CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A03.1 zienswijze (215635).pdf

Gemeenteraad 12 maart 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Vastellen wijze van afdoening van de Ingekomen stukken6.443 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Provincie Utrecht Postbus 80300 3508 TH UTRECHT

Onderwerp: Zienswijze op de ontwerp-omgevingsvisie, het ontwerpomgevingsprogramma Utrechts Programma Landelijk Gebied en de ontwerpomgevingsverordening van de provincie Utrecht Uw kenmerk: n.v.t. Documentnr.: D/26/215635 Zaaknr.: Z/25/090327

Uw brief van: Geregistreerd onder nr: Behandeld door: B. Bouwman

n.v.t. n.v.t. / Telefoonnummer: / 140348

Datum: 3 februari 2026

Geachte leden van de Provinciale Staten van Utrecht, Geachte leden van de Gedeputeerde Staten van Utrecht, Op 5 januari 2026 heeft u de ontwerp-omgevingsvisie (POVI), het ontwerp-omgevingsprogramma Landelijk Gebied (UPLG) en de ontwerp-omgevingsverordening (OV) voor zienswijzen ter inzage gelegd. De gemeente Oudewater wil met deze brief haar zienswijzen op deze documenten aan u kenbaar maken. De zienswijze is opgebouwd uit verschillende onderdelen. Eerst komen de inleiding en vijf bestuurlijke prioriteiten aan de orde. Daarna worden meer technisch-juridische speerpunten per thema besproken. Inleiding Als gemeente onderschrijven wij het belang van een integrale benadering van de opgaven in het landelijk gebied. De provincie kiest met de POVI en het UPLG voor een aanpak waarin water & bodem, natuur, klimaat en een duurzaam perspectief voor de landbouw onlosmakelijk met elkaar worden verbonden. Wij begrijpen deze integrale koers en zien, net als de provincie, dat een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw een essentiële sleutel is in de transitie van het landelijk gebied. Wij waarderen dat de provincie inzet op gebiedsprocessen en een bottom‑up benadering. Dit sluit aan bij onze visie dat opgaven alleen kunnen worden gerealiseerd wanneer overheden, agrariërs, maatschappelijke organisaties en bedrijven en inwoners samen optrekken.

De juridische borging van onderdelen van de POVI en het UPLG in de Omgevingsverordening achten wij noodzakelijk om structureel uit het stikstofslot te komen en om weer vergunningen te kunnen verlenen, niet alleen aan agrariërs, maar ook aan woningbouw, energietransitie, infrastructuur en andere bedrijven.

Wij benadrukken dat de keuzes in het UPLG directe effecten hebben op onze boeren, wonen, energie, recreatie, mobiliteit, gezondheid en het sociaal domein, en dat de provincie deze samenhang explicieter moet erkennen – juist wanneer het onze gemeentelijke identiteit en bevoegdheden betreft. Daarnaast heeft het UPLG impact op verplaatsingsvraagstukken van zowel bedrijven als functies; ook deze ruimtelijke en sociaaleconomische gevolgen vragen om een integrale afweging. Wij vinden het cruciaal dat alle sectoren een eerlijke bijdrage leveren aan de realisatie van de opgaven. De druk op natuur, bodem/water en klimaat komt immers niet uitsluitend van de landbouw, maar ook van mobiliteit, industrie, invasieve exoten en consumenten. Wij zien de realisatie van het UPLG daarom als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten. Wij zien onze gemeentelijke rol vooral als het faciliteren, het zorgvuldig inzetten van ons ruimtelijk instrumentarium, het planologisch mogelijk maken van veranderingen en het ondersteunen van agrariërs en andere gebiedspartners. Uitgaande van de POVI en het UPLG, vinden wij het belangrijk dat er sprake is van haalbare en uitvoerbare maatregelen. Dat zien wij als overheid als onze verantwoordelijkheid tegenover onze inwoners, agrariërs en bedrijven.

Daarom hebben wij ook enkele stevige kritiekpunten op de realiseerbaar- en uitvoerbaarheid van de POVI, het UPLG en de OV. Prioriteit A — Perspectief voor de landbouw: kernbeginsel in UPLG, maar onvoldoende geborgd in OV De provincie positioneert in het UPLG duurzaam en langjarig perspectief voor de landbouw als volwaardige vierde pijler naast water & bodem, natuur en klimaat. Als gemeente willen wij dat de agrarische functie van ons landelijk gebied behouden blijft. Tegelijkertijd zien wij ook dat dit niet betekent dat alles bij het oude blijft. Wij zien de noodzaak dat er toegewerkt wordt naar een economisch duurzame en natuurinclusieve landbouw met aandacht voor een gezonde bodem en goede waterkwaliteit. Wij constateren dat deze vierde pijler uit het UPLG niet expliciet en gelijkwaardig terugkomt in de ontwerpwijziging van de OV. Dit wordt zichtbaar bij de instructieregels rondom peilbesluiten, waar u natuurdoelen expliciet wil benadrukken (art. 2.23 OV). Tevens wilt u het beginsel schrappen dat het peilbesluit de toegestane functies uit het omgevingsplan volgt (artikel 2.24 OV). Wij zien dat het perspectief op de landbouw, zoals verwoord in het UPLG, hier onvoldoende expliciet wordt meegenomen – in elk geval niet op dezelfde wijze als de andere drie pijlers van het UPLG. U schrijft in het UPLG dat u de landbouwsector in de provincie een langjarig perspectief wilt geven.

U schrijft op pagina 93 dat daarbij sprake moet zijn van “voldoende instrumenten voor een goed en langjarig verdienvermogen”. Dit onderschrijven wij. Desalniettemin vinden wij de instrumenten die u daarvoor in het UPLG aanreikt, te beperkt en niet algemeen genoeg beschikbaar. Hierbij vragen wij ook expliciet aandacht voor de concurrentiepositie van boeren uit de provincie in relatie tot boeren uit de rest van Nederland en internationaal (Europees en mondiaal, bijvoorbeeld het EU-MERCOSUR-akkoord). Wij zien dat u in het UPLG veel nadruk legt op veranderingen in de agrarische sector om de opgaven op het gebied van water & bodem, natuur en klimaat te behalen. Wij willen dan ook aan u meegeven dat de agrarische sector niet de enige gebruiker van het landelijk gebied is en dat ook andere sectoren hun deel moeten bijdragen. De rekening kan wat ons betreft niet alleen bij de agrarische sector liggen. Dit geldt met name voor het gebied Oudewater-Noord, waar veel opgaven (veenweideproblematiek, natuurherstel en water) samenkomen. In dit gebied wordt daarmee veel van agrariërs gevraagd.

Daarom verzoeken wij u dringend: 1. Pas de Omgevingsverordening (art. 2.23 en 2.24 OV) aan zodat bij peilbesluiten het waterschap expliciet rekening moet houden met het duurzaam en langjarig perspectief voor de landbouw zoals dat als vierde pijler van het UPLG wordt verwoord. Dit kan door het toevoegen van een extra voorwaarde aan artikel 2.23, tweede lid onder a OV. 2. Herstel/handhaaf de motiveringseis (art. 2.24 OV) voor de waterbeheerder over aanwezige functies en belangen, zodat de motiveringslast niet verschuift naar burgers, bedrijven en gemeenten, wanneer zij het tegendeel willen bewijzen. 3. Breng “Landbouw” als maatgevend thema expliciet in lijn met de drie andere UPLG-pijlers in de relevante verordeningsbepalingen. 4. Het langjarig verdienvermogen en de concurrentiepositie van agrariërs met praktijkvoorbeelden inzichtelijk te maken en de financiële effecten en de beschikbaarheid van deze instrumenten beter te onderbouwen. 5. Voor het gebied Oudewater-Noord vragen we extra aandacht en een uitgebreider instrumentarium vanuit de provincie (zowel ruimtelijk als financieel) om agrariërs betere perspectieven te bieden. Prioriteit B — Kosten en financiële uitvoerbaarheid: onvoldoende onderbouwd Wij vinden de financiële onderbouwing van de POVI, het UPLG en de OV onvoldoende.

Met name in het UPLG staan ingrijpende maatregelen die zeer waarschijnlijk grote financiële bijdragen van provincie, gemeenten, agrariërs en andere spelers in het landelijk gebied vragen. Hoewel de Plan-MER de milieutechnische gevolgen van het UPLG in kaart brengt, zijn de financiële gevolgen van het UPLG niet transparant, niet integraal en niet toetsbaar onderbouwd. Daardoor ontbreekt de financiële uitvoerbaarheid en de evenredige lastenverdeling voor het UPLG. Een programma onder de Omgevingswet moet ten minste beleid uitwerken en maatregelen bevatten (artikel 3.5 Ow). Daarmee is het per definitie een instrument dat richting geeft aan uitvoering en inzet van middelen. Daar hoort een transparante uitvoerings- en financieringsaanpak bij, waarbij op zijn minst wordt gemotiveerd of en in hoeverre er gebruik gemaakt wordt van de in afdeling 8.5 Omgevingsbesluit genoemde financieringsmogelijkheden. Daarnaast bepaalt artikel 15.1 Ow dat sommige besluiten die voortkomen uit het UPLG in aanmerking komen voor nadeelcompensatie, waaronder peilbesluiten en wijzigingen van het omgevingsplan. Dat de provinciale instructieregels aan waterschappen en gemeenten zelf niet nadeelcompensatieplichtig zijn, omdat de besluiten geen directe werking voor inwoners of bedrijven hebben, betekent niet dat ze geen financiële gevolgen hebben.

Wanneer de gemeente het omgevingsplan aanpast omdat zij daartoe als gevolg van een instructieregel gedwongen wordt, komt die wijziging wel voor nadeelcompensatie in aanmerking. Deze nadeelcompensatie zal dan door de gemeente moeten worden betaald. Op deze manier betaalt de gemeente uiteindelijk de nadeelcompensatie voor de bescherming van provinciale belangen. Een provinciale instructieregel is daarmee een financieel risico voor de gemeente. Verder hebben de maatregelen uit het UPLG ook mogelijke financiële gevolgen voor de gemeente als eigenaar van gronden en infrastructuur in het landelijk gebied. In de Plan-MER staan verschillende negatieve effecten van maatregelen opgesomd, waaronder op onze infrastructuur (wegen, kabels, leidingen, begraafplaatsen), maar wordt niet duidelijk gemaakt wat de financiële consequenties hiervan zijn. Ons inziens is het niet mogelijk om de doelen van het UPLG op lange termijn te realiseren, wanneer het UPLG niet inzichtelijk maakt wat de maatregelen kosten, wie deze maatregelen betaalt, welke uitvoeringscapaciteit daarvoor nodig is en welke (aanvullende) (rijks)middelen waarvoor beschikbaar en nog nodig zijn.

Wij zijn van mening dat het ontbreken van financiële onderbouwing niet past bij meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de motiveringsplicht. Daarom verzoeken wij u dringend: 6. Onderbouw de financiële uitvoerbaarheid van het UPLG met een maatschappelijke kostenbatenanalyse (MKBA), waarbij de financiële impact en doelmatigheid van de meest ingrijpende maatregelen (veenweidelandbouw/peilverhoging, stikstofinstrumenten, waterbergingszones, enz.) in kaart worden gebracht. 7. Onderbouw de financiële uitvoerbaarheid van het UPLG met een sociaaleconomische impactanalyse (SEIA), waarbij de effecten op landbouw (verdienmodel), agrarische werknemers, sociaaleconomische effecten in het gehele landelijk gebied en de kleine kernen, verdelingsvraagstukken en de bestuurlijke uitvoerbaarheid in kaart worden gebracht. 8. Onderbouw de financiële uitvoerbaarheid van het UPLG en de omgevingsverordening met een nadeelcompensatieanalyse, waarbij inzichtelijk gemaakt wordt bij wie de kosten terecht komen in hoeverre er sprake is van nadeelcompensatie (ook als gevolg van instructieregels). 9. Werk alternatieve scenario’s uit voor het geval waarin er niet voldoende financiering beschikbaar is om maatregelen van het UPLG uit te voeren.

Stem in deze scenario’s de maatregelen en doelen af op de beschikbare financiële middelen om te komen tot een realistische uitvoeringsagenda. Prioriteit C — Stapeling van motiveringsplichten: disproportioneel en uitvoeringslasten verschuiven naar gemeenten De ontwerpwijziging van de Omgevingsverordening bevat een forse uitbreiding van motiveringsplichten en vormvereisten (o.a. vaste analyses/scans). Zo komen er 13 motiveringsplichten bij. We vinden dat u hiermee weinig vertrouwen uitspreekt richting ons als medeoverheid. Deze motiverings- en onderbouwingsplichten zijn, zoals wij dat zien, grotendeels overbodig gezien het motiveringsbeginsel uit artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, dat reeds op alle besluiten van toepassing is. Door de motiveringsplicht op te nemen in instructieregels wordt het een vormvereiste van een besluit. Dit is strenger dan de bewoording uit artikel 3:46 Awb. Het nadeel van een dergelijke vormvereiste is dat bij het ontbreken van een dergelijke onderbouwing bij een besluit direct leidt tot een gebrek in de besluitvorming, waarvan in dit stadium onduidelijk is of deze besluiten dan wel zonder rechtsgevolgen in stand kunnen blijven.

Daarnaast leiden deze motiverings- en onderbouwingsplichten tot hogere onderzoekslasten en vertragingsrisico’s, zeker bij kleinere ontwikkelingen en aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De opgaven uit de omgevingsvisie en het UPLG en de instructieregels uit de omgevingsverordening raken de uitvoeringscapaciteit van de gemeente. Met alle ontwikkelingen in het landelijk gebied werd onze huidige gemeentelijke expertise en capaciteit de afgelopen jaren al overvraagd. Met de introductie van het UPLG en (het opstarten van) de gebiedsprocessen is dit alleen maar toegenomen. We zien het daarom als gemiste kans dat de Subsidieregeling tegemoetkoming proceskosten transitie landelijk gebied vanaf 2026 is komen te vervallen. Daarom verzoeken wij u dringend: 10. Maak motiveringsplichten proportioneel (drempels/uitzonderingen) en beperk vormvoorschriften waar dit niet strikt noodzakelijk is voor het provinciaal belang. (o.a. art. 4.1 lid 2 Omgevingsverordening en de betreffende bijlage XIV) 11. Licht per motiveringsplicht toe: doel, noodzaak, subsidiariteit, bestuurlijke lasten en uitvoerbaarheid. Ga hierbij niet alleen uit van het provinciale belang, maar ook uit van de effecten

voor initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen, gemeenten en het subsidiariteitsbeginsel uit artikel 2.3 Ow. 12. Vergoed de gemeenten voor de benodigde uitvoeringscapaciteit voor de maatregelen uit het UPLG. Prioriteit D: Joint-fact-finding, vertrouwen en onderzoeken Wij merken onder relevante stakeholders een duidelijke behoefte aan gezamenlijke feitenanalyse (jointfact-finding) en aan het versterken van de gezamenlijke informatiepositie met betrekking tot de voor het UPLG gebruikte onderzoeken en analyses. Met name over de stand van de natuur en het water zijn er veel vragen. Als gemeente kunnen wij de door u gebruikte gegevens niet inhoudelijk op hun merites beoordelen, mede omdat u de onderliggende analyses en onderzoeken niet ter inzage gelegd heeft. Zo heeft u in de bijlagen van het UPLG slechts samenvattingen opgenomen. Dit is niet in lijn met de standaard ROpraktijk waarbij onderzoeken die (on)mogelijkheden en (on)haalbaarheid van voorgestelde ruimtelijke regels onderbouwen in hun geheel ter inzage gelegd worden, zoals wij als gemeente dat bij een wijziging van het omgevingsplan worden geacht te doen. Hierdoor kunnen partijen de uitkomsten van deze onderzoeken en gebruikte onderzoeksmethoden niet verifiëren of bestrijden. Wat wij u willen meegeven, is het belang van actuele gegevens in de voorbereiding van ruimtelijke besluiten.

De maatregelen die u wilt nemen en waarvoor u regels stelt in de OV, moeten volgens algemene jurisprudentie gebaseerd zijn op actuele analyses en onderzoeken. Voor veranderlijke kenmerken, zoals bodem-, water- en luchtkwaliteit, mogen de gebruikte gegevens niet ouder zijn dan 2 tot 5 jaar. Wanneer actuele gegevens ontbreken, is er sprake een onderzoeksplicht om actuele gegevens te genereren. Daarom verzoeken wij u dringend: 13. Zet in op een gezamenlijke feitenanalyse met relevante stakeholders – en daarvoor ook vertegenwoordigende partijen uit te nodigen. 14. Leg de onderzoeken en analyses die u gebruikt heeft in de voorbereiding van het UPLG, en op basis waarvan maatregelen en regels worden voorgesteld, voor zienswijzen ter inzage. 15. Voer onderzoeken en analyses die niet actueel meer zijn, opnieuw uit en leg deze vervolgens voor zienswijzen ter inzage. Dit geldt ook voor de door ons aangestipte onderzoeken in Prioriteit B. Prioriteit E: Stapeling van opgaven en de Oudewaterse prioriteiten Het is voor ons als gemeente moeilijk om inzicht te krijgen in wat de gecombineerde impact is van de ruimteclaims die de voorgestelde maatregelen voor de vier grote opgaven (water en bodem, natuur, klimaat en landbouw) hebben op ons landelijk gebied. Ook bij een van de algemene structurerende principes, het combineren van opgaven, wordt niet duidelijk waar dit mogelijk danwel gewenst is.

Dat maakt het voor ons als gemeente, laat staan voor onze inwoners, agrariërs, bedrijven en maatschappelijke organisaties, moeilijk om de feitelijke consequenties te overzien. Ook nu veel opgaven voortkomen uit Europese regelgeving, vinden wij het belangrijk dat u beter prioriteert. Niet alles kan op hetzelfde moment op dezelfde plek. Ook wanneer verschillende dringende opgaves zich tegelijk aandienen, zal er gekozen moeten worden welke opgave voorrang krijgt en het eerst wordt uitgevoerd. Het tegendeel, het afzonderlijk realiseren van alle opgaven, is ook niet mogelijk, omdat daarvoor de ruimte te schaars is. Daarom is er ook een clustering van bij elkaar passende opgaven nodig.

Als gemeente Oudewater hebben we onze prioriteiten scherp. Helaas vinden ze niet allemaal weerklank in de door u voorgestelde omgevingsvisie. Het gaat daarbij om: • Wij willen geen windturbines in het noorden van de gemeente Oudewater. Het mogelijk maken van windturbines in dit gebied is in strijd met het gemeentelijke beleid voor duurzame energie en met de wens van onze inwoners, zoals verwoord in het position paper Windenergie in Montfoort en Oudewater (gebied 8). • Wij willen de Hoenkoopsebrug in Oudewater renoveren. Daarbij verwachten wij ook een bijdrage van u, ook gezien de verwachte gevolgen van woningbouw op Statenland, Het wassende water en De Kleine Betuwe (Haastrecht). • Wij willen woningbouw op Willeskop en Archipel realiseren. • Wij willen flexwoningen realiseren, onder meer om aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders te kunnen voldoen. • Wij willen een OV-hub in Oudewater realiseren om de verschillende buslijnen op elkaar aan te laten sluiten. • Wij willen enkele bedrijven vanuit een woonwijk naar de kernrandzone verplaatsen. Wij gaan graag met u in gesprek over hoe we enerzijds invulling kunnen geven aan het UPLG en anderzijds onze Oudewaterse prioriteiten gaan bereiken. We zien hierbij een wederkerigheid voor ons: “Voor wat, hoort wat”. We zien uit naar de samenwerking om uw en onze prioriteiten en doelen uit te voeren.

Daarom vragen wij u dringend: 16. Maak een prioritering van uw opgaven uit de omgevingsvisie en het UPLG, ook als de verschillende opgaven allemaal dringend zijn. 17. Ontwikkel een vrijwillig afweegkader voor gemeenten, waarmee wij kunnen afwegen in hoeverre initiatieven bijdragen aan het behalen van de door u gestelde doelen. 18. Met ons in gesprek te gaan over hoe we uw en onze prioriteiten in samenwerking kunnen bereiken. Technisch-juridische zienswijzen per thema (POVI / UPLG / OV) Thema Water Wij vragen aandacht voor het piekbergend vermogen van bergingsgebieden wanneer het waterpeil in deze bergingsgebieden wordt verhoogd. Een hoger waterpeil zorgt ervoor dat er minder water opgevangen kan worden in bergingsgebieden of dat de bergingsgebieden groter moeten worden om de beoogde hoeveelheid water op te vangen. Daarnaast liggen er voormalige stortlocaties in en nabij zoekgebieden voor waterbergingsgebieden. De bodem op deze stortlocaties is zeer waarschijnlijk vervuild. Het ter plaatse verhogen van het grondwaterpeil of het gebruiken van deze locaties voor waterberging kan ervoor zorgen dat stabiele, immobiele vervuiling weer mobiel worden. Maatregelen die een verhoging of verlaging van het grondwaterpeil tot gevolg hebben, kunnen effect hebben op archeologische waarden. Deze effecten kunnen pas ingeschat worden wanneer er een concreet voorstel voor een nieuw peil ligt.

Dat betekent dat het waterschap bij die uitwerking rekening moet houden met het aspect archeologie door in een vroeg stadium af te stemmen met het desbetreffende bevoegd gezag. Ook zijn wij van mening dat de waterkwaliteit in polders niet alleen het gevolg is van de wijze waarop agrariërs omgaan met de bodem en meststoffen. Er is ook sprake van riooloverstort, inlaat van gebiedsvreemd water (met gebiedsvreemde stoffen) en wilde dieren en/of exoten die een negatieve invloed hebben op de waterkwaliteit. Wij zijn van mening dat de waterkwaliteitstoets uitgesplitst moet

worden op basis van verschillende stoffen en elementen. In dat kader zijn wij ook voorstander van het schrappen van het One-Out-All-Out-principe uit de Kaderrichtlijn Water. Daarom vragen wij u: 19. Om verder te verduidelijken hoeveel hectare bergingsgebied er moet komen als het standaard waterpeil in deze bergingsgebieden verhoogd wordt. 20. Te verduidelijken hoe u de waterbergingsgebieden in Utrecht-West wilt aanwijzen en welke criteria u daarbij wilt gebruiken. 21. Ter plaatse van voormalige stortlocaties geen waterbergingsgebieden aan te wijzen of het grondwaterpeil te verhogen – of de resten van de stortlocaties en eventuele vervuiling in de bodem vooraf te verwijderen. 22. Het waterschap erop te wijzen dat zij een onderzoek- of afstemmingsplicht heeft ten aanzien van archeologie wanneer zij een peilbesluit neemt. 23. Bij de regels voor het stellen van de waterkwaliteit en het treffen van maatregelen te differentiëren tussen stoffen en elementen die een negatieve impact hebben op de waterkwaliteit. 24. Grondeigenaren niet verantwoordelijk te houden voor vervuilingstypologieën waar zij geen bijdrage aan hebben geleverd. 25. Bij het Rijk en in uw eigen Europese lobby aan te dringen op Europese maatregelen om het OneOut-All-Out-principe uit de Kaderrichtlijn Water te schrappen. Thema Ondergrond en Bodem In 2025 heeft de Europese Raad de Bodemmonitoringrichtlijn aangenomen.

Deze richtlijn heeft nog geen doorwerking gekregen in het UPLG. Dit betekent dat er nieuwe opgaven met betrekking tot bodemgesteldheid en bodemgezondheid op ons af gaan komen. Deze Bodemmonitoringrichtlijn moet door het Rijk in nationale wetgeving omgezet worden. Hiervoor heeft het Rijk tot en met 2028 de tijd. Pas dan wordt duidelijk hoe in ons land toepassing gegeven gaat worden aan de richtlijn bodemmonitoring. Vanuit het beginsel van Water en bodem sturend wilt u woningbouw in delen van het landelijk gebied niet langer toestaan, uitgezonderd een aantal lopende projecten en projecten die binnenkort opgestart gaan worden. Dit betekent dat na realisering van deze projecten, het moeilijker wordt om te voorzien in de toekomstige woningbehoefte door middel van het bouwen van woningen buiten het huidige stedelijk gebied. Wij willen deze optie echter wel behouden. Daarom vragen wij u: 26. Om terughoudendheid te betrachten bij het nemen van juridische maatregelen op basis van de Bodemmonitoringrichtlijn, totdat de richtlijn bodemmonitoring in Nederlandse wetgeving is omgezet. 27. Technische oplossingen voor het bouwen op drassige bodem in de Omgevingsverordening toe te staan, zodat ook na realisering van de reeds bekende woningbouwprojecten gebouwd kan blijven worden aansluitend aan het huidige stedelijke gebied.

Thema Bereikbaarheid en Infrastructuur Wij hebben bezwaar tegen de wijziging van artikel 4.1 lid 2 OV. In plaats van een vormvrije inhoudelijke motivering, vraagt u nu om een vormvereiste: de bereikbaarheidsscan. Deze vormeis is echter te rigide. Waar bij grote ontwikkelingen een vormeis in de vorm van de (zwaardere) bereikbaarheidsanalyse verdedigbaar is, is de bereikbaarheidsscan een te zwaar middel bij kleine ontwikkelingen. Door de schakelbepaling in artikel 1.4 lid 1 onder b OV, is artikel 4.1 lid 2 OV ook van toepassing op kleinere vergunningsaanvragen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zonder enige verkeersimpact. Dit kan leiden tot bizarre situaties waarbij er voor een schutting die niet in het omgevingsplan past een bereikbaarheidsscan moet worden uitgevoerd. Dit kan niet het geval zijn. Bij dergelijke wijzigingen moet het mogelijk blijven om met een aantal zinnen in het besluit te voldoen aan de motiveringsplicht (al dan niet toetsend aan de voorwaarden zoals u voorstelt in artikel 4.1 lid 5 OV (voorheen artikel 4.1 lid 2 OV)).

Tevens stelt u in artikel 4.1 lid 4 onder c OV dat een omgevingsplan regels kan bevatten die “knelpunten in de bereikbaarheid [laten] toenemen, mits […] na integrale afweging […] er geen geschiktere locatie mogelijk [is] voor de gewenste ontwikkeling in een gemeente of omliggende gemeenten.” Bij andere afwijkingsbepalingen kan de gemeente zelf bepalen of er voldaan wordt aan de voorwaarden om in het omgevingsplan af te kunnen wijken van de standaardinstructieregel, maar in de toelichting lijkt u te suggereren dat de provincie bij dit artikel oordeelt of er aan de afwijkingsvoorwaarden wordt voldaan. Dit lijkt in strijd met de systematiek onder de Omgevingswet, waarbij de gemeente een wijziging van het omgevingsplan niet ter goedkeuring hoeft voor te leggen aan de provincie. Daarom vragen wij u om: 28. De vormeis van de bereikbaarheidsscan (artikel 4.1 lid 2 OV) achterwege te laten bij kleinere vergunningsaanvragen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten zonder enige verkeersimpact. 29. De beoordeling van artikel 4.1 lid 4 OV expliciet neer te leggen bij de gemeente. Thema Energie In de omgevingsvisie worden ten noorden van Oudewater twee zoekgebieden aangewezen voor middenen hoogspanningsstations. De zoekgebieden zijn nog erg onzeker.

Hoewel wij erkennen dat er een opgave ligt voor de bouw van 150 kV-midden- en 380 kV-hoogspanningsstations in de regio Utrecht, vragen wij af waarom de hiervoor op de kaart bepaalde zoekgebieden al worden aangewezen. Hierover heeft, naar ons weten, nog geen overleg plaatsgevonden met de betreffende gemeenten. We willen graag nauw betrokken blijven bij de zoektocht naar een locatie voor midden- en hoogspanningsstations in onze regio. Daarnaast zien wij een stapeling van opgaven – gezien de windturbines die u ten noorden van Oudewater wil plaatsen – als onwenselijk. Daarnaast stelt u in artikel 5.12 OV een nieuwe instructieregel voor netbewuste nieuwbouw voor. Voor dit artikel is geen overgangsrecht voorzien, waardoor deze regel direct van kracht wordt wanneer de wijziging van de omgevingsverordening in werking treedt. Er zijn mogelijk lopende woningbouwprojecten die hierdoor geraakt worden, niet alleen omdat er aanvullende motivering gevraagd wordt – waardoor vertraging kan plaatsvinden –, maar kan ook financiële gevolgen hebben wanneer woningbouwprojecten in een laat stadium aangepast moeten worden. Verder willen wij benadrukken dat wij de netcongestie in de regio zo snel mogelijk willen aanpakken. Wij zijn dan ook bereid om op korte termijn met u toekomstige acties verder te bespreken. Daarom vragen wij u om: 30.

De zoekgebieden voor midden- en hoogspanningsstations langs de 380-kV-hoogspanningslijn Breukelen Kortrijk – Krimpen aan de IJssel niet op deze wijze op de kaart weer te geven en alleen in de tekst te noemen. Ook zien wij een stapeling van opgaven – gezien de windturbines die u ten noorden van Oudewater wil plaatsen – als onwenselijk. 31. Duidelijk te maken in hoeverre de in de omgevingsvisie besproken opgave voor midden- en hoogspanningsstations zich verhoudt tot de lopende zoektocht voor een locatie voor een 150-kVmiddenspanningsstation langs de A12 in de gemeente Montfoort. 32. Onderzoek te doen naar de mogelijke impact van de instructieregel netbewuste nieuwbouw op lopende woningbouwprojecten en deze motivering toe te voegen aan de omgevingsverordening. Thema Natuur Volgens het CBS betrof het totale landbouwareaal van de provincie Utrecht in 2024 ongeveer 70.372 hectare. In paragraaf 2.4 van het UPLG somt u de provinciale ambitie op om 3.507 hectare nieuwe natuur aan te leggen en op 45.900 hectare een vorm van agrarisch natuurbeheer te verplichten. De opgaven beslaan daarmee ongeveer 70% van het landbouwareaal. Deze ambitie komt voort uit wettelijke verplichte opgaven (zoals de Natura-2000-gebieden, de Weidevogel-kerngebieden en het Natuurnetwerk

Nederland), en eigen provinciale vrijwillige opgaven (zoals de Groene Contour en de Groenblauwe dooradering). Verder missen wij in het UPLG een duidelijke afweging tussen milieudoelen op regionaal niveau en bredere klimaatdoelen. De Nederlandse landbouw behoort tot de meeste efficiënte ter wereld in termen van productie per hectare. Dit roept bij ons de fundamentele vraag op welke doelstelling in dit beleid leidend is: het beschermen van Natura 2000-gebieden in de provincie Utrecht, of het beperken van mondiale klimaatschade. Daarom vragen wij u om: 33. Beter onderscheid te maken tussen wettelijk verplichte opgaven (Natura-2000-gebieden, de Weidevogel-kerngebieden en het Natuurnetwerk Nederland) en onverplichte opgaven (Groene Contour en Groenblauwe dooradering). 34. Gezien de omvang van alle opgaven – alleen de wettelijke opgaven vast te leggen in de omgevingsverordening en geen verdere verplichtingen te hangen aan de vrijwillige provinciale opgaven met betrekking tot de Groene Contour en de Groenblauwe dooradering en deze niet op te nemen in de omgevingsverordening. 35. Inzichtelijk te maken hoe – op basis van de beleidsdoelstellingen van het UPLG – voorkomen wordt dat lokale milieuwinst leidt tot milieuverlies of klimaatschade elders. Thema Stikstof In het UPLG stelt u maatregelen voor om de vergunningverlening van het slot te krijgen.

Wij zien, na advies ingewonnen te hebben van onze omgevingsdienst, nog onduidelijkheden en afbreukrisico’s met betrekking tot de juridische houdbaarheid van de Utrechtse aanpak. De maatregelen uit het pakket richten zich op Natura 2000-gebieden op het grondgebied van de provincie Utrecht. Op plekken waar de gebieden dicht bij de provinciegrens met Zuid-Holland (Nieuwkoopse Plassen en de Haeck), Noord-Holland (Oostelijke Vechtplassen) en Gelderland (met name Binnenveld) kan de rechter er niet van uitgaan dat aan de andere kant van de provinciegrens een gelijkwaardige reductie van stikstofemissies wordt gerealiseerd. Zonder zo’n aanpak in de andere provincies kan de benodigde reductie om tot natuurherstel te leiden achterblijven en kan er nog steeds niet worden voldaan aan het additionaliteitsvereiste. In het plan-MER is op pagina 134 een kwalitatieve beoordeling gegeven dat bij 46% reductie van stikstoflast op de Utrechtse Natura 2000-gebieden bij 7 van de 9 gebieden er geen overschrijdingen van de KDW zijn. Dat is zo, als het gaat om 46% van de totale stikstofbelasting. Het UPLG reduceert alleen het Utrechtse deel van de stikstofbelasting. Wij vinden, op advies van onze omgevingsdienst, het onnavolgbaar zo’n conclusie te trekken zonder te weten of nationaal deze Utrechtse ambities gevolgd worden.

De huidige manier van monitoren, waarbij doelsturing plaatsvindt via emissiereductie van stikstof, biedt onvoldoende garantie dat rechters – die rechtstreeks toetsen aan de Habitatrichtlijn – kunnen vaststellen dat er geen verslechtering optreedt van de natuurkwaliteit in Natura 2000-gebieden. De provincie Utrecht moet hiervoor een aparte monitoring opzetten voor om vergunningverlening goed te kunnen onderbouwen. Het lijkt dat de provincie toetsing middels Aeriusberekeningen loslaat, als het om doelsturing gaat. Dit kan alleen als de omgevingsregeling aangepast wordt die bepaalt wat de indieningsvereisten zijn bij een vergunningaanvraag voor een Natura 2000-activiteit. De passende beoordeling is juridisch gezien beperkt bruikbaar wegens het ontbreken van stikstofscenarioberekeningen, wij raden aan hiermee de passende beoordeling aan te vullen. Met de huidige onderzoeksgegevens uit het MER is er geen onderbouwing dat het criterium voor

vergunningverlening (dat natuurherstel optreedt) kan worden gehaald. Wij beseffen dat dit ook komt door een afhankelijkheid van de provincie van het Rijk, andere provincies en draagvlak onder alle betrokkenen. De onderbouwing van toekomstige vergunningverlening en additionaliteit leidt tot risico op een scenario waarbij een vergunning nodig is om de innovatieve maatregelen toe te passen, terwijl dat onder de huidige juridische situatie niet mogelijk is. Het UPLG leunt voor een belangrijk deel op stikstofreductie via innovatie en andere maatregelen op agrarische bedrijven. Een groot deel van deze maatregelen is vergunningplichtig, vanwege de uitspraak over intern salderen (projectbegrip). Bij de beoordeling van vergunningaanvragen moet het additionaliteitsvereiste worden betrokken, wat inhoudt dat stikstofreductie die nodig is voor herstel van Natura 2000-gebieden niet tevens kan worden ingezet om nieuwe stikstofemitterende activiteiten mogelijk te maken. In vergunningprocedures ligt het voor de hand te verwijzen naar het UPLG om aan te tonen dat de provincie (voldoende) werkt aan natuurherstel, terwijl de uitvoering van het UPLG zelf deels afhankelijk is van die vergunningverlening. Dit leidt tot een risico op een cirkelredenering: het UPLG is deels afhankelijk van vergunningverlening, terwijl het programma tegelijk wordt gebruikt om vergunningverlening te onderbouwen.

Wij vinden dat deze wederzijdse blokkade doorbroken moet worden. Bijvoorbeeld door eerst de stikstofruimte uit de landelijke stopperregelingen voor een beperkt deel in Utrecht voor innovatie te gebruiken, zodat de doelsturing op gang kan komen. Het UPLG leidt tot onduidelijke gevolgen voor agrarische bedrijven, die nu niet over een geldige natuurvergunning beschikken. U beschrijft in de nulsituatie van het UPLG dat 60% van de bedrijven in de provincie Utrecht de vergunningssituatie niet op orde heeft. Van agrarische bedrijven wordt verwacht dat zij emissies reduceren en bijdragen aan natuurherstel, terwijl innovatie vaak vergunningplichtig is en vergunningen zeer beperkt worden verleend. Tegelijk worden wel (op termijn) aanvullende verplichtingen opgelegd, zoals bemestingsbeperkingen rond Natura 2000-gebieden en emissienormen per dierplaats. Dit leidt er in de praktijk toe dat bedrijven moeten inleveren in productie of rendement, zonder dat voldoende duidelijk is of en wanneer dit via innovatie kan worden gecompenseerd. Mogelijk moeten bedrijven daardoor jarenlang hun capaciteit drastisch verlagen om zonder vergunningplicht emissies te beperken. Het terugbrengen van de depositie onder de kritische depositiewaarde (KDW) is geen garantie voor het opnieuw opstarten van de vergunningverlening.

Wij zien dat het onder de KDW brengen van het depositieniveau op Natura2000-gebieden, niet de enige randvoorwaarde is die geldt voor hervatten van de vergunningverlening. Ook wanneer de stikstofdepositie onder de KDW komt, betekent dit niet automatisch dat vergunningverlening mogelijk wordt. Cumulatie (historische overbelasting) van stikstof blijft medebepalend. In het plan-MER wordt dit benoemd (pagina 87), maar de mogelijke effecten van langdurige stikstofnalevering vanuit bodem en water worden beperkt meegewogen. De feitelijke natuurkwaliteit en het herstel zijn leidend, dat volgt uit de Habitatrichtlijn. Dit kan betekenen dat ook bij depositieniveaus onder de KDW, vergunningverlening voor stikstofuitstotende activiteiten ecologisch niet verantwoord is, omdat dit herstel in de weg kan staan. Mogelijk duurt het daardoor jaren langer dan aanvankelijk wordt verwacht. Dit uitgangspunt komt nog onvoldoende duidelijk in het UPLG naar voren. De afstand van de gemeente Oudewater tot een stikstofgevoelig Natura2000-gebied is circa 5 km. Dit maakt het effect van stikstofdepositie vanuit onze melkveehouders nihil. De werking van de stikstofdeken en de uitstofnormeringen is voor onze agrariërs niet duidelijk. Kunt u dit beter onderbouwen? Daarom vragen wij u: 36.

Om te verduidelijken hoe het UPLG kan voldoen aan het additionaliteitsbeginsel, zolang er nog geen sprake is van een feitelijke natuurkwaliteit die als voldoende wordt beschouwd.

37. Om cijfermatig inzichtelijk te maken wat het effect is van de generieke stikstofreductie van 46% zonder dat de stikstofreductie navolging krijgt in andere provincies, al dan niet met een Aeriusberekening. 38. Om cijfermatig inzichtelijk te maken welke stikstofreductie en andere inspanningen omliggende provincies en het Rijk moeten realiseren voordat een generieke stikstofreductie van 46% in de provincie Utrecht voldoende is om onder KDW te komen. 39. Met praktijkcases een scenario te ontwikkelen, waarin de additionaliteitsvereiste kan worden gehaald en de hierboven beschreven cirkelredenering kan worden doorbroken. 40. het Rijk te vragen om de indieningsvereisten van een Natura2000-activiteit in de omgevingsregeling zo aan te passen dat een Aeriusberekening niet langer nodig is wanneer sprake is van doelsturing. 41. De werkwijze van het UPLG zo snel mogelijk juridisch te laten toetsen in een proefproces voor de rechter als het gaat om vergunningverlening voor stikstofrechten. 42. Betere onderbouwing van de impact van de melkveehouderij op de stikstofdeken. Thema Cultuur en Erfgoed Geen opmerkingen. Thema Landbouw In het landelijk gebied spelen een flink aantal opgaven, waarvan een deel via gebiedsprocessen een plek moet krijgen. In de huidige polderprocessen zien wij dat dit soms positieve processen zijn waar meekoppelkansen worden gezien.

Echter zullen er ook processen met teleurstellingen, frustratie en woede zijn. Wij willen u op het hart drukken om te allen tijden met de grondeigenaren in het gebied in gesprek te blijven. Gespreksvoering met wederzijds respect, het het belang van de ander dienen en samen de oplossingsruimte vergroten is meer waard dan dwang als middel in te zetten. Dat zien wij als een ongewenst instrument dat uiteindelijk ook tegen u zal keren. Over de rol van de gemeente in de gebiedsprocessen schrijft u onder meer: “De gemeenten sturen onder andere vanuit hun RO-rol via de gemeentelijke Omgevingsvisie en het gemeentelijke Omgevingsplan. We verwachten van de gemeenten dat de UPLG- opgaven daarin volwaardig worden meegenomen.” (UPLG, p. 93). Wij willen erop wijzen dat u als provincie niet gaat over de omgevingsvisie van de gemeente. De gemeentelijke omgevingsvisie is een autonoom strategisch document van de gemeenteraad. U kunt de gemeentelijke omgevingsvisie niet wijzigen met een projectbesluit (artikel 5.52 Ow), en ook geen instructieregels voor de gemeentelijke omgevingsvisie uitvaardigen (artikel 2.23 Ow).

Op pagina 84 van het UPLG schrijft u dat u bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen “aspecten van volksgezondheid […] in de afweging (geurcirkels, zoönoserisico’s en fijnstofemissies rond (intensieve) veehouderijen) [meeneemt].” Wij willen u er graag op wijzen dat regels ten aanzien van geur in het gemeentelijk omgevingsplan geregeld worden en dat de gemeente daarmee het bevoegd gezag is voor geurregels in het buitengebied. Wel staan wij positief tegenover de voorgestelde regeling voor een brede plattelandsbestemming (artikel 8.1a OV) met multifunctionele erven. In de toelichting schrijft u dat er op deze erven sprake kan zijn van ”verschillende gelijkwaardige activiteiten”. Wij vinden het een positieve ontwikkeling om kleinschalige agrarische bedrijven te laten voortbestaan (en schaalvergroting te voorkomen). Ter voorkoming van spraakverwarring, vinden wij de aanduiding nevenfunctie dan ook niet meer gepast voor dit artikel. Deze regeling heeft een ander karakter dan de nu bestaande regelingen voor nevenfuncties, waarvoor veel verschillende varianten in de gemeentelijke omgevingsplannen bestaan. Zo komt de eis voor ruimtelijke ondergeschiktheid te vervallen en wordt deze vervangen door een ondergrens van vergunnings- of meldingsplichtige agrarische activiteiten.

Wel hebben wij bedenkingen bij de mogelijkheid om 1.000 m2 aan statische opslag toe te staan. Hoewel statische opslag een bron van inkomsten kan zijn, draagt het ook bij aan ongewenste verhuurconstructies en ondermijning. Ook zien we dat de maximale oppervlakte aan opslag vaak niet gerespecteerd wordt en tevens niet handhaafbaar is. De opslag wordt vaak groter dan 1.000 m2 en bij handhaving is voor ons niet aan te tonen welke spullen (en daarmee oppervlakte) toe te rekenen zijn aan de eigen agrarische activiteiten of aan de statische opslag voor derden. Tevens zien wij dat opslag vaak een van de grootste struikelblokken is voor transformatie van erven en sanering van voormalige agrarische bebouwing. Ook zien wij een juridisch risico ten aanzien van de Kringloopwijzer (artikelen 8.10 lid 1, 8.11 lid 1 onder a en 8.12 lid 3 OV). Hoewel de Rekenregels van de Kringloopwijzer juridisch in de omgevingsverordening geborgd worden, gaat het hier slechts om een dynamische verwijzing. Het document achter de dynamische verwijzing is continue in ontwikkeling en wordt beheerd door derden. Dit betekent dat u als bevoegd gezag geen invloed heeft op de rekenmethode waarmee u op uw beleidsdoelen wil sturen. Hierdoor is sprake van onzekerheid over de in de toekomst geldende precieze regels van de Kringloopwijzer.

Het aanpassen van de rekenmethode kan verreikende gevolgen hebben, zowel voor ondernemers als voor u als bevoegd gezag. Daarom vragen wij u om: 43. Te allen tijden met grondeigenaren in gesprek te blijven, ook als het gesprek moeizaam verloopt of uw uitnodiging daartoe wordt afgeslagen. En om een openbare escalatiestrategie te maken voor het geval gesprekken mislukken of er verschil van inzicht is. 44. De tekst op pagina 93 van het UPLG over uw verwachtingen ten aanzien van de gemeentelijke omgevingsvisie te wijzigen, omdat de bewoording niet past bij de autonomie van de gemeenteraad. 45. De tekst op pagina 84 van het UPLG aan te passen, zodat u geurregels aan de gemeente laat. 46. In artikel 8.1a niet langer te verwijzen naar nevenfuncties, maar als “multifunctionele erven agrarisch bedrijf” of als “gelijkwaardige functies agrarisch bedrijf.” 47. Statische opslag als gelijkwaardige activiteit bij agrarische bedrijven te heroverwegen. 48. De dynamische verwijzing naar de (Rekenregels van de) Kringloopwijzer te heroverwegen en de Kringloopwijzer pas in te voeren als de Kringloopwijzer breed ingevoerd, bewezen en juridisch geborgd is. Thema Wonen, Werken, Recreëren Wij hebben bezwaar tegen de wijziging van artikel 9.6 lid 2 onder a OV. In dit artikel stelt u extra voorwaarden aan de uitbreiding van woningen in het landelijk gebied.

Waar de gemeente in de huidige verordening bij het bepalen van regels voor het uitbreiden van woningen rekening moet houden met een goede landschappelijke inpassing, stelt u nu voor dat bij de uitbreiding van een woning rekening moet worden gehouden met de landschappelijke inpassing. Uw voorgestelde wijziging zou tot gevolg hebben dat wij het omgevingsplan zo moeten aanpassen dat wij bij elke uitbreiding van een woning moeten beoordelen of er sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Dit zou het einde betekenen van alle vergunningsvrije bouwmogelijkheden in het landelijk gebied. Het Rijk heeft deze regels bij de invoering van de Omgevingswet als ‘bruidsschat’ in het omgevingsplan gezet. Dit betekent dat deze vergunningsvrije bouwmogelijkheden nu ook aan uw instructieregels moeten voldoen. Wij zijn geenszins van plan om de vergunningsvrije mogelijkheden in het landelijk gebied te beperken om te kunnen beoordelen of er in die gevallen sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Ons inziens beschermt het bestaande artikel 9.6 lid 2 onder a het provinciale belang afdoende. Daarom vragen wij u om: 49. De door u voorgestelde wijziging van artikel 9.6 lid 2 onder a OV niet door te voeren.

Tot slot Wij verzoeken u deze zienswijze integraal te betrekken bij de besluitvorming over de provinciale omgevingsvisie, het Utrechts Programma Landelijk Gebied en de omgevingsverordening. Wij zijn beschikbaar voor een bestuurlijk of ambtelijk overleg om de gevraagde aanpassingen concreet te bespreken. Bij vragen en/opmerkingen kunt u contact opnemen met dhr. B. Bouwman via stadskantoor@oudewater.nl. Het college van burgemeester en wethouders, De secretaris,

De burgemeester,

Drs. S.G.M. van Eck

Drs. A.M. Jongerius

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/704/documents/20945