A03.2 bijlage 2 - Wijzigingsbesluit omgevingsvergunning (OLO5270769) (Geanonimiseerd) 97352ae.pdf
Tekst van het document
Pluimveebedrijf Wiltenburg
V.O.F.
Hekendorpse Buurt 8 3467 PD Hekendorp
Onderwerp:
Wijziging Locatie:
besluit
Hekendorpse
Buurt 8 te
Hekendorp
Behandeld
door:
Dossiernummer
(geanonimiseerd) |
OLO5270769
Geachte
Op een en
Verzenddatum:
01-06-
2026
heer/mevrouw,
24 juni 2020 heeft de gemeente Oudewater uw vergunningaanvraag ontvangen voor het realiseren van Wintergarten in 2 pluimveestallen, het verder aanpassen van bestaande stalsystemen en dieraantallen het realiseren van een regenkap voor een wandventilator ter plaatse van Hekendorpse Buurt 8 te
Hekendorp. De aanvraag
is op 30 juni, 14 juli, 6 augustus 2020, 24 december 2020, 15 april 2021, 4 juni 2021, 23 september 2021, 10 februari 2023, 26 april 2023 en 6 september 2023 aangevuld. Alle gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van uw aanvraag zijn door u verstrekt.
Tussenuitspraak
rechtbank
Midden-Nederland
il |
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
Dossiernummer
OLO5270769
Besluit
Wij verlenen
(Wabo).
De
volgende
omgevingsvergunning overeenkomstig de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning, met in begrip van de gewaarmerkte bijlagen, wordt verleend voor de
activiteiten:
het bouwen
*
*
de
_
van
een
bouwwerk
het veranderen
van
een
(Wabo,
artikel
2.1,
milieu-inrichting (Wabo,
lid 1 onder
artikel
2.1,
a)
lid 1 onder
e)
Ve
Procedure
radia
getoetst
De aan
besluitvorming is voorbereid met de uitgebreide procedure (Wabo, artikel 3.10). De aanvraag is _ de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). nd
Zienswijzen De aanvraag met bijbehorende stukken en het ontwerpbesluit hebben ter inzage tot en met 22 maart 2022. Tegen dit ontwerpbesluit zijn 3 zienswijzen ingediend. Naar
gelegen
ape
se
el
€
{ van
nd
$
9 februari 2022
„in
n
verklaring
Ph
van geen aanleiding van de zienswijzen is bij de Provincie nogmaals verzocht om een Nu de Provincie een van heeft bedenkingen. ontwerpverklaring afgegeven moest het geen bedenkingen met de ter van ontwerpbesluit ontwerpverklaring inzage worden gelegd. geen bedenkingen opnieuw Daarnaast is de aanvraag aangevuld met het realiseren van een regenkap voor een wandventilator. Van 17 oktober 2023 tot en met 27 november 2023 heeft het tweede ontwerp van dit besluit ter inzage gelegen en is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. De bekendmaking heeft plaatsgevonden in de Ijsselbode en via www.officielebekenmakingen.nl.
Beantwoording zienswijzen De ingediende zienswijzen op het tweede ontwerpbesluit zijn beoordeeld. De zienswijzen gericht tegen de verklaring van geen bedenkingen zijn beoordeeld door de provincie. Er is besloten dat de zienswijzen geen aanleiding geven om de vergunningprocedure te staken. De ontvangen zienswijzen hebben ook geen aanleiding gegeven om het besluit of de verklaring van geen bedenkingen aan te passen. Alle
zienswijzen en de volledige beantwoording daarvan zijn opgenomen in de zienswijzenrapportage. De rapportage maakt als gewaarmerkte bijlage onderdeel uit van de omgevingsvergunning. De rapportage wordt met een afschrift van deze vergunning aan de indieners van de zienswijzen toegezonden. Voorschriften Aan
deze
omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden. Het is belangrijk dat u zich aan deze houdt. U vindt de volledige lijst met voorschriften in Bijlage 1. Verder attenderen wij u op aandachtspunten in de bijlage.
voorschriften met
de
Beoordeling *
_ het bouwen van een bouwwerk (Wabo,
artikel 2.1,
lid 1 onder
a)
aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” moet worden geweigerd, indien deze in strijd is met de bepalingen van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en/of redelijke eisen van welstand (Wabo, artikel 2.10). Wij hebben uw aanvraag getoetst aan de volgende onderdelen: Een
lijst
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
Dossiernummer
Bouwbesluit
2012
De aanvraag
maakt
plaatsgevonden
aan
voldoende de hand
aannemelijk
dat voldaan
het door de
van
wordt
aan
het Bouwbesluit
2012.
De
toetsing heeft
gemeente vastgestelde bouwbeleidsplan.
Bouwverordening De aanvraag
maakt
voldoende
aannemelijk
dat voldaan
wordt
aan
de
Bouwverordening.
Bestemmingsplan Het bouwplan is gelegen binnen het bestemmingsplan Landelijk gebied Hekendorp en Papekop en Natuur- en landschapswaarden. betreffende grond heeft de bestemming “Agrarisch met waarden aanvraag is niet in strijd met de regels van het bestemmingsplan. -
Welstand
Wij
De aanvraag het advies
hebben
eisen van
*
De
is
voor
advies
ontvangen
de De
voorgelegd aan de commissie voor Ruimtelijke kwaliteit “MooiSticht”. blijkt dat het betreffende bouwplan niet in strijd is met redelijke
waaruit
welstand.
het veranderen
van
inrichting
een
milieu-inrichting (Wabo,
een
artikel
2.1,
lid 1 onder
e)
pluimveehouderij. Het bedrijf is een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, lid 1, Wet inrichting valt onder categorie 1 (elektromotorisch vermogen), 7 (opslag mest) en (Wm). 8.1 (houden van dieren) van Bijlage |, onderdeel C, behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) en is ingevolge artikel 1.1, lid 3 Wabo juncto artikel 1.1, lid 3, Wm aangewezen als een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Het bedrijf is vergunningplichtig op grond van artikel 2.1 lid 2 Bor vanwege de activiteit als bedoeld in bijlage |, onderdeel B, lid 2.1 lid 2 van het Bor (IPPC-installatie). omvat
milieubeheer
Deze
Richtlijn Industriële Emissies (RIE) De Richtlijn Industriële Emissies is op 1 januari 2013 geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat onder andere een integratie van de IPPC-richtlijn. Op grond van bijlage 1 van de RIE is sprake van een IPPC-installatie bij intensieve varkens- en pluimveehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, 2.000 plaatsen voor mestvarkens (> 30 kg) of 750 plaatsen voor zeugen. Er worden meer dan 40.000 stuks pluimvee gehouden, zodat sprake is van een IPPC-installatie. Vergunningsituatie Voor de locatie zijn reeds *
*
*
*
*
*
*
de
volgende vergunningen en meldingen geaccepteerd: d.d. 16 december 2008; artikel 8.19 Wet milieubeheer, d.d. 31 mei 2010; Melding _ _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 7 december 2011; _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 24 oktober 2012; _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 24 juli 2013; _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 22 oktober 2015; Melding Activiteitenbesluit, d.d. 19 december 2015.
_Omgevingsvergunning,
Op
1 oktober 2010
van
het
is de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Op grond beschreven in artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo, wordt een vergunning overgangsrecht, de Wet milieubeheer die vóór 1 oktober 2010 van kracht en onherroepelijk was, gelijkgesteld met ingevolge een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. zoals
Het totaal aan
vergunningen,
zoals hiervoor
Aanleiding aanvraag De voorgenomen veranderingen *
*
*
*
*
*
bestaan
benoemd,
uit de
wordt
volgende
aangeduid
als de
vergunde
situatie.
onderdelen:
van verdieping van stal 3; _ _ Het wijzigen van het stalsysteem op de verdieping van stal 3; _ Het realiseren van een inpandige wintergarten op de verdieping van stal 3; _ Het veranderen van het aantal te houden dieren op beide etages van stal 4; _ Het wijzigen van het stalsysteem op de verdieping van stal 4 (E 2.11.1 in E 2.11.2.1);
Het veranderen
_Het
toevoegen
het aantal
van
te houden
dieren op de
fijnstof reducerende maatregelen
in stal
4;
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
_ Het realiseren van een inpandige wintergarten op beide etages van stal 4;
*
Het
toepassen van afrolbare gordijnen ter plaatse van de geperforeerde damwand in het wintergartens ten behoeve van het waarborgen van onderdruk in de wintergartens; __ Het verhogen van de uittreesnelheid van stallucht vanuit de stallen 3 en 4. De uittreesnelheid waarborgen door middel van regelbare schuiven op minimaal 4,0 meter per seconde; _ Het verminderen van het totaal aantal te houden dieren; _ Het verwijderen van het stofschot tussen de stallen 3 en 4; Het nadrogen van de pluimveemest afkomstig van de 8.320 legkippen op de verdieping van stal 3 met een mestdroogtunnel (Rav-code E 6.4.1); _ Het aanbrengen van een ventilator in de wand van stal 4 die is gekoppeld aan een warmtewisselaar ten behoeve van de verwarming van het eierlokaal.
*
*
*
*
*
*
De
Dossiernummer
veebezetting
tabel
van
de
aangevraagde
situatie
ten
opzichte
van
de
vergunde
situatie is in onderstaande
vermeld.
RAVcategorie
Diercategorie
aantal
dieren
aanvraag
vergund
24.000
24.000
24.000
24.000
Stal 3 E 1.8.1 E 6.4.1 E 2.11.21 E 2.100 E 6.4.1
Opfokhennen Nageschakelde techniek, droogtunnel BWL Legkippen Legkippen Nageschakelde techniek, droogtunnel BWL
2005.06.V2
8.320 3.160 2005.06.V2
8.320
Stal 4
E 2.111
Legkippen
E 2.11.21
Legkippen
42.000
Langdurige mestopslag (mestloods) BWL 2017.02 (begane grond)
42.000
E68
48.000
E 7.10
Strooiselschuif
E 7.15
Positieve
ionisatie d.m.v.
koolstofborsteltjes
48.000
21.000 BWL
2020.03
42.000
Stal 7 E 2.111 E 6.4.1
Legkippen Nageschakelde techniek, droogtunnel;
Met de aanvraag
worden
op het hele
BWL
2005.06.V2
bedrijf 840 legkippen
minder
48.000
48.000
48.000
48.000
gehouden.
Milieueffectrapportage (MER)
Wet
natuurbescherming (Wnb) natuurbescherming is opgenomen
In de Wet
dat deze
wet aanhaakt
bij de
Wabo
wanneer:
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp 1.
een
activiteit de
en
OLO5270769
Dossiernummer
plaatsvindt
habitats van
in of om
soorten
een
2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden),
Natura
verslechtert
en/of; 2.
sprake is van het beschermen van inheemse tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten). Wanneer het aanhaken van toepassing is, moet het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning de aanvraag doorsturen naar het bevoegd gezag voor de Wnb (Gedeputeerde Staten van de provincie) met verzoek een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. een
activiteit
plant-
en
plaatsvindt waarbij
diersoorten
en
in onvoldoende
het bewaken
van
de
mate
biodiversiteit
het
Op
15 juli 2020 heeft de gemeente Oudewater een verzoek om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) ingediend bij de provincie Utrecht als bevoegd gezag voor Wnb. Op 20 april 2023 heeft de provincie de vvgb afgegeven, het besluit van 20 april 2023 maakte een-op-een onderdeel uit van deze beschikking. Besloten is was om de vvgb te verlenen.
Coördinatie Waterwet Vanuit de
inrichting
de Waterwet.
van
vindt geen Van
lozing plaats waarvoor een watervergunning nodig is, als bedoeld in artikel 6.2 overeenkomstig paragraaf 3.5 van de Wabo is daarom geen sprake.
coördinatie
Overwegingen veranderingsvergunning Bij
de
beslissing zijn betrokken:
de
bestaande
toestand
het milieu, de gevolgen voor het milieu die het mogelijkheden de gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet voorkomen kunnen worden. Bij de beslissing is rekening gehouden met geldende richtwaarden en zijn grenswaarden, regels en aanwijzingen in acht genomen.
bedrijf kan veroorzaken, toekomstige ontwikkelingen
Artikel
derde
het milieu
de
de Wabo
kan worden
Beste
beschikbare
Deze
voorschriften
aanmerking
lid van
van
bepaalt, dat een vergunning slechts in het belang van de bescherming geweigerd. Op grond van artikel 2.22 van de Wabo kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend en moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, door het stellen van voorschriften niet kunnen worden voorkomen, moeten de voorschriften de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. van
2.14,
en
technieken in deze
komende
beste
(BBT)
vergunning zijn er op gericht beschikbare
technieken
dat in het
(BBT)
worden
bedrijf ten minste de daarvoor in toegepast (artikel 2.22, lid 3, Wabo juncto
artikel
5.3 Bor). De term BBT staat voor de meest doeltreffende technieken ter voorkoming van emissies en effecten op het milieu, waarvan de praktische bruikbaarheid is aangetoond en die economisch en technisch haalbaar zijn. In artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (MOR) staat dat het bevoegd gezag bij de 1
ABRvS, 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803, ABRvS, 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6008 Zeeland-West-Brabant, 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2020:5810.
Rb.
en
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
Dossiernummer
bepaling
van
houden
met de Nederlandse
beste beschikbare
(BBT)
technieken
in het kader van
informatiedocumenten
over
BBT
en
de
vergunningverlening rekening moet BBT-conclusies in geval van een
relevante
IPPC-installatie. Met de
volgende
BBT-documenten
Nederlandse informatiedocumenten NRB
2012;
is
rekening gehouden:
BBT
Jaartal
Nederlandse
richtlijn bodembescherming Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij
maart
juni
2012
2007
BBT conclusies Intensieve
De
februari
pluimvee- en varkenshouderij
Europese Commissie heeft
veehouderij gepubliceerd op 21 februari BREF voor de intensieve pluimveeis niet deze nieuwe en varkenshouderij van 30 juli 2007 gebaseerd op BBT-conclusies, maar nog relevant de 4 voor en 24), mestregistratieverplichtingen en mest uitrijden onderwerpen: voermaatregelen (BBT 3, Voor deze onderwerpen zijn conform deze oplegnotitie dan ook geen eisen in deze (BBT 20, 21, 22). De BBT-eisen voor ammoniak en fijnstof zijn nationaal ingevuld door de Wet vergunning opgenomen. ammoniak en veehouderij en het Besluit emissiearme huisvesting. Dit geldt ook voor de eisen voor mestopslag die in het Activiteitenbesluit staan. in het Publicatieblad
2017
van
de BBT-conclusies
van
de
De
2017
Europese
ontwikkelingen zijn met betrekking tot de locatie wijzigingen te verwachten.
Unie.
de intensieve
Oplegnotitie bij de
Te verwachten Er
en
de
omgeving
van
de locatie
in de toekomst geen
significante
Activiteitenbesluit Per
1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten opgenomen in het Activiteitenbesluit en zijn IPPC-bedrijven ook type C bedrijven op grond van het Activiteitenbesluit. De voorschriften voor de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen zijn rechtstreeks van toepassing op type C bedrijven. Voor dit bedrijf houdt dit in dat, naast de in deze vergunning opgenomen voorschriften, de volgende voorschriften toepassing zijn:
«
«
«
«
| paragraaf 3.1.3 | paragraaf 3.2.1 | paragraaf 3.4.5 | paragraaf 3.5.8
Lozen hemelwater,
| Afdeling 2.1
Opslaan
van
Het houden
Zorgplicht
2.3
Lucht
voor
binnen de
Afdeling
2.4
Bodem
voorziening
grote stookinstallatie (inclusief noodstroomaggregaat)
agrarische bedrijfsstoffen van
landbouwhuisdieren
in
dierenverblijven,
exclusief de artikelen 3.112
afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is voor zover
deze
zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
De aanvraag voor een omgevingsvergunning van het Activiteitenbesluit. de voorschriften
bodembeschermende
voor
binnen de
Naast
een
een
3.119.
binnen de
Afdeling
afkomstig van
Stookinstallaties, niet zijnde
t/m «
niet
activiteiten
aangemerkt
als
de
melding op grond
zijn de voorschriften uit hoofdstuk 2 en 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn geregeld in hoofdstuk 3. De voorschriften in afdeling 2.4 (Bodem) zijn, omdat sprake is van een IPPC-installatie, voor alle activiteiten binnen de inrichting van toepassing. Dit volgt uit artikel 2.8a van het Activiteitenbesluit en is een gevolg van de implementatie van artikel 22 van de Richtlijn Industriële Emissies. Er zijn daarom geen bodemvoorschriften in deze vergunning opgenomen. voor
BBT Het
in hoofdstuk
is voor deze
3
de activiteiten die
huisvestingssystemen huisvesting (hierna:
Besluit emissiearme
Besluit
huisvesting) geeft invulling aan
BBT
voor
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
huisvestingssystemen.
(bijlage 1)
en
In het Besluit
huisvesting zijn
de datum
maximale
emissiewaarden
2). Als een
deeltjes (bijlage huisvestingssysteem beginsel sprake van het toepassen van BBT. Welke het oprichten van een dierenverblijf.
zwevende
emissiewaarden van
OLO5270769
Dossiernummer
is in
van
Hieronder
is in een
maximale
emissiewaarde
tabel
vermeld
welke
huisvestingssystemen
toepassing
van
in welke
opgenomen
voldoet aan
emissiewaarde
stal
ammoniak
voor
de maximale
aanwezig zijn
geldt,
afhankelijk
is
welke
en
is.
Ammoniak
RAV-code
datum
oprichting
huisvestings-
stal
| maximale
kolom van
bijlage
1
lemissiefactor
emissiewaarde
systeem
kg NH3 per dierplaats perjaar
E1.8.1/
voor
1-7-2015
(kg NHs per dierplaats per |jaar) 0,05 + 0,001 0,051
E 6.4.1
=
Begane grond E 2.11.21
/
voor
1-7-2015
,
E 2.11.21
/
voor
1-7-2015
,
0,055 + 0,002 = 0,057
E 6.8 en E 7.10)
0,055 0,011
+
0,055 0,105
+
=
0,05 0,094
—
Begane grond
(*) er is geen
voor
1-7-2015
voor
1-7-2015
maximale emissiewaarde
Alle
huisvestingssystemen huisvesting.
In het
1
vastgesteld
voldoen
aan
opfokhennen jonger dan
voor
de maximale
0,05
0,09 + 0,02 0,110
18 weken
emissiewaarden
in bestaande
voor
=
=
niet-batterij huisvesting.
ammoniak
uit het Besluit
Besluit
huisvesting zijn ook maximale emissiewaarden opgenomen voor fijnstof. Deze maximale gelden voor dierverblijven opgericht op of na 1 juli 2015. Alle aanwezige dierverblijven zijn opgericht en in gebruik genomen vóór 1 juli 2015, hierdoor zijn er geen maximale emissiewaarden voor fijnstof van toepassing. Het aanpassen van de bestaande stallen zoals aangevraagd en bouw van inpandige wintergartens, wordt niet gezien als het oprichten van nieuwe dierenverblijven. emissiewaarden
Ammoniak Voor het beoordelen ammoniak
van
het
ammoniak
aspect
afkomstig
dierenverblijven
van
zeer
bedrijf is gelegen kwetsbare
Bij ligging
buiten
gebied ligt
buiten een
zone
ammoniakemissie worden
een
zone
op circa 250
van
op grond gemaakt of vanwege
van
Onderdeel
6,7
van
250
meter
van
kilometer meter
meter kan
de
onder de
IPPC-richtlijn
moet de
van
BBT
aan
is de
veehouderijen, is de Wet Regeling ammoniak en
gebied.
Het meest
nabijgelegen
bedrijf.
alleen worden
planten,
geweigerd vanwege
de
milieueffectrapport moet sprake is van een bedrijf dat
indien een
toepassen (artikel vergunning geweigerd worden indien niet kan worden voorschriften die vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, toepassing van BBT kunnen worden gerealiseerd (artikel 3, derde lid Wav). valt
het niet
het
vergunning
directe ammoniakschade
kwetsbaar
een
van
van
de Wav
van
veehouderij (Wav) toetsingskader. veehouderij (Rav) waarin de ammoniakuitstoot per diersoort en stalsysteem staat aangegeven. De Wav maakt onderscheid in de ligging binnen of buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Op grond van artikel 2, eerste lid, Wav wijzen de Provinciale Staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Op 31 mei 2010 hebben Provinciale Staten de zeer kwetsbare gebieden vastgesteld. Dit besluit is op 13 oktober 2010 in werking getreden. Het
het
en
3 Wav).
Als
voldaan maar
aan
niet met
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
Dossiernummer
Ammoniakschade
planten beoordeling van directe ammoniakschade aan planten is het rapport “Stallucht en Planten”, opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek in 1981, gebruikt. Volgens dit rapport kan de ammoniakemissie van intensieve kippen- en varkenshouderijen directe schade aan planten veroorzaken. aan
Voor de
In de bestaande
bedrijf
situatie
is direct naast de
fruitteeltbedrijf
is een
ammoniakschade varkensstallen
waarbij
aan
gewassen
(juli 1981)
voldaan.
Echter
wordt
van
kassenbedrijf gelegen (Hekendorpse Fruitbomen
de is schade
zijn mogelijk gevoelig van
ammoniakuitstoot
voor
uit
10a).
Buurt
Dit
directe
kippen-
en
op korte afstand van de stal. De bijzondere omstandigheid doet afgeschermd door de kassen. Op grond van het Rapport Stallucht en
derden
worden
fruitbomen
voor
een
in kassen.
directe ammoniakschade
zich voor dat de fruitbomen Planten
inrichting
met fruitbomen
de ammoniakemissie
een
afstand
van
25 meter geadviseerd.
Verwezen wordt
ten
van
de
Daaraan
kan niet worden
opzichte vergunde bedrijfsniveau af met de een van 3.062,2 kg per jaar (22,9%). uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak (16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:BP4765) waaruit blijkt dat aan het rapport “Stallucht en Planten” wordt voldaan indien zich geen verslechtering voordoet ten opzichte van de reeds vergunde situatie. neemt
situatie op
naar
IPPC-installatie: omgevingstoets Er is
sprake van een IPPC-installatie, zodat op grond van artikel 3, lid 3 Wav is beoordeeld of technische kenmerken, de geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden aanleiding geven om verdergaande eisen te stellen. Hiervoor is de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij gebruikt.
Op
basis
de beleidslijn kan bij uitbreiding worden volstaan met toepassing van BBT zolang de emissie bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg dan moet boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd. De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie (de mate waarin de ammoniakemissie reduceert) en de beschikbaarheid van verdergaande technieken voor de betreffende diercategorie. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding, met toepassing van BBT (tot 5.000 kg) en verdergaande technieken dan BBT (vanaf 5.000 kg), daarna nog meer dan 10.000 kg, dan dient boven het meerdere een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd. van
niet meer
De een
aangevraagde verandering geeft geen uitbreiding van de jaarlijkse ammoniakemissie, maar zorgt voor afname. Ook worden er minder dieren gehouden, daarmee is de IPPC toets niet van toepassing,
Berekenen Deze
en
monitoring
ammoniak
dat de vermindering van de ammoniakemissies van de gehele veehouderij toepassen van BBT wordt bereikt, berekend of geraamd moet worden (BBT 23). Met de emissiefactoren is invulling gegeven aan deze BBT-conclusies. In de omgevingsvergunning hoeven geen eisen te worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusie. Omdat op basis van het aantal dieren en de emissiefactoren op elk moment de emissie van ammoniak kan worden berekend, zijn eisen voor monitoring niet nodig (BBT 25). die
BBT-conclusies
vereisen
door het
De ammoniakemissie
neemt af ten opzichte van de vergunde situatie, verdergaande emissiebeperkende maatregelen te stellen.
zodat er geen
reden
is om
Geur Geur dierenverblijven
aspect geur afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet geurhinder veehouderij (Wgv) het toetsingskader. De Wgv maakt onderscheid in dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld. Daarnaast maakt de wet onderscheid in de ligging van de veehouderij in of buiten een concentratiegebied en de ligging van de geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom. De gemeente Oudewater is niet gelegen in concentratiegebied. Voor het beoordelen
van
het
en
In de
omgeving
(woningen) Woningen
rondom
de
veehouderij zijn de volgende woningen
beoordeeld. binnen
de
gebouwde
kom:
als
maatgevende geurgevoelige objecten
Behandeld
door
Onderwerp
(geanonimiseerd) OLO5270769
Dossiernummer
_ Oostkade 3, burgerwoning; _ Oostkade 7, burgerwoning;
*
*
*
_Oostkade 6, burgerwoning;
_Goejanverwelle 33, burgerwoning; _Goejanverwelle 86, burgerwoning;
*
*
Woningen in de nabijheid van de veehouderij buiten de bebouwde _ Hekendorpse Buurt 6a, agrarische bedrijfswoning; _Hekendorpse Buurt 9, burgerwoning; _ Hekendorpse Buurt 9a, burgerwoning; _ Hekendorpse Buurt 4, burgerwoning; _Hekendorpse Buurt 10a, agrarische bedrijfswoning; _ Hekendorpse Buurt 10b, burgerwoning; __Hekendorpse Buurt 11, burgerwoning; _ Hekendorpse Buurt 15, agrarische bedrijfswoning; _ Hekendorpse Buurt 12, burgerwoning; __Hekendorpse Buurt 17, burgerwoning; __Hekendorpse Buurt 6, burgerwoning.
kom.
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
*
Dieren
met
Op grond
geuremissiefactoren
3, eerste lid, Wgv moet worden bepaald of wordt voldaan aan de waarde voor de geurbelasting. niet-concentratiegebied geldt ter plaatse van een geurgevoelig object een waarde voor de geurbelasting van 2,0 odour units/m° binnen de bebouwde kom en een waarde van 8,0 odour units/m® buiten de bebouwde kom. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. De gemeente Oudewater heeft op 27 mei 2010 een geurverordening vastgesteld. In deze geurverordening zijn afwijkende afstanden tussen woningen en bestaande dierverblijven met vaste afstandsdieren opgenomen maar geen gewijzigde geurnormen voor dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De geuremissie per dierenverblijf van de vergunde en de aangevraagde veebezetting is van
artikel
In een
(zie
berekend
onderstaande
tabellen).
Vergund diersoort
en
aantal
stalsysteem
geuremissiefactor (odour
units per seconde per dier)
Opfokhennen (Rav-code E 1.8.1) Legkippen (Rav-code E 2.100) Legkippen (Rav-code E 2.11.1 en
E
2.11.2.1) Totale
geuremissie (odour units per seconde)
24.000
0,18
3.160
0,34
1.074,4
96.000
0,34
32.640,0
geuremissie (odour units
per
4.320,0
seconde)
38.034,4
Aangevraagd diersoort
en
aantal
stalsysteem
geuremissiefactor (odour
units per seconde per dier)
Opfokhennen (Rav-code E 1.8.1) Legkippen (Rav-code E 2.11.1 en
E
2.11.2.1) Totale
Geur droogtunnel Onderdeel van de aanvraag
geuremissie (odour units per seconde)
24.000
0,18
4.320,0
98.320
0,34
33.428,8
geuremissie (odour units
per
seconde)
37.748,8
rapportage opgesteld door Olfasense (kenmerk WILH20A1 van maart 2021) geurmetingen aan de droogtunnel voor pluimveemest. Doel van het onderzoek was om te bepalen of het drogen van pluimveemest tot een wezenlijke toename van geur leidt. Uit de metingen is gebleken, dat de geur afkomstig van de droogtunnel marginaal is en veel kleiner dan de onzekerheid die inherent is aan geuronderzoek. De conclusie is dat de geuremissie van de droogtunnel voor mest verwaarloosbaar klein is, waardoor dit niet aangemerkt wordt als een relevante geurbron. met daarin
is de
de resultaten van
Effect wintergarten op stalemissie Een
wintergarten is een koude uitloop waar de legkippen verblijven om te scharrelen. Het voordeel van een wintergarten is dat de leghennen door toetreding van daglicht een natuurlijk dag- en nachtritme ontwikkelen. Als het buiten donker wordt gaan de legkippen vanuit de wintergarten naar de stalruimte. Door De
de realisatie
ingaande
van
inpandige wintergartens in de stallen 3 en 4 is ook het stalventilatiesysteem gewijzigd. komt in de vergunde situatie de stal binnen via ventilatieventielen in de zijwanden
luchtstroom
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp stallen.
In de
OLO5270769
komt, zodra de uitloop luiken open gaan, de ingaande uitloopluiken. De ventilatieventielen sluiten zodra de De luchtstroom komt dus via de geperforeerde damwandplaat en de uitloopluiken open gaan. ingaande uitloopluiken in de stalruimte. In de aangevraagde situatie bestaat de buitenwand van de wintergartens in stal 3 en 4 aan de onderzijde uit een (dag)licht doorlatende plaat en aan de bovenzijde uit een geperforeerde damwandplaat (16,4% open) daarboven. De totale wand is dus maar gedeeltelijk luchtdoorlatend. van
de
Dossiernummer
aangevraagde
situatie
luchtstroom
uitsluitend de stal
binnen
In zowel
3 als
de
de
wintergarten
in deze De
stal
situatie
stal 4 maakt
onderdeel
is van
via
wintergarten het vereiste
de stal inclusief de
voor
gebruikershandleiding
onderdeel
uit van
leefoppervlak.
het
stalsysteem
De emissiefactoren
omdat voor
de
het
oppervlak van pluimveestal geldt
wintergarten.
V-Stacks zegt het volgende
voor
“Bij sommige pluimveestallen
de
over
wintergartens:
is
sprake van een overdekte uitloop. Dit is een onverwarmde scharrelruimte, bijvoorbeeld een Wintergarten. uitloop telt niet mee voor de berekening van de geurbelasting. De tussen stal overdekte en uitloopopeningen uitloop zijn geen relevante emissiepunten voor de De reden is dat geurberekening. bij een goed functionerend mechanisch ventilatiesysteem sprake is van Deze
constante
onderdruk in de stal. De lucht komt
door luchtinlaatventielen
binnen
en
verlaat de
stal via
de
en/of gevelventilatoren. Zodra de uitloopopeningen open gaan, gaan de warmtewisselaar(s), inlaatventielen helemaal of bijna helemaal dicht. Daardoor fungeren de uitloopopeningen naar de uitloop als luchtinlaat en verlaat de lucht de stal via de nok- of gevelventilatoren. De uitloopopeningen en de uitloop nok-
daarachter
zijn daarom geen relevante emissiepunten. Het is belangrijk om altijd een dimensioneringsrapport te laten overleggen waaruit blijkt dat onderdruk in de stal is gewaarborgd.” Onderdeel van de aanvraag is een document waarin de dimensionering van de ventilatie wordt toegelicht. Hieruit blijkt dat door de verhouding tussen het totale oppervlak van de uitloop luiken en het totale oppervlak van de perforaties in de damwandplaten, zodra de uitloop luiken zijn geopend, er sprake is van een ingaande luchtstroom door de geperforeerde dampwandbplaten. De buitenzijden van de geperforeerde damwandplaten worden voorzien van een regelbaar transparant gordijn waarbij een onderdruk van minimaal 1 Pascal per meter breedte van de wintergarten wordt gewaarborgd in de wintergarten. Als tijdens bepaalde weersomstandigheden blijkt dat er onvoldoende onderdruk heerst in de wintergarten zullen de rolgordijnen sluiten totdat de noodzakelijke onderdruk is bereikt. Hierdoor kan er altijd gezorgd worden voor een ingaande luchtstroom de stal in, waardoor de wintergartens niet als emissiepunt worden beoordeeld. De betreffende rolgordijnen zijn aangegeven op de gewijzigde plattegrondtekening die is ingediend als aanvulling op de aanvraag d.d. 4 juni 2021.
In een voorschrift van deze vergunning is opgenomen dat deze op onderdruk gestuurde rolgordijnen aanwezig moeten zijn en de werking ervan moet zijn gewaarborgd.
Onderstaande berekening,
geeft de situatie zonder de regelbare rolgordijnen weer.
Stal 3
Oppervlak
van
een
Bij 9 uitloopluiken
uitloopluik is 2,25 x 0,5 meter. totaal oppervlak van (9 x 2,25
een
x
0,5 =) 10,1 m?
De
hoogte van het geperforeerde deel van de zijwand in de wintergarten is 0,77 meter. lengte van de zijwand is 40 meter. De openingen in de geperforeerde damwand is 16,4%. Het totale oppervlak van de opening in de zijwand is (40 x 0,77 x 0,164 =) 5,05 m? De
Stal 4
Oppervlak
van een uitloopluik is 1,90 x 0,5 meter. Bij 24 uitloopluiken (12 per verdieping) een totaal oppervlak
De
hoogte
van
geperforeerde
het
deel van
de
zijwand
verdiepingen). De De
lengte van openingen
de
zijwand
in de
is 75 meter.
geperforeerde
damwand
is
16,4%.
in de
van
(24 x 1,90 x 0,5 =) 22,8 m?
wintergarten
is
1,4
meter
(totaal bij 2
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp Het totale Ten
OLO5270769
Dossiernummer
oppervlak
van
de
opening
opzichte van de vergunde geuremissie.
in de
zijwand
situatie worden
er
is (75 minder
x
1,4 x 0,164 =) 17,22 m?
legkippen gehouden,
wat een
gunstig
effect heeft
op de
V-stacks
berekening juni 2021 is in artikel 2, lid 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2020 verplicht gesteld voor het berekenen van de geurbelasting vanwege veehouderijen. Per 21
Met de
verspreidingsmodel ‘V-Stacks Vergunning’, versie 2020, is berekend of aan de waarde voor de geurbelasting wordt voldaan. De invoergegevens en het resultaat van de berekening zijn in onderstaande tabellen vermeld.
Aangevraagde
situatie
Brongegevens:
1
Stal 3
115 993
447 733
11,2
1,0
4,00
7149
6,7
2
Stal 4
116 001
447 708
11,0
1,0
4,00
14 280
7,3
3
Stal 7
116 012
447 744
15,0
1,0
2,00
16 320
7,5
Geur
gevoelige
locaties:
4
Oostkade 3
115 437
447 603
5
Oostkade
6
115 426
447
651
2,0
1,5
6
Oostkade 7
115 413
447 669
2,0
1,4
7
Goejanverwelle
33
115 467
447
528
2,0
1,7
8
Goejanverwelle
86
115
535
447 493
2,0
1,7
9
Nr 6a
115 908
447 752
8,0
4,5
10
Nrg
115
447
832
8,0
5,3
11
Nr 4
115 832
447 711
8,0
4,4
12
Nr 10a
116
026
447
818
8,0
7,0
13
Nr 10b
116
061
447
826
8,0
6,7
Nr 11
116
001
447
866
116
064
8,0
4,2
915
16
Nr 12
116 163
17
Nr 17
116
18
8,0
4,6
Nr6
115 938
447 575
8,0
4,4
19
Nr8
115
447
8,0
7,3
133
983
793
In de wijziging van de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning 2020 is de invoerinstructie voor luchtwassers en stuwbakken (grote, niet-ronde uitstroomopeningen) gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat de emissiepunten van de 3 pluimveestallen in het computerprogramma V-Stacks vergunning 2020 worden ingevoerd met een diameter van het emissiepunt van 1,0 meter. De uitkomst van deze berekening is dat er op de beoordelingspunten voldaan wordt aan de van toepassing zijnde normen. Ondanks dat wordt voldaan aan de geurnormen opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij worden er geur reducerende maatregelen getroffen. Deze maatregelen zijn het verhogen van de uittreesnelheid van de emissiepunten van de stallen 3 en 4 van 2,0 naar 4,0 meter per seconde. Om dit te realiseren is in de aanvraag opgenomen dat de emissiepunten van de stallen 3 en 4 worden voorzien van regelschuiven met flowmeters die ervoor zorgen dat de uitgaande ventilatielucht altijd minimaal 4,0 meter per seconde
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
Dossiernummer
bedraagt.
Dit
geeft een
OLO5270769
verspreiding van de uitgaande luchtstroom dan wanneer wordt uitgegaan van V-Stacks Vergunning rekent. In de standaard situatie zal met name bij lage de uittreesnelheid buitentemperaturen lager kunnen zijn dan de gemiddelde uittreesnelheid. Met deze aanvullende geur reducerende maatregelen wordt tevens invulling gegeven aan BBT 13. de standaard
betere
situatie waarmee
Uit de
berekening blijkt dat de geurbelasting op omliggende woningen lager is dan de geurnorm voor niet concentratiegebieden binnen en buiten de bebouwde kom. Hiermee wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van Wet geurhinder en veehouderij en kan vergunning worden verleend voor de aangevraagde situatie. De
BBT-conclusies
geven wel redenen
aanvullende
om
eisen te stellen.
In BBT
12 staat dat
de
een
geurbeheersplan nodig is als er sprake is van een historie van geurklachten. In een geurbeheersplan komen de volgende punten aan de orde: _een overzicht van de geurbronnen; __een beschrijving van de maatregelen ter voorkoming van geurhinder; __een protocol waarin wordt vastgelegd hoe de communicatie met de omgeving wordt georganiseerd tijdens een klachtensituatie. *
*
*
Onderdeel
de aanvraag is een geurbeheersplan waarin de hiervoor genoemde punten worden wordt voldoende invulling gegeven aan BBT 12. In de voorschriften is de
van
omschreven.
Hiermee
aanwezigheid
van
Deze
actueel
een
BBT-conclusies
geurbeheersplan
en
de
regelmatige
evaluatie daarvan
gewaarborgd.
vereisen
monitoring van de emissie van geur (BBT 26). Monitoring is alleen nodig in gevallen geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Door gebruik van de geuremissiefactoren en de berekening met V-Stacks-vergunning kan op basis van het aantal dieren op elk moment de geuremissie en de geurbelasting worden berekend. Deze geuremissiefactoren zijn gebaseerd zijn op metingen conform Europese standaardmethoden. Eisen voor monitoring in deze vergunning zijn niet nodig. waar
Gevel
—
gevelafstanden
Voor alle stallen
gelden minimumafstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de gevel van het geurgevoelig object (artikel 5 Wgv). Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelig objecten geldt een minimumafstand van 25 meter en voor binnen de bebouwde kom gelegen geurgevoelig objecten geldt een minimumafstand van 50 meter. Binnen 50 meter is geen sprake van een bebouwde kom. De afstand tussen de dichtstbijzijnde woning (Hekendorpse Buurt 10A) en de buitenzijde van het meest nabijgelegen dierenverblijf (stal 3) bedraagt 50 meter, zodat aan de vereiste afstand wordt voldaan. Zwevende
deeltjes (fijnstof)
Het houden
van
leidt tot de uitstoot van
vee
zwevende *
*
*
fijnstof.
In
bijlage 2 van
de
Wet
milieubeheer
zijn
de buitenlucht opgenomen (Wet (fijnstof = PM1o en PM25). De volgende
luchtkwaliteit), waaronder een grenswaarde grenswaarden voor fijnstof zijn opgenomen: van zwevende deeltjes (PM:o) is maximaal 40 microgram/m;; van zwevende deeltjes (PM2,5) is maximaal 25 microgram/m$; (PM10) van 50 microgram/m?, mag maximaal 35 maal per
milieukwaliteitseisen voor
voor
deeltjes _ De jaargemiddelde concentratie _De jaargemiddelde concentratie _ De daggemiddelde concentratie kalenderjaar worden overschreden.
Als een
activiteit in betekenende
de luchtverontreiniging moeten de grenswaarden. Er is sprake van niet in betekenende mate (NIBM) als de 3% grens niet wordt overschreden of de activiteit genoemd is in de Regeling NIBM. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM40). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m? voor PM4o. emissieconcentraties
De emissie
van
emissiefactoren.
getoetst
mate
worden
fijnstof is bepaald
aan
(IBM) bijdraagt aan
aan
de
deze
hand
van
de door het ministerie van
VROM
gepubliceerde
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
Dossiernummer
OLO5270769
Aanvraag
emissiefactor
[|
emissie totaal
| Fijnstof gj/d
Diercategorie
aantal dieren
E 1.8.1
Opfokhennen
24.000
23
552.000
E 6.4.1
Droogtunnel
24.000
-6,9
-165.600
E 2.11.21
Legkippen
8.320
65,0
540.800
E 6.4.1
Droogtunnel
8.320
-19,5
-162.240
65,0
Fijnstof g/j
Rav-categorie Stal 3
Stal 4 E 2.11.21
Legkippen
42.000
E 6.8
Langdurige mestopslag
42.000
E 7.10
Strooiselschuif
21.000
-13,0
-273.000
E7.15
Positieve
42.000
-20,0
-840.000
3.120.000
ionisatie d.m.v.
koolstofborsteltjes
2.730.000 -
-
Stal 7 E 2.111
Legkippen
48.000
65,0
E 6.4.1
Droogtunnel
48.000
-19,5
-936.000
Totaal
4.565.960
Ondanks de afname
uitgevoerd,
van
de
emissie
van
fijnstof is met het verspreidingsmodel ISL3a een berekening zijn in onderstaande tabel vermeld.
resultaten exclusief zeezoutcorrectie
de
Te beschermen object
RD X Coord.
Naam:
[m]
Oostkade
3
115
| RD Y Coord. | _ Concentratie [m]
Overschrijding
[microgram/m3]
[dagen]
437
447 603
17.61
6.4
Oostkade 6
115 426
447 651
17.56
6.6
Oostkade
115
413
447 669
17.54
6.5
Goejanverwelle 33
115 467
447 528
17.63
6.4
Goejanverwelle
86
115535
447 493
17.63
6.5
Buurt 6a
115 908
447 752
18.09
6.8
Hekendorpse Buurt 9
115 915
447 797
18.11
6.4
Hekendorpse Buurt 9a Hekendorpse Buurt 4
115
915
447 832
18.14
6.4
115 832
447 711
18.32
74
Hekendorpse
Buurt 10a
116
031
447 803
17.55
6.0
Hekendorpse
Buurt 10b
116 062
447 824
17.62
6.3
Hekendorpse
Buurt 11
116
001
447 866
17.04
6.3
Hekendorpse
Buurt 15
116
7
Hekendorpse
Hekendorpse Buurt 12 Hekendorpse
Buurt 17
Hekendorpse Buurt 6
De
hoogste concentratie fijnstof is berekend op 18,32 ug/m®.
064
447 869
17.42
6.0
116 163
447 829
17.00
6.4
116
133
447 884
16.77
6.2
115 938
447 575
17.91
6.3
de
woning Hekendorpse Buurt
4 met een
concentratie
van
De onderzochte fractie PM10o omvat alle zwevende deeltjes met een diameter van 10 um of kleiner. Hierin zitten dus ook de zwevende deeltjes met een diameter van 2,5 um of kleiner. De grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie is 25 ug/m®. Uit de ISL3a berekening blijkt dat de concentratie PM1o voldoet aan deze grenswaarde en daarmee ook de concentratie PM2,5. Uit het
voorgaande blijkt dat de grenswaarden niet worden
de emissie
van
fijnstof
kan worden
overschreden
en
de
vergunning
voor
wat betreft
verleend.
De BBT-conclusies geven wel reden om aanvullende eisen te stellen. In BBT 11 staat dat het gebruiken één of een combinatie van de genoemde technieken de BBT zijn om stofemissies van een stal te verminderen. Dit betekent dat in alle stallen fijnstof reducerende maatregelen getroffen moeten worden.
van
Dit
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
Dossiernummer
ook andere technieken zijn dan genoemd in BBT 11. Onder de algemene overwegingen is bepaald “De technieken die in deze BBT-conclusies worden opgesomd en beschreven, zijn prescriptief noch limitatief. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van kunnen
dat:
milieubescherming garanderen”. Welke maatregelen in een specifiek geval als BBT kunnen worden aangemerkt, moet per geval worden beoordeeld. Hierbij is het logisch om in Nederland uit te gaan van de technieken
die op de
Uit de aanvraag stal gaat het om *
fijnstoflijst staan.
blijkt dat binnen alle pluimveestallen de volgende technieken:
fijnstof reducerende
techniek
wordt
toegepast.
Per
_ Stal 3 is zowel voor de opfokhennen als de leghennen voorzien van een droogtunnel met 30% emissiereductie
De
een
*
_
*
_
(Rav-code
E
6.4.1);
Stal 4 is op de begane
grond voorzien van een strooiselschuif (Rav-code E 7.10) met 20% emissiereductie en positieve ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes (Rav-code E 7.15) met 31% emissiereductie en op de verdieping voorzien van positieve ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes (Ravcode E 7.15) met 31% emissiereductie; Stal 7 is voorzien van een droogtunnel met 30% emissiereductie (Rav-code E 6.4.1).
BBT-conclusies
invulling gegeven
vereisen
verder
deze
aan
monitoring
van
de emissie
Omdat op basis
BBT-conclusies.
stof
van
(BBT 27).
Met de emissiefactoren
is
de emissiefactoren
op
het aantal dieren
van
de emissie
van
fijnstof kan worden berekend, zijn eisen voor monitoring
Hiermee
wordt voldaan
aan
de BBT-conclusies
Risico's
volksgezondheid.
elk moment
De emissies
met
van
risico's voor de
name
ammoniak
volksgezondheid.
wetgeving, maar als door als gevolg voor het milieu
voor
niet
nodig.
endotoxinen)
kunnen
fijnstof.
fijnstof (drager van
en
en
zoönosen
en
leiden tot
Het
bestrijden van besmettelijke ziekten is primair geregeld in andere het in werking zijn van de inrichting risico’s kunnen ontstaan, moeten deze risico's bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.
4.565.960 aangevraagde veranderingen geven een afname van de emissie van fijnstof met (5.955.840 hierdoor is er met deze toename van risico's voor de =) per jaar, aanvraag geen volksgezondheid op dit vlak. Aan de geur- en geluidnormen wordt voldaan maar ook als er aan de wettelijke normen voldaan wordt, zal er in de omgeving van het bedrijf wel geur, stof en geluid waarneembaar zijn. Mede naar aanleiding van de vergunningaanvraag is de GGD regio Utrecht gevraagd om een beoordeling in de aangevraagde situatie. Op 27 januari 2022 heeft de van de effecten op gezondheid van omwonenden GGD advies uitgebracht. De GGD heeft vanuit een breed gezondheidskundig oogpunt de situatie beoordeeld op risico's voor de gezondheid. De
—
1.389.880 gram
de GGD
Het advies
van
die
manier
zal ook de
aan
dat een
negatieve
De GGD
is om
er
naar
verspreiding
associatie met
te
blijven
streven om
endotoxinen het
bedrijf,
de uitstoot van
minder worden.
ook een
De
fijnstof verder terug te dringen, geeft verder in haar rapport
zijn
dierziektes
de
negatief effect op het welbevinden
naast het
bepalingen
binnen
het
in de Wet dieren
bedrijf
te voorkomen
en
de Gezondheids-
en
te
op
GGD
geurbeheersplan ook meerwaarde in een geluidbeheersplan. geurbeheersplan als het geluidsbeheerplan zijn meegenomen in de procedure, zie voor geur geur in de veranderingsvergunning en voor geluid onder het kopje actualisatie. Verder
ziet daarom
van
tot
gevolg heeft.
Zowel
het
onder
het
kopje
welzijnswet voor dieren er op gericht om bestrijden. Maatregelen om dierziektes te voorkomen, zijn en
gebruik van bedrijfskleding, het naleven van een hygiëneprotocol en het schoonmaken en ontsmetten van veetransportwagens. Op grond van deze wetgeving zijn op het bedrijf diverse maatregelen getroffen, waaronder een hygiënesluis. Alleen personen die noodzakelijk in de stallen moeten zijn, mogen het bedrijf betreden. Zo wordt de insleep van ziekten zoveel mogelijk beperkt. onder
andere
het
Geluid Geluidemissie wordt
hoofdzakelijk
mest, eieren, kadavers, Onderdeel
van
2649a00520v7,
veroorzaakt
afvalstoffen
en
door de
geluid afkomstig
de aanvraag is een akoestisch laatst gewijzigd 25 april 2023.
stalventilatie en van
het aan-
en
afvoeren
van
dieren,
de dieren.
rapport opgesteld
door G&O Consult, rapportnummer Gesteld werd dat uit dit rapport bleek dat kan worden voldaan
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp aan
de
OLO5270769
Dossiernummer
geluidvoorschriften zoals opgenomen in de vergunning worden getroffen. Deze maatregelen zijn:
16 december 2008
van
mits een
aantal
maatregelen e
_Om het pikken
legkippen tegen de plexiglas platen in de buitenwand van de wintergartens te plexiglas platen zijn voorzien van afschermend gaas zodat de legkippen niet de plexiglas platen kunnen pikken. De stalventilatoren van de stallen 3, 4 en 7 moeten zijn voorzien van frequentieregelaars en zodanig worden afgesteld dat de frequentie van de stalventilatoren maximaal 40 Hz (80%) bedraagt. Deze instellingen moeten worden geregistreerd en bij een milieucontrole kunnen worden aangetoond. De gevelventilator in de gevel van stal 4 ten behoeve van de verwarming van het eierlokaal moet zijn voorzien van een tijdklok en zodanig worden ingesteld dat deze ventilator alleen in de dagperiode (van 7.00 tot 19.00 uur) in werking kan zijn. voorkomen, meer tegen
e
e
de
van
moeten
de
De hiervoor
genoemde maatregelen zijn als voorwaarden opgenomen bij het op 26 februari 2024 genomen definitieve besluit.
behorend
vergunningvoorschriften
in de
Vanwege het beroep tegen het definitieve besluit heeft er op 25 november 2025 een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank waarbij het beroep is behandeld. In een tussenuitspraak van de Rechtbank MiddenNederland
van
10 maart 2026 komt de rechtbank tot de conclusie dat het akoestisch onderzoek dat
geluidsvoorschriften
ten
grondslag ligt,
niet correct en
niet
kan voldoen.
Naar
van
compleet
is en dat het
pluimveebedrijf
aan
de
niet aan
alle
vergunde grenswaarden aanleiding appellant 3 in beroep ingebrachte en de van de heeft het STAB, geluidsrapport bevindingen bevoegd gezag al voordat de hoorzitting dat de de uit geconstateerd plaatsvond, geluidsvoorschriften omgevingsvergunning niet ongewijzigd in stand konden blijven. In de tussenuitspraak van de rechtbank van 10 maart 2026, stelt de rechtbank het bevoegd gezag in de gelegenheid om de gebreken in het akoestisch onderzoek te herstellen. De rechtbank heeft hierbij meegegeven dat het bevoegd gezag moet afwegen of de nieuw beoordeelde geluidssituatie aanvaardbaar is gelet op de bescherming van het milieu, waar het aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omwonenden
onder valt.
Als
deze
gevolg
van
akoestisch
bureau
het akoestisch
tussenuitspraak
het referentieniveau In het akoestisch
volgende
-__
Consult, rapportnummer 2649a00520v9,
hinder
afkomstig
van
de normen
voertuigen De
laatst gewijzigd
van
en
naar
het
1 juni 2026 zijn de
bedrijf is opnieuw
indirecte hinder is berekend
voorkeurswaarde
voor
voor
zowel
berekend de RBS
als
vanwege de IBS en
indirecte hinder.
Het effect van sloop en herbouw van de woning Hekendorpse bedrijf is meegenomen in het akoestisch onderzoek. Het
naar
omgevingsgeluid (Los).
onjuist gehanteerde rijrichting.
voldoet aan -__
het
in
van
of bedrijfsactiviteiten opnieuw beoordeeld:
indirecte
een
van
behorend
rapport G&O
bronnen
-___De
(aanvullend) akoestisch onderzoek uitgevoerd door het de aanvrager en hierbij zijn de geconstateerde gebreken bij de aanvraag hersteld. Ook zijn er door de Odu metingen verricht is opnieuw
GO-Consult in opdracht
onderzoek
het door
Buurt
11 op 20 meter dichterbij het
gebruik van
de tractor/verreiker aan het begin van de oprit is nu op de juiste wijze opgenomen. Consult heeft in het akoestisch rapport behorend bij de aanvraag gerekend met een piekbron van 106 dB(A), maar normaliter wordt voor vrachtwagens met een piek van 110 dB(A) gerekend voor het afblazen van de remmen. Er is in het aangepaste rapport uitgegaan van een piek van 110 dB(A). Voor de voertuigbewegingen op het terrein is nu gerekend met een rijsnelheid van 5 km/u. De IBS is op alle toetspunten berekend. In het akoestisch rapport behorend bij de aanvraag was dat slechts voor enkele woningen gedaan. Ook is de correcte duur van de nachtelijke activiteit meegenomen met het juiste aantal transportbewegingen per nacht (max 2 transporten voor het afvoeren van kippen in plaats van 4 transporten). Voor de duur van het laden van kippen in de nacht is totaal 2 uur aangehouden.
-__G&O
-__
-
-__Het
bronvermogen
van
het eierlokaalventilator is nu
op juiste wijze meegenomen
in het akoestisch
model. -__
De tientallen
luchtinlaten
(westzijde begane grond
stal
3, oostzijde
stal
3, 4 en 7) zijn meegenomen
als
geluidbronnen. het gebied met zonnepanelen ten westen van de inrichting is nu de juiste bodemfactor toegekend. De uitstralende gevel (t‚h.v. de dakventilator) aan de oostzijde van stal 7 is als bron in het akoestisch rapport meegenomen.
-_Aan
-
Uit de
aan
de
het
aangepaste akoestische rapportage is gebleken dat niet kan worden voldaan langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Larut) zoals opgenomen in de vergunning
van
16 december 2008.
normstelling
voor
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
Dossiernummer
In het geluidrapport is ook aandacht besteed aan de mogelijkheid van het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen, deze zijn redelijkerwijs niet haalbaar. Om de gewenste activiteiten uit te kunnen voeren, en niet meer geluidsruimte te vergunnen dan nodig, wordt er per geluidsgevoelig object geluidsruimte toegekend voor de representatieve en de incidentele bedrijfssituatie.
Om
te kunnen
of een verruiming van de geluidnorm ten opzichte van de vergunde normstelling in 16 december 2008 tot de mogelijkheden behoort heeft Odu onderzoek gedaan naar het vergunning referentieniveau van het omgevingsgeluid. Dit referentieniveau is het maatgevende niveau van het de
beoordelen van
achtergrondgeluid
dat
etmaalwaarde
45
Ondanks
van
het verruimen
sprake
van
binnen
het heersende
het
van
representatief mag worden geacht voor de omgeving. Uit dit onderzoek blijkt dat een dB(A) past bij de omgeving waarin het bedrijf en de omwonenden zijn gelegen.
een
goed
van
de
geluidsnorm
als
opgenomen
in de
woon-
en
leefklimaat.
De
aangepaste
norm
omgevingsgeluid,
wat betekent dat de
vergunning van 2008, is er nog steeds de reguliere bedrijfsvoering past ruim maximale geluidproductie past bij het karakter voor
gebied.
Uit de
aangepaste akoestische rapportage is gebleken dat niet kan worden voldaan aan de normstelling voor geluidniveau (Lmax) zoals opgenomen in de vergunning van 16 december 2008. Het is conform vaste en constante jurisprudentie gebruikelijk om voor maximale geluidniveaus geluidnormen van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode te vergunnen. Om de gewenste activiteiten uit te kunnen voeren, en niet meer geluidsruimte te vergunnen dan nodig, wordt er per geluidsgevoelig object geluidsruimte voor het maximale geluidniveau toegekend. het maximale
Voor
de incidentele achten
Wij wijken.
norm.
te
Dit betekent
bedrijfsactiviteiten
het voor
dat alle
vervangen worden
het
biedt de wet de
ophalen
geluidsvoorschriften door een
set
kippen
van
nieuwe
mogelijkheid
12 keer
om
in de nacht aanvaardbaar
die opgenomen
waren
geluidsvoorschriften
in de
die aan
om
per
jaar af te wijken van de gedurende 4 keer per jaar af
vergunning verleend in 2008 vergunning als voorwaarden zijn
deze
toegevoegd. Er is een
voorschrift opgenomen moeten
controlemetingen praktijk ook kan worden
worden voldaan
dat er binnen
uitgevoerd aan
de
3 maanden met
na
betrekking
het tot de
onherroepelijk worden van de vergunning gehele inrichting om te toetsen of in de
geluidsvoorschriften.
De
BBT-conclusies kunnen wel reden geven
van
de actualisatie.
om
aanvullende
eisen te
stellen,
dit is meegenomen
in het kader
Brandveiligheid In het
Bouwbesluit
2012 zijn eisen opgenomen over brandveiligheid bij het gebruik van gebouwen. Het 2012 heeft een directe werking. Alleen als sprake is van bedrijfsmatige opslag van brandgevaarlijke stoffen in hoeveelheden, die groter zijn dan aangegeven in tabel 7.6 van het Bouwbesluit (gebaseerd op de ondergrenzen genoemd in tabel 3 van PGS 15), moeten brandveiligheidseisen in de Bouwbesluit
omgevingsvergunning (onderdeel milieu) worden vastgelegd. Wet
en
regelgeving
met
rechtstreekse
Op
het
bedrijf is voor
een
aantal
Daarvan
is hier geen
sprake.
werking onderwerpen wet- en regelgeving rechtstreeks van toepassing. De daarin opgenomen voorschriften/eisen zijn direct werkend, zodat voor deze onderwerpen in deze vergunning geen voorschriften zijn opgenomen. Voorschriften/eisen die op basis onder *
*
*
wet- en
regelgeving
rechtstreeks
van
toepassing zijn op
het
bedrijf zijn
_ Activiteitenbesluit (zie onder overwegingen). _ Artikel 10:37 van de Wet milieubeheer, waarin de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke _
afvalstoffen aan een erkend inzamelaar is opgenomen. 10:38 van de Wet milieubeheer, waarin is opgenomen dat een registratiesysteem voor de afvoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen aanwezig moet zijn en dat deze gegevens
Artikel ten
*
van
andere:
minste
5 jaar moeten
worden
_Uitvoeringsbesluit EG verordening
bewaard.
ozonlaagafbrekende
stoffen.
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp *
*
Ongewone
voorvallen
gemeld bij
het
die
nadelige gevolgen
(kunnen)
het milieu
voor
veroorzaken
moeten
worden
bevoegd gezag.
_ Warenwetbesluit drukapparatuur voor o.a. de keuring van gasflessen. Bouwbesluit
2012 (brandveilig gebruik bouwwerken). _Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (kadavers);
*
*
*
OLO5270769
Dossiernummer
_ Wet dieren en het Besluit houders van dieren.
Conclusie Gezien het voorgaande concluderen wij dat door het stellen milieu door de
verandering
het
van
bedrijf in voldoende
vergunningvoorschriften Op grond van artikel 5.10 Bor moet binnen of de vergunningvoorschriften voldoen. Op
voorschriften de nadelige gevolgen
van
kunnen
mate
worden
voorkomen
het
voor
dan wel
beperkt.
BBT-conclusies worden
getoetst
Actualiseren
vier
jaar na
het vaststellen van
21
februari 2017 zijn de BBT-conclusies voor de intensieve is dat de bestaande voorschriften niet voldoen aan de nieuwe
veehouderij gepubliceerd. Beoordeeld BB Tconclusies. Kort samengevat moet vergunde situatie worden geactualiseerd op Registratie waterverbruik en afvoer van vrijkomende afvalstoffen, BBT 1 en Registratie van energieverbruik, BBT 8.
„or
Geluidbeheersplan, BBT Op grond van de nieuwe reducerende
opn
Berekenen Monitoren
Monitoren
staat dat het BBT
van
het
is het
in elke
BBT 12, verhogen van ammoniakemissie, BBT 23. ammoniak, BBT 25.
bij pluimveebedrijven verplicht
stal,
BBT
om
minimaal
1 fijnstof
11.
de uittreedsnelheid
emissiepunten stallen,
BBT
13.
geven reden is om
een
om
voorschrift
een
milieubeheersysteem
voor
registratie
in te voeren
en
van
afvalstoffen op te
na te leven. Voor
nemen.
activiteiten
die
In BBT
1
zijn
in het Activiteitenbesluit geven de eisen in combinatie met de zorgplicht invulling aan onderdelen milieubeheersysteem. In het rechtstreeks werkende artikel 10.38 Wet milieubeheer is geregeld dat
de afvoer
van
bedrijfsafvalstoffen
ten minste
registratie registratieplicht waardoor noodzakelijk is. Waterbesparing Door de vermindering van
BBT-conclusies
toe te passen
waterverbruik
BBT-conclusies
geregeld
onderdelen:
5.
geur, BBT 26. stof, BBT 27.
Monitoren
en
volgende
BBT
9.
Geurbeheersplan,
Afvalstoffen De
techniek
de
het waterverbruik.
5 jaar
van
en
gevaarlijke afvalstoffen
moet worden
het opnemen
geregistreerd en dat deze invulling gegeven aan de in deze registratievoorschrift vergunning niet meer
bewaard. van
een
het aantal te houden
De BBT-conclusies
moet worden
Hiermee
legkippen
is voldoende
zal
geven wel reden
er
om
sprake zijn van aanvullende
een
eisen
geringe vermindering
te stellen.
In BBT
5 staat
waterbesparende drink(nippel)systemen te gebruiken. Omdat een dergelijk voorschrift niet is opgenomen in de omgevingsvergunning verleend op 16 december 2008 wordt een registratievoorschrift voor het waterverbruik en het verplicht toepassen van morsvrije drinknippels opgenomen in deze vergunning. dat het BBT
is om
het waterverbruik
te
registreren
en
Energie Het aspect energie is een aandachtspunt wanneer het bedrijf jaarlijks méér dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m? aardgasequivalenten verbruikt. Het energieverbruik bedraagt op basis van het verbruik in 2019 166.600 kWh en 13.660 m° gas. Het bedrijf is voor wat betreft het aardgasverbruik een kleinverbruiker en voor het elektriciteitsverbruik een middelgrote verbruiker.
Op
de daken
van
circa 60.000
van
de stallen 4 en
7
zijn zonnepanelen aanwezig
met
als
gevolg
een
jaarlijkse terug levering
kWh.
Middelgrote verbruiker In het landelijk beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m? aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
Dossiernummer
beschikbare
technieken
(BBT) toepast om
tot een
zuinig energiegebruik te komen. Het is BBT om alle energiebesparende maatregelen terugverdientijd vijf jaar of minder, zie BBT 8. De erkende staan in 10 van de maatregelen bijlage Activiteitenregeling. De regels voor energiebesparing in het Activiteitenbesluit gelden niet voor een type C-bedrijf. Energiebesparing moet worden geregeld in de omgevingsvergunning. te treffen
Op grond
met een
artikel 5.5, lid 4 Bor is het noodzakelijk om bij IPPC-inrichtingen waarbij doelvoorschriften zijn voorschriften opgenomen op te nemen waarmee kan worden bepaald dat het beoogde doel wordt behaald. hiervan is in de voorschriften Op grond opgenomen dat binnen 3 maanden de vergunninghouder aan het moet in de vorm van een energie-uitvoeringsplan met daarin genomen en nog te bevoegd gezag rapporteren van
energiebesparende maatregelen. Het gaat dan in elk geval om de erkende maatregelen die voor dit type bedrijf in tabel 9 van bijlage 10 van de Activiteitenregeling staan. Dit zijn de erkende maatregelen met een terugverdientijd maximaal vijf jaar voor de agrarische sector. nemen
Tabel 9. Erkende maatregelen
voor
energiebesparing
in de
agrarische sector
Type maatregel
Nummers
Gebouwschil Ruimteventilatie
1-4 5
Ruimteverwarming Ruimte-
8, 15
buitenverlichting
en
11-13
Faciliteiten Warm
25-27
tapwatervoorziening,
niet
zijnde stookinstallatie
15
Processen
15
Activiteit
In werking
hebben van een
stookinstallatie
In werking
hebben van een
koelinstallatie
Met de hiervoor
(emissies
naar
de
lucht)
6, 7,9, 10, 14 16-24
genoemde verplichtingen
voldoet
het
bedrijf aan
BBT
8 over
energiebesparing.
Geluid In BBT
9 en
geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven om één of een gebruiken geluidemissies te voorkomen of te beperken. Een is alleen wanneer geluidbeheerplan nodig geluidhinder wordt verwacht of is aangetoond. In de moeten omgevingsvergunning geluidnormen worden opgenomen passend voor de omgeving. Eventueel worden ook maatregelen opgenomen om te borgen dat aan de geluidnormen wordt voldaan. combinatie
Omdat er
10 staat dat het BBT is
van
er de
de technieken
afgelopen
in de voorschriften meerwaarde
een
Fijnstof Met de
twee
reducerende
jaar
meerdere dat er een
geluidsklachten zijn ontvangen vanwege ondervonden hinder, is geluidsbeheersplan moet worden opgesteld. Ook de GGD ziet
geluidsbeheersplan. technieken
vergunningaanvraag
reducerende
een
om
opgenomen
in een
om
te
techniek.
worden
Hiermee
nu
wordt
ook de voldaan
verdiepingen aan
BBT
van
de stallen
3 en 4 voorzien
van
een
fijnstof
11.
Geur Het
geurbeheersplan
van
de
BBT
13.
Overige Aan
de de
van
de
van
de aanvraag,
emissiepunten
van
hiermee de stallen
wordt voldaan
aan
BBT
3 en 4 wordt voldoende
12.
Door
het
verhogen invulling gegeven aan
BBT-conclusies BBT-conclusies
23, 25, 26 en 27 voor wat betreft het berekenen van de ammoniakemissie en het in de considerans van van ammoniak, geur en stof wordt voldaan zoals opgenomen veranderingsvergunning.
monitoren van
is onderdeel
uittreedsnelheid
de emissies
Behandeld
(geanonimiseerd)
door
Onderwerp
OLO5270769
Dossiernummer
Overige voorschriften In de omgevingsvergunning hebben
op het
betrekking volgende voorschriften:
verleend
gesloten
op 16 december
houden
van
ramen
2008 zijn twee voorschriften opgenomen die en deuren binnen het bedrijf. Het gaat hierbij
om
de
Voorschrift 1.9 Ramen
en
deuren moet behoudens het doorlaten
van
personen
en
goederen gesloten blijven.
Voorschrift 8.3 Ramen
en
deuren van
goederen gesloten
de
stal moeten
worden
behoudens gedurende
het doorlaten
van
personen,
dieren of
gehouden.
De voorschriften
1.9 en 8.3 blijken in de praktijk voor verwarring te zorgen omdat op grond van voorschrift 1.9 de indruk gewekt wordt dat alle ramen en deuren van alle gebouwen binnen de inrichting gesloten moeten worden gehouden en op grond van voorschrift 8.3 alleen ramen en deuren van stallen. Deze voorschriften zijn destijds opgenomen om onnodige emissie van geur uit gebouwen te voorkomen. Omdat geur kan ontsnappen uit stallen, mestopslagen en de gebouwdelen waarin mestdroging plaatsvindt is in deze vergunning een nieuw voorschrift (voorschrift 3.2) opgenomen ter vervanging van de voorschriften 1.9 en 8.3 uit de omgevingsvergunning van 2008. Conclusie
Legeskosten Voor het in behandeling hierover meer
in de
nemen
van
uw
aanvraag
om
omgevingsvergunning
bent
u
leges verschuldigd.
Zie
bijlage Legeskosten.
Inwerkingtreding vergunning De omgevingsvergunning
kan
pas worden
uitgevoerd
nadat
het besluit in
werking
is getreden.
Het besluit
dag na afloop van de beroepstermijn, tenzij er bij de rechter een beroepschrift is ingediend én een voorlopige voorziening is gedaan (Wabo, artikel 6.1 lid 2 en 3). De beroepstermijn start op de dag na de publicatiedatum van dit besluit en duurt zes weken. Let op: u handelt in strijd met de wet als u gebruik maakt van de verleende vergunning voordat deze in werking is getreden. Zie hierover meer in de bijlage Beroep. treedt in
werking
Heeft
u
nog
adres