CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A03.1 bijlage 1 - Tussenuitspraak omgevingsvergunning Pluimveebedrijf Wiltenburg.pdf

Gemeenteraad 9 juli 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 5: Vastellen wijze van afdoening van de ingekomen stukken16.455 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De rechtbank is van oordeel dat de formulering dat de werking van de rolgordijnen op basis van onderdruk moet worden geregistreerd, de bedoeling van het college niet volledig dekt, omdat het voorschrift ook anders uitgelegd kan worden. Gelet op het belang van de onderdruk voor de geuremissie, vindt de rechtbank dat het voorschrift redactioneel aangepast moet worden in die zin dat wordt bepaald dat de meetwaarden van de onderdruk moeten worden geregistreerd. Op de zitting heeft het college opgemerkt er voor open te staan dit voorschrift te verduidelijken. De rechtbank stelt het college met deze tussenuitspraak daartoe in de gelegenheid. De STAB heeft verder de suggestie gedaan om het voorschrift ook actiever te formuleren en te bepalen dat de gegevens met een vaste tijdsperiode aan verweerder (digitaal) kunnen worden toegezonden. De rechtbank ziet gelet op het doel van het voorschrift en het door eisers aangevoerde, geen aanleiding om dit als verplichting in het voorschrift op te nemen. Het staat het college uiteraard vrij om dit alsnog aan het voorschrift toe te voegen. 75. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers 2 en 3 in reactie op het STAB-verslag toegelicht de redenering van de STAB te kunnen volgen, maar dat het geschilpunt blijft of de wintergartens emissiepunten zijn en of de werking van de onderdruk voldoende is gewaarborgd in de voorschriften.

Zoals de rechtbank hiervoor uiteen heeft gezet mag de rechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dit is slechts anders als het verslag onzorgvuldig is voorbereid of zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming van de rechtbank ten grondslag mag worden gelegd. Eisers hebben niet onderbouwd naar voren gebracht dat daarvan sprake is. Aldus ziet de rechtbank geen aanleiding om niet van de bevindingen van de STAB uit te gaan. De rechtbank kan op basis van het STAB-verslag het college volgen in zijn redenering dat de wintergartens bij de berekening van de geurbelasting niet als emissiepunten zijn aangemerkt. Verder oordeelt de rechtbank dat de voorschriften 3.7 en 3.8 (na aanpassing) toereikend zijn om de onderdruk in de stallen te waarborgen.

Gewijzigde uittreesnelheid 76. Eisers 3 voeren aan dat de uittreesnelheid van de stallucht bij de uitlaatopeningen van de ventilatiekokers in de stallen is gewijzigd waardoor sprake is van een gewijzigde depositie. 77. In de omgevingsvergunning zijn twee voorschriften opgenomen over de uittreesnelheid bij de uitlaatopeningen van de ventilatiekokers (emissiepunten). In voorschrift 3.9 is voorgeschreven dat de centrale emissiepunten van de stallen 3 en 4 moeten zijn voorzien van een automatisch werkende regelklep waardoor een minimale uittreesnelheid van 4,0 m/s wordt gewaarborgd. 78. Voorschrift 3.10 bepaalt dat de werking van de regelkleppen automatisch moeten worden geregistreerd. Deze gegevens dienen in een CSV-bestand te worden opgeslagen zodat op elk willekeurig moment de geregistreerde waarden kunnen worden geraadpleegd. Deze registratie moet minimaal 1 jaar

worden bewaard. 79. In het STAB-verslag staat dat de uittreesnelheid een belangrijke invoerparameter voor de geurberekening is. De uittreesnelheid bij de uitlaatopeningen van de ventilatiekokers (emissiepunten) van de stallen 3 en 4 wordt verhoogd naar minimaal 4 m/s. Toegelicht is dat dat kan worden gerealiseerd door het uittreeoppervlak te verkleinen. Door het vastleggen van deze minimale uittreesnelheid wordt de geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de directe omgeving van het bedrijf beperkt. De STAB stelt vast dat het college bij berekening van de geurbelasting de juiste invoergegevens heeft gehanteerd voor de uittreesnelheid van de stallen 3 en 4. Eisers 3 hebben dit niet betwist. 80. Over voorschrift 3.10 heeft de STAB opgemerkt dat het registeren van de meetwaarden van de ventilatiesnelheid meer duidelijkheid geeft. In reactie hierop heeft het college laten weten dat bedoeld is dat de ventilatiesnelheid moet worden geregistreerd zodat gecontroleerd kan worden of de regelkleppen in werking worden gesteld. Omwille van de duidelijkheid stelt het college voor om de tekst van het voorschrift als volgt aan te passen: “De ventilatiesnelheid waarmee de regelkleppen worden aangestuurd moet automatisch worden geregistreerd.

Deze gegevens dienen in een CSV-bestand te worden opgeslagen zodat op elk willekeurig moment de geregistreerde waarden kunnen worden geraadpleegd.” Omdat het college voorschrift 3.10 anders wil formuleren en de rechtbank een tussenuitspraak doet, stelt de rechtbank het college in de gelegenheid om dit voorschrift aan te passen.

Drogen van mest 81. Eisers 3 voeren aan dat van een groter aantal kippen mest wordt gedroogd en dat dat gevolgen heeft door de geurbelasting. De rechtbank overweegt dat in de omgevingsvergunning is toegelicht dat geurmetingen aan de droogtunnel zijn uitgevoerd en dat daaruit is gebleken dat de geur afkomstig van de droogtunnel marginaal is en veel kleiner dan de onzekerheid die inherent is aan een geuronderzoek. De conclusie van het college is dat de geuremissie van de droogtunnel voor mest verwaarloosbaar klein is, waardoor de tunnel niet aangemerkt wordt als een relevante geurbron. De STAB onderschrijft het standpunt van het college dat uit het uitgevoerde geuronderzoek blijkt dat de toepassing van de droogtunnels geen gevolgen heeft voor de geuremissieberekening. De rechtbank volgt de STAB op dit punt en oordeelt dat de droogtunnel terecht niet als geurbron is meegenomen in de berekening.

Uitkomst geurberekening V-Stacks 82. De resultaten van de geurberekening met V-Stacks staan in een tabel in de omgevingsvergunning. De resultaten laten geen overschrijding van de geurnormen op omliggende woningen zien. Volgens de STAB zijn bij de berekening de juiste invoerparameters zijn gehanteerd. De STAB kan de conclusie van het college volgen dat de verandering van de vergunde situatie niet leidt tot een overschrijding van de geldende geurnormen en dat wordt voldaan aan artikel 3, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij. De rechtbank volgt de STAB.

Monitoring geur 83. Eiser 2 stelt dat het geurbeheersplan geen garantie biedt dat aan de geurnormen kan worden voldaan. Eisers 3 betogen dat voor de monitoring van geur ten onrechte niet het daarvoor opgestelde NEN-protocol is voorgeschreven. 84. In de omgevingsvergunning is toegelicht dat een geurbeheersplan op grond van BBT 12 vereist is als sprake is van een historie van geurklachten. Daarom is in voorschrift 3.11 voorgeschreven dat een geurbeheerplan aanwezig moet zijn en wat daar in moet staan. Eisen voor monitoring van geur zoals vereist op grond van BBT 26 is volgens het college gelet op de uitkomst van de V-Stacks berekeningen niet nodig. Het geurbeheerplan moet bestaan uit onder meer een protocol voor de monitoring van geur. Ook moet het geurbeheerplan een protocol bevatten over hoe om te gaan met geurklachten. Dit is in

overeenstemming met de suggestie in het advies van de GGD. In voorschrift 3.12 is bepaald dat het geurbeheerplan jaarlijks moet worden geëvalueerd met de toezichthouder van de Odru en actueel moet worden gehouden en moet worden aangepast als dit uit de evaluatie nodig blijkt. 85. De rechtbank overweegt dat het geurbeheerplan niet bedoeld is om vast te stellen of aan de geurnormen kan worden voldaan, maar om te monitoren op de parameters die van belang zijn voor de bepaling van geurbelasting op omliggende geurgevoelige objecten zoals de vergunde uittreesnelheid van de emissiepunten en de werking van de rolgordijnen. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het monitoren van geuremissies door middel van metingen verplicht gesteld had moeten worden in voorschrift 3.11, zoals eisers 3 bepleiten. De rechtbank begrijpt de wens daartoe, maar van een overbelaste geursituatie is geen sprake, zodat op grond van de BBT-conclusies geurmetingen op basis van NEN 9065 niet verplicht hoeven te worden voorgeschreven. De STAB heeft ook opgemerkt dat dit NEN-protocol niet aan de orde is, omdat geen geur gemeten hoeft te worden. In aanvulling daarop heeft de STAB-adviseur ter zitting toegelicht dat voorschrift 3.11 afdoende is, als de voorschriften 3.8 en 3.10 worden aangepast ter verduidelijking welke parameters geregistreerd moeten worden.

Water 86. Volgens eiser 1 voldoet het enorme waterverbruik niet aan de BBT. Eiser 2 stelt dat er regelmatig vanuit de inrichting water wordt geloosd op de sloot, waarvoor een watervergunning nodig is. Eisers 3 vinden dat onvoldoende inzicht is gegeven in de waterhuishouding van de inrichting. Onduidelijk is waar de grote hoeveelheid water voor wordt gebruikt. 87. Het waterverbruik bedraagt ruim 9 miljoen liter per jaar. In het STAB-verslag is uiteengezet dat het waterverbruik bestaat uit het drinkwater voor de kippen, de vernevelingsinstallatie en de standaard waterstromen vanuit kantine en voor wc/douche. Het pluimveebedrijf heeft op verzoek van de STAB toegelicht dat de vernevelingsinstallatie ongeveer gemiddeld 10 m³ water per jaar verbruikt, de bedrijfskantine en wc/douches ongeveer 90 m³ en de woning (privégebruik) ook ongeveer 90 m³. Het drinkwatergebruik van de legkippen bedraagt volgens Wiltenburg gemiddeld 8.322 m³ water per jaar. Dat is 240 millimeter per kip per dag. De opfokhennen verbruiken jaarlijks gemiddeld 100 m³. De STAB heeft deze gegevens vergeleken met de normen uit de Kwantitatieve Informatie Veehouderij en het drinkwatergebruik van de kippen valt daarbinnen. Het pluimveebedrijf heeft de drinkwaterfactuur over 2024 overgelegd en daarop is een waterverbruik van 8.295 m³ vermeld.

In het STAB-verslag is vastgesteld dat dit in orde van grootte is met het ingeschatte gebruik van 100 m³ (bedrijfskantine en verneveling) en drinkwater voor pluimvee (ongeveer 8.500 m³). 88. De rechtbank overweegt dat het jaarlijkse waterverbruik voor de kippen en hennen in de nota van zienswijzen al was toegelicht. In het STAB-verslag is dit verder onderbouwd en gespecifieerd, ook voor de andere delen van de bedrijfsvoering. De rechtbank oordeelt op basis van de bevindingen van STAB dat het jaarlijkse watergebruik voldoende inzichtelijk is en een correcte inschatting is voor een pluimveebedrijf met deze omvang. 89. Aan de omgevingsvergunning zijn vier voorschriften voor waterbesparing verbonden (1.2 tot en met 1.5). In de omgevingsvergunning staat daarover dat de BBT-conclusies aanleiding geven een registratievoorschrift op te nemen voor het waterverbruik (voorschrift 1.3) en het verplicht toepassen van morsvrij drinkwatervoorziening (voorschrift 1.4). In het STAB-verslag is vermeld dat voor het toepassen van BBT voor waterbesparing gebruik wordt gemaakt van een drinkwatersysteem voorzien van nippels en wateropvangbakjes, welk in het BBT-document wordt genoemd. De rechtbank twijfelt hier niet aan en volgt eiser 1 daarom niet in zijn standpunt dat wat betreft waterbesparing niet aan de BBT wordt voldaan. 90.

In het STAB-verslag staat dat geen afvalwater uit de pluimveestallen op het riool wordt geloosd. De stallen worden droog schoongemaakt. Alleen het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard wordt op het gemeentelijk riool geloosd. Verder beschrijft de STAB dat voor het lozen van bedrijfsafvalwater de regels van afdeling 2.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden. Voor het lozen van hemelwater, niet

afkomstig van een bodembeschermende voorziening gelden de regels van artikel 3.1.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De STAB kan de conclusie van het college volgen dat geen watervergunning nodig is. Eiser 2 heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat het pluimveebedrijf geen watervergunning nodig heeft.

Energieverbruik 91. Eiser 1 betwist dat de omgevingsvergunning gelet op het enorme gas- en elektraverbruik aan de BBT voldoet. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beoordeling van de aanvraag is vanwege het gas- en elektriciteitsverbruik getoetst of de inrichting de BBT toepast om tot een zuinig energiegebruik te komen. Om inzicht te krijgen in het verbruik is in voorschrift 1.6 bepaald dat het jaarlijkse gas- en elektriciteitsverbruik moet worden geregistreerd. De verplichting om energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd vijf jaar of minder is opgenomen in voorschrift 1.7. Ook is geregeld wanneer deze maatregelen moeten zijn getroffen (voorschrift 1.9). Voorschrift 1.8 verplicht tot het opstellen van een energie-uitvoeringsplan dat door het bevoegd gezag wordt beoordeeld. De STAB concludeert dat met deze voorschriften invulling is gegeven aan het uitvoeren van BBT-maatregelen voor energieverbruik. De rechtbank ziet geen reden om deze conclusie in twijfel te trekken.

Verkeerssituatie 92. Eiser 1 brengt naar voren dat onvoldoende rekening is gehouden met de verkeersbewegingen van grote vrachtwagens op de smalle weg waaraan het pluimveebedrijf ligt. 93. Naar het oordeel van de rechtbank valt de verkeersveiligheid van de Hekendorpse Buurt niet onder het belang van de bescherming van het milieu. De verkeersveiligheid als gevolg van de verkeersbewegingen van en naar het pluimveebedrijf worden in het ruimtelijke spoor bij de vaststelling van het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) beoordeeld. De rechtbank is het dus eens met het standpunt van het college dat de verkeersveiligheid buiten het terrein van de inrichting buiten het beoordelingskader van artikel 2.14 van de Wabo valt.

MER 94. Eiser 2 voert aan dat vanwege het gezondheidsaspect een MER opgesteld had moeten worden. Eisers 3 betogen dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit niet correct is, omdat onzeker is of sprake zal zijn van een lagere ammoniakemissie. Verder vinden zij dat de gezondheidsrisicos onvoldoende zijn beoordeeld en wijzen zij op het ontbreken van informatie over de waterhuishouding. 95. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat geen MER-plicht geldt vanwege overschrijding van de drempelwaarde uit kolom 2 van onderdeel D van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Voor de aangevraagde situatie heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Naar aanleiding van de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft het college besloten dat voor de verandering van het pluimveebedrijf geen MER opgesteld hoeft te worden, omdat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Daaraan ligt een inhoudelijke beoordeling ten grondslag, waarbij gekeken is naar de volgende milieuaspecten: geur, ammoniak, fijnstof, gezondheid en geluid. 96. De STAB heeft de vraag of een MER-plicht geldt beoordeeld in het licht van de door eisers genoemde punten.

Volgens de STAB is vanwege de afname van de emissie van ammoniak (dit komt vanaf 108 aan de orde) en endotoxinen en de conclusies over de waterhuishouding geen sprake van nadelige gevolgen vanwege de verandering van de inrichting die het opstellen van een MER verlangen. Zoals de STAB inzichtelijk heeft gemaakt, zal er door de verandering van het pluimveebedrijf een afname zijn van emissie van ammoniak, geur en stof ten opzichte van de in 2008 vergunde situatie en zal het aantal woningen waarbij de WHO-advieswaarde voor endotoxinen wordt overschreden, afnemen.

97. In de aanmeldnotitie staat dat ten aanzien van geluid geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, omdat verwacht wordt dat de geluidemissie binnen de vergunde geluidnormen zal blijven. De interne transportbewegingen, het laden en lossen en de situering van de ventilatoren wijzigen niet. Na de realisatie van de wintergartens in de stallen 3 en 4 zijn nieuwe geluidklachten binnengekomen en de uitgevoerde geluidmetingen hebben aangetoond dat de vergunde geluidnormen niet worden overschreden. Verder staat in de aanmeldnotitie dat ook voor de toekomst zal gelden dat er voldaan moet worden aan de van toepassing zijnde geluidnormen. De rechtbank is hiervoor tot het oordeel gekomen dat het akoestisch onderzoek gebrekkig is en dat duidelijk is dat het pluimveebedrijf zowel in de RBS als de IBS niet aan de in 2008 vergunde geluidgrenswaarden kan voldoen. Het college krijgt de gelegenheid om dit gebruik te herstellen. Mogelijk zal het college de geluidvoorschriften aanpassen met hogere geluidsgrenswaarden. Als dat het geval zal zijn, dan is de motivering in de aanmeldnotitie dat voor geluid geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn omdat de geluidemissie binnen de vergunde geluidnormen blijft, niet toereikend. Het college zal de motivering in dat geval moeten aanpassen.

Daarom kan de rechtbank deze beroepsgrond voor zover die ziet op geluid nu niet verder beoordelen.

Voorschrift 3.1 98. Eiser 1 vindt dat in voorschrift 3.1 vastgelegd had moeten worden hoeveel dieren per stal zijn toegestaan, omdat het risico voor de volksgezondheid groter wordt naarmate meer dieren in een stal verblijven. 99. In voorschrift 3.1 is vastgelegd dat in het bedrijf ten hoogste de navolgende aantallen dieren aanwezig mogen zijn: 24.000 opfokhennen (Rav-code E 1.8.1); 48.000 leghennen (Rav-code E 2.11.1); 50.320 leghennen (Rav-code E 2.11.2.1).

100. Voor het oordeel dat het nodig is om in dit voorschrift ook te bepalen hoeveel dieren in een stal aanwezig mogen zijn, ziet de rechtbank geen aanleiding. Van belang hierbij is dat in voorschrift 2 van de vvgb de diersoorten en aantallen per stal zijn aangegeven. De voorschriften van de vvgb maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Daarnaast is er een plattegrondtekening van de inrichting waarop de stallen, de dieraantallen en de stalsystemen staan. Deze tekening maakt deel uit van de omgevingsvergunning. Anders dan eiser 1 stelt, is handhaving op grond van dieraantallen in de stallen mogelijk.

Voorschrift 3.2 101. Met voorschrift 3.2 is volgens eiser 1 onvoldoende gewaarborgd dat deuren en ramen niet onnodig lang openstaan. Er had een maximale openingstijd voor de ramen en deuren vastgelegd moeten worden. 102. De rechtbank overweegt dat voorschrift 3.2 bepaalt dat ramen en deuren van stallen, ruimtes waar mest wordt opgeslagen en gebouwen waarin mestdroging plaatsvindt, behoudens het doorlaten van personen, dieren of goederen, gesloten moeten worden gehouden. Het college heeft er niet voor gekozen om een maximale openingstijd vast te leggen, omdat dit de werking van het voorschrift zou afzwakken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college deze keuze in redelijkheid kunnen maken. Met het voorschrift is afdoende gewaarborgd dat deuren en ramen niet onnodig open staan, omdat het verplicht is om deuren en ramen gesloten te houden, tenzij er personen, dieren of goederen doorheen moeten.

Vvgb en passende beoordeling

103. Eisers 2 en 3 voeren aan dat er onvoldoende zekerheid bestaat dat door de werking van de emissiereducerende stalsystemen geen sprake is van een toename van stikstof ten opzichte van de referentiesituatie. Onder verwijzing naar de 18 december-uitspraak betogen zij dat niet volstaan had kunnen worden met intern salderen, maar dat een passende beoordeling gemaakt had moeten worden. 104. De rechtbank zal deze beroepsgrond bespreken, omdat de Vereniging Leefmilieu opkomt voor het natuurbelang en het relativiteitsvereiste aan haar, anders dan bij de omwonenden, niet kan worden tegengeworpen. 105. Aan de verleende vvgb (de natuurtoestemming) ligt ten grondslag dat uit de AERIUSverschilberekening is gebleken dat in de aangevraagde situatie ten opzichte van de referentiesituatie sprake is van een gelijkblijvende of afnemende stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. In de vvgb staat dat vanwege de onzekerheden in emissiereductie van de toegepaste emissiearme stalsystemen en de grote afname in emissie voor vergunningverlening is gekozen. De afweging hierbij is dat in vergunningvoorschriften geregeld kan worden dat de emissie later niet meer opgevuld kan worden als blijkt dat de emissiecijfers uit de RAV bijgesteld worden. De emissiewinst moet volgens gedeputeerde staten ten goede komen aan de natuur en dat kan alleen door dit in een vergunning vast te leggen.

Aan de vvgb is de voorwaarde verbonden dat aan de te verlenen omgevingsvergunning tenminste de voorschriften en beperkingen verbonden moeten worden, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de vvgb. 106. De rechtbank overweegt dat de gewijzigde rechtspraak van de Afdeling over intern salderen direct van toepassing is in lopende procedures. Gedeputeerde staten hebben daarom als aanvullende onderbouwing van de vvgb een passende beoordeling opgesteld en aan het additionaliteitsvereiste getoetst. In de passende beoordeling staat dat in de aangevraagde situatie sprake is van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en dat significant negatieve effecten van de aangevraagde beoogde situatie vooraf niet zijn uitgesloten. Om deze effecten te mitigeren, is intern gesaldeerd met de referentiesituatie. Daardoor is er in de aangevraagde situatie sprake van een substantiële afname van stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitattypen. Het gaat om een afname van de (jaarlijke) stikstofemissie van 13.130 kg NH naar 10.293,24 kg NH, dus met 2.836,77 kg NH (oftewel 21,6%), zo staat in de passende beoordeling.

Werking van het volièresysteem; RAV-emissiefactoren 107. In de vvgb is de stikstofdepositie in de referentiesituatie en voor de beoogde situatie inzichtelijk gemaakt. Daarbij is gebruik gemaakt van de RAV-emissiefactoren. Het stalsysteem met Rav-code E 2.11.2.1 dat in de stallen 3 en 4 wordt toegepast heeft een emissiefactor van 0,055 kg NH per dierplaats per jaar. In het STAB-verslag is een volledig overzicht gegeven van de vergunde stalsystemen per stal, inclusief de emissiereducerende technieken zoals de (extra) droogtunnel en strooiselschijf. Deze gegevens zijn gebruikt voor de AERIUS-berekening en liggen ten grondslag aan de passende beoordeling. 108. In het STAB-verslag staat beschreven dat er in 2020 al signalen waren over de hogere ammoniakemissie uit pluimveestallen met volièrehuisvesting dan volgens de vastgestelde Ravemissiefactoren verwacht mag worden. Aan Wageningen University & Research (WUR) is de opdracht verleend om meetonderzoek te verrichten en in afwachting van de resultaten van het meetonderzoek was het voornemen om de emissiefactoren voor nieuw te bouwen volièrestallen tijdelijk met een factor 3 te verhogen.

In de Kamerbrief van 30 juni 2023 wordt opgemerkt dat de (tijdelijke) Rav-emissiefactoren op zichzelf onvoldoende zekerheid bieden om een inschatting te maken van de stalemissies en het opstellen van een depositiepatroon in het kader van de natuurtoestemming. Ondernemers die over willen schakelen op een emissiearm stalsysteem, zoals een emissiearme volière, moeten door middel van een passende beoordeling inzichtelijk maken dat dit niet leidt tot schadelijke effecten op nabijgelegen natuurgebieden. Tot slot stelt de STAB vast dat de ammoniakemissiefactoren voor volièrestallen tot op heden niet zijn verhoogd.

109. Vervolgens heeft de STAB vastgesteld dat gedeputeerde staten bij de verlening van de vvgb de discussie over de juistheid van de RAV-emissiefactoren hebben onderkend. In de vvgb is vermeld dat toch voor de emissiecijfers uit de RAV is gekozen om een vergelijking te kunnen maken tussen de referentiesituatie en de beoogde situatie. Dit is als volgt toegelicht: “De wijziging in huisvestingssysteem betreft hoofdzakelijk een omschakeling naar een ander vergelijkbaar volière huisvestingssysteem voor kippen waarbij de teruggang in emissie is gebaseerd op verdere droging van de mest door meer lucht over de mestband te sturen. De afname in emissie van 2.836,77 kg NH biedt voldoende zekerheid om de onzekerheden in emissies van de stalsystemen op te vangen. En wanneer het emissiearme stalsysteem in de beoogde situatie een tegenvallend resultaat zou hebben dan heeft dat stalsysteem dat ook in de referentiesituatie. Hiermee worden negatieve effecten voor de omliggende Natura 2000-gebieden uitgesloten.” 110.

Deze redenering in de vvgb bevat volgens de STAB een absolute component: er is een ruime marge (buffer) van meer dan 2.800 kg NH per jaar tussen de referentiesituatie (ammoniakemissie 13.130 kg/jaar) en de nu vergunde situatie (ammoniakemissie 10.293,24 kg/jaar) en een relatieve component: als de emissies in de vergunde situatie hoger zijn dan de Rav-emissiefactor, dan geldt dat ook voor de referentiesituatie en is er ook dan per saldo geen sprake van een toename van de emissie. De conclusie in het STAB-verslag is dat de stikstofemissie niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie en dat er geen toename is van depositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. 111. De rechtbank oordeelt dat er in dit geval geen reden is om te twijfelen aan de conclusie van de STAB dat het gebruik van de RAV-emissiefactoren bij de vergunningverlening niet tot een onjuiste vergelijking van de vergunde situatie met de referentiesituatie leidt. Daarbij betrekt de rechtbank dat zowel in de referentiesituatie als de vergunde situatie sprake is van volièrehuisvesting waarvan onzekerheid bestaat over de RAV-emissiefactor en er in de vergunde situatie sprake zal zijn van een (beperkte) afname van het aantal kippen.

De gemachtigde van eisers 3 heeft op de zitting nog het standpunt ingenomen dat de emissiefactor per dier in de loop van de tijd gewijzigd kan zijn door het verhogen van de productie van het dier waardoor er niet van uitgegaan kan worden dat de stalsystemen in gelijke mate kunnen tegenvallen, ook al neemt het totaal aantal kippen af. De rechtbank overweegt dat geen begin van bewijs is geleverd dat de emissie per kip zou zijn toegenomen en dat de onderschatting van de emissiefactor daarom in de vergunde situatie groter zou zijn dan die in de referentiesituatie. Verder heeft de gemachtigde van eisers op de zitting toegelicht dat de emissie ook kan verschillen per ras en dat de samenstelling van het voer relevant is, maar dat geeft de rechtbank geen grond om tot een ander oordeel te komen, omdat de methodiek van emissie per diersoort algemeen aanvaard is.

Voorschriften 112. Eisers 3 brengen naar voren dat de in de vvgb opgenomen voorschriften ten onrechte niet aan de vergunning zijn verbonden. 113. In bijlage 1 bij de vvgb zijn voorschriften en beperkingen opgenomen die blijkens de tekst van de vvgb aan de omgevingsvergunning verbonden moeten worden. In de omgevingsvergunning is onder het kopje Besluit expliciet bepaald dat verschillende voorschriften uit de milieuvergunning van 16 december 2008 worden ingetrokken en dat er voorschriften aan de omgevingsvergunning worden toegevoegd. Dit is niet zo vastgelegd voor de voorschriften en beperkingen uit bijlage 1 bij de vvgb. Het college heeft echter in de considerans van de omgevingsvergunning vermeld dat de vvgb een-op-een deel uitmaakt van deze beschikking. Daarmee zijn de voorschriften en beperkingen uit bijlage 1 van de vvgb naar het oordeel van de rechtbank ook aan de omgevingsvergunning verbonden. 114. Eisers 3 menen dat voorschrift 1 bij de vvgb niet handhaafhaar is, omdat niet duidelijk is hoe beoordeeld zal worden welke emissies daadwerkelijk optreden. 115. Voorschrift 1, tweede volzin, bepaalt dat de bedrijfsvoering de in de aanvraag en berekeningen gehanteerde omvang van bedrijfsactiviteiten en daaraan gerelateerde jaarlijkse stikstofemissies van NO of

NH niet mag overschrijden. In de derde volzin staat dat indien er aanwijzingen zijn dat deze wel dreigen overschreden te worden, onmiddellijk passende maatregelen genomen dienen te worden om dit te voorkomen. 116. Gedeputeerde staten hebben voor dit voorschrift gekozen om bij tegenvallende resultaten van één van de emissiereducerende stalsystemen te voorkomen dat vergunninghouder deze (latente) ruimte gaat opvullen bij een volgende vergunningaanvraag. In het STAB-verslag staat dat het voorschrift beoogt de optimistische, op lagere emissiefactoren gebaseerde, emissies vast te leggen. De STAB ziet voorschrift 1 niet als doelvoorschrift, waarbij via doelsturing met emissiemetingen in de stal gestuurd wordt op een emissieplafond. Uit de vvgb volgt dat juist bewust voor een emissieplafond is gekozen, omdat daardoor geen sprake kan zijn van significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden. De gemachtigde van gedeputeerde staten heeft dit op zitting bevestigd. De rechtbank leest in de tweede volzin van dit voorschrift ook een emissieplafond. Het opnemen van een emissieplafond is op grond van rechtspraak van de Afdeling ook mogelijk8, ook al wordt met een natuurtoestemming een concreet project vergund. 117.

Zoals door de STAB uiteen is gezet heeft het emissieplafond tot gevolg dat wanneer de RAVemissiefactor voor het betreffende stalsysteem wordt verhoogd, de maximale jaarlijkse emissie moet worden teruggebracht tot de maximaal vergunde waarde, wat waarschijnlijk tot een vermindering van het aantal kippen moet leiden. Gedeputeerde staten hebben naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat het emissieplafond handhaafbaar is. Niet beoogd is om dit door middel van emissiemetingen te laten vaststellen. Met de drie bekende factoren emissieplafond, emissiefactor en dieren kan berekend worden hoeveel kippen gehouden mogen worden bij een wijziging van de in de regeling opgenomen RAV-emissiefactoren. Dit kan bij een verhoging van de RAV-emissiefactor ongunstig zijn voor de bedrijfsvoering, maar Wiltenburg heeft zich niet verzet tegen dit voorschrift. Op de zitting hebben gedeputeerde staten opgemerkt dat de vvgb zonder dit voorschrift niet zou zijn verleend. De rechtbank acht deze tweede volzin voldoende duidelijk. 118. De derde volzin uit voorschrift 1 vindt de rechtbank onduidelijk. Het roept onder meer de vraag op wanneer het emissieplafond dreigt te worden overschreden, wie dat bepaalt en welke maatregelen dan getroffen moeten worden.

De derde volzin is ook overbodig en de rechtbank is van oordeel dat deze zin geschrapt kan worden, omdat met het opnemen van een emissieplafond al wordt bereikt dat de berekende jaarlijkse stikstofemissies niet mogen worden overschreden en er maatregelen moeten worden genomen als dat wel het geval is. Het voorschrift zal hierop aangepast moeten worden. Ook voor dit gebrek wordt de gelegenheid geboden om dit te herstellen.

Intern salderen en het additionaliteitsvereiste 119. Eisers 3 vinden dat bij de toetsing aan het additionaliteitsvereiste door gedeputeerde staten onvoldoende rekening is gehouden met dreigende of geconstateerde verslechtering van meerdere habitattypen. Zij wijzen op de bevindingen van de Natuurdoelanalyses (NDAs) en de adviezen van de Ecologische Autoriteit. In de Oostelijke Vechtplassen is verdere verslechtering van de stikstofgevoelige habitattypen Vochtige heide (H4010B), Blauwgraslanden (H16140) en Overgangs- en trilvenen (H7140B) niet uit te sluiten. Hetzelfde geldt voor deze habitattypen in de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en voor het habitattype Blauwgraslanden (H16140) in Zouweboezem. De AERIUS Monitor 2025 (AERIUS Monitor) laat voor deze gebieden zien dat de overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW) tot ver voorbij 2030 aanhoudt. Eisers 3 stellen zich op het standpunt dat onvoldoende duidelijk is gemaakt dat binnen afzienbare termijn uitvoering wordt gegeven aan de voor deze habitattypen noodzakelijke daling van stikstofdepositie. 120. In de passende beoordeling is inzichtelijk gemaakt dat de aangevraagde situatie zonder intern salderen effect heeft op 33 aangewezen habitattypen in zes Natura 2000-gebieden.

Door het inzetten van intern salderen als mitigerende maatregel wordt de toename van stikstofdepositie teniet gedaan, waardoor significante effecten op deze gebieden kunnen worden uitgesloten. De aangevraagde situatie leidt tot een

afname van stikstofdepositie van 21,6% ten opzichte van de referentiesituatie. 121. Op de zitting hebben gedeputeerde staten terecht opgemerkt dat de aangevraagde situatie geen effect heeft op het habitattype Blauwgraslanden in de Oostelijke Vechtplassen. De rechtbank stelt vast dat uit tabel 1 in de passende beoordeling volgt dat er geen effect is op de door eisers genoemde habitattypen Vochtige heide (H4010B) en Blauwgraslanden (H16140). Wel is er voor dit gebied als gevolg van het project een effect op de habitattypes Kranswierwateren (ZGH3140) en Overgangs- en trilvenen (H7140B). 122. Onder verwijzing naar de AERIUS Monitor is in de passende beoordeling toegelicht dat daaruit volgt dat de KDW voor 26 van deze 33 habitattypen uiterlijk in 2030 wordt onderschreden. De overige 7 habitattypen, verdeeld over de Natura 2000-gebieden Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck, Oostelijke Vechtplassen en Zouweboezem, bevinden zich in 2030 nog niet onder de KDW. Tussen partijen is dit niet in geschil. De gronden van eisers zijn gericht op de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen, Nieuwkoopse Plassen en De Haeck en Zouweboezem. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voor deze drie gebieden aan het additionaliteitsvereiste is voldaan. 123.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een maatregel die als instandhoudings- of passende maatregel kan worden ingezet alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als, gelet op de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstelling, het behoud van natuurwaarden is geborgd, of in het geval er een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd (het additionaliteitsvereiste). Dit betekent dat inzichtelijk moet worden gemaakt met welke andere maatregelen dan de inzet van de gehele referentiesituatie een daling van de stikstofdepositie voor betrokken overbelaste Natura 2000-gebieden kan worden gerealiseerd.9 Bij de gewijzigde voortzetting van een project, zoals hier aan de orde, geldt het additionaliteitsvereiste niet alleen voor de wijziging of beëindiging van onderdelen van de bestaande vergunde situatie, maar ook voor de continuering van onderdelen van de bestaande vergunde situatie. Volgens deze rechtspraak moet de motivering zijn toegesneden op de instandhoudingsdoelstellingen en de staat van instandhouding van de betrokken Natura 2000-gebieden.

Omdat deze doelen op gebiedsniveau worden vastgesteld en de staat van instandhouding per gebied wordt beoordeeld, moet de vraag of het behoud van de natuurwaarden is geborgd, dan wel of de verbeter- of hersteldoelstellingen worden gerealiseerd ook op gebiedsniveau worden beantwoord. 124. Gedeputeerde staten hebben in de passende beoordeling betrokken dat met de aangevraagde situatie, door intern salderen, een daling wordt gerealiseerd op de 7 overbelaste habitattypen. Verder staat beschreven dat de AERIUS Monitor voor deze 7 habitattypen een dalende trend van stikstofdepositie laat zien. Ook is vermeld dat er in de provincie Utrecht de afgelopen twee jaar vier natuurvergunningen zijn verleend voor bedrijfsverplaatsingen in het belang van de natuur en dat verder een natuurvergunning gedeeltelijk is ingetrokken. Deze besluiten zijn inmiddels onherroepelijk en leveren een bijdrage aan het terugdringen van de stikstofdepositie. In tabel 3 in de passende beoordeling is inzichtelijk gemaakt tot welke afname van stikstofdepositie en ammoniakdepositie op de Natura 2000-gebieden dit leidt. Voor de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck gaat het om een afname van stikstofdepositie van 38,24 mol per jaar en van 37,60 mol per jaar voor ammoniakdepositie.

Voor de Oostelijke Vechtplassen bedraagt de afname van stikstofdepositie 9.425,79 mol per jaar en de afname van ammoniakdepositie 9.323,03 mol per jaar. Op het gebied Zouweboezem is er een afname van stikstofdepositie van 0,14 mol per jaar. 125. Verder is in de passende beoordeling opgemerkt dat ook gekeken is naar de NDAs en de EA-adviezen, waarbij is vermeld dat deze in 2023 zijn opgesteld en de conclusies daarom kunnen afwijken van de resultaten die nu zichtbaar zijn in de AERIUS Monitor. Voor de betrokken Natura 2000-gebieden waarop de aangevraagde situatie gevolgen heeft, is in de passende beoordeling een gebiedsspecifieke omschrijving gegeven. Gemotiveerd is dat de provincie Utrecht een bedrag van 249 miljoen euro van het Rijk toebedeeld heeft gekregen voor het uitvoeren van maatregelen voor betere natuur, gezond en voldoende water, aanpassingen aan klimaatverandering en verduurzaming van landbouw in de provincie. Deze maatregelen staan beschreven in zes maatregelpakketten, waarvan er één betrekking heeft op de Utrechtse Natura 2000-gebieden. In de passende beoordeling is toegelicht welke gebiedsspecifieke

maatregelen in de gebieden Zouweboezem en Uiterwaarden Lek zullen worden uitgevoerd. Ook voorziet het maatregelenpakket in een algemene maatregel. In een overgangszone van 500 meter rondom de Utrechtse delen van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zal extensivering van het grondgebruik plaatsvinden, waardoor 219 hectare agrarische gronden voor 60% worden afgewaardeerd vanwege verminderde bemesting. Door de verminderde bemesting in deze overgangszones, zal de stikstofdepositie op de Utrechtse delen van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden afnemen. Verder is in de passende beoordeling verwezen naar de maatregelen die vanuit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering zijn vastgesteld in het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering. 126. De passende beoordeling beschrijft verder dat de bronmaatregelen die in de provincie Noord-Holland worden genomen ook belangrijk zijn, omdat het gebied Oostelijke Vechtplassen naast de provincie NoordHolland ligt. Van de maatregelen uit de Roadmap Reductie stikstofdepositie industriële piekbelasters Noord-Holland wordt in 2030 een stikstofreductie van 38% verwacht.

Daarnaast is het Provinciaal Programma Landelijk Gebied van Noord-Holland vastgesteld en is een maatregelenpakket voorgesteld waarmee vóór 2035 de in de directe nabijheid van de meest stikstofgevoelige natuurgebieden in NoordHolland (waaronder Oostelijke Vechtplassen) de uitstoot van stikstof vanuit de landbouw met 30-50% afneemt en de schade van stikstof voor de natuur met 40-60% vermindert. Het gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck ligt gedeeltelijk in de provincie Zuid-Holland. Daarom is in de passende beoordeling ook ingegaan op de stikstofmaatregelen uit het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied en het Stikstofmaatregelenpakket Samenhangende Aanpak Natuurherstel en Economie. De effecten van de vier hoofdmaatregelen uit deze samenhangende aanpak zijn daarin uitgewerkt. 127. De rechtbank is van oordeel dat de motivering in de passende beoordeling dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan, niet toereikend is. Uit de passende beoordeling kan niet worden afgeleid wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn voor de drie Natura 2000-gebieden die hier in geschil zijn. De instandhoudingsdoelstelling en de staat van instandhouding van de Natura 2000-gebieden vormen de basis bij de toetsing aan het additionaliteitsvereiste. Het gaat er immers om op welke wijze het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen is geborgd, zonder inzet van de referentiesituatie.

Uit de passende beoordeling volgt per gebied dat de stikstofdepositie verder moet worden teruggedrongen, maar niet blijkt dat is onderzocht wat de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstellingen zijn van die gebieden. Bovendien blijkt uit de passende beoordeling niet hoe groot en binnen welke termijn de afname van stikstofdepositie gelet op de instandhoudingsdoelstellingen moeten worden bereikt. Dit is van belang voor de vraag of aannemelijk is dat voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen een blijvende daling van stikstofdepositie voldoende is, wat eisers gelet op de inhoud van de NDAs en de adviezen van de Ecologische Autoriteit betwisten.10 Daarbij merkt de rechtbank op zoals ook uit de rechtspraak van de Afdeling volgt de KDW geen absolute grenswaarde is voor het bepalen van een gunstige staat van instandhouding. 128. Indien gedeputeerde staten inzichtelijk hebben gemaakt dat voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen een (blijvende) daling van de stikstofdepositie voldoende is, moeten zij vervolgens inzichtelijk maken met welke andere maatregelen op gebiedsniveau een daling van de stikstofdepositie voor de drie Natura 2000-gebieden die hier in geschil zijn kan worden gerealiseerd. Met de in de passende beoordeling opgesomde maatregelen hebben gedeputeerde staten dit naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt.

De vertaalslag van de maatregelen naar gegevens over de daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau mist. Alleen voor de natuurvergunningen voor bedrijfsverplaatsingen en de gedeeltelijke intrekking van een natuurvergunning zijn de effecten op de afname van stikstofdepositie per gebied in kaart gebracht. De rechtbank vindt dit onvoldoende om van een blijvende daling uit te gaan voor de drie Natura 2000-gebieden die in geschil zijn. De effecten van de andere maatregelen zijn niet inzichtelijk gemaakt. Dat de AERIUS Monitor volgens de passende beoordeling een dalende trend van stikstofdepositie laat zien, is op zichzelf onvoldoende om tot het oordeel te komen dat aannemelijk is gemaakt dat de inzet van de referentiesituatie niet nodig is om een daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau te realiseren. Bij de beoordeling op gebiedsniveau is in de passende beoordeling ook vermeld dat het vergunnen van de aangevraagde situatie bijdraagt aan het reduceren van stikstofdepositie, maar dat is een aspect dat niet in de toets betrokken mag worden. Het

additionaliteitsvereiste ziet immers op de vraag of de mitigerende maatregel die wordt ingezet, niet al nodig is als instandhoudings- of passende maatregel. Omdat de onderbouwing van het additionaliteitsvereiste niet voldoende is, zal de rechtbank het college in de gelegenheid stellen om gedeputeerde staten om het motiveringsgebrek te herstellen, maar gedeputeerde staten kunnen ook een ander besluit nemen en de vvgb weigeren.

Conclusie en gevolgen 129. Onder verwijzing naar de overwegingen over geluid, de (geur)voorschriften 3.8 en 3.10, voorschrift 1 bij de vvgb en het additionaliteitsvereiste komt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit op deze onderdelen in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank stelt het college in de gelegenheid om de gebreken te herstellen. 130. Het herstellen van de gebreken kan uitsluitend met een nieuw besluit. Voor de aanwijzingen om het gebrek ten aan zien van geluid te herstellen, verwijst de rechtbank naar de overwegingen 57 tot en met 65. 131. Voor het herstel van de voorschriften 3.8 en 3.10 wijst de rechtbank op de overwegingen 74 en 80. Ook voorschrift 1 bij de vvgb moet aangepast worden door het schrappen van de laatste volzin. De rechtbank geeft het college hierbij in overweging om de voorschriften uit de vvgb ook toe te voegen aan de voorschriften bij de omgevingsvergunning. Dat maakt het overzichtelijker en daarmee wordt tegemoetgekomen aan een bezwaar van eisers 3. 132.

Het college kan het geconstateerde gebrek ten aanzien van het additionaliteitsvereiste herstellen door gedeputeerde staten alsnog toereikend te laten motiveren dat met de maatregelen sprake is van een daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau, waardoor de inzet van de referentiesituatie als mitigerende maatregel in de passende beoordeling kan worden betrokken. Het gebrek kan hersteld worden met een nadere onderbouwing van de vvgb en de passende beoordeling, maar gedeputeerde staten kunnen ook een ander besluit nemen en de vvgb weigeren. 133. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. Een nieuw besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te worden gemaakt en medegedeeld. 134. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek/de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. 135.

Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak zal worden gevoerd, zal in beginsel beperkt blijven tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. 136. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank: - draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en mr. R.S. Wertheim, leden, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1

Met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.

2

ECLI:NL:RVS:2024:4923 (18 december-uitspraak).

3

Artikel 3.10, derde lid, van de Wabo.

4

Bijvoorbeeld de uitspraak van 10 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2460.

5

Uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:644.

6

STAB-verslag, p. 43.

7

ECLI:NL:RBOBR:2022:4211.

8

Uitspraak van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2587.

Uitspraken van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:625 (GOL-uitspraak), en 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981 (ViA15-uitspraak). 9

10

Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:3981 (ViA15), rechtsoverweging 4.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/736/documents/21593