CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A03.1 bijlage 1 - Tussenuitspraak omgevingsvergunning Pluimveebedrijf Wiltenburg.pdf

Gemeenteraad 9 juli 2026, gemeente OudewaterBij agendapunt: 5: Vastellen wijze van afdoening van de ingekomen stukken16.455 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ECLI:NL:RBMNE:2026:879 Instantie

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak

10-03-2026

Datum publicatie

31-03-2026

Zaaknummer

24/2508. 24/2706 en 24/3041

Rechtsgebieden

Omgevingsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg - meervoudig Tussenuitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Omgevingsvergunning pluimveebedrijf voor bouwen van wintergartens in twee bestaande pluimveestallen en het aanpassen van bestaande stalsystemen. Inschakeling STAB. De beroepsgronden over fijnstof, endotoxinen, water- en energieverbruik slagen niet. Geurberekening is op juiste wijze uitgevoerd. Bij de omliggende woningen kan aan de geurnormen worden voldaan, maar de formulering van twee geurvoorschriften moet wel aangepast worden. Akoestisch onderzoek dat aan geluidvoorschriften ten grondslag ligt, is niet correct en compleet. Het pluimveebedrijf kan niet aan alle vergunde grenswaarden voldoen. Omgevingsvergunning is op dit punt gebrekkig. De motivering waarom geen MER opgesteld hoeft te worden, moet aangepast worden als het college ervoor kiest om de geluidvoorschriften te wijzigen met hogere geluidnormen. Vvgb, passende beoordeling en intern salderen. Voor de beoordeling van de effecten van stikstof in de referentiesituatie en de aangevraagde situatie kon van de RAV-emissiefactoren voor volièrehuisvesting uit worden gegaan. Onvoldoende gemotiveerd dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan. Het college krijgt de gelegenheid om de gebreken te herstellen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Uitspraak RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 24/2508, UTR 24/2706 en UTR 24/3041 tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaken tussen 1. [eiser sub 1]uit [plaats] 2. [eiser sub 2]uit [plaats] (gemachtigde: mr. V. Wösten) 3. Vereniging Leefmilieu, gevestigd in Nijmegen, en [eiser sub 3] en anderen, uit [plaats] en [plaats] (gemachtigde: mr. V. Wösten)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oudewater (het college), verweerder (gemachtigde: mr. S. de Rijke).

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: 1. [derde belanghebbende] V.O.F.uit [plaats] 2. het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrechtgedeputeerde staten) (gemachtigde: mr. H. Heite)

Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college op 26 februari 2024 aan [derde belanghebbende] heeft verleend. [derde belanghebbende] is een pluimveehouderij met ruim 122.000 kippen, waarvan 24.000 opfokhennen en verder legkippen. De omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van wintergartens in twee bestaande pluimveestallen waar kippen inpandig kunnen scharrelen, het aanpassen van bestaande stalsystemen en het realiseren van een regenkap voor een wandventilator. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden en verschillende oude voorschriften zijn geactualiseerd om aan de BBT conclusies voor de intensieve veehouderij te voldoen. Gedeputeerde staten hebben met een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) een natuurtoestemming verleend. 2. Het pluimveebedrijf is gevestigd op het perceel [adres 1] in [plaats] . [eiser sub 1] (eiser 1) woont aan de [adres 2] , in de kern van [plaats] , op een hemelsbrede afstand van ongeveer 500 meter van het pluimveebedrijf. [eiser sub 2] (eiser 2) woont aan de [adres 3] , dat direct grenst aan het perceel van het pluimveebedrijf. Vereniging Leefmilieu komt op voor het algemeen belang van handhaving dan wel bevordering van een goed leefmilieu in de meest algemene zin van het woord en behartigt de belangen van haar leden op gebieden van leefmilieu, groen- en milieubeheer.

Eisers [eiser sub 3] en anderen, de overige, zijn natuurlijke personen en zij wonen allemaal in de directe omgeving van het pluimveebedrijf. Zij worden hierna samen aangeduid als eisers 3. 3. Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, omdat zij de milieugevolgen voor de omgeving onaanvaardbaar vinden. Het gaat om uiteenlopende milieugevolgen, zoals geur, geluid, fijnstof, endotoxinen en stikstofdepositie. Eisers 2 en 3 richten zich ook tegen de door gedeputeerde staten verleende verklaring van geen bedenkingen (vvgb). 4. Het college en gedeputeerde staten stellen zich kort gezegd op het standpunt dat de milieugevolgen ten opzichte van de referentiesituatie niet verslechteren en soms zelfs verbeteren. Dat komt onder meer omdat 840 minder kippen zijn aangevraagd en vergund. 5. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) ingeschakeld om zich te laten adviseren over de technische aspecten van de ingestelde beroepen, waaronder de werking van de stalsystemen, emissies van geur en ammoniak, fijnstof, endotoxinen, geluid, waterverbruik, afvalwater, Beste Beschikbare Technieken (BBT) en verkeer. 6. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot de volgende oordelen.

Er heeft een onjuiste vvgb ter inzage heeft gelegen, maar dat dit gebrek kan worden gepasseerd.1 Ook oordeelt de rechtbank dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen revisievergunning nodig is, omdat geen sprake is van een wezenlijke andere inrichting of van een onoverzichtelijk vergunningenbestand. 7. De rechtbank oordeelt verder dat uit berekeningen blijkt dat aan de wettelijke grenswaarden van fijnstof wordt voldaan en dat de door het college gemaakte afweging van de gezondheidsrisicos als gevolg

van de uitstoot van endotoxinen niet onredelijk is. 8. De beroepsgronden over geluid leiden de rechtbank tot het oordeel dat het akoestisch onderzoek dat aan geluidvoorschriften ten grondslag ligt niet correct en compleet is en dat het pluimveebedrijf niet aan alle vergunde grenswaarden kan voldoen. Op basis van het door eisers 3 ingebrachte geluidrapport en de bevindingen van de STAB heeft het college al voor de zitting geconstateerd dat de geluidvoorschriften uit de omgevingsvergunning niet ongewijzigd in stand kunnen blijven. De rechtbank stelt het college met deze tussenuitspraak in de gelegenheid om de gebreken in het akoestisch onderzoek te herstellen, waarna het college opnieuw moet afwegen of de nieuw beoordeelde geluidsituatie aanvaardbaar is gelet op bescherming van het milieu, waar een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van de omwonenden onder valt. Deze beoordeling kan leiden tot een weigering van de omgevingsvergunning als het college de geluidsituatie niet aanvaardbaar vindt of tot aanpassing van de geluidvoorschriften als het college de geluidsituatie wel aanvaardbaar vindt. 9. Over het aspect geur oordeelt de rechtbank dat in de geurberekening de buitenwanden van de wintergartens terecht niet als emissiepunten zijn meegenomen, de juiste uittreesnelheid voor de stallen 3 en 4 is gehanteerd en de droogtunnel terecht niet als geurbron is meegenomen.

Uit de geurberekening volgt dat bij de omliggende woningen aan de geurnormen kan worden voldaan, zodat geen sprake is van een overbelaste situatie. Met voorschrift 3.7 is de vereiste onderdruk in de wintergartens voldoende gewaarborgd. De formulering van voorschrift 3.8 moet enigszins aangepast worden om de onderdruk te kunnen controleren. Ook voorschrift 3.10 moet aangepast worden om te verduidelijken dat de ventilatiesnelheid waarmee de regelkleppen worden aangestuurd automatisch moet worden geregistreerd. De rechtbank geeft het college voor deze voorschriften de mogelijkheid tot aanpassing. Verder oordeelt de rechtbank dat in het verplicht op te stellen geurbeheerplan geen geurmetingen voorgeschreven hoeven te worden op basis van NEN 9065. 10. De rechtbank oordeelt dat het jaarlijkse waterverbruik passend is voor het pluimveebedrijf met deze omvang. Daarnaast is vast komen te staan dat geen afvalwater uit de stallen op het riool wordt geloosd, maar alleen afvalwater van huishoudelijke aard waarvoor algemene regels gelden. Naar het oordeel van de rechtbank is met de voorschriften over waterbesparing en energiegebruik voldaan aan de van toepassing zijnde BBT. 11.

Verder oordeelt de rechtbank dat de motivering waarom geen MER opgesteld hoeft te worden, aangepast moet worden als het college ervoor kiest om de geluidvoorschriften te wijzigen met hogere geluidnormen, omdat voor geluid is overwogen dat de geluidbelasting binnen de vergunde geluidnormen blijft waardoor geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. 12. De rechtbank oordeelt dat in de vvgb voor zowel de referentiesituatie als de aangevraagde situatie van de RAV-emissiefactoren van volièrehuisvesting uitgegaan mocht worden. Gedeputeerde staten hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 18 december 20242 een passende beoordeling opgesteld en daarin inzichtelijk gemaakt dat de aangevraagde situatie effect heeft op 33 aangewezen habitattypen in zes Natura 2000-gebieden en dat deze effecten door het inzetten van intern salderen als mitigerende maatregel volledig teniet worden gedaan, omdat sprake is van een afname van stikstofdeposities. De rechtbank komt tot het oordeel dat de motivering dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan, niet toereikend is. Het college krijgt de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.

Voorschrift 1 van de vvgb dat een emissieplafond bevat is naar het oordeel van de rechtbank handhaafbaar, op voorwaarde dat de laatste volzin wordt aangepast met inachtneming van wat de rechtbank hieronder zal overwogen. 13. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen is gekomen. Dit is te lezen in de overwegingen 22 en verder. Onder overwegingen 14 21 staat het procesverloop beschreven.

Procesverloop 14. Op 24 juni 2020 heeft het pluimveebedrijf een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van wintergartens in twee pluimveestallen en het aanpassen van bestaande stalsystemen en dieraantallen. De aanvraag is daarna een aantal keer aangevuld. 15. In de periode van 9 februari 2022 tot en met 22 maart 2022 hebben het ontwerpbesluit van de omgevingsvergunning en de ontwerp-vvgb met de bijbehorende stukken ter inzage gelegen. Naar aanleiding van de zienswijzen hebben gedeputeerde staten op 20 april 2023 een nieuwe ontwerp-vvgb afgegeven. 16. Op 10 februari 2023 heeft het pluimveebedrijf een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een regenkap voor een wandventilator. 17. In de periode van 17 oktober 2023 tot en met 27 november 2023 heeft het ontwerpbesluit met de bijbehorende stukken opnieuw ter inzage gelegen. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 26 februari 2024 verleend voor de activiteiten bouwen en veranderen van de inrichting en gedeputeerde staten hebben met de vvgb de toestemming voor Natura 2000-activiteit (natuurtoestemming) verleend. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld. 18. De rechtbank heeft op 5 juni 2025 een regiezitting gehouden, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft laten vertegenwoordigen.

Op deze zitting is met partijen besproken wat nodig is om de beroepen inhoudelijk te kunnen behandelen en is het tijdspad naar de inhoudelijke behandeling besproken. De beroepsgronden gaan onder meer over de milieugevolgen van de omgevingsvergunning, zoals geur, geluid, fijnstof, endotoxinewaarden en stikstofdepositie. Gelet op technische aard van deze beroepsgronden is met partijen gesproken over de mogelijkheid om de STAB in te schakelen. 19. De rechtbank heeft vervolgens de STAB als deskundige benoemd voor het uitbrengen van een advies. Op 30 oktober 2025 heeft de STAB een verslag uitgebracht. Het college heeft hier schriftelijk op gereageerd. 20. Het college heeft op 5 november 2025 een verweerschrift met daarbij een passende beoordeling ingediend. De gemachtigde van eiser 2 en eisers 3 heeft een reactie gegeven op de passende beoordeling. 21. De rechtbank heeft de beroepen op de zitting van 25 november 2025 inhoudelijk behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: - [eiser sub 1] , eiser 1; - Namens eisers 3 zijn in ieder geval [eiser sub 3] , [eiser sub 3] en [eiser sub 3] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde; - Namens het college: mr. S. de Rijke, gemachtigde, mr. A. van Brenk en [A] , beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Utrecht (Odru); - P.T. Wiltenburg, een van de vennoten van [derde belanghebbende] V.O.F.; - Namens gedeputeerde staten: mr. H.S.

Heite, gemachtigde, en [B] ; - STAB-adviseurs: ing. C.A. van Drimmelen, R.M. de Vogel, R. Plak MSc en drs. J.F. Schuurman.

Beoordeling door de rechtbank

Wabo van toepassing 22. Per 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Beoordeling beroepsgronden 23. Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank of de omgevingsvergunning en de vvgb in stand kunnen blijven. De rechtbank zal eerst de formele beroepsgronden beoordelen. Daarna komen de inhoudelijke beroepsgronden aan bod.

Onjuiste vvgb ter inzage gelegen 24. Eisers 3 voeren aan dat bij de tweede terinzagelegging van het ontwerpbesluit een onjuiste vvgb ter inzage lag. Daarom moet de omgevingsvergunning worden vernietigd en moeten alsnog de juiste stukken ter inzage worden gelegd. 25. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat twee keer een ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen. Op 23 juni 2021 hebben gedeputeerde staten een ontwerp-vvgb afgegeven. Deze vvgb heeft met het ontwerpbesluit ter inzage gelegen van 9 februari 2022 tot en met 22 maart 2022. Naar aanleiding van ingediende zienswijzen heeft het college opnieuw aan gedeputeerde staten verzocht een vvgb af te geven. Deze is op 20 april 2023 afgegeven. Vervolgens is het tweede ontwerpbesluit bekendgemaakt en hebben de stukken ter inzage gelegen van 17 oktober 2023 tot en met 27 november 2023. Tussen partijen is niet in geschil dat daarbij per abuis de oude ontwerp-vvgb van 23 juni 2021 ter inzage heeft gelegen. Het college ziet dit niet als een gebrek, omdat gelijk nadat duidelijk werd dat de verkeerde ontwerp-vvgb ter inzage lag, de juiste ontwerp-vvgb aan de indieners van de zienswijzen is gemaild.

De rechtbank volgt het college hierin niet en oordeelt dat de ontwerp-vvgb een op de zaak betrekking hebbend stuk is en dat het ter inzage leggen van een onjuiste vvgb in strijd is met artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 26. Op grond van artikel 6:22 van de Awb kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. 27. Eisers 3 vinden dat dit gebrek niet gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat niet is uitgesloten dat het publiek hierdoor is benadeeld. De rechtbank denkt daar anders over. Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat andere belanghebbenden dan eisers niet zijn benadeeld doordat de verkeerde vvgb ter inzage heeft gelegen. In het tweede ontwerpbesluit staat vermeld dat nogmaals bij de provincie is verzocht om een vvgb af te geven en dat de vvgb met het besluit van 20 april 2023 is afgegeven. Hierdoor hadden ook andere belanghebbenden dan eisers op de hoogte kunnen zijn van het bestaan van deze nieuwe ontwerp-vvgb en dit gebrek in een zienswijze aan de orde kunnen stellen.

Bovendien zijn de inhoud en strekking van de vvgb niet gewijzigd; ook bij de tweede vvgb hebben gedeputeerde staten deze vvgb opnieuw verleend. Op welke wijze andere belanghebbenden dan benadeeld zouden zijn bij de vraag of zij wel of geen zienswijzen en vervolgens beroep wilden instellen, is desgevraagd niet nader door eisers onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.

Revisievergunning vereist? 28. Eisers 3 vinden dat een revisievergunning aangevraagd had moeten worden, omdat de wijzigingen een aanzienlijk deel van de bedrijfsvoering raken en sprake is van een onoverzichtelijke vergunningssituatie. Zij wijzen op een notitie van de Odru van 12 februari 2018, waarin is geadviseerd om de aanvrager bij een nieuwe aanvraag te verzoeken om een revisievergunning, omdat na de milieuvergunning uit 2008 verschillende vergunningen zijn verleend, de nieuwe BBT-conclusies Intensieve veehouderij zijn gepubliceerd en relevante wetswijzigingen hebben plaatsgevonden. Hierbij komt dat de vergunningvoorschriften van de verleende omgevingsvergunning mede betrekking hebben op de in 2008 vergunde installatie. Hierdoor wordt onduidelijk hoe de beide vergunningdossiers en voorschriften zich tot elkaar verhouden. 29. Het college kan bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu voor het veranderen van de inrichting van een aanvrager verlangen dat een revisievergunning wordt aangevraagd. Dit staat in artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling heeft het bevoegd gezag beleidsruimte bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo. Het belang van een overzichtelijk vergunningenbestand kan een reden zijn een revisievergunning te verlangen.

Een revisievergunning kan ook verlangd worden bij veranderingen van zodanige aard dat een wezenlijk andere inrichting ontstaat. 30. Het college heeft aan het pluimveebedrijf verzocht een revisievergunning aan te vragen, maar het pluimveebedrijf heeft dat niet gedaan. Het college is van mening dat dit niet kan worden afgedwongen, omdat het om relatief kleine wijzigingen van de inrichting gaat. De inrichting bestaat uit drie stallen, die worden aangeduid met de nummers 3, 4 en 7. De rechtbank kan het college volgen in zijn toelichting dat de vergunde veranderingen niet zodanig van aard zijn dat een wezenlijk andere inrichting is ontstaan en een revisievergunning moet worden aangevraagd. Uitsluitend in stalnummers 3 en 4 worden inpandig wijzigingen aangebracht voor het realiseren van de wintergartens, waarmee eveneens het ventilatiesysteem wijzigt. Dit is geen verandering waardoor een wezenlijk andere inrichting ontstaat. Er is nog steeds sprake van een volièresysteem waarbij het aantal kippen bovendien niet wezenlijk wijzigt. 31. In de omgevingsvergunning is de vergunde situatie uiteengezet. Deze bestaat uit de vergunning van 16 december 2008, vier omgevingsvergunningen voor milieuneutrale wijzigingen,3 een melding op grond van artikel 8.19 Wet milieubeheer en een melding op grond van het Activiteitenbesluit. 32.

Op de zitting heeft het college toegelicht dat aan de vier omgevingsvergunningen die na 2008 zijn verleend, geen voorschriften zijn verbonden. Dit betekent dat voor het pluimveebedrijf de voorschriften uit de vergunning van 2008 gelden, aangevuld met de voorschriften bij de onderhavige omgevingsvergunning en de voorschriften bij de vvgb. De rechtbank overweegt dat de voorschriften naast elkaar bestaan, tenzij anders is bepaald. Zo volgt uit voorschrift 2.1 dat het geluidvoorschrift 2.7 uit de vergunning van 2008 niet meer geldt. Eisers hebben op de zitting naar voren gebracht dat in de voorschriften uit de vergunning van 2008 een koppeling is gemaakt met het akoestisch rapport van G&O Consult van 25 oktober 2007, terwijl aan de omgevingsvergunning een nieuw akoestisch rapport ten grondslag ligt waarin de hele inrichting is beoordeeld. Dit maakt niet dat de voorschriften op zichzelf onduidelijk of tegenstrijdig zijn. In de geluidvoorschriften uit de vergunning van 2008 wordt verwezen naar de rekenpunten uit het akoestisch rapport van 25 oktober 2007 waarvoor een maximale geluidbelasting geldt. Dat er inmiddels een nieuw akoestisch onderzoek is, maakt niet dat de geluidvoorschriften uit 2008 om die reden onduidelijk zijn. Er zal nog steeds op deze rekenpunten voldaan moeten worden aan de maximale geluidbelasting.

De rechtbank oordeelt dat van een onoverzichtelijk vergunningenbestand om die reden eveneens geen sprake is. 33. Voor het oordeel dat het college een revisievergunning van het pluimveebedrijf had moeten verlangen, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat de Odru in 2018 anders heeft geadviseerd, leidt de rechtbank gelet op het voorgaande niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Toetsingskader 34. De inhoudelijke beroepsgronden richting zich alleen tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit veranderen van een inrichting. Op grond van artikel 2.14, derde lid, van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor deze activiteit slechts worden geweigerd in het belang van de bescherming van het milieu. Het bevoegd gezag heeft beoordelingsruimte bij de vraag wat in het belang van de bescherming van het milieu nodig is.

STAB-verslag als uitgangspunt 35. Voor de inhoudelijke geschilpunten heeft de STAB als deskundige advies uitgebracht. Zoals de rechtbank ook op de zitting heeft uitgelegd, neemt zij het STAB-verslag als uitgangspunt bij de beoordeling van de geschilpunten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag een rechter in beginsel afgaan op de inhoud van het verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Awb. Dat is slechts anders indien dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.

Gezondheidsrisicos: fijnstof, endotoxinen en vogelgriep 36. Alle eisers betogen dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden vanwege de gezondheidsrisicos van fijnstof en endotoxinen voor omwonenden. Zij voeren aan dat in de vergunde situatie nog steeds sprake is van een overbelaste situatie voor endotoxinen binnen een straal van 200 meter rond het bedrijf. Eisers vinden dat het rapport van de GGD waarin de gezondheidsrisico's van endotoxinen staan beschreven onvoldoende in de besluitvorming is betrokken. Eisers twijfelen verder aan de werking van de fijnstofemissie reducerende maatregelen.

Fijnstof 37. Uit de pluimveestallen komt fijnstof vrij. In de omgevingsvergunning staat dat de emissie van fijnstof afneemt, maar dat ondanks de afname een berekening is uitgevoerd met het verspreidingsmodel ISL3a. Uit deze berekening volgt dat de concentraties PM10 en PM2,5 voldoen aan de wettelijke grenswaarden. Verder worden met betrekking tot de aangevraagde wijzigingen nieuwe fijnstof reducerende maatregelen getroffen, waarmee aan de BBT voor fijnstof wordt voldaan. Het gaat om deze maatregelen: - Stal 3 is voor de leghennen voorzien van een droogtunnel met 30% emissiereductie; - Stal 4 is op de begane grond voorzien van een strooiselschuif met 20% emissiereductie en op de verdieping voorzien van positieve ionisatie door middel van koolstofborsteltjes met 31% emissiereductie. 38. In het STAB-verslag is uiteengezet welke grenswaarden op grond van de Wet milieubeheer voor fijnstof gelden. Het pluimveebedrijf had in de bestaande situatie een vergunde fijnstofemissie van 5.955,84 kg/jaar. Binnen het bedrijf worden verschillende fijnstof reducerende maatregelen getroffen. In de aanvraag is uitgegaan van een fijnstofproductie van 4.566 kg/jaar. Dit is een afname van (primair) fijnstof van 1.389,84 kg/jaar. De STAB bevestigt dat uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van overschrijding van de grenswaarden van fijnstof.

Wel is sprake van een overschrijding van de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO). De STAB heeft verder uitleg gegeven over de vorming van secundair fijnstof. Secundair fijnstof vormt samen met primair fijnstof de achtergrondconcentratie van fijnstof in Nederland en kan niet direct naar de bron worden herleid. Door de manier waarop secundair fijnstof zich vormt, leidt een hogere ammoniakemissie tot een uiteindelijk hogere achtergrondconcentratie van fijnstof in Nederland. Omdat de omgevingsvergunning geen toename van ammoniakemissie toestaat, is er geen reden om aan te nemen dat er sprake zal zijn van een toename van secundair fijnstof, aldus de STAB.

39. Eiser 1 heeft in reactie op het STAB-verslag voor het eerst op de zitting naar voren gebracht dat de situatie in de praktijk anders is, omdat overal op en rondom het terrein van de inrichting stof aanwezig is. Door de STAB is zowel in het verslag als op de zitting uiteengezet hoe de bedrijfssituatie van het bedrijf is vastgesteld. Eiser heeft niet met controleerbare gegevens onderbouwd dat deze bedrijfssituatie niet juist of onvolledig is beschreven door de STAB. De rechtbank ziet verder ook geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de STAB over fijnstof. Eisers 3 betwisten weliswaar de werking van de emissiereducerende technieken in de stallen, maar hebben op geen enkele wijze onderbouwd waarom daaraan getwijfeld zou moeten worden. 40. Nu er geen reden is om het STAB-verslag niet te volgen, constateert de rechtbank dat er wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor fijnstof. Voor zover eisers betogen dat moet worden voldaan aan de WHO-advieswaarden voor luchtkwaliteit overweegt de rechtbank in lijn met vaste rechtspraak van de Afdeling dat deze advieswaarden geen dwingende status hebben. Verder blijkt uit het STAB-verslag dat met de verleende omgevingsvergunning er een afname van fijnstof zal zijn door het toepassen van extra fijnstofreducerende maatregelen.

Aldus mocht het college wat betreft het aspect fijnstof concluderen dat hierin geen reden ligt om de vergunning te weigeren.

Endotoxinen 41. Endotoxinen verspreiden zich met het fijnstof dat uit de pluimveestallen komt. Het is gebruikelijk om de emissie van endotoxinen te koppelen aan de emissie van de fijnstoffractie PM10. Dit betekent dat als de fijnstofemissie afneemt, de emissie van endotoxinen eveneens afneemt. Voor endotoxinen gelden geen wettelijke grenswaarden en er is ook geen landelijk toetsingskader. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het aan het college is om bij het besluit over vergunningverlening te bepalen of en zo ja, welke maatregelen bij endotoxinen in het belang van de bescherming van het milieu nodig zijn. Bij die bepaling heeft het college beoordelingsruimte.4 Ook heeft de Afdeling eerder geoordeeld dat het voorzorgsbeginsel niet zover strekt dat het college uitvoering moet geven aan de advieswaarde van de WHO.5 42. De STAB heeft toegelicht dat de WHO in 2012 een advieswaarde van 30 EU/m³ heeft vastgesteld. Verder is beschreven dat vanaf 2013 onderzocht is of een toetsingskader voor endotoxine-emissies uit stallen mogelijk en zinvol is, maar dat twee onderzoeksprogrammas niet hebben geleid tot een landelijk toetsingskader op basis van emissiefactoren en een verspreidingsmodel met als norm 30 EU/m³. De provincie Noord-Brabant heeft het zogenoemde Endotoxine toetsingskader 1.0 laten ontwikkelen.

Daarmee kan bepaald worden of in een aangevraagde situatie gevoelige objecten aanwezig zijn binnen de afstand waarbij de endotoxinewaarde boven de advieswaarde van 30 EU/m³ ligt. Het is een eenvoudig model, waarbij slechts de afstand kan worden berekend waarop wordt voldaan aan de advieswaarde. Het is niet mogelijk om per woning de concentratie endotoxinen te berekenen. 43. Het college heeft er niet voor gekozen om het Endotoxine toetsingskader 1.0 toe te passen. De STAB heeft het toetsingskader geraadpleegd om een indicatie te geven van de endotoxinebelasting voor de omgeving en hoe deze zich verhoudt met de advieswaarde. In de voorheen vergunde situatie is een afstand van 219 meter vanaf het maatgevende emissiepunt berekend waarbuiten de advieswaarde niet wordt overschreden. Binnen deze cirkel liggen 18 woningen. In de nieuw vergunde situatie is deze afstand enigszins verkleind en geldt een afstand van 201 meter. De advieswaarde wordt in die situatie nog bij 13 woningen overschreden. De emissie van endotoxinen neemt volgens de STAB beperkt af ten opzichte van de voorheen vergunde situatie. De STAB heeft toegelicht dat een flinke emissiereductie zich niet direct vertaalt in een veel kleinere afstand waarbinnen de advieswaarde wordt overschreden. 44.

Eiser 1 heeft naar voren gebracht dat in de vergunning uit 2008 een norm van 5 mg/Nm³ was opgenomen en betoogt dat voor endotoxinen deze waarde moet aangehouden worden en niet hoger. In reactie hierop heeft de STAB toegelicht dat dit de norm is voor de emissie van stof; dit is de totale hoeveelheid stof die per kubieke meter lucht mag worden geëmitteerd, maar het is geen norm voor de maximale emissie van endotoxinen.6 De rechtbank volgt de reactie van STAB. Het betoog treft daarom geen doel.

45. In de omgevingsvergunning is het standpunt ingenomen dat nu de emissie van fijnstof afneemt, de emissie van endotoxinen ook afneemt. Daarom is er volgens het college geen toename van risicos voor de volksgezondheid. Op de zitting heeft het college toegelicht dat voor de beoordeling van de risicos voor de volksgezondheid advies is gevraagd aan de GGD en dat dit advies ook is betrokken bij de afweging van het college. In dit advies staat dat in de aangevraagde situatie tot 200 meter van de pluimveehouderij een duidelijke overschrijding plaatsvindt van de advieswaarde van 30 EU/m³. De aangevraagde situatie leidt volgens het advies tot een kleine verbetering ten opzichte van de oorspronkelijke situatie, onder andere door toepassing van fijnstofreducerende technieken. Uitgangspunt is te streven naar een zo laag mogelijke emissie. Het college heeft op de zitting uiteengezet dat naar aanleiding van dit advies maximaal is ingezet op maatregelen om het fijnstof zoveel als mogelijk te reduceren, zodat daardoor ook de risicos voor de volksgezondheid worden verkleind. Uit het STAB-verslag blijkt ook dat dit effect heeft, omdat de cirkel waarbinnen de advieswaarde wordt overschreden iets kleiner is geworden, waardoor het aantal woningen dat binnen deze cirkel ligt, met vijf woningen afneemt.

Op de zitting heeft de STAB verklaard dat er geen maatregelen te bedenken zijn waardoor bij alle woningen aan de advieswaarde wordt voldaan. Het verplaatsen van de ventilatoren heeft in dit geval geen effect. In alle richtingen rondom het pluimveebedrijf staan woningen. Als de ventilatoren worden verplaatst, dan verplaatst de cirkel waardoor er andere woningen binnen komen te liggen. Het college heeft ook op de zitting benadrukt dat het om een afname in een bestaande situatie gaat en dat dit een andere afweging vergt dan de beoordeling van een aanvraag voor een geheel nieuw op te richten pluimveebedrijf. 46. De rechtbank vindt dat het college met de op zitting gegeven nadere toelichting voldoende heeft onderbouwd op welke wijze de gevolgen van de uitstoot van de emissie van endotoxinen bij de vergunningverlening zijn betrokken. De onderbouwing omvat meer dan alleen de constatering dat sprake is van een afname. Ook is rekening gehouden met de inhoud van het GGD-advies. De rechtbank oordeelt dat het college de gevolgen voor de gezondheidsrisicos in deze situatie in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. Hierbij acht zij van belang dat het hier gaat om een bestaande bedrijfssituatie, waarbij het college in lijn met het GGD-advies heeft gevraagd maatregelen te treffen om het fijnstof en daarmee de uitstoot van endotoxinen verder te reduceren.

Het aantal woningen waarbij de advieswaarde wordt overschreden, neemt hierdoor af. De verwijzing van eisers 3 naar de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 6 oktober 20227, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel omdat het bevoegd gezag in die zaak de beoordelingsruimte had ingevuld met het Endotoxine toetsingskader 1.0. Nu een landelijk toetsingskader waaraan besluitvorming op het gebied van endotoxine moet worden getoetst, ontbreekt en er dus geen wettelijke normen voor endotoxine gelden, is de conclusie van de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning vanwege de risicos van endotoxinen voor de volksgezondheid niet heeft hoeven weigeren.

Vogelgriep 47. Eiser 2 wijst erop dat het bedrijf al meerdere keren is getroffen door vogelgriep. Hij vreest dat dit weer zal gebeuren en dat het virus op mensen zal overslaan. 48. Het college heeft de gevolgen van een eventuele uitbraak van vogelgriep voor omwonenden bij de vergunningverlening betrokken. In het GGD-advies is uiteengezet dat het risico voor omwonenden om besmet te raken met het vogelgriepvirus, zonder dat ze direct contact hebben met pluimvee, als uiterst klein wordt ingeschat. Gelet hierop heeft het college de omgevingsvergunning vanuit oogpunt van volksgezondheid kunnen verlenen.

Geluid 49. Eisers 3 voeren aan dat de door G&O Consult uitgevoerde akoestische beoordeling niet juist is, omdat deze niet de representatieve bedrijfsvoering omvat. De op basis daarvan gestelde geluidvoorschriften zijn daarom niet naleefbaar. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben eisers 3 het rapport Second opinion geluidsaspecten inzake omgevingsvergunning [adres 1] te [plaats] van Ambro Advies van 8 juni 2024 ingebracht. Eisers 1 en 2 vinden dat de omgevingsvergunning vanwege geluidsoverlast niet verleend had

mogen worden. 50. In de omgevingsvergunning staat dat uit het akoestische rapport van G&O Consult van 25 april 2023 blijkt dat aan de geluidvoorschriften uit de vergunning van 16 december 2008 wordt voldaan als maatregelen worden getroffen. Het gaat om deze maatregelen: - Om het pikken van de legkippen tegen de plexiglasplaten in de buitenwand van de wintergartens te voorkomen, moeten de plexiglasplaten zijn voorzien van afschermend gaas. - De stalventilatoren van de stallen 3, 4 en 7 moeten zijn voorzien van frequentieregelaars en zodanig worden afgesteld dat de frequentie maximaal 40 Hz bedraagt. Deze instellingen moeten worden geregistreerd en bij een milieucontrole worden getoond. - De gevelventilator in de gevel van stal 4 ten behoeve van de verwarming van het eierlokaal moet zijn voorzien van een tijdklok en zodanig worden ingesteld dat deze ventilator alleen in de dagperiode (van 7.00 tot 19.00 uur) in werking kan zijn. 51. In voorschrift 2.1 is bepaald dat de geluidsvoorschriften 2.1 tot en met 2.6 en 2.8 tot en met 2.17 zoals opgenomen in de vergunning van 16 december 2008 eveneens van toepassing zijn op de aangevraagde veranderingen. De maatregelen zoals hiervoor beschreven, zijn vastgelegd in de voorschriften 2.2 tot en met 2.5.

Op grond van voorschrift 2.6 moet de vergunninghouder uiterlijk binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning aan het bevoegd gezag rapporteren over de werkelijke emissie van geluid (controlemeting). G&O Consult heeft geluidmetingen verricht en de resultaten daarvan staan in de notitie van 31 juli 2025. Verder is in het kader van actualisatie in de voorschriften 2.8 en 2.9 opgenomen dat een geluidsbeheerplan moet worden opgesteld en dat dit jaarlijks moet worden geëvalueerd. 52. Bij de beoordeling van het aspect geluid heeft de STAB het rapport van Ambro Advies betrokken. De STAB heeft kort gezegd geconstateerd dat in het akoestisch onderzoek van G&O Consult van 25 april 2023 niet alle binnen de inrichting aanwezige geluidbronnen zijn opgenomen, dat meerdere uitgangspunten van het onderzoek niet geheel correct en compleet zijn en dat er ten onrechte niet is getoetst aan de vergunde geluidnormen uit de vergunning uit 2008. Samengevat heeft de STAB de volgende tekortkomingen geconstateerd:

Representatieve bedrijfsvoering (RBS) - In het akoestisch onderzoek van G&O Consult zijn niet alle binnen de inrichting aanwezige geluidbronnen opgenomen, waardoor er twijfel is of de RBS wel correct is vastgelegd. De STAB heeft tijdens het locatiebezoek geconstateerd dat de afzuiging en ventilator van stal 7 duidelijk waarneembaar geluid afstraalde, dat geluid van kippen te horen was via de luchtinlaten van de wintergartens en dat de kadaverkoeling op een andere locatie ligt dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Ten aanzien van de luchtinlaten van de wintergartens constateert de STAB dat deze overeenkomen met de werkelijke situatie en juist zijn gemodelleerd, maar niet duidelijk is of deze bronnen, met name in de maatgevende nachtperiode, een bijdrage leveren aan het emissieniveau. - In het akoestisch onderzoek van G&O Consult zijn niet alle binnen de inrichting aanwezige geluidbronnen opgenomen, waardoor er twijfel is of de RBS wel correct is vastgelegd. De STAB heeft tijdens het locatiebezoek geconstateerd dat de oostgevel van stal 7 ter hoogte van de afzuiging en ventilator van stal 7 duidelijk waarneembaar geluid afstraalde, dat geluid van kippen te horen was via de luchtinlaten van de stallen en dat de kadaverkoeling op een andere locatie ligt dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan.

De vergunningvoorschriften kunnen niet worden nageleefd in de RBS - Geluidvoorschrift 2.2 uit de vergunning van 16 december 2008, dat nog van toepassing is, kan tijdens de representatieve bedrijfssituatie (RBS) niet worden nageleefd. G&O Consult heeft op het toetspunt woning [adres 4] een LAmax van 69 dB(A) berekend in de dagperiode en 55 dB(A) in de avondperiode, terwijl in geluidvoorschrift 2.2 een LAmax van 61 dB(A) in de dagperiode en 51 dB(A) in de avondperiode is

vastgelegd. Bij de overige punten wordt op basis van het akoestisch onderzoek van G&O Consult voor de LAmax wel voldaan aan de grenswaarden van 61, 51 en 40 dB(A) tijdens de RBS. - De STAB vindt de in het akoestisch onderzoek gehanteerde piekniveau voor binnen de inrichting aanwezige tractoren hoog. Ook is onduidelijk of bij de piekniveaus van de vrachtwagens rekening is gehouden met het ontkoppelen en ontluchten van de rem, wat kan leiden tot piekniveaus met een Lw van 110 dB(A). Met de door G&O Consult aangehouden piekniveaus kan niet voldaan worden aan de vergunde grenswaarden uit de vergunning van 2008. - Tijdens de RBS is door G&O Consult bij de toetspunten 50 m noord en 50 m west een geluidbelasting voor het equivalente geluidsniveau berekend op beide toetspunten van 41 dB(A) in de dagperiode, van 31 en 38 dB(A) in de avondperiode en van 25 en 32 dB(A) in de nachtperiode berekend. Op basis van geluidvoorschrift 2.1 uit de vergunning van 16 december 2008 is een maximaal niveau van 40 dB(A) is toegestaan in de dagperiode, 35 dB(A) in de avondperiode en 30 dB(A) in de nachtperiode. Aan deze waarden kan volgens de berekeningen dus niet worden voldaan. De STAB heeft niet kunnen herleiden welke geluidsbron(nen) maatgevend is (zijn) voor deze overschrijding.

Verder is geconstateerd dat G&O Consult alleen getoetst heeft aan 40, 35 en 30 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode ter hoogte van woningen en niet ter plaatse van de andere vergunde rekenpunten. - De STAB merkt op dat het college op basis van de door G&O berekende immissieniveaus bij de toetspunten 50 meter noord en 50 meter west de voorschriften 2.2 tot en met 2.5 in de omgevingsvergunning heeft opgenomen om de geluidemissie te verminderen zodat de immissies van het van LAr,LT binnen de vergunde waarden komen te vallen. Maar er is niet met berekeningen onderbouwd wat het exacte effect is van de maatregelen in de voorschriften 2.2 tot en met 2.5 en of hiermee onder de vergunde waarden wordt gebleven. Aan de hand van de in voorschrift 2.6 voorgeschreven controlemetingen kan de werkelijke geluidemissie worden bepaald en worden gecontroleerd of aan de grenswaarden voor het LAr,LT wordt voldaan. Metingen in de periode april 2020 en februari 2023 laten zien dat er sinds juli 2021 geen overschrijding van de grenswaarden uit voorschrift 2.1 (vergunning van 2008) zijn vastgesteld.

De vergunningvoorschriften kunnen niet worden nageleefd in de IBS - De STAB stelt vast dat uit het akoestisch onderzoek van G&O Consult volgt dat tijdens de incidentele bedrijfssituatie (IBS) bestaande in de nachtelijke afvoer van kippen de vergunde grenswaarden uit de voorschriften 2.1 en 2.2 (vergunning van 2008) worden overschreden. Ook worden bij de [adres 5] en [adres 4] de vergunde grenswaarden uit voorschrift 2.3 (vergunning van 2008) overschreden. Het is STAB verder onduidelijk waarom de grenswaarden uit voorschrift 2.1 voor alle rekenpunten gelden en de grenswaarden uit voorschrift 2.3 alleen voor de woningen [adres 5] en [adres 4] . Omdat het verkeer van de inrichting richting Oudewater zal wegrijden en dus niet langs de woning [adres 5] zal rijden, ligt volgens STAB een voorschrift dat (ook) voor de woningen [adres 6] en/of [adres 7] geldt, meer voor de hand. - De IBS komt vier keer per jaar voor en dan heeft het college de mogelijkheid om hogere piekniveaus toe te staan, mits goed onderbouwd. Deze onderbouwing ontbreekt. STAB merkt op dat in de considerans van de vergunning uit 2008 wel een onderbouwing staat voor het toestaan van een hoger piekniveau bij de IBS, maar dat daarbij voor de [adres 5] en [adres 4] is uitgegaan van lagere niveaus uit een akoestisch onderzoek van 2007.

De woning [adres 4] is inmiddels gesloopt en er is een nieuwe woning gebouwd op een andere locatie ongeveer 20 meter dichterbij het pluimveebedrijf. - In voorschrift 2.3 (vergunning van 2008) zijn maximale geluidsniveaus aangegeven voor het vier maal per jaar gedurende 1 uur in de nachtperiode afvoeren van kippen (IBS), terwijl in het akoestisch onderzoek van G&O Consult voor deze incidentele activiteit is uitgegaan van het laden van kippen in de nacht gedurende ten hoogste 4 uur in de IBS. Het pluimveebedrijf kan eveneens niet voldoen aan dit voorschrift, omdat meer tijd nodig is voor het laden van de kippen. Volgens STAB wordt echter getoetst aan een eenmalige korte piek en maakt het voor de LAmax niet uit of deze activiteit één of vier uur duurt. - De STAB constateert dat de indirect hinder (voorschrift 2.5 van vergunning uit 2008) niet juist is berekend. G&O Consult heeft dit berekend op basis van het wegverkeer dat in westelijke richting de

inrichting verlaat, maar volgens informatie van het pluimveebedrijf rijdt al het verkeer van en naar het oosten in de richting van Oudewater. Vanwege de vrachtwagens in de nachtperiode tijdens de IBS kan niet voldaan worden aan de etmaalwaarde van 50 dB(A), waardoor niet aan voorschrift 2.5 kan worden voldaan. G&O Consult heeft de indirecte hinder niet voor de maatgevende woning berekend. Berekend is op de gevel van de woning [adres 5] , terwijl dit voor de gevel van de woningen [adres 4] en [adres 3] / [adres 7] had moeten gebeuren.

Overige uitgangspunten - In voorschrift 2.15 (vergunning uit 2008) is bepaald dat de rijsnelheid van voertuigen binnen de inrichting niet hoger mag zijn dan 5 km/uur. G&O Consult heeft gerekend met een gemiddelde snelheid van de mobiele bronnen van 10 km/uur. De STAB verwacht echter dat dit relatief weinig uitmaakt voor de berekeningsresultaten. - Gelet op de informatie van de leverancier, wordt de geluidbelasting van de nieuwe geluidbron Multifan ventilator bron 75 in het akoestisch onderzoek van G&O Consult mogelijk met 1,3 dB(A) onderschat. Dit kan een hogere geluidbelasting betekenen voor de woning aan de Hekendorpse Buurt 6. - Volgens de STAB is niet vast komen te staan wat het werkelijke bronvermogen is van de ventilatoren van de stallen 3, 4 en 7 en of in de verspreidingsberekeningen wel de juiste bronvermogens voor de ventilatoren zijn toegepast. De STAB is ook uitvoerig ingegaan op de metingen die in 2020 en 2021 zijn uitgevoerd om de bronvermogens te kunnen bepalen en heeft daarbij kanttekeningen geplaatst. De conclusie van de STAB is dat niet vaststaat of de pluimveehouderij aan de vergunde geluidgrenswaarden kan voldoen. - In het akoestisch rekenmodel heeft G&O Consult voor zowel de dag-, avond- als nachtperiode geen geluidbronnen voor de luchtinlaten van de wintergartens opgenomen.

De STAB kan de redenering van het college dat eventueel geluid via de inlaten wordt afgeschermd door de aanwezige kassen niet volgen, omdat tijdens het locatiebezoek is geconstateerd dat de kassen aan de westzijde van de pluimveehouderij niet meer aanwezig zijn en de nog aanwezige kassen aan de oostzijde van stal 7 zo laag zijn dat deze, zeker voor de bovenste rij inlaten, niet voor afscherming zullen zorgen. Het is niet duidelijk of deze bronnen (met name in de maatgevende nachtperiode, waarin de kippen minder lawaai maken) een bijdrage leveren aan het emissieniveau op de vergunde rekenpunten, maar mogelijk is de geluidimmissie in de nachtperiode onderschat. - In het akoestisch rekenmodel is het naastgelegen terrein aan de [adres 8] , waar voorheen kassen stonden en nu een veld met zonnepanelen aanwezig is, gemodelleerd als volledig zacht, maar de STAB deelt de visie in het rapport van Ambro Advies dat het voor de verspreidingsberekeningen beter zou zijn geweest om het gebied deels reflecterend in te voeren in het rekenmodel. Dit kan effect hebben op de geluidimmissie op de ten westen en noordwesten gelegen rekenpunten.

53. Het college kan zich in grote lijnen vinden in de bevindingen in het STAB-verslag. Het college heeft opmerkingen gemaakt bij de metingen die zijn uitgevoerd om het bronvermogens van de stalventilatoren op de stallen 3, 4 en 7 te bepalen. Over het punt dat de omgevingsvergunning niet kan worden nageleefd tijdens de RBS heeft het college erop gewezen dat in het STAB-verslag ontbreekt dat in voorschrift 2.11 van de oude vergunning uit 2008 piekgeluiden van laad- en losactiviteiten in de dagperiode worden uitgesloten van toetsing aan de grenswaarde voor LAmax. In het verweerschrift erkent het college dat uit het rapport van Ambro Advies volgt dat de uitgangspunten uit het akoestisch rapport van G&O Consult niet juist zijn. Ook een recent uitgevoerde controlemeting door G&O Consult laat zien dat bepaalde activiteiten niet binnen de vergunde normen blijven. De geluidvoorschriften zijn te krap en kunnen volgens het college niet ongewijzigd in stand blijven. Het college merkt op dat nieuwe geluidmetingen uitgevoerd zullen worden en dat een wijzigingsbesluit nodig is. 54. Gelet op de bevindingen van de STAB en het inmiddels gewijzigde standpunt van het college, is de rechtbank van oordeel dat het akoestisch onderzoek dat aan de geluidvoorschriften ten grondslag is gelegd gebrekkig is. Daarnaast is duidelijk dat zowel in de RBS als de IBS aan de in 2008 vergunde

geluidgrenswaarden niet kan worden voldaan. Daarom is de omgevingsvergunning voor het aspect geluid niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Dit is een gebrek in de besluitvorming. 55. Op de zitting hebben eisers uitgesproken dat het vanwege de politieke gevoeligheid van het pluimveebedrijf hun sterke voorkeur heeft dat de omgevingsvergunning direct wordt vernietigd en dat geen tussenuitspraak wordt gedaan. Het college zal volgens hen dan weer integraal naar de omgevingsvergunning moeten kijken, waardoor alles weer open ligt en de nieuwe besluitvorming zich niet alleen beperkt tot reparatie. De rechtbank gaat hier niet in mee en zal het college de gelegenheid geven om het gebrek te herstellen. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:41a van de Awb immers de taak om het geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten. Van belang daarbij is ook dat het college heeft aangegeven het gebrek te willen herstellen en dat het om een langlopende kwestie gaat (aanvraag dateert uit 2020). Met een tussenuitspraak kan het vervolg efficiënter worden afgewikkeld, waar alle partijen bij gebaat zijn. 56. Om het gebrek te herstellen moet nader geluidonderzoek worden uitgevoerd, waarbij rekening wordt gehouden met de hiervoor door de STAB geconstateerde tekortkomingen.

Naar aanleiding van de uitkomst daarvan moet het college afwegen of de geluidssituatie aanvaardbaar is gelet op het woon- en leefklimaat van de omwonenden. Het herstellen kan uitsluitend met een nieuw besluit, dat kan strekken tot 1. het alsnog weigeren van de omgevingsvergunning of 2. het aanpassen van de geluidvoorschriften. De rechtbank zal in de volgende overwegingen verdere aanwijzingen geven over het herstel van het gebrek.

Herstel van het gebrek 57. Om het gebrek te herstellen, moet het college nader geluidonderzoek laten verrichten, waarbij rekening gehouden moet worden met de door de STAB geconstateerde tekortkomingen in het akoestische onderzoek van G&O Consult. Naar aanleiding van de uitkomsten moet het college afwegen of de geluidssituatie aanvaardbaar is gelet op het woon-en leefklimaat van de omwonenden. Als het college de nieuw beoordeelde geluidssituatie aanvaardbaar acht, moeten de geluidvoorschriften aangepast worden. Het herstel van het gebrek kan ook bestaan in het alsnog weigeren van de omgevingsvergunning als het college de nieuw beoordeelde geluidssituatie niet aanvaardbaar acht. 58. Omdat het college twee opmerkingen heeft gemaakt over de bevindingen van de STAB over het onderzoek van G&O Consult, ziet de rechtbank aanleiding om daarover te oordelen, zodat duidelijk is op welke wijze het college dit mee moet nemen bij het herstel. 59. Naar aanleiding van de constatering van de STAB dat het pluimveebedrijf op het toetspunt woning [adres 4] niet kan voldoen aan geluidvoorschrift 2.2 van de vergunning uit 2008 vanwege de piekniveaus, heeft het college opgemerkt dat piekgeluiden van laad- en losactiviteiten in de dagperiode op grond van voorschrift 2.11 van de vergunning uit 2008 zijn uitgesloten van toetsing aan de grenswaarde voor LAmax.

De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de LAmax bij dit toetspunt volgens de STAB wordt veroorzaakt door de piekniveaus van vrachtwagens, tractoren en personenautos. Voorschrift 2.11 uit de vergunning van 2008 bepaalt dat voorschrift 2.2 niet van toepassing op het laden en lossen van goederen en het ten behoeve hiervan manoeuvreren van motorvoertuigen, voor zover dit plaatsvindt tussen 07.00 en 19.00 uur, niet zijnde zondagen en algemeen erkende feestdagen. 60. Uit het akoestisch onderzoek van G&O Consult volgt dat de twee tractoren en de personenautos deel uitmaken van de RBS, maar niet dat daarmee laad- en losactiviteiten worden uitgevoerd. Daarom kan het geluid van de tractoren en personenautos naar het oordeel van de rechtbank niet geschaard worden onder de uitzondering uit voorschrift 2.11. Dit is anders voor het laden en lossen met vrachtwagens. De rechtbank is het eens met het college dat piekgeluiden die daarmee gepaard gaan gedurende de dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur) gelet op voorschrift 2.11 niet hoeven te voldoen aan de grenswaarde van 61 dB(A) uit voorschrift 2.2. In de avond- en nachtperiode moet wel aan de grenswaarden uit voorschrift 2.2 worden voldaan, en zoals de STAB heeft vastgesteld wordt daaraan op het toetspunt woning [adres 4] voor de avondperiode niet voldaan. Aldus zal het college deze

overschrijding in zijn beoordeling in het kader van het herstellen van het gebrek moeten betrekken. 61. Over de metingen van 21 juli 2021 om het bronvermogen van de ventilatoren op de stallen 3, 4 en 7 te kunnen vaststellen, is in het STAB-verslag toegelicht dat de wijze van bepalen van de bronsterktes niet overeenkomt met het bepaalde in de Handreiking Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI). De windrichting was tijdens de metingen noordoost met windsnelheid 2 m/s, zodat bij een van de twee meetpunten niet werd voldaan aan de volgens de HMRI toegestane windhoek. De meting bij meetpunt 45 m zijkant voldoet hier wel aan, maar de afstand van dit meetpunt tot de ventilator van stal 4 is meer dan 50 m en voldoet daarmee niet aan de HMRI. De STAB acht de in het verspreidingsmodel gehanteerde bronsterktes relatief laag, maar niet geheel onrealistisch, mede omdat er 6,5 dB(A) bij de bronsterkte is opgeteld. 62. In reactie hierop heeft het college gesteld het met de STAB eens te zijn, maar dat de hoogte en de afmetingen van het emissiepunt van de luchtkokers het ingewikkeld maken om het bronvermogen van elk van de luchtkokers vast te stellen. De in de HMRI voorgeschreven methode is volgens het college in de praktijk niet uitvoerbaar.

Het college vindt dat de werkelijke bronvermogens voldoende worden benaderd en de gehanteerde methode op twee 45-meterpunten met een samengestelde bron die uit drie deelbronnen bestaat de best mogelijke methode is met zo min mogelijk fouten. 63. Op de zitting heeft de STAB-adviseur toegelicht dat hoewel de metingen niet aan de HMRI voldoen, met de gehanteerde methode toch tot een redelijk betrouwbaar geluidniveau kan worden gekomen. Zeker als het geluidniveau in een meting zou worden bevestigd, vindt de STAB-adviseur het bronvermogen van de ventilatoren voldoende onderbouwd. De rechtbank ziet geen reden om de STAB hierin niet te volgen. Dit betekent dat de gehanteerde bronsterktes voor de ventilatoren in het nieuwe akoestisch onderzoek gebruikt mogen worden als deze in een controlemeting zijn bevestigd. Op basis van de metingen van 31 juli 2025 is niet vast te stellen wat de werkelijke bronvermogens zijn en of deze metingen in de dagperiode ook representatief zijn voor de maatgevende nachtperiode. Verder wijst de rechtbank erop dat de STABadviseur op de zitting heeft opgemerkt dat de ventilatoren op grond van voorschrift 2.3 op 80% capaciteit mogen draaien, terwijl in het onderzoek door G&O Consult van 100% is uitgegaan. 64.

Als het herstel bestaat uit het aanpassen van de geluidvoorschriften, dan geeft de rechtbank het college in overweging om een hele nieuwe set geluidsvoorschriften vast te stellen, omdat de constateringen van de STAB ook zien op de voorschriften uit de vergunning uit 2008 die nog van toepassing zijn. 65. Omdat het gebrek mogelijk hersteld wordt door aanpassing van de geluidvoorschriften, ziet de rechtbank vanuit oogpunt van efficiënte geschilbeslechting aanleiding de andere gronden van eisers te beoordelen.

Geur 66. Eisers twijfelen aan de werking van het stalsyteem bij de stallen met de inpandige wintergartens. Als het stalsysteem minder effectief is dan verwacht, dan leidt dat tot een hogere emissie van geur. Volgens eisers is onzeker of voldoende is gewaarborgd dat er in de stallen en de wintergartens sprake is van voldoende onderdruk. Eisers 3 vinden dat de wanden van de wintergartens aangemerkt hadden moeten worden als emissiepunten. Ook wijzen eisers 3 erop dat de uittreesnelheid van de ventilatie is gewijzigd en dat dit gevolgen heeft voor de depositie. Eiser 2 betwist de aanname dat de geuroverlast niet toeneemt, omdat er in de wintergartens geen mest zal zijn. Het geurbeheerplan biedt volgens eiser 2 geen garantie dat aan de geurnormen kan worden voldaan. Eisers 3 menen dat de geur gemonitord moet worden volgens een NEN-protocol.

Wintergartens: wel of geen emissiepunten?

67. In de bovenverdieping van stal 3 en in stal 4 zijn inpandige wintergartens vergund met stalsysteem E 2.11.2.1. De wintergartens zijn inmiddels ook gerealiseerd. Een wintergarten is een overdekte uitloop, waar kippen kunnen scharrelen. De buitenwanden van de wintergartens bestaan (gedeeltelijk) uit geperforeerde damwandplaten. Bij de berekening van de geurbelasting op geurgevoelige objecten met het verspreidingsmodel V-Stacks heeft het college de wintergartens niet als emissiepunt beschouwd. Om een minimale onderdruk in de stallen te waarborgen waardoor de wintergartens niet als emissiepunt fungeren, heeft het college de voorschriften 3.7 en 3.8 aan de vergunning verbonden. 68. De rechtbank heeft aan de STAB advies gevraagd over de werking van het systeem van onderdruk bij de stallen met de inpandige wintergartens. In het STAB-verslag staat de werking van het stalventilatiesysteem beschreven. Het stalsysteem is gebaseerd op een ventilatiesysteem met onderdruk. Aan het eind van de stallen zijn ventilatoren opgesteld die naar gelang de omstandigheden in de stal - de ventilatiebehoefte van de dieren - meer of minder stallucht aanzuigen en de stallucht naar buiten brengen. Door het aanzuigen van lucht wordt in de stal onderdruk gecreëerd.

Via openingen in de zijgevels van de stal (inlaatopeningen) wordt door deze gecreëerde onderdruk verse buitenlucht aangevoerd en ontstaat een luchtstroom van buiten naar binnen. Doordat de ventilatoren constant blijven aanzuigen, blijft de onderdruk gehandhaafd en verlaat de stallucht de stal alleen via de ventilatoren die in de luchtschachten zijn aangebracht en de stallucht ruim bovendaks verticaal in de buitenlucht emitteren. In het STAB-verslag staat dat de onderdruk in de stal voorkomt dat de inlaatopeningen en de buitenwanden die zijn uitgevoerd als geperforeerde damwanden als emissiepunt fungeren, waarbij geur en stof in de buitenlucht kunnen treden. Verder is de ventilatiebehoefte per stal en de benodigde maximale ventilatiecapaciteit per uur inzichtelijk gemaakt. De stallen zijn uitgerust met cascade gestuurde ventilatoren. Per stal zijn frequentie gestuurde ventilatoren met een variabel toerental aanwezig en "aan/uit"-ventilatoren met een vast toerental en afhankelijk van de ventilatiebehoefte worden een of meer "aan/uit" ventilatoren ingeschakeld. Met dit systeem kan volgens het STAB-verslag op elke ventilatiebehoefte worden ingespeeld van de minimale tot maximale capaciteit per stal. 69. Vervolgens is de STAB ingegaan op de vraag of de buitenwanden van de wintergartens als emissiepunten moeten worden aangemerkt.

Als in de wintergartens een onderdruk heerst, zullen de geperforeerde buitenwanden niet als emissiepunt fungeren. De geperforeerde buitenwanden zijn voorzien van regelbare rolgordijnen. De hoeveelheid instromende lucht kan worden geregeld door het rolgordijn meer of minder op te rollen. Door het rolgordijn verder te laten zakken neemt het aanzuigoppervlak af en neemt de inlaatsnelheid (en onderdruk) toe. Volgens de STAB kan de gewenste onderdruk worden bewerkstelligd door een samenspel van het inschakelen van meer of minder ventilatoren in combinatie met het vergroten of verkleinen van het aanzuigoppervlak. De gebruikershandleiding V-Stacks beschrijft dat een overdekte uitloop, zoals een wintergarten, op drie verschillende manieren kan worden meegenomen in de berekening. Een van de opties is dat de uitloop niet meetelt voor de berekening van de geurbelasting. Dat kan bij een goed functionerend mechanisch ventilatiesysteem met constante onderdruk in de stal. Het college is in zijn besluitvorming van deze optie uitgegaan. 70. Voorschrift 3.7 bepaalt dat de geperforeerde damwandplaten in de buitenwand van de wintergartens in de stallen 3 en 4 voorzien moeten zijn van een rolgordijn dat de openingen in de geperforeerde damwand (gedeeltelijk) afsluit indien er onvoldoende onderdruk in de wintergartens is.

De onderdruk in de wintergartens moet via de automatisch geregelde stalventilatie op minimaal 1 Pascal per meter breedte van de wintergarten gehouden worden. 71. De STAB volgt de benadering van het college dat gelet op het bepaalde in voorschrift 3.7 in de wintergartens een onderdruk moet worden gerealiseerd van 2,6 pascal per meter in stal 3 en 3,0 pascal per meter in stal 4. De STAB vindt het aannemelijk dat de vereiste minimale onderdruk in de wintergartens te realiseren is. Verder merkt de STAB op dat in de geurberekeningen een onderdruk is aangehouden van 9,8 pascal per meter, maar dat de onderdruk op grond van voorschrift 3.7 lager zou mogen zijn. Dat betekent ook dat de rolgordijnen dan verder geopend kunnen worden en meer daglicht in de wintergartens binnen kan komen.

72. Om te controleren of het stalsysteem aan voorschrift 3.7 voldoet, is voorschrift 3.8 in de omgevingsvergunning opgenomen. Op grond van voorschrift 3.8 moet de werking van de rolgordijnen op basis van onderdruk automatisch worden geregistreerd. Deze gegevens dienen in een CSV-bestand te worden opgeslagen zodat op elk willekeurig moment de geregistreerde waarden kunnen worden geraadpleegd. Deze registratie moet minimaal 1 jaar worden bewaard. 73. Naar de mening van de STAB geeft voorschrift 3.8 te weinig duidelijkheid of de vastgelegde minimale onderdruk ook wordt bereikt. Op de zitting heeft de STAB toegelicht dat op grond van dit voorschrift de hoogte van de rolgordijnen geregistreerd zou kunnen worden zonder de gegevens van de onderdruk. Het registeren van de meetwaarden van de onderdruk in de wintergarten geeft volgens STAB meer duidelijkheid. STAB concludeert dat de voorschriften 3.7 en 3.8 na de voorgestelde aanpassing waarborg bieden om in de wintergartens voldoende onderdruk te bewerkstelligen om daarmee een eventuele emissie via de buitenwanden van de wintergartens te voorkomen. 74. Uit de schriftelijke reactie op het STAB-verslag en wat er op de zitting is besproken, blijkt dat het college met voorschrift 3.8 ook heeft bedoeld dat de onderdruk wordt geregistreerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/736/documents/21593