. Ondanks het feit dat het gebied niet als meest kansrijk is beoordeeld, ligt het gebied ook niet binnen een beschermingsregime van de Omgevingsverordening provincie Utrecht waar windenergie bij voorbaat is uitgesloten. Er is daarom nader onderzocht of windenergie in het gebied vanuit de belangen van vogelsoorten (weidevogels en andere) en stiltegebied mogelijk gemaakt kan worden.

Uit deze nadere analyse blijkt dat het niet mogelijk is om te voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden in de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. Hieronder worden per onderdeel de bevindingen weergegeven.

Hier zijn de kansrijke gebieden in rood en het gebied aangedragen door Oudewater in oranje weergegeven

1 van 5

Weidevogelkerngebied Voor weidevogelkerngebied geldt op grond van de Omgevingsverordening provincie Utrecht een verplichting om de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels per saldo minimaal gelijk te behouden. Daarbij is het nodig om aan te tonen dat er geen betere locaties voor windenergie mogelijk zijn. Strikt genomen zou er met een waarschijnlijk forse compensatieopgave aan de instructieregel voldaan kunnen worden, ware het niet dat de onderbouwing van een wettelijk belang op deze locatie zo goed als onmogelijk is. Er zijn alternatieve locaties die beter geschikt zijn binnen de gemeentegrenzen. Dit zijn de meest kansrijke gebieden voor windenergie met nummers 1,8 en 18. Soortenbescherming Voor nadere ecologische analyse is de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd en is het gebied nader beoordeeld op de situering en ecologische functie. In de beoordeling voor soortenbescherming telt zwaar mee hoe het gebied ecologisch functioneert als leef-, nest- en foerageergebied. Daarbij is vastgesteld: 

 

Gebied 7 is essentieel foerageergebied voor de purperreiger en zwarte stern en valt daarom binnen het gebied waar beheersubsidies worden verstrekt voor het creëren en optimaliseren van het leef- en foerageergebied voor purperreiger en zwarte stern (Natuurbeheerplan 2024/2025, kaart 8 Leefgebied dooradering purperreiger en zwarte stern). Beide soorten zijn gevoelig voor aanvaringen met windturbines en hebben een lage 1% mortaliteitsnorm. Er is in Nederland weinig geschikt foerageergebied voor de purperreiger. De provincie Utrecht heeft hiermee een belangrijke taak om de soort in stand te houden. Dat purperreigers het gebied gaan vermijden door plaatsing van windmolens is niet uit te sluiten en vermijding zal waarschijnlijk leiden tot negatieve invloed op de populatie ontwikkeling.

In de nadere analyse is ook gekeken naar natuurgebieden in de omgeving. De Hooge Boezem (Zuid-Holland) en de Willeskop functioneren beiden als -schaars beschikbaar- rustgebied van landelijk belang voor het behoud van een hele reeks soorten als: blauwe en bruine kiekendief, grutto, kleine zwaan, kokmeeuw, purperreiger, wulp, regenwulp, zwarte stern en nog een aantal. De Hooge Boezem heeft ook een functie als verzamelplaats voor de grutto. Na en voor de trek verzamelen de grutto’s zich op deze plek om dan vervolgens weg te trekken of juist het gebied in te trekken om te broeden. Daardoor zijn er periodiek veel vluchten te verwachten van grutto’s binnen gebied 7. Te voorziene vermijding van het gebied door plaatsing van windmolens zal de functie als leef-, nest- en broedgebied voor grutto en andere weidevogels deels tenietdoen. Het natuurgebied de Willeskop heeft een belangrijke functie als rust, broed en foerageergebied en trekt honderden vogelsoorten aan. Vogelsoorten die vervolgens weer gebruik maken van gebied 7 waaronder de kleine zwaan en smient aangewezen in N2000 gebied Broekvelden, Vetterbroek en Polder Stein. De geverifieerde vogeltellingen (opgevraagd uit de NDFF) in gebied 7 wijzen op aanwezigheid van (relatief) hoge aantallen kwetsbare soorten waaronder een relatief groot aantal met een Staat van instandhouding die (zeer) ongunstig is.

Daarnaast zijn er meer dan 14 broedvogelsoorten die voor windenergie gevoelig zijn waarvan de weidevogels, zwarte stern, visdief en bruine kiekendief het meest kwetsbaar zijn. En er zijn tientallen (>30) niet-broedvogelsoorten aanwezig die voor windenergie gevoelig zijn waaronder aangewezen N2000 soorten als smient, purperreiger en kleine zwaan. De eindbeoordeling van de nadere analyse is dat realisatie van een windpark in gebied 7 essentiële ecologische functies van het gebied kan verstoren en een negatieve impact heeft op veel vogelsoorten. Compensatie van deze functies is niet op een andere locatie te realiseren vanwege de hoge kwaliteit van het gebied. Een natuurvergunning voor een windpark op deze locatie kan niet worden verleend ook al omdat alternatieve locaties voorhanden zijn.

2 van 5

Ook de meest kansrijke gebieden 1,8 en 18 zijn nader geanalyseerd op ecologische functie, situering en het voorkomen van soorten met behulp van de NDFF. In het planMER windenergie Utrecht zijn voor ecologie scores toebedeelt aan de onderzoeksgebieden (rapport ‘Ecologische risicoanalyse windenergie Utrecht’ Rapport nr. 23-338, Waardenburg Ecology) . De score range ging van 1, meest geschikt tot 13, als meest ongeschikt. Gebied 7 scoorde een 9 en scoort daarmee slechter dan gebieden 1,8 en 18 met respectievelijke scores van 7, 5 en 4. De gebieden 1,8 en 18 hebben minder relaties met andere natuurgebieden zoals gebied 7 dat wel heeft. Alleen de relatie met Natura 2000 gebied Broekvelden, Vetterbroek en Polder Stein en de Reeuwijkse plassen is hier relevant. Hieronder volgt de nadere ecologische analyse per gebied. Gebied 1 Het weidevogelkerngebied ten oosten van gebied 1 is een goed weidevogelgebied met relatief veel nesten van grutto, kievit en tureluur. Door de ligging is het een (mogelijk zeer) gevoelig gebied voor effecten op weidevogels. Gebied 1 ligt in de weidevogelrandzone en afhankelijk van de opstelling wel of niet in de (<200m) verstoringszone van het weidevogelkerngebied. Mogelijk is er ook barrièrewerking aan de orde: het kan zijn dat weidevogels het gebied en de verstoringszone (400m) eromheen gaan vermijden.

Nadelige tot zeer nadelige impact op weidevogels door een windpark kan niet worden uitgesloten. Nader ecologisch onderzoek zal moeten uitwijzen hoe weidevogels het gebied gebruiken en of het mogelijk is de windmolens zo neer te zetten dat de impact zo klein mogelijk blijft. Gebied 1 overlapt met risicogebied voor kleine zwaan en smient. Deze soorten en de krakeend zijn aangewezen soorten in het N2000 gebied Broekvelden, Vetterbroek en Polder Stein en hebben een lage 1% mortaliteitsnorm. De waarnemingen uit de NDFF in gebied 1 wijzen op aanwezigheid van (relatief) hoge aantallen kwetsbare soorten (24 broedvogelsoorten en meer dan 50 niet-broedvogelsoorten) waaronder een relatief groot aantal met een staat van instandhouding die (zeer) ongunstig is. Naast de vogelsoorten zijn redelijke aantallen voor windenergie gevoelige vleermuissoorten te verwachten in het onderzoeksgebied. In de laatste tien jaar zijn nog niet zulke grote aantallen waargenomen dat dit direct reden geeft om geen windenergie mogelijk te maken. De voorlopige conclusie voor gebied 1 is dat dit gebied (zeer) nadelige impact kan hebben op weidevogels en in het gebied relatief veel vogelsoorten kunnen voorkomen met een lage 1% mortaliteitsnorm. Daardoor lijkt dit gebied vanuit alleen ecologisch perspectief minder geschikt voor windenergie.

Naar verwachting is hier echter minder verstoring te verwachten dan bij gebied 7 waardoor het niet bij voorbaat is uitgesloten. Met ecologisch veldonderzoek kan meer inzicht worden verkregen in het gebruik van het gebied door vogel- en vleermuissoorten, vliegbewegingen en mogelijkheden voor plaatsing van windturbines. Gebied 8 Het gebied is een gevoelig gebied voor weidevogels. Afhankelijk van de opstelling is mogelijk barrièrewerking aan de orde, omdat het tussen weidevogelkerngebieden ligt. In de afgelopen tellingen van 2019 en 2021 zijn er niet veel weidevogelnesten geteld in het gebied zelf. Daarnaast ligt gebied 8 (met name het oostelijk deel in Montfoort) waarschijnlijk gunstiger t.o.v. weidevogelkerngebieden dan gebied 1. In het oostelijk deelgebied broeden wel relatief veel kieviten met ook een relatief hoog aanvaringsrisico en verstoringsrisico (verstoringsafstand ong. 300 m vanaf windturbines). De kievit broedt hier vooral op maisakkers. Door mogelijkheden van verplaatsen van de maïsakkers of het niet langer telen van maïs als mitigerende maatregelen is dit geen hard knelpunt. Gebied 8 ligt al verder af van het N2000 gebied en niet langer in risicogebied, maar mogelijk zijn er nog vliegbewegingen van kleine zwaan, krakeend en smient aangewezen in Broekvelden, Vetterbroek en Polder Stein.

Incidentele aanvaringen en vermijding van die soorten zijn zonder veldonderzoek niet uit te sluiten. De ecologische functie van dit gebied voor deze soorten moet worden onderzocht evenals vliegbewegingen en vliegroutes o.a. vanuit N2000 gebied en de Reeuwijkse Plassen.

3 van 5

Uit de NDFF blijkt dat er meer dan 15 voor windenergie gevoelige broedvogelsoorten te verwachten in het onderzoeksgebied. En rond de 50 voor windenergie gevoelige niet-broedvogelsoorten waaronder Rode lijst soorten en Utrechtse Aandachtsoorten. Ook hier zijn soorten met een lage 1% mortaliteitsnorm te verwachten, maar minder dan in gebied 1. Met nader ecologisch veldonderzoek kan meer inzicht worden verkregen in het gebruik van het gebied, vliegbewegingen en mogelijkheden voor plaatsing van windturbines. Voor vleermuizen zijn redelijke aantallen voor windenergie gevoelige soorten te verwachten in het onderzoeksgebied. Hiermee is het risico laag. Voorlopige conclusie voor gebied 8 is dat dit gebied ecologisch gezien geschikt lijkt voor windenergie, maar dat voorzichtigheid geboden is met weidevogels, smient, kleine zwaan en krakeend en mogelijk een aantal vogelsoorten kunnen voorkomen met een lage 1% mortaliteitsnorm. Met ecologisch veldonderzoek kan meer inzicht worden verkregen in het gebruik van het gebied door vogel- en vleermuissoorten, vliegbewegingen en mogelijkheden voor plaatsing van windturbines. Gebied 18 Dit gebied is gevoelig voor effecten op weidevogels. In het gebied zelf zijn weinig weidevogelnesten geteld in 2019 en 2021. Het weidevogelkerngebied ten zuidwesten van de zoeklocatie heeft wel hoge dichtheden van weidevogelnesten.

Verstoring en barrièrewerking moet worden onderzocht. Mogelijk is bij de aanleg van een windpark sprake van (beperkte) stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in N2000 gebieden de Zouweboezem en de Uiterwaarden Lek, die beide op 5-10 km afstand liggen. Uit de NDFF blijkt dat er ongeveer 15 voor windenergie gevoelige broedvogelsoorten en meer dan 50 voor windenergie gevoelige niet-broedvogelsoorten zijn te verwachten. Ook hier zijn in de NDFF soorten waargenomen met een kleine 1% mortaliteitsnorm. Voor vleermuizen zijn ook redelijke aantallen te verwachten maar dit vormt niet direct een groot risico. Voorlopige conclusie voor gebied 18 is dat dit gebied ecologisch gezien geschikt lijkt voor windenergie, maar dat voorzichtigheid geboden is met weidevogels en mogelijk een aantal vogelsoorten kunnen voorkomen met een lage 1% mortaliteitsnorm. Met nader ecologisch veldonderzoek kan meer inzicht worden verkregen in het gebruik van het gebied, vliegbewegingen en mogelijkheden voor plaatsing van windturbines. Stiltegebied Voor stiltegebieden geldt op grond van de Omgevingsverordening provincie Utrecht een doelstelling van een 24-uursgemiddeld geluidniveau LAeq,24h van ten hoogste 40 dB(A) in de stille kern van stiltegebieden. Voor de bufferzone geldt een 24-uursgemiddeld geluidniveau LAeq,24h van bij voorkeur 40 dB(A) maar ten hoogste 45 dB(A) in.

Op korte afstand van een windpark kan al snel aan de 45 dB LAeq, 24h worden voldaan en daarmee zou het park verenigbaar zijn met de bufferzone. Gebied 7 ligt echter midden in de stille kern zoals aangemerkt in de Omgevingsverordening provincie Utrecht. Daarmee zou het windpark moeten voldoen aan een waarde van 40 dB Laeq,24h. Als voor windturbines uitgegaan wordt van een jaargemiddelde geluidbelasting db(A), zonder straffactoren, dan is het niet mogelijk om op korte afstand van het windpark aan de richtwaarde van 40 dB (A) te voldoen. Grofweg kan pas op 500 m aan een grens van 41 dB (A) worden voldaan (jaargemiddeld). Daarmee is het uitgesloten dat het windpark kan voldoen aan het geluidsniveau voor de stille kern. Het is mogelijk om op basis van de uitzonderingsbepaling voor windturbines af te wijken van de norm. Hierbij is het onder andere noodzakelijk dat de windturbines zodanig worden opgesteld dat de effecten op het stiltegebied zo beperkt mogelijk zijn. Gebied 7 ligt echter midden in het stiltegebied waardoor het effect op het stiltegebied niet beperkt kan worden. Ook geldt de voorwaarden dat onderbouwd moet worden dat de locatie binnen het stiltegebied het meest geschikt is voor windturbines. Dit is niet het geval nu er in de gemeente drie gebieden meer geschikt zijn bevonden (de drie meest kansrijke gebieden voor windenergie).

Conclusie Gebied 7 is niet gelegen in een gebied waar op basis van de Omgevingsverordening provincie Utrecht windenergie bij voorbaat is uitgesloten. Daarom is na het besluit van de gemeente om hier windenergie nader te onderzoek aanvullend onderzoek naar verenigbaarheid van windenergie in het gebied uitgevoerd door de

4 van 5

provincie. Vanuit de twee geanalyseerde beschermingsregimes van de Omgevingsverordening provincie Utrecht (weidevogelkerngebieden en stiltegebieden) en soortbescherming zijn dusdanige bezwaren naar voren gekomen dat het niet mogelijk is om hieraan te voldoen en windenergie te realiseren in gebied 7. Zoals aangegeven wordt de inzet van de gemeente Oudewater voor windenergie zeer gewaardeerd. Conform het besluit van 17 september jl. aangaande de Tussenbalans II en de brief die hierbij aan de gemeente is gestuurd, betekent dit dat de meest kansrijke gebieden in de gemeente Oudewater in beeld blijven voor het vervolgen van een projectbesluitprocedure. Met vriendelijke groet,

Huib van Essen Gedeputeerde Ruimtelijke Ontwikkeling, Coördinatie Omgevingsbeleid, Energietransitie, Milieu en Bestuur

5 van 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/662/documents/19082