CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A03.2 bijlage 2 - Wijzigingsbesluit omgevingsvergunning (OLO5270769) (Geanonimiseerd) 97352ae.pdf

Gemeenteraad 9 juli 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 5: Vastellen wijze van afdoening van de ingekomen stukken14.708 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Pluimveebedrijf Wiltenburg

V.O.F.

Hekendorpse Buurt 8 3467 PD Hekendorp

Onderwerp:

Wijziging Locatie:

besluit

Hekendorpse

Buurt 8 te

Hekendorp

Behandeld

door:

Dossiernummer

(geanonimiseerd) |

OLO5270769

Geachte

Op een en

Verzenddatum:

01-06-

2026

heer/mevrouw,

24 juni 2020 heeft de gemeente Oudewater uw vergunningaanvraag ontvangen voor het realiseren van Wintergarten in 2 pluimveestallen, het verder aanpassen van bestaande stalsystemen en dieraantallen het realiseren van een regenkap voor een wandventilator ter plaatse van Hekendorpse Buurt 8 te

Hekendorp. De aanvraag

is op 30 juni, 14 juli, 6 augustus 2020, 24 december 2020, 15 april 2021, 4 juni 2021, 23 september 2021, 10 februari 2023, 26 april 2023 en 6 september 2023 aangevuld. Alle gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van uw aanvraag zijn door u verstrekt.

Tussenuitspraak

rechtbank

Midden-Nederland

il |

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

Dossiernummer

OLO5270769

Besluit

Wij verlenen

(Wabo).

De

volgende

omgevingsvergunning overeenkomstig de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht omgevingsvergunning, met in begrip van de gewaarmerkte bijlagen, wordt verleend voor de

activiteiten:

het bouwen

*

*

de

_

van

een

bouwwerk

het veranderen

van

een

(Wabo,

artikel

2.1,

milieu-inrichting (Wabo,

lid 1 onder

artikel

2.1,

a)

lid 1 onder

e)

Ve

Procedure

radia

getoetst

De aan

besluitvorming is voorbereid met de uitgebreide procedure (Wabo, artikel 3.10). De aanvraag is _ de Wabo, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). nd

Zienswijzen De aanvraag met bijbehorende stukken en het ontwerpbesluit hebben ter inzage tot en met 22 maart 2022. Tegen dit ontwerpbesluit zijn 3 zienswijzen ingediend. Naar

gelegen

ape

se

el

€

{ van

nd

$

9 februari 2022

„in

n

verklaring

Ph

van geen aanleiding van de zienswijzen is bij de Provincie nogmaals verzocht om een Nu de Provincie een van heeft bedenkingen. ontwerpverklaring afgegeven moest het geen bedenkingen met de ter van ontwerpbesluit ontwerpverklaring inzage worden gelegd. geen bedenkingen opnieuw Daarnaast is de aanvraag aangevuld met het realiseren van een regenkap voor een wandventilator. Van 17 oktober 2023 tot en met 27 november 2023 heeft het tweede ontwerp van dit besluit ter inzage gelegen en is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. De bekendmaking heeft plaatsgevonden in de Ijsselbode en via www.officielebekenmakingen.nl.

Beantwoording zienswijzen De ingediende zienswijzen op het tweede ontwerpbesluit zijn beoordeeld. De zienswijzen gericht tegen de verklaring van geen bedenkingen zijn beoordeeld door de provincie. Er is besloten dat de zienswijzen geen aanleiding geven om de vergunningprocedure te staken. De ontvangen zienswijzen hebben ook geen aanleiding gegeven om het besluit of de verklaring van geen bedenkingen aan te passen. Alle

zienswijzen en de volledige beantwoording daarvan zijn opgenomen in de zienswijzenrapportage. De rapportage maakt als gewaarmerkte bijlage onderdeel uit van de omgevingsvergunning. De rapportage wordt met een afschrift van deze vergunning aan de indieners van de zienswijzen toegezonden. Voorschriften Aan

deze

omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden. Het is belangrijk dat u zich aan deze houdt. U vindt de volledige lijst met voorschriften in Bijlage 1. Verder attenderen wij u op aandachtspunten in de bijlage.

voorschriften met

de

Beoordeling *

_ het bouwen van een bouwwerk (Wabo,

artikel 2.1,

lid 1 onder

a)

aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” moet worden geweigerd, indien deze in strijd is met de bepalingen van het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en/of redelijke eisen van welstand (Wabo, artikel 2.10). Wij hebben uw aanvraag getoetst aan de volgende onderdelen: Een

lijst

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

Dossiernummer

Bouwbesluit

2012

De aanvraag

maakt

plaatsgevonden

aan

voldoende de hand

aannemelijk

dat voldaan

het door de

van

wordt

aan

het Bouwbesluit

2012.

De

toetsing heeft

gemeente vastgestelde bouwbeleidsplan.

Bouwverordening De aanvraag

maakt

voldoende

aannemelijk

dat voldaan

wordt

aan

de

Bouwverordening.

Bestemmingsplan Het bouwplan is gelegen binnen het bestemmingsplan Landelijk gebied Hekendorp en Papekop en Natuur- en landschapswaarden. betreffende grond heeft de bestemming “Agrarisch met waarden aanvraag is niet in strijd met de regels van het bestemmingsplan. -

Welstand

Wij

De aanvraag het advies

hebben

eisen van

*

De

is

voor

advies

ontvangen

de De

voorgelegd aan de commissie voor Ruimtelijke kwaliteit “MooiSticht”. blijkt dat het betreffende bouwplan niet in strijd is met redelijke

waaruit

welstand.

het veranderen

van

inrichting

een

milieu-inrichting (Wabo,

een

artikel

2.1,

lid 1 onder

e)

pluimveehouderij. Het bedrijf is een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, lid 1, Wet inrichting valt onder categorie 1 (elektromotorisch vermogen), 7 (opslag mest) en (Wm). 8.1 (houden van dieren) van Bijlage |, onderdeel C, behorende bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) en is ingevolge artikel 1.1, lid 3 Wabo juncto artikel 1.1, lid 3, Wm aangewezen als een inrichting die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Het bedrijf is vergunningplichtig op grond van artikel 2.1 lid 2 Bor vanwege de activiteit als bedoeld in bijlage |, onderdeel B, lid 2.1 lid 2 van het Bor (IPPC-installatie). omvat

milieubeheer

Deze

Richtlijn Industriële Emissies (RIE) De Richtlijn Industriële Emissies is op 1 januari 2013 geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving. Deze richtlijn omvat onder andere een integratie van de IPPC-richtlijn. Op grond van bijlage 1 van de RIE is sprake van een IPPC-installatie bij intensieve varkens- en pluimveehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, 2.000 plaatsen voor mestvarkens (> 30 kg) of 750 plaatsen voor zeugen. Er worden meer dan 40.000 stuks pluimvee gehouden, zodat sprake is van een IPPC-installatie. Vergunningsituatie Voor de locatie zijn reeds *

*

*

*

*

*

*

de

volgende vergunningen en meldingen geaccepteerd: d.d. 16 december 2008; artikel 8.19 Wet milieubeheer, d.d. 31 mei 2010; Melding _ _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 7 december 2011; _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 24 oktober 2012; _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 24 juli 2013; _Omgevingsvergunning artikel 3.10 lid 3 Wabo, d.d. 22 oktober 2015; Melding Activiteitenbesluit, d.d. 19 december 2015.

_Omgevingsvergunning,

Op

1 oktober 2010

van

het

is de Wet

algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Op grond beschreven in artikel 1.2 van de Invoeringswet Wabo, wordt een vergunning overgangsrecht, de Wet milieubeheer die vóór 1 oktober 2010 van kracht en onherroepelijk was, gelijkgesteld met ingevolge een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. zoals

Het totaal aan

vergunningen,

zoals hiervoor

Aanleiding aanvraag De voorgenomen veranderingen *

*

*

*

*

*

bestaan

benoemd,

uit de

wordt

volgende

aangeduid

als de

vergunde

situatie.

onderdelen:

van verdieping van stal 3; _ _ Het wijzigen van het stalsysteem op de verdieping van stal 3; _ Het realiseren van een inpandige wintergarten op de verdieping van stal 3; _ Het veranderen van het aantal te houden dieren op beide etages van stal 4; _ Het wijzigen van het stalsysteem op de verdieping van stal 4 (E 2.11.1 in E 2.11.2.1);

Het veranderen

_Het

toevoegen

het aantal

van

te houden

dieren op de

fijnstof reducerende maatregelen

in stal

4;

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

_ Het realiseren van een inpandige wintergarten op beide etages van stal 4;

*

Het

toepassen van afrolbare gordijnen ter plaatse van de geperforeerde damwand in het wintergartens ten behoeve van het waarborgen van onderdruk in de wintergartens; __ Het verhogen van de uittreesnelheid van stallucht vanuit de stallen 3 en 4. De uittreesnelheid waarborgen door middel van regelbare schuiven op minimaal 4,0 meter per seconde; _ Het verminderen van het totaal aantal te houden dieren; _ Het verwijderen van het stofschot tussen de stallen 3 en 4; Het nadrogen van de pluimveemest afkomstig van de 8.320 legkippen op de verdieping van stal 3 met een mestdroogtunnel (Rav-code E 6.4.1); _ Het aanbrengen van een ventilator in de wand van stal 4 die is gekoppeld aan een warmtewisselaar ten behoeve van de verwarming van het eierlokaal.

*

*

*

*

*

*

De

Dossiernummer

veebezetting

tabel

van

de

aangevraagde

situatie

ten

opzichte

van

de

vergunde

situatie is in onderstaande

vermeld.

RAVcategorie

Diercategorie

aantal

dieren

aanvraag

vergund

24.000

24.000

24.000

24.000

Stal 3 E 1.8.1 E 6.4.1 E 2.11.21 E 2.100 E 6.4.1

Opfokhennen Nageschakelde techniek, droogtunnel BWL Legkippen Legkippen Nageschakelde techniek, droogtunnel BWL

2005.06.V2

8.320 3.160 2005.06.V2

8.320

Stal 4

E 2.111

Legkippen

E 2.11.21

Legkippen

42.000

Langdurige mestopslag (mestloods) BWL 2017.02 (begane grond)

42.000

E68

48.000

E 7.10

Strooiselschuif

E 7.15

Positieve

ionisatie d.m.v.

koolstofborsteltjes

48.000

21.000 BWL

2020.03

42.000

Stal 7 E 2.111 E 6.4.1

Legkippen Nageschakelde techniek, droogtunnel;

Met de aanvraag

worden

op het hele

BWL

2005.06.V2

bedrijf 840 legkippen

minder

48.000

48.000

48.000

48.000

gehouden.

Milieueffectrapportage (MER)

Wet

natuurbescherming (Wnb) natuurbescherming is opgenomen

In de Wet

dat deze

wet aanhaakt

bij de

Wabo

wanneer:

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp 1.

een

activiteit de

en

OLO5270769

Dossiernummer

plaatsvindt

habitats van

in of om

soorten

een

2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden),

Natura

verslechtert

en/of; 2.

sprake is van het beschermen van inheemse tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten). Wanneer het aanhaken van toepassing is, moet het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning de aanvraag doorsturen naar het bevoegd gezag voor de Wnb (Gedeputeerde Staten van de provincie) met verzoek een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. een

activiteit

plant-

en

plaatsvindt waarbij

diersoorten

en

in onvoldoende

het bewaken

van

de

mate

biodiversiteit

het

Op

15 juli 2020 heeft de gemeente Oudewater een verzoek om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) ingediend bij de provincie Utrecht als bevoegd gezag voor Wnb. Op 20 april 2023 heeft de provincie de vvgb afgegeven, het besluit van 20 april 2023 maakte een-op-een onderdeel uit van deze beschikking. Besloten is was om de vvgb te verlenen.

Coördinatie Waterwet Vanuit de

inrichting

de Waterwet.

van

vindt geen Van

lozing plaats waarvoor een watervergunning nodig is, als bedoeld in artikel 6.2 overeenkomstig paragraaf 3.5 van de Wabo is daarom geen sprake.

coördinatie

Overwegingen veranderingsvergunning Bij

de

beslissing zijn betrokken:

de

bestaande

toestand

het milieu, de gevolgen voor het milieu die het mogelijkheden de gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet voorkomen kunnen worden. Bij de beslissing is rekening gehouden met geldende richtwaarden en zijn grenswaarden, regels en aanwijzingen in acht genomen.

bedrijf kan veroorzaken, toekomstige ontwikkelingen

Artikel

derde

het milieu

de

de Wabo

kan worden

Beste

beschikbare

Deze

voorschriften

aanmerking

lid van

van

bepaalt, dat een vergunning slechts in het belang van de bescherming geweigerd. Op grond van artikel 2.22 van de Wabo kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend en moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, door het stellen van voorschriften niet kunnen worden voorkomen, moeten de voorschriften de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. van

2.14,

en

technieken in deze

komende

beste

(BBT)

vergunning zijn er op gericht beschikbare

technieken

dat in het

(BBT)

worden

bedrijf ten minste de daarvoor in toegepast (artikel 2.22, lid 3, Wabo juncto

artikel

5.3 Bor). De term BBT staat voor de meest doeltreffende technieken ter voorkoming van emissies en effecten op het milieu, waarvan de praktische bruikbaarheid is aangetoond en die economisch en technisch haalbaar zijn. In artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (MOR) staat dat het bevoegd gezag bij de 1

ABRvS, 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:803, ABRvS, 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6008 Zeeland-West-Brabant, 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2020:5810.

Rb.

en

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

Dossiernummer

bepaling

van

houden

met de Nederlandse

beste beschikbare

(BBT)

technieken

in het kader van

informatiedocumenten

over

BBT

en

de

vergunningverlening rekening moet BBT-conclusies in geval van een

relevante

IPPC-installatie. Met de

volgende

BBT-documenten

Nederlandse informatiedocumenten NRB

2012;

is

rekening gehouden:

BBT

Jaartal

Nederlandse

richtlijn bodembescherming Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij

maart

juni

2012

2007

BBT conclusies Intensieve

De

februari

pluimvee- en varkenshouderij

Europese Commissie heeft

veehouderij gepubliceerd op 21 februari BREF voor de intensieve pluimveeis niet deze nieuwe en varkenshouderij van 30 juli 2007 gebaseerd op BBT-conclusies, maar nog relevant de 4 voor en 24), mestregistratieverplichtingen en mest uitrijden onderwerpen: voermaatregelen (BBT 3, Voor deze onderwerpen zijn conform deze oplegnotitie dan ook geen eisen in deze (BBT 20, 21, 22). De BBT-eisen voor ammoniak en fijnstof zijn nationaal ingevuld door de Wet vergunning opgenomen. ammoniak en veehouderij en het Besluit emissiearme huisvesting. Dit geldt ook voor de eisen voor mestopslag die in het Activiteitenbesluit staan. in het Publicatieblad

2017

van

de BBT-conclusies

van

de

De

2017

Europese

ontwikkelingen zijn met betrekking tot de locatie wijzigingen te verwachten.

Unie.

de intensieve

Oplegnotitie bij de

Te verwachten Er

en

de

omgeving

van

de locatie

in de toekomst geen

significante

Activiteitenbesluit Per

1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten opgenomen in het Activiteitenbesluit en zijn IPPC-bedrijven ook type C bedrijven op grond van het Activiteitenbesluit. De voorschriften voor de activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen zijn rechtstreeks van toepassing op type C bedrijven. Voor dit bedrijf houdt dit in dat, naast de in deze vergunning opgenomen voorschriften, de volgende voorschriften toepassing zijn:

«

«

«

«

| paragraaf 3.1.3 | paragraaf 3.2.1 | paragraaf 3.4.5 | paragraaf 3.5.8

Lozen hemelwater,

| Afdeling 2.1

Opslaan

van

Het houden

Zorgplicht

2.3

Lucht

voor

binnen de

Afdeling

2.4

Bodem

voorziening

grote stookinstallatie (inclusief noodstroomaggregaat)

agrarische bedrijfsstoffen van

landbouwhuisdieren

in

dierenverblijven,

exclusief de artikelen 3.112

afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is voor zover

deze

zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

De aanvraag voor een omgevingsvergunning van het Activiteitenbesluit. de voorschriften

bodembeschermende

voor

binnen de

Naast

een

een

3.119.

binnen de

Afdeling

afkomstig van

Stookinstallaties, niet zijnde

t/m «

niet

activiteiten

aangemerkt

als

de

melding op grond

zijn de voorschriften uit hoofdstuk 2 en 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing zijn geregeld in hoofdstuk 3. De voorschriften in afdeling 2.4 (Bodem) zijn, omdat sprake is van een IPPC-installatie, voor alle activiteiten binnen de inrichting van toepassing. Dit volgt uit artikel 2.8a van het Activiteitenbesluit en is een gevolg van de implementatie van artikel 22 van de Richtlijn Industriële Emissies. Er zijn daarom geen bodemvoorschriften in deze vergunning opgenomen. voor

BBT Het

in hoofdstuk

is voor deze

3

de activiteiten die

huisvestingssystemen huisvesting (hierna:

Besluit emissiearme

Besluit

huisvesting) geeft invulling aan

BBT

voor

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

huisvestingssystemen.

(bijlage 1)

en

In het Besluit

huisvesting zijn

de datum

maximale

emissiewaarden

2). Als een

deeltjes (bijlage huisvestingssysteem beginsel sprake van het toepassen van BBT. Welke het oprichten van een dierenverblijf.

zwevende

emissiewaarden van

OLO5270769

Dossiernummer

is in

van

Hieronder

is in een

maximale

emissiewaarde

tabel

vermeld

welke

huisvestingssystemen

toepassing

van

in welke

opgenomen

voldoet aan

emissiewaarde

stal

ammoniak

voor

de maximale

aanwezig zijn

geldt,

afhankelijk

is

welke

en

is.

Ammoniak

RAV-code

datum

oprichting

huisvestings-

stal

| maximale

kolom van

bijlage

1

lemissiefactor

emissiewaarde

systeem

kg NH3 per dierplaats perjaar

E1.8.1/

voor

1-7-2015

(kg NHs per dierplaats per |jaar) 0,05 + 0,001 0,051

E 6.4.1

=

Begane grond E 2.11.21

/

voor

1-7-2015

,

E 2.11.21

/

voor

1-7-2015

,

0,055 + 0,002 = 0,057

E 6.8 en E 7.10)

0,055 0,011

+

0,055 0,105

+

=

0,05 0,094

—

Begane grond

(*) er is geen

voor

1-7-2015

voor

1-7-2015

maximale emissiewaarde

Alle

huisvestingssystemen huisvesting.

In het

1

vastgesteld

voldoen

aan

opfokhennen jonger dan

voor

de maximale

0,05

0,09 + 0,02 0,110

18 weken

emissiewaarden

in bestaande

voor

=

=

niet-batterij huisvesting.

ammoniak

uit het Besluit

Besluit

huisvesting zijn ook maximale emissiewaarden opgenomen voor fijnstof. Deze maximale gelden voor dierverblijven opgericht op of na 1 juli 2015. Alle aanwezige dierverblijven zijn opgericht en in gebruik genomen vóór 1 juli 2015, hierdoor zijn er geen maximale emissiewaarden voor fijnstof van toepassing. Het aanpassen van de bestaande stallen zoals aangevraagd en bouw van inpandige wintergartens, wordt niet gezien als het oprichten van nieuwe dierenverblijven. emissiewaarden

Ammoniak Voor het beoordelen ammoniak

van

het

ammoniak

aspect

afkomstig

dierenverblijven

van

zeer

bedrijf is gelegen kwetsbare

Bij ligging

buiten

gebied ligt

buiten een

zone

ammoniakemissie worden

een

zone

op circa 250

van

op grond gemaakt of vanwege

van

Onderdeel

6,7

van

250

meter

van

kilometer meter

meter kan

de

onder de

IPPC-richtlijn

moet de

van

BBT

aan

is de

veehouderijen, is de Wet Regeling ammoniak en

gebied.

Het meest

nabijgelegen

bedrijf.

alleen worden

planten,

geweigerd vanwege

de

milieueffectrapport moet sprake is van een bedrijf dat

indien een

toepassen (artikel vergunning geweigerd worden indien niet kan worden voorschriften die vanwege de plaatselijke milieuomstandigheden moeten worden gesteld, toepassing van BBT kunnen worden gerealiseerd (artikel 3, derde lid Wav). valt

het niet

het

vergunning

directe ammoniakschade

kwetsbaar

een

van

van

de Wav

van

veehouderij (Wav) toetsingskader. veehouderij (Rav) waarin de ammoniakuitstoot per diersoort en stalsysteem staat aangegeven. De Wav maakt onderscheid in de ligging binnen of buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Op grond van artikel 2, eerste lid, Wav wijzen de Provinciale Staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Op 31 mei 2010 hebben Provinciale Staten de zeer kwetsbare gebieden vastgesteld. Dit besluit is op 13 oktober 2010 in werking getreden. Het

het

en

3 Wav).

Als

voldaan maar

aan

niet met

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

Dossiernummer

Ammoniakschade

planten beoordeling van directe ammoniakschade aan planten is het rapport “Stallucht en Planten”, opgesteld door het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek in 1981, gebruikt. Volgens dit rapport kan de ammoniakemissie van intensieve kippen- en varkenshouderijen directe schade aan planten veroorzaken. aan

Voor de

In de bestaande

bedrijf

situatie

is direct naast de

fruitteeltbedrijf

is een

ammoniakschade varkensstallen

waarbij

aan

gewassen

(juli 1981)

voldaan.

Echter

wordt

van

kassenbedrijf gelegen (Hekendorpse Fruitbomen

de is schade

zijn mogelijk gevoelig van

ammoniakuitstoot

voor

uit

10a).

Buurt

Dit

directe

kippen-

en

op korte afstand van de stal. De bijzondere omstandigheid doet afgeschermd door de kassen. Op grond van het Rapport Stallucht en

derden

worden

fruitbomen

voor

een

in kassen.

directe ammoniakschade

zich voor dat de fruitbomen Planten

inrichting

met fruitbomen

de ammoniakemissie

een

afstand

van

25 meter geadviseerd.

Verwezen wordt

ten

van

de

Daaraan

kan niet worden

opzichte vergunde bedrijfsniveau af met de een van 3.062,2 kg per jaar (22,9%). uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak (16 februari 2011, ECLI:NL:RVS:BP4765) waaruit blijkt dat aan het rapport “Stallucht en Planten” wordt voldaan indien zich geen verslechtering voordoet ten opzichte van de reeds vergunde situatie. neemt

situatie op

naar

IPPC-installatie: omgevingstoets Er is

sprake van een IPPC-installatie, zodat op grond van artikel 3, lid 3 Wav is beoordeeld of technische kenmerken, de geografische ligging of plaatselijke milieuomstandigheden aanleiding geven om verdergaande eisen te stellen. Hiervoor is de Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij gebruikt.

Op

basis

de beleidslijn kan bij uitbreiding worden volstaan met toepassing van BBT zolang de emissie bedraagt dan 5.000 kg ammoniak per jaar. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5.000 kg dan moet boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd. De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie (de mate waarin de ammoniakemissie reduceert) en de beschikbaarheid van verdergaande technieken voor de betreffende diercategorie. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding, met toepassing van BBT (tot 5.000 kg) en verdergaande technieken dan BBT (vanaf 5.000 kg), daarna nog meer dan 10.000 kg, dan dient boven het meerdere een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd. van

niet meer

De een

aangevraagde verandering geeft geen uitbreiding van de jaarlijkse ammoniakemissie, maar zorgt voor afname. Ook worden er minder dieren gehouden, daarmee is de IPPC toets niet van toepassing,

Berekenen Deze

en

monitoring

ammoniak

dat de vermindering van de ammoniakemissies van de gehele veehouderij toepassen van BBT wordt bereikt, berekend of geraamd moet worden (BBT 23). Met de emissiefactoren is invulling gegeven aan deze BBT-conclusies. In de omgevingsvergunning hoeven geen eisen te worden opgenomen voor invulling van deze BBT-conclusie. Omdat op basis van het aantal dieren en de emissiefactoren op elk moment de emissie van ammoniak kan worden berekend, zijn eisen voor monitoring niet nodig (BBT 25). die

BBT-conclusies

vereisen

door het

De ammoniakemissie

neemt af ten opzichte van de vergunde situatie, verdergaande emissiebeperkende maatregelen te stellen.

zodat er geen

reden

is om

Geur Geur dierenverblijven

aspect geur afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet geurhinder veehouderij (Wgv) het toetsingskader. De Wgv maakt onderscheid in dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld. Daarnaast maakt de wet onderscheid in de ligging van de veehouderij in of buiten een concentratiegebied en de ligging van de geurgevoelige objecten binnen of buiten de bebouwde kom. De gemeente Oudewater is niet gelegen in concentratiegebied. Voor het beoordelen

van

het

en

In de

omgeving

(woningen) Woningen

rondom

de

veehouderij zijn de volgende woningen

beoordeeld. binnen

de

gebouwde

kom:

als

maatgevende geurgevoelige objecten

Behandeld

door

Onderwerp

(geanonimiseerd) OLO5270769

Dossiernummer

_ Oostkade 3, burgerwoning; _ Oostkade 7, burgerwoning;

*

*

*

_Oostkade 6, burgerwoning;

_Goejanverwelle 33, burgerwoning; _Goejanverwelle 86, burgerwoning;

*

*

Woningen in de nabijheid van de veehouderij buiten de bebouwde _ Hekendorpse Buurt 6a, agrarische bedrijfswoning; _Hekendorpse Buurt 9, burgerwoning; _ Hekendorpse Buurt 9a, burgerwoning; _ Hekendorpse Buurt 4, burgerwoning; _Hekendorpse Buurt 10a, agrarische bedrijfswoning; _ Hekendorpse Buurt 10b, burgerwoning; __Hekendorpse Buurt 11, burgerwoning; _ Hekendorpse Buurt 15, agrarische bedrijfswoning; _ Hekendorpse Buurt 12, burgerwoning; __Hekendorpse Buurt 17, burgerwoning; __Hekendorpse Buurt 6, burgerwoning.

kom.

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

*

Dieren

met

Op grond

geuremissiefactoren

3, eerste lid, Wgv moet worden bepaald of wordt voldaan aan de waarde voor de geurbelasting. niet-concentratiegebied geldt ter plaatse van een geurgevoelig object een waarde voor de geurbelasting van 2,0 odour units/m° binnen de bebouwde kom en een waarde van 8,0 odour units/m® buiten de bebouwde kom. De geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. De gemeente Oudewater heeft op 27 mei 2010 een geurverordening vastgesteld. In deze geurverordening zijn afwijkende afstanden tussen woningen en bestaande dierverblijven met vaste afstandsdieren opgenomen maar geen gewijzigde geurnormen voor dieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld. De geuremissie per dierenverblijf van de vergunde en de aangevraagde veebezetting is van

artikel

In een

(zie

berekend

onderstaande

tabellen).

Vergund diersoort

en

aantal

stalsysteem

geuremissiefactor (odour

units per seconde per dier)

Opfokhennen (Rav-code E 1.8.1) Legkippen (Rav-code E 2.100) Legkippen (Rav-code E 2.11.1 en

E

2.11.2.1) Totale

geuremissie (odour units per seconde)

24.000

0,18

3.160

0,34

1.074,4

96.000

0,34

32.640,0

geuremissie (odour units

per

4.320,0

seconde)

38.034,4

Aangevraagd diersoort

en

aantal

stalsysteem

geuremissiefactor (odour

units per seconde per dier)

Opfokhennen (Rav-code E 1.8.1) Legkippen (Rav-code E 2.11.1 en

E

2.11.2.1) Totale

Geur droogtunnel Onderdeel van de aanvraag

geuremissie (odour units per seconde)

24.000

0,18

4.320,0

98.320

0,34

33.428,8

geuremissie (odour units

per

seconde)

37.748,8

rapportage opgesteld door Olfasense (kenmerk WILH20A1 van maart 2021) geurmetingen aan de droogtunnel voor pluimveemest. Doel van het onderzoek was om te bepalen of het drogen van pluimveemest tot een wezenlijke toename van geur leidt. Uit de metingen is gebleken, dat de geur afkomstig van de droogtunnel marginaal is en veel kleiner dan de onzekerheid die inherent is aan geuronderzoek. De conclusie is dat de geuremissie van de droogtunnel voor mest verwaarloosbaar klein is, waardoor dit niet aangemerkt wordt als een relevante geurbron. met daarin

is de

de resultaten van

Effect wintergarten op stalemissie Een

wintergarten is een koude uitloop waar de legkippen verblijven om te scharrelen. Het voordeel van een wintergarten is dat de leghennen door toetreding van daglicht een natuurlijk dag- en nachtritme ontwikkelen. Als het buiten donker wordt gaan de legkippen vanuit de wintergarten naar de stalruimte. Door De

de realisatie

ingaande

van

inpandige wintergartens in de stallen 3 en 4 is ook het stalventilatiesysteem gewijzigd. komt in de vergunde situatie de stal binnen via ventilatieventielen in de zijwanden

luchtstroom

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp stallen.

In de

OLO5270769

komt, zodra de uitloop luiken open gaan, de ingaande uitloopluiken. De ventilatieventielen sluiten zodra de De luchtstroom komt dus via de geperforeerde damwandplaat en de uitloopluiken open gaan. ingaande uitloopluiken in de stalruimte. In de aangevraagde situatie bestaat de buitenwand van de wintergartens in stal 3 en 4 aan de onderzijde uit een (dag)licht doorlatende plaat en aan de bovenzijde uit een geperforeerde damwandplaat (16,4% open) daarboven. De totale wand is dus maar gedeeltelijk luchtdoorlatend. van

de

Dossiernummer

aangevraagde

situatie

luchtstroom

uitsluitend de stal

binnen

In zowel

3 als

de

de

wintergarten

in deze De

stal

situatie

stal 4 maakt

onderdeel

is van

via

wintergarten het vereiste

de stal inclusief de

voor

gebruikershandleiding

onderdeel

uit van

leefoppervlak.

het

stalsysteem

De emissiefactoren

omdat voor

de

het

oppervlak van pluimveestal geldt

wintergarten.

V-Stacks zegt het volgende

voor

“Bij sommige pluimveestallen

de

over

wintergartens:

is

sprake van een overdekte uitloop. Dit is een onverwarmde scharrelruimte, bijvoorbeeld een Wintergarten. uitloop telt niet mee voor de berekening van de geurbelasting. De tussen stal overdekte en uitloopopeningen uitloop zijn geen relevante emissiepunten voor de De reden is dat geurberekening. bij een goed functionerend mechanisch ventilatiesysteem sprake is van Deze

constante

onderdruk in de stal. De lucht komt

door luchtinlaatventielen

binnen

en

verlaat de

stal via

de

en/of gevelventilatoren. Zodra de uitloopopeningen open gaan, gaan de warmtewisselaar(s), inlaatventielen helemaal of bijna helemaal dicht. Daardoor fungeren de uitloopopeningen naar de uitloop als luchtinlaat en verlaat de lucht de stal via de nok- of gevelventilatoren. De uitloopopeningen en de uitloop nok-

daarachter

zijn daarom geen relevante emissiepunten. Het is belangrijk om altijd een dimensioneringsrapport te laten overleggen waaruit blijkt dat onderdruk in de stal is gewaarborgd.” Onderdeel van de aanvraag is een document waarin de dimensionering van de ventilatie wordt toegelicht. Hieruit blijkt dat door de verhouding tussen het totale oppervlak van de uitloop luiken en het totale oppervlak van de perforaties in de damwandplaten, zodra de uitloop luiken zijn geopend, er sprake is van een ingaande luchtstroom door de geperforeerde dampwandbplaten. De buitenzijden van de geperforeerde damwandplaten worden voorzien van een regelbaar transparant gordijn waarbij een onderdruk van minimaal 1 Pascal per meter breedte van de wintergarten wordt gewaarborgd in de wintergarten. Als tijdens bepaalde weersomstandigheden blijkt dat er onvoldoende onderdruk heerst in de wintergarten zullen de rolgordijnen sluiten totdat de noodzakelijke onderdruk is bereikt. Hierdoor kan er altijd gezorgd worden voor een ingaande luchtstroom de stal in, waardoor de wintergartens niet als emissiepunt worden beoordeeld. De betreffende rolgordijnen zijn aangegeven op de gewijzigde plattegrondtekening die is ingediend als aanvulling op de aanvraag d.d. 4 juni 2021.

In een voorschrift van deze vergunning is opgenomen dat deze op onderdruk gestuurde rolgordijnen aanwezig moeten zijn en de werking ervan moet zijn gewaarborgd.

Onderstaande berekening,

geeft de situatie zonder de regelbare rolgordijnen weer.

Stal 3

Oppervlak

van

een

Bij 9 uitloopluiken

uitloopluik is 2,25 x 0,5 meter. totaal oppervlak van (9 x 2,25

een

x

0,5 =) 10,1 m?

De

hoogte van het geperforeerde deel van de zijwand in de wintergarten is 0,77 meter. lengte van de zijwand is 40 meter. De openingen in de geperforeerde damwand is 16,4%. Het totale oppervlak van de opening in de zijwand is (40 x 0,77 x 0,164 =) 5,05 m? De

Stal 4

Oppervlak

van een uitloopluik is 1,90 x 0,5 meter. Bij 24 uitloopluiken (12 per verdieping) een totaal oppervlak

De

hoogte

van

geperforeerde

het

deel van

de

zijwand

verdiepingen). De De

lengte van openingen

de

zijwand

in de

is 75 meter.

geperforeerde

damwand

is

16,4%.

in de

van

(24 x 1,90 x 0,5 =) 22,8 m?

wintergarten

is

1,4

meter

(totaal bij 2

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp Het totale Ten

OLO5270769

Dossiernummer

oppervlak

van

de

opening

opzichte van de vergunde geuremissie.

in de

zijwand

situatie worden

er

is (75 minder

x

1,4 x 0,164 =) 17,22 m?

legkippen gehouden,

wat een

gunstig

effect heeft

op de

V-stacks

berekening juni 2021 is in artikel 2, lid 1 van de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) het gebruik van het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning 2020 verplicht gesteld voor het berekenen van de geurbelasting vanwege veehouderijen. Per 21

Met de

verspreidingsmodel ‘V-Stacks Vergunning’, versie 2020, is berekend of aan de waarde voor de geurbelasting wordt voldaan. De invoergegevens en het resultaat van de berekening zijn in onderstaande tabellen vermeld.

Aangevraagde

situatie

Brongegevens:

1

Stal 3

115 993

447 733

11,2

1,0

4,00

7149

6,7

2

Stal 4

116 001

447 708

11,0

1,0

4,00

14 280

7,3

3

Stal 7

116 012

447 744

15,0

1,0

2,00

16 320

7,5

Geur

gevoelige

locaties:

4

Oostkade 3

115 437

447 603

5

Oostkade

6

115 426

447

651

2,0

1,5

6

Oostkade 7

115 413

447 669

2,0

1,4

7

Goejanverwelle

33

115 467

447

528

2,0

1,7

8

Goejanverwelle

86

115

535

447 493

2,0

1,7

9

Nr 6a

115 908

447 752

8,0

4,5

10

Nrg

115

447

832

8,0

5,3

11

Nr 4

115 832

447 711

8,0

4,4

12

Nr 10a

116

026

447

818

8,0

7,0

13

Nr 10b

116

061

447

826

8,0

6,7

Nr 11

116

001

447

866

116

064

8,0

4,2

915

16

Nr 12

116 163

17

Nr 17

116

18

8,0

4,6

Nr6

115 938

447 575

8,0

4,4

19

Nr8

115

447

8,0

7,3

133

983

793

In de wijziging van de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning 2020 is de invoerinstructie voor luchtwassers en stuwbakken (grote, niet-ronde uitstroomopeningen) gewijzigd. Dit heeft tot gevolg dat de emissiepunten van de 3 pluimveestallen in het computerprogramma V-Stacks vergunning 2020 worden ingevoerd met een diameter van het emissiepunt van 1,0 meter. De uitkomst van deze berekening is dat er op de beoordelingspunten voldaan wordt aan de van toepassing zijnde normen. Ondanks dat wordt voldaan aan de geurnormen opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij worden er geur reducerende maatregelen getroffen. Deze maatregelen zijn het verhogen van de uittreesnelheid van de emissiepunten van de stallen 3 en 4 van 2,0 naar 4,0 meter per seconde. Om dit te realiseren is in de aanvraag opgenomen dat de emissiepunten van de stallen 3 en 4 worden voorzien van regelschuiven met flowmeters die ervoor zorgen dat de uitgaande ventilatielucht altijd minimaal 4,0 meter per seconde

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

Dossiernummer

bedraagt.

Dit

geeft een

OLO5270769

verspreiding van de uitgaande luchtstroom dan wanneer wordt uitgegaan van V-Stacks Vergunning rekent. In de standaard situatie zal met name bij lage de uittreesnelheid buitentemperaturen lager kunnen zijn dan de gemiddelde uittreesnelheid. Met deze aanvullende geur reducerende maatregelen wordt tevens invulling gegeven aan BBT 13. de standaard

betere

situatie waarmee

Uit de

berekening blijkt dat de geurbelasting op omliggende woningen lager is dan de geurnorm voor niet concentratiegebieden binnen en buiten de bebouwde kom. Hiermee wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van Wet geurhinder en veehouderij en kan vergunning worden verleend voor de aangevraagde situatie. De

BBT-conclusies

geven wel redenen

aanvullende

om

eisen te stellen.

In BBT

12 staat dat

de

een

geurbeheersplan nodig is als er sprake is van een historie van geurklachten. In een geurbeheersplan komen de volgende punten aan de orde: _een overzicht van de geurbronnen; __een beschrijving van de maatregelen ter voorkoming van geurhinder; __een protocol waarin wordt vastgelegd hoe de communicatie met de omgeving wordt georganiseerd tijdens een klachtensituatie. *

*

*

Onderdeel

de aanvraag is een geurbeheersplan waarin de hiervoor genoemde punten worden wordt voldoende invulling gegeven aan BBT 12. In de voorschriften is de

van

omschreven.

Hiermee

aanwezigheid

van

Deze

actueel

een

BBT-conclusies

geurbeheersplan

en

de

regelmatige

evaluatie daarvan

gewaarborgd.

vereisen

monitoring van de emissie van geur (BBT 26). Monitoring is alleen nodig in gevallen geurhinder bij geurgevoelige objecten wordt verwacht en/of is onderbouwd. Door gebruik van de geuremissiefactoren en de berekening met V-Stacks-vergunning kan op basis van het aantal dieren op elk moment de geuremissie en de geurbelasting worden berekend. Deze geuremissiefactoren zijn gebaseerd zijn op metingen conform Europese standaardmethoden. Eisen voor monitoring in deze vergunning zijn niet nodig. waar

Gevel

—

gevelafstanden

Voor alle stallen

gelden minimumafstanden tussen de buitenzijde van het dierenverblijf en de gevel van het geurgevoelig object (artikel 5 Wgv). Voor buiten de bebouwde kom gelegen geurgevoelig objecten geldt een minimumafstand van 25 meter en voor binnen de bebouwde kom gelegen geurgevoelig objecten geldt een minimumafstand van 50 meter. Binnen 50 meter is geen sprake van een bebouwde kom. De afstand tussen de dichtstbijzijnde woning (Hekendorpse Buurt 10A) en de buitenzijde van het meest nabijgelegen dierenverblijf (stal 3) bedraagt 50 meter, zodat aan de vereiste afstand wordt voldaan. Zwevende

deeltjes (fijnstof)

Het houden

van

leidt tot de uitstoot van

vee

zwevende *

*

*

fijnstof.

In

bijlage 2 van

de

Wet

milieubeheer

zijn

de buitenlucht opgenomen (Wet (fijnstof = PM1o en PM25). De volgende

luchtkwaliteit), waaronder een grenswaarde grenswaarden voor fijnstof zijn opgenomen: van zwevende deeltjes (PM:o) is maximaal 40 microgram/m;; van zwevende deeltjes (PM2,5) is maximaal 25 microgram/m$; (PM10) van 50 microgram/m?, mag maximaal 35 maal per

milieukwaliteitseisen voor

voor

deeltjes _ De jaargemiddelde concentratie _De jaargemiddelde concentratie _ De daggemiddelde concentratie kalenderjaar worden overschreden.

Als een

activiteit in betekenende

de luchtverontreiniging moeten de grenswaarden. Er is sprake van niet in betekenende mate (NIBM) als de 3% grens niet wordt overschreden of de activiteit genoemd is in de Regeling NIBM. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM40). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m? voor PM4o. emissieconcentraties

De emissie

van

emissiefactoren.

getoetst

mate

worden

fijnstof is bepaald

aan

(IBM) bijdraagt aan

aan

de

deze

hand

van

de door het ministerie van

VROM

gepubliceerde

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

Dossiernummer

OLO5270769

Aanvraag

emissiefactor

[|

emissie totaal

| Fijnstof gj/d

Diercategorie

aantal dieren

E 1.8.1

Opfokhennen

24.000

23

552.000

E 6.4.1

Droogtunnel

24.000

-6,9

-165.600

E 2.11.21

Legkippen

8.320

65,0

540.800

E 6.4.1

Droogtunnel

8.320

-19,5

-162.240

65,0

Fijnstof g/j

Rav-categorie Stal 3

Stal 4 E 2.11.21

Legkippen

42.000

E 6.8

Langdurige mestopslag

42.000

E 7.10

Strooiselschuif

21.000

-13,0

-273.000

E7.15

Positieve

42.000

-20,0

-840.000

3.120.000

ionisatie d.m.v.

koolstofborsteltjes

2.730.000 -

-

Stal 7 E 2.111

Legkippen

48.000

65,0

E 6.4.1

Droogtunnel

48.000

-19,5

-936.000

Totaal

4.565.960

Ondanks de afname

uitgevoerd,

van

de

emissie

van

fijnstof is met het verspreidingsmodel ISL3a een berekening zijn in onderstaande tabel vermeld.

resultaten exclusief zeezoutcorrectie

de

Te beschermen object

RD X Coord.

Naam:

[m]

Oostkade

3

115

| RD Y Coord. | _ Concentratie [m]

Overschrijding

[microgram/m3]

[dagen]

437

447 603

17.61

6.4

Oostkade 6

115 426

447 651

17.56

6.6

Oostkade

115

413

447 669

17.54

6.5

Goejanverwelle 33

115 467

447 528

17.63

6.4

Goejanverwelle

86

115535

447 493

17.63

6.5

Buurt 6a

115 908

447 752

18.09

6.8

Hekendorpse Buurt 9

115 915

447 797

18.11

6.4

Hekendorpse Buurt 9a Hekendorpse Buurt 4

115

915

447 832

18.14

6.4

115 832

447 711

18.32

74

Hekendorpse

Buurt 10a

116

031

447 803

17.55

6.0

Hekendorpse

Buurt 10b

116 062

447 824

17.62

6.3

Hekendorpse

Buurt 11

116

001

447 866

17.04

6.3

Hekendorpse

Buurt 15

116

7

Hekendorpse

Hekendorpse Buurt 12 Hekendorpse

Buurt 17

Hekendorpse Buurt 6

De

hoogste concentratie fijnstof is berekend op 18,32 ug/m®.

064

447 869

17.42

6.0

116 163

447 829

17.00

6.4

116

133

447 884

16.77

6.2

115 938

447 575

17.91

6.3

de

woning Hekendorpse Buurt

4 met een

concentratie

van

De onderzochte fractie PM10o omvat alle zwevende deeltjes met een diameter van 10 um of kleiner. Hierin zitten dus ook de zwevende deeltjes met een diameter van 2,5 um of kleiner. De grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5-concentratie is 25 ug/m®. Uit de ISL3a berekening blijkt dat de concentratie PM1o voldoet aan deze grenswaarde en daarmee ook de concentratie PM2,5. Uit het

voorgaande blijkt dat de grenswaarden niet worden

de emissie

van

fijnstof

kan worden

overschreden

en

de

vergunning

voor

wat betreft

verleend.

De BBT-conclusies geven wel reden om aanvullende eisen te stellen. In BBT 11 staat dat het gebruiken één of een combinatie van de genoemde technieken de BBT zijn om stofemissies van een stal te verminderen. Dit betekent dat in alle stallen fijnstof reducerende maatregelen getroffen moeten worden.

van

Dit

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

Dossiernummer

ook andere technieken zijn dan genoemd in BBT 11. Onder de algemene overwegingen is bepaald “De technieken die in deze BBT-conclusies worden opgesomd en beschreven, zijn prescriptief noch limitatief. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van kunnen

dat:

milieubescherming garanderen”. Welke maatregelen in een specifiek geval als BBT kunnen worden aangemerkt, moet per geval worden beoordeeld. Hierbij is het logisch om in Nederland uit te gaan van de technieken

die op de

Uit de aanvraag stal gaat het om *

fijnstoflijst staan.

blijkt dat binnen alle pluimveestallen de volgende technieken:

fijnstof reducerende

techniek

wordt

toegepast.

Per

_ Stal 3 is zowel voor de opfokhennen als de leghennen voorzien van een droogtunnel met 30% emissiereductie

De

een

*

_

*

_

(Rav-code

E

6.4.1);

Stal 4 is op de begane

grond voorzien van een strooiselschuif (Rav-code E 7.10) met 20% emissiereductie en positieve ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes (Rav-code E 7.15) met 31% emissiereductie en op de verdieping voorzien van positieve ionisatie d.m.v. koolstofborsteltjes (Ravcode E 7.15) met 31% emissiereductie; Stal 7 is voorzien van een droogtunnel met 30% emissiereductie (Rav-code E 6.4.1).

BBT-conclusies

invulling gegeven

vereisen

verder

deze

aan

monitoring

van

de emissie

Omdat op basis

BBT-conclusies.

stof

van

(BBT 27).

Met de emissiefactoren

is

de emissiefactoren

op

het aantal dieren

van

de emissie

van

fijnstof kan worden berekend, zijn eisen voor monitoring

Hiermee

wordt voldaan

aan

de BBT-conclusies

Risico's

volksgezondheid.

elk moment

De emissies

met

van

risico's voor de

name

ammoniak

volksgezondheid.

wetgeving, maar als door als gevolg voor het milieu

voor

niet

nodig.

endotoxinen)

kunnen

fijnstof.

fijnstof (drager van

en

en

zoönosen

en

leiden tot

Het

bestrijden van besmettelijke ziekten is primair geregeld in andere het in werking zijn van de inrichting risico’s kunnen ontstaan, moeten deze risico's bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken.

4.565.960 aangevraagde veranderingen geven een afname van de emissie van fijnstof met (5.955.840 hierdoor is er met deze toename van risico's voor de =) per jaar, aanvraag geen volksgezondheid op dit vlak. Aan de geur- en geluidnormen wordt voldaan maar ook als er aan de wettelijke normen voldaan wordt, zal er in de omgeving van het bedrijf wel geur, stof en geluid waarneembaar zijn. Mede naar aanleiding van de vergunningaanvraag is de GGD regio Utrecht gevraagd om een beoordeling in de aangevraagde situatie. Op 27 januari 2022 heeft de van de effecten op gezondheid van omwonenden GGD advies uitgebracht. De GGD heeft vanuit een breed gezondheidskundig oogpunt de situatie beoordeeld op risico's voor de gezondheid. De

—

1.389.880 gram

de GGD

Het advies

van

die

manier

zal ook de

aan

dat een

negatieve

De GGD

is om

er

naar

verspreiding

associatie met

te

blijven

streven om

endotoxinen het

bedrijf,

de uitstoot van

minder worden.

ook een

De

fijnstof verder terug te dringen, geeft verder in haar rapport

zijn

dierziektes

de

negatief effect op het welbevinden

naast het

bepalingen

binnen

het

in de Wet dieren

bedrijf

te voorkomen

en

de Gezondheids-

en

te

op

GGD

geurbeheersplan ook meerwaarde in een geluidbeheersplan. geurbeheersplan als het geluidsbeheerplan zijn meegenomen in de procedure, zie voor geur geur in de veranderingsvergunning en voor geluid onder het kopje actualisatie. Verder

ziet daarom

van

tot

gevolg heeft.

Zowel

het

onder

het

kopje

welzijnswet voor dieren er op gericht om bestrijden. Maatregelen om dierziektes te voorkomen, zijn en

gebruik van bedrijfskleding, het naleven van een hygiëneprotocol en het schoonmaken en ontsmetten van veetransportwagens. Op grond van deze wetgeving zijn op het bedrijf diverse maatregelen getroffen, waaronder een hygiënesluis. Alleen personen die noodzakelijk in de stallen moeten zijn, mogen het bedrijf betreden. Zo wordt de insleep van ziekten zoveel mogelijk beperkt. onder

andere

het

Geluid Geluidemissie wordt

hoofdzakelijk

mest, eieren, kadavers, Onderdeel

van

2649a00520v7,

veroorzaakt

afvalstoffen

en

door de

geluid afkomstig

de aanvraag is een akoestisch laatst gewijzigd 25 april 2023.

stalventilatie en van

het aan-

en

afvoeren

van

dieren,

de dieren.

rapport opgesteld

door G&O Consult, rapportnummer Gesteld werd dat uit dit rapport bleek dat kan worden voldaan

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp aan

de

OLO5270769

Dossiernummer

geluidvoorschriften zoals opgenomen in de vergunning worden getroffen. Deze maatregelen zijn:

16 december 2008

van

mits een

aantal

maatregelen e

_Om het pikken

legkippen tegen de plexiglas platen in de buitenwand van de wintergartens te plexiglas platen zijn voorzien van afschermend gaas zodat de legkippen niet de plexiglas platen kunnen pikken. De stalventilatoren van de stallen 3, 4 en 7 moeten zijn voorzien van frequentieregelaars en zodanig worden afgesteld dat de frequentie van de stalventilatoren maximaal 40 Hz (80%) bedraagt. Deze instellingen moeten worden geregistreerd en bij een milieucontrole kunnen worden aangetoond. De gevelventilator in de gevel van stal 4 ten behoeve van de verwarming van het eierlokaal moet zijn voorzien van een tijdklok en zodanig worden ingesteld dat deze ventilator alleen in de dagperiode (van 7.00 tot 19.00 uur) in werking kan zijn. voorkomen, meer tegen

e

e

de

van

moeten

de

De hiervoor

genoemde maatregelen zijn als voorwaarden opgenomen bij het op 26 februari 2024 genomen definitieve besluit.

behorend

vergunningvoorschriften

in de

Vanwege het beroep tegen het definitieve besluit heeft er op 25 november 2025 een zitting plaatsgevonden bij de rechtbank waarbij het beroep is behandeld. In een tussenuitspraak van de Rechtbank MiddenNederland

van

10 maart 2026 komt de rechtbank tot de conclusie dat het akoestisch onderzoek dat

geluidsvoorschriften

ten

grondslag ligt,

niet correct en

niet

kan voldoen.

Naar

van

compleet

is en dat het

pluimveebedrijf

aan

de

niet aan

alle

vergunde grenswaarden aanleiding appellant 3 in beroep ingebrachte en de van de heeft het STAB, geluidsrapport bevindingen bevoegd gezag al voordat de hoorzitting dat de de uit geconstateerd plaatsvond, geluidsvoorschriften omgevingsvergunning niet ongewijzigd in stand konden blijven. In de tussenuitspraak van de rechtbank van 10 maart 2026, stelt de rechtbank het bevoegd gezag in de gelegenheid om de gebreken in het akoestisch onderzoek te herstellen. De rechtbank heeft hierbij meegegeven dat het bevoegd gezag moet afwegen of de nieuw beoordeelde geluidssituatie aanvaardbaar is gelet op de bescherming van het milieu, waar het aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omwonenden

onder valt.

Als

deze

gevolg

van

akoestisch

bureau

het akoestisch

tussenuitspraak

het referentieniveau In het akoestisch

volgende

-__

Consult, rapportnummer 2649a00520v9,

hinder

afkomstig

van

de normen

voertuigen De

laatst gewijzigd

van

en

naar

het

1 juni 2026 zijn de

bedrijf is opnieuw

indirecte hinder is berekend

voorkeurswaarde

voor

voor

zowel

berekend de RBS

als

vanwege de IBS en

indirecte hinder.

Het effect van sloop en herbouw van de woning Hekendorpse bedrijf is meegenomen in het akoestisch onderzoek. Het

naar

omgevingsgeluid (Los).

onjuist gehanteerde rijrichting.

voldoet aan -__

het

in

van

of bedrijfsactiviteiten opnieuw beoordeeld:

indirecte

een

van

behorend

rapport G&O

bronnen

-___De

(aanvullend) akoestisch onderzoek uitgevoerd door het de aanvrager en hierbij zijn de geconstateerde gebreken bij de aanvraag hersteld. Ook zijn er door de Odu metingen verricht is opnieuw

GO-Consult in opdracht

onderzoek

het door

Buurt

11 op 20 meter dichterbij het

gebruik van

de tractor/verreiker aan het begin van de oprit is nu op de juiste wijze opgenomen. Consult heeft in het akoestisch rapport behorend bij de aanvraag gerekend met een piekbron van 106 dB(A), maar normaliter wordt voor vrachtwagens met een piek van 110 dB(A) gerekend voor het afblazen van de remmen. Er is in het aangepaste rapport uitgegaan van een piek van 110 dB(A). Voor de voertuigbewegingen op het terrein is nu gerekend met een rijsnelheid van 5 km/u. De IBS is op alle toetspunten berekend. In het akoestisch rapport behorend bij de aanvraag was dat slechts voor enkele woningen gedaan. Ook is de correcte duur van de nachtelijke activiteit meegenomen met het juiste aantal transportbewegingen per nacht (max 2 transporten voor het afvoeren van kippen in plaats van 4 transporten). Voor de duur van het laden van kippen in de nacht is totaal 2 uur aangehouden.

-__G&O

-__

-

-__Het

bronvermogen

van

het eierlokaalventilator is nu

op juiste wijze meegenomen

in het akoestisch

model. -__

De tientallen

luchtinlaten

(westzijde begane grond

stal

3, oostzijde

stal

3, 4 en 7) zijn meegenomen

als

geluidbronnen. het gebied met zonnepanelen ten westen van de inrichting is nu de juiste bodemfactor toegekend. De uitstralende gevel (t‚h.v. de dakventilator) aan de oostzijde van stal 7 is als bron in het akoestisch rapport meegenomen.

-_Aan

-

Uit de

aan

de

het

aangepaste akoestische rapportage is gebleken dat niet kan worden voldaan langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Larut) zoals opgenomen in de vergunning

van

16 december 2008.

normstelling

voor

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

Dossiernummer

In het geluidrapport is ook aandacht besteed aan de mogelijkheid van het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen, deze zijn redelijkerwijs niet haalbaar. Om de gewenste activiteiten uit te kunnen voeren, en niet meer geluidsruimte te vergunnen dan nodig, wordt er per geluidsgevoelig object geluidsruimte toegekend voor de representatieve en de incidentele bedrijfssituatie.

Om

te kunnen

of een verruiming van de geluidnorm ten opzichte van de vergunde normstelling in 16 december 2008 tot de mogelijkheden behoort heeft Odu onderzoek gedaan naar het vergunning referentieniveau van het omgevingsgeluid. Dit referentieniveau is het maatgevende niveau van het de

beoordelen van

achtergrondgeluid

dat

etmaalwaarde

45

Ondanks

van

het verruimen

sprake

van

binnen

het heersende

het

van

representatief mag worden geacht voor de omgeving. Uit dit onderzoek blijkt dat een dB(A) past bij de omgeving waarin het bedrijf en de omwonenden zijn gelegen.

een

goed

van

de

geluidsnorm

als

opgenomen

in de

woon-

en

leefklimaat.

De

aangepaste

norm

omgevingsgeluid,

wat betekent dat de

vergunning van 2008, is er nog steeds de reguliere bedrijfsvoering past ruim maximale geluidproductie past bij het karakter voor

gebied.

Uit de

aangepaste akoestische rapportage is gebleken dat niet kan worden voldaan aan de normstelling voor geluidniveau (Lmax) zoals opgenomen in de vergunning van 16 december 2008. Het is conform vaste en constante jurisprudentie gebruikelijk om voor maximale geluidniveaus geluidnormen van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode te vergunnen. Om de gewenste activiteiten uit te kunnen voeren, en niet meer geluidsruimte te vergunnen dan nodig, wordt er per geluidsgevoelig object geluidsruimte voor het maximale geluidniveau toegekend. het maximale

Voor

de incidentele achten

Wij wijken.

norm.

te

Dit betekent

bedrijfsactiviteiten

het voor

dat alle

vervangen worden

het

biedt de wet de

ophalen

geluidsvoorschriften door een

set

kippen

van

nieuwe

mogelijkheid

12 keer

om

in de nacht aanvaardbaar

die opgenomen

waren

geluidsvoorschriften

in de

die aan

om

per

jaar af te wijken van de gedurende 4 keer per jaar af

vergunning verleend in 2008 vergunning als voorwaarden zijn

deze

toegevoegd. Er is een

voorschrift opgenomen moeten

controlemetingen praktijk ook kan worden

worden voldaan

dat er binnen

uitgevoerd aan

de

3 maanden met

na

betrekking

het tot de

onherroepelijk worden van de vergunning gehele inrichting om te toetsen of in de

geluidsvoorschriften.

De

BBT-conclusies kunnen wel reden geven

van

de actualisatie.

om

aanvullende

eisen te

stellen,

dit is meegenomen

in het kader

Brandveiligheid In het

Bouwbesluit

2012 zijn eisen opgenomen over brandveiligheid bij het gebruik van gebouwen. Het 2012 heeft een directe werking. Alleen als sprake is van bedrijfsmatige opslag van brandgevaarlijke stoffen in hoeveelheden, die groter zijn dan aangegeven in tabel 7.6 van het Bouwbesluit (gebaseerd op de ondergrenzen genoemd in tabel 3 van PGS 15), moeten brandveiligheidseisen in de Bouwbesluit

omgevingsvergunning (onderdeel milieu) worden vastgelegd. Wet

en

regelgeving

met

rechtstreekse

Op

het

bedrijf is voor

een

aantal

Daarvan

is hier geen

sprake.

werking onderwerpen wet- en regelgeving rechtstreeks van toepassing. De daarin opgenomen voorschriften/eisen zijn direct werkend, zodat voor deze onderwerpen in deze vergunning geen voorschriften zijn opgenomen. Voorschriften/eisen die op basis onder *

*

*

wet- en

regelgeving

rechtstreeks

van

toepassing zijn op

het

bedrijf zijn

_ Activiteitenbesluit (zie onder overwegingen). _ Artikel 10:37 van de Wet milieubeheer, waarin de afgifte van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke _

afvalstoffen aan een erkend inzamelaar is opgenomen. 10:38 van de Wet milieubeheer, waarin is opgenomen dat een registratiesysteem voor de afvoer van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen aanwezig moet zijn en dat deze gegevens

Artikel ten

*

van

andere:

minste

5 jaar moeten

worden

_Uitvoeringsbesluit EG verordening

bewaard.

ozonlaagafbrekende

stoffen.

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp *

*

Ongewone

voorvallen

gemeld bij

het

die

nadelige gevolgen

(kunnen)

het milieu

voor

veroorzaken

moeten

worden

bevoegd gezag.

_ Warenwetbesluit drukapparatuur voor o.a. de keuring van gasflessen. Bouwbesluit

2012 (brandveilig gebruik bouwwerken). _Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (kadavers);

*

*

*

OLO5270769

Dossiernummer

_ Wet dieren en het Besluit houders van dieren.

Conclusie Gezien het voorgaande concluderen wij dat door het stellen milieu door de

verandering

het

van

bedrijf in voldoende

vergunningvoorschriften Op grond van artikel 5.10 Bor moet binnen of de vergunningvoorschriften voldoen. Op

voorschriften de nadelige gevolgen

van

kunnen

mate

worden

voorkomen

het

voor

dan wel

beperkt.

BBT-conclusies worden

getoetst

Actualiseren

vier

jaar na

het vaststellen van

21

februari 2017 zijn de BBT-conclusies voor de intensieve is dat de bestaande voorschriften niet voldoen aan de nieuwe

veehouderij gepubliceerd. Beoordeeld BB Tconclusies. Kort samengevat moet vergunde situatie worden geactualiseerd op Registratie waterverbruik en afvoer van vrijkomende afvalstoffen, BBT 1 en Registratie van energieverbruik, BBT 8.

„or

Geluidbeheersplan, BBT Op grond van de nieuwe reducerende

opn

Berekenen Monitoren

Monitoren

staat dat het BBT

van

het

is het

in elke

BBT 12, verhogen van ammoniakemissie, BBT 23. ammoniak, BBT 25.

bij pluimveebedrijven verplicht

stal,

BBT

om

minimaal

1 fijnstof

11.

de uittreedsnelheid

emissiepunten stallen,

BBT

13.

geven reden is om

een

om

voorschrift

een

milieubeheersysteem

voor

registratie

in te voeren

en

van

afvalstoffen op te

na te leven. Voor

nemen.

activiteiten

die

In BBT

1

zijn

in het Activiteitenbesluit geven de eisen in combinatie met de zorgplicht invulling aan onderdelen milieubeheersysteem. In het rechtstreeks werkende artikel 10.38 Wet milieubeheer is geregeld dat

de afvoer

van

bedrijfsafvalstoffen

ten minste

registratie registratieplicht waardoor noodzakelijk is. Waterbesparing Door de vermindering van

BBT-conclusies

toe te passen

waterverbruik

BBT-conclusies

geregeld

onderdelen:

5.

geur, BBT 26. stof, BBT 27.

Monitoren

en

volgende

BBT

9.

Geurbeheersplan,

Afvalstoffen De

techniek

de

het waterverbruik.

5 jaar

van

en

gevaarlijke afvalstoffen

moet worden

het opnemen

geregistreerd en dat deze invulling gegeven aan de in deze registratievoorschrift vergunning niet meer

bewaard. van

een

het aantal te houden

De BBT-conclusies

moet worden

Hiermee

legkippen

is voldoende

zal

geven wel reden

er

om

sprake zijn van aanvullende

een

eisen

geringe vermindering

te stellen.

In BBT

5 staat

waterbesparende drink(nippel)systemen te gebruiken. Omdat een dergelijk voorschrift niet is opgenomen in de omgevingsvergunning verleend op 16 december 2008 wordt een registratievoorschrift voor het waterverbruik en het verplicht toepassen van morsvrije drinknippels opgenomen in deze vergunning. dat het BBT

is om

het waterverbruik

te

registreren

en

Energie Het aspect energie is een aandachtspunt wanneer het bedrijf jaarlijks méér dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m? aardgasequivalenten verbruikt. Het energieverbruik bedraagt op basis van het verbruik in 2019 166.600 kWh en 13.660 m° gas. Het bedrijf is voor wat betreft het aardgasverbruik een kleinverbruiker en voor het elektriciteitsverbruik een middelgrote verbruiker.

Op

de daken

van

circa 60.000

van

de stallen 4 en

7

zijn zonnepanelen aanwezig

met

als

gevolg

een

jaarlijkse terug levering

kWh.

Middelgrote verbruiker In het landelijk beleid zoals vastgelegd in het Activiteitenbesluit worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m? aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

Dossiernummer

beschikbare

technieken

(BBT) toepast om

tot een

zuinig energiegebruik te komen. Het is BBT om alle energiebesparende maatregelen terugverdientijd vijf jaar of minder, zie BBT 8. De erkende staan in 10 van de maatregelen bijlage Activiteitenregeling. De regels voor energiebesparing in het Activiteitenbesluit gelden niet voor een type C-bedrijf. Energiebesparing moet worden geregeld in de omgevingsvergunning. te treffen

Op grond

met een

artikel 5.5, lid 4 Bor is het noodzakelijk om bij IPPC-inrichtingen waarbij doelvoorschriften zijn voorschriften opgenomen op te nemen waarmee kan worden bepaald dat het beoogde doel wordt behaald. hiervan is in de voorschriften Op grond opgenomen dat binnen 3 maanden de vergunninghouder aan het moet in de vorm van een energie-uitvoeringsplan met daarin genomen en nog te bevoegd gezag rapporteren van

energiebesparende maatregelen. Het gaat dan in elk geval om de erkende maatregelen die voor dit type bedrijf in tabel 9 van bijlage 10 van de Activiteitenregeling staan. Dit zijn de erkende maatregelen met een terugverdientijd maximaal vijf jaar voor de agrarische sector. nemen

Tabel 9. Erkende maatregelen

voor

energiebesparing

in de

agrarische sector

Type maatregel

Nummers

Gebouwschil Ruimteventilatie

1-4 5

Ruimteverwarming Ruimte-

8, 15

buitenverlichting

en

11-13

Faciliteiten Warm

25-27

tapwatervoorziening,

niet

zijnde stookinstallatie

15

Processen

15

Activiteit

In werking

hebben van een

stookinstallatie

In werking

hebben van een

koelinstallatie

Met de hiervoor

(emissies

naar

de

lucht)

6, 7,9, 10, 14 16-24

genoemde verplichtingen

voldoet

het

bedrijf aan

BBT

8 over

energiebesparing.

Geluid In BBT

9 en

geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven om één of een gebruiken geluidemissies te voorkomen of te beperken. Een is alleen wanneer geluidbeheerplan nodig geluidhinder wordt verwacht of is aangetoond. In de moeten omgevingsvergunning geluidnormen worden opgenomen passend voor de omgeving. Eventueel worden ook maatregelen opgenomen om te borgen dat aan de geluidnormen wordt voldaan. combinatie

Omdat er

10 staat dat het BBT is

van

er de

de technieken

afgelopen

in de voorschriften meerwaarde

een

Fijnstof Met de

twee

reducerende

jaar

meerdere dat er een

geluidsklachten zijn ontvangen vanwege ondervonden hinder, is geluidsbeheersplan moet worden opgesteld. Ook de GGD ziet

geluidsbeheersplan. technieken

vergunningaanvraag

reducerende

een

om

opgenomen

in een

om

te

techniek.

worden

Hiermee

nu

wordt

ook de voldaan

verdiepingen aan

BBT

van

de stallen

3 en 4 voorzien

van

een

fijnstof

11.

Geur Het

geurbeheersplan

van

de

BBT

13.

Overige Aan

de de

van

de

van

de aanvraag,

emissiepunten

van

hiermee de stallen

wordt voldaan

aan

BBT

3 en 4 wordt voldoende

12.

Door

het

verhogen invulling gegeven aan

BBT-conclusies BBT-conclusies

23, 25, 26 en 27 voor wat betreft het berekenen van de ammoniakemissie en het in de considerans van van ammoniak, geur en stof wordt voldaan zoals opgenomen veranderingsvergunning.

monitoren van

is onderdeel

uittreedsnelheid

de emissies

Behandeld

(geanonimiseerd)

door

Onderwerp

OLO5270769

Dossiernummer

Overige voorschriften In de omgevingsvergunning hebben

op het

betrekking volgende voorschriften:

verleend

gesloten

op 16 december

houden

van

ramen

2008 zijn twee voorschriften opgenomen die en deuren binnen het bedrijf. Het gaat hierbij

om

de

Voorschrift 1.9 Ramen

en

deuren moet behoudens het doorlaten

van

personen

en

goederen gesloten blijven.

Voorschrift 8.3 Ramen

en

deuren van

goederen gesloten

de

stal moeten

worden

behoudens gedurende

het doorlaten

van

personen,

dieren of

gehouden.

De voorschriften

1.9 en 8.3 blijken in de praktijk voor verwarring te zorgen omdat op grond van voorschrift 1.9 de indruk gewekt wordt dat alle ramen en deuren van alle gebouwen binnen de inrichting gesloten moeten worden gehouden en op grond van voorschrift 8.3 alleen ramen en deuren van stallen. Deze voorschriften zijn destijds opgenomen om onnodige emissie van geur uit gebouwen te voorkomen. Omdat geur kan ontsnappen uit stallen, mestopslagen en de gebouwdelen waarin mestdroging plaatsvindt is in deze vergunning een nieuw voorschrift (voorschrift 3.2) opgenomen ter vervanging van de voorschriften 1.9 en 8.3 uit de omgevingsvergunning van 2008. Conclusie

Legeskosten Voor het in behandeling hierover meer

in de

nemen

van

uw

aanvraag

om

omgevingsvergunning

bent

u

leges verschuldigd.

Zie

bijlage Legeskosten.

Inwerkingtreding vergunning De omgevingsvergunning

kan

pas worden

uitgevoerd

nadat

het besluit in

werking

is getreden.

Het besluit

dag na afloop van de beroepstermijn, tenzij er bij de rechter een beroepschrift is ingediend én een voorlopige voorziening is gedaan (Wabo, artikel 6.1 lid 2 en 3). De beroepstermijn start op de dag na de publicatiedatum van dit besluit en duurt zes weken. Let op: u handelt in strijd met de wet als u gebruik maakt van de verleende vergunning voordat deze in werking is getreden. Zie hierover meer in de bijlage Beroep. treedt in

werking

Heeft

u

nog

email

adres

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/736/documents/21594