CConstaterende datOudewater
Koppel je AI →
Document · PDF

A02.1 Concept-ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050 (122979).pdf

Gemeenteraad 16 november 2023, gemeente OudewaterBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken11.370 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Niet gevonden in dit document.

Ontwikkelprincipe:

wekking vergt in het landschap van het Groene Hart maatwerk.

10. Verzilver het erfgoed: benut het cultuurhistorisch erfgoed voor de opgaven die het gebied kent.

Daarnaast is het van belang om in beeld te brengen wat de ruimteclaim van duurzame energieopwekking (en bijbehorende infrastructuur) na 2030 zal zijn.

32

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Ontwikkelprincipe: 11. Maak duurzame energieopwekking in het Groene Hart mogelijk, zowel vanwege gezien de grote landelijke opgave voor energieopwekking als vanwege de kansen voor de regionale economie. Zoek daarbij naar mogelijkheden die goed aan aansluiten bij de kwaliteit van het landschap. Vraagstuk: de ‘openheid van het landschap’ wordt regelmatig als waarde van het Groene Hart benoemd. Hoe wordt deze kwaliteit gewogen ten opzichte van de komst van windmolens en zonneweides? Het ontwerpend onderzoek Energietransitie van het BPGH werkte enkele richtingen uit met verbeelding hoe het landschap er dan uit kan komen te zien. Van belang is om hierover in de regio het gesprek over te gaan voeren, in samenhang met de RES aanpak. Vraagstuk: willen de partijen voor het Groene Hart als geheel een doelstelling voor energieopwekking formuleren en hierover gezamenlijk afspraken maken?

33

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

5. Naar een nieuw toekomstbeeld Toepassing van het Ontwikkelperspectief en de bijbehorende ontwikkelprincipes zal ertoe moeten leiden dat het Groene Hart ook over enkele decennia herkenbaar is en blijft als een groen, leefbaar en economisch vitaal gebied, zowel binnen de Randstand, binnen Nederland als Internationaal. Een gebied met een mix van landschappen waarin enerzijds de historie van oude cultuurlandschappen zichtbaar is, maar ook nieuwe vormen van landgebruik opdoemen die passen bij de kansen en opgaven van de 21ste eeuw. Wanneer het uitgangspunt ‘water en bodem zijn sturend’ wordt toegepast, en wanneer beperking van de bodemdaling met name in het veenweidegebied daadwerkelijk wordt beoogd en gerealiseerd, zijn er beperkingen én kansen. Verhoging

van

grondwaterpeilen

in

veengebieden

is

onontkoombaar, en zal gedeeltelijk leiden tot een andere landbouw en beperkingen opleggen aan zowel nieuwe woningbouw als aan (industriële) bedrijvigheid. Tegelijk ontstaan grote kansen voor biodiversiteit, nieuwe natuur, recreatie en toerisme, en een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor het midden- en kleinbedrijf, ook in de dienstensector en voor de landbouw passend bij de karakteristieken van het gebied.

34

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bestaande bebouwing in landelijk gebied zal beter tegen verzakking

zichtbaar zijn. Ook energieopwekking, wateropslag, natuurbeheer

zijn beschermd. Nieuwe woningen, in het bijzonder voor de al

en recreatie kunnen aanwezig zijn. Wanneer gekozen wordt voor

aanwezige inwoners en hun families, zijn op daarvoor in aanmerking

verregaande verhoging van grondwaterpeilen in het veengebied

komende plekken in het Groene Hart geclusterd gerealiseerd. In de

zullen ook droogmakerijen naar verwachting transformeren,

eerste plaats op kleibodems. Maar ook duurzame en betaalbare

als gevolg van beperking van de zoetwateraanvoer. Mogelijke

woningconcepten in het veengebied kunnen ruimte bieden aan

alternatieven zijn meer ruimte voor opwekking van duurzame

woningzoekenden, afhankelijk van het tempo van innovatie.

energie, andere typen teelten en wateropslag.

Met name de landbouw staat voor een grote opgave. Die zal voor

Het verleden heeft laten zien dat het Groene Hart zich altijd heeft

een aantal bedrijven kunnen worden ingevuld door extensivering, door andere teelten, en door andere bronnen van inkomsten dan agrarische voedselproductie. Steun van de overheid, onder meer

ontwikkeld een aangepast aan veranderende omstandigheden. Waarom zouden we dat nu niet kunnen?

door adequate beloning van groen-blauwe beheerdiensten is daarvoor een voorwaarde. Het Groene Hart als geheel is door betere OV-, fiets en vaarverbindingen beter toegankelijk. Door de combinaties van verbeterde mobiliteit en nieuwe recreatiefuncties in het landschap, zal het gebied meer een uitloopgebied voor inwoners van de Randstad en toeristen worden. Wie door het Groene Hart wandelt, fietst, rijdt of vaart zal een natter en diverser landschap zien. De veenweiden blijven overwegend een open en uitgestrekt karakter houden en kunnen in verschillende mate een hoger grondwaterpeil hebben, waardoor meer extensievere vormen van landbouw

35

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

6. Vervolgproces 6.1 Ontwikkelperspectief 1.0 Het Ontwikkelperspectief 1.0 wordt tussen eind september en medio november 2023 voorgelegd ter consultatie aan de ondertekenaars van de bestuursovereenkomst Groene Hart en de maatschappelijke klankbordgroep. Er wordt gevraagd kennis te nemen van het Ontwikkelperspectief 1.0 en hierop te reflecteren. Doel van de consultatie is te achterhalen hoe partijen naar het Ontwikkelperspectief 1.0 en de daarin verwoorde ontwikkelprincipes en vraagstukken kijken voor het betreffende gebied. Nevendoel is om op te halen wat de impact van het ontwikkelperspectief is op de verschillende gebieden binnen het Groene Hart, waar het goed resoneert of waar het juist schuurt. Met deze informatie wordt het Ontwikkelperspectief 1.0 waar nodig aangepast en als definitieve 1.0 versie, inclusief een nota van toelichting, worden aangeboden ter vaststelling aan de bestuurders van het Bestuurlijk Platform Groene Hart in december 2023. Daarmee is ook voldaan het verzoek van het Rijk om als NOVEX-gebied in 2023 een Ontwikkelperspectief op te leveren. De bedoeling is dat de vier betrokken overheidslagen van het Bestuurlijk Platform de ontwikkelprincipes vervolgens ook

hanteren

bij

eigen

beleidsvorming

en

inbrengen

in

gebiedsprocessen.

36

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

De volgende stap is het opstellen van een agenda en

De gekozen randvoorwaarden en ontwikkelprincipes kunnen

werkplanning voor het Bestuurlijk Platform om de vraagstukken

richting geven aan de toekomst. Het eindbeeld is sterk afhankelijk

in het Ontwikkelperspectief 1.0 op te pakken. Deze opbrengsten, praktijkinzichten en waar nodig aanvullend onderzoek leiden tot een volgende versie van het Ontwikkelperspectief. Daarbij sluit

zijn van keuzes die nog moeten worden gemaakt, zowel voor het Groene Hart als geheel als voor deelgebieden. Ook op internationaal

het Bestuurlijk Platform aan op initiatieven die al lopen en/of nog

en landelijk gebied is sprake van schuivende panelen, onder meer

worden opgezet. Daar waar nog nodig worden de Groene Hart

bij het klimaat- en het landbouwbeleid. Toch zijn de contouren van

vraagstukken geagendeerd en opgebouwde kennis ingebracht.

de toekomst zichtbaar.

Ook kunnen nieuwe initiatieven worden opgezet, in samenwerking met derden. Om het geschetste toekomstbeeld te ontwikkelen en te realiseren is samenwerking tussen alle betrokkenen een voorwaarde. De betrokken overheden, samenwerkend in het Platform Groene Hart, nemen daarbij een bijzondere plaats is. Zij vertegenwoordigen immers de inwoners van het gebied, stellen de doelen, maar moeten ook de gewenste ontwikkeling op alle mogelijkheden manieren ondersteunen.

6.2 Uitvoeringsagenda en gebiedsprocessen De volgende stap in het NOVEX-proces is het ontwikkelen van een Uitvoeringsagenda en bijbehorende Regionale Investeringsagenda. In deze fase werken de betrokken partijen toe naar realisatie van de gemaakte afspraken binnen gebiedsopgaven.

37

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bijlage 1. Geraadpleegde bronnen •

Expertteam Groene Hart (2023). Toekomstperspectief Groene Hart 2050

•

SteenhuisMeurs (2021), Landschapsbiografie Groene Hart

•

Ontwerpend onderzoek bodem, water en landgebruik (2019)

•

Ontwerpend Onderzoek Energietransitie in het Groene Hart 2050

•

RLi (2020), rapport ‘Stop bodemdaling in veengebieden’.

•

Advies Regionale Energiestrategieën en het Groene Hart (2020)

•

Van Haaren, J, van Oort, F., Boschma, R., Balland, P.A. (2022), Ruimtelijk-economische analyse van het Groene Hart en de Peel

38

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Bijlage 2. Opties voor ophogen van de grondwaterstand in de veengebieden

In het navolgende worden verschillende opties en hun conse-

Ophogen van de grondwaterstand in veenweidegebieden is, op

volledig is, onzekerheden bevat en nader moet worden uitgewerkt

basis van de huidige inzichten, de belangrijkste maatregel om bodemdaling te remmen (en daarmee CO2-uitstoot te reduceren en schade te voorkomen). Hoe hoog de grondwaterstand in de veengebieden moet zijn is een van de belangrijkste vraagstukken voor het Groene Hart. Leidend is de opgave om de broeikasgasemissie en bodemdaling in het landelijk veenweidegebied te beperken, maar ook andere afwegingsfactoren zijn van belang: de fysieke gesteldheid, de impact op en kansen voor de verschillende functies, en de gevolgen voor

quenties samenvattend geschetst. Daarbij wordt op voorhand opgemerkt, dat het hier een eerste verkenning betreft, die niet alvorens voor deelgebieden van het Groene Hart tot keuzes te kunnen komen. Verschillende opties zijn: Optie ‘0’: doorgaan op de huidige weg, grondwaterstanden dieper dan -0,40m t.o.v. maaiveld (huidige tempo bodemdaling en CO2uitstoot zet door) Momenteel zijn op veel plekken in de veengebieden de grondwaterpeilen lager dan -40m onder het maaiveld. De bodem klinkt daardoor steeds meer in. Op sommige plekken in het Groene Hart zijn de veenpakketten relatief dun, maar op anderen plekken

omliggende gebieden De opties zijn niet overal in het Groene Hart

nog meters dik. Doorgaan op de huidige weg betekent over de

toe te passen; dat is zowel technisch onmogelijk als gezien de lokale

grenzen van het bodem en water systeem heen blijven werken.

verschillen onwenselijk. Per gebied zal afhankelijk van de dikte van

Worden grondwaterpeilen niet verhoogd, dan blijven CO2 uitstoot

het veenpakket en andere natuurlijke omstandigheden en lokale

en zakking van het maaiveld nog jaren lang ongewijzigd doorgaan

afwegingen tot specifieke keuzes moeten worden gekomen. Het is

ongewijzigd doorgaan. Dit zal leiden tot hoge maatschappelijke

mogelijk om de verschillende opties ruimtelijk (tussen gebieden,

kosten voor het in stand houden en versterken van bebouwing en

maar ook binnen gebieden) te combineren, en ook om daar in de

infrastructuur. Doelen uit het klimaatakkoord om CO2-uitstoot uit

tijd gefaseerd mee om te gaan.

het veen te reduceren worden niet gehaald.

39

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Aspect

Optie ‘0’: doorgaan op de huidige weg, grondwaterstanden lager dan -0,40m t.o.v. maaiveld (huidige tempo bodemdaling en CO2-uitstoot zet door)

Broeikasgasuitstoot

Huidige niveau van CO2-uitstoot zet door

Bodemdaling remmen

Bodemdaling niet afgeremd

Optie 1: grondwaterstand tot -0,20m t.o.v. maaiveld (minimalisatie van CO2-uitstoot en maximalisatie remmen bodemdaling) Om de CO2-uitstoot en bodemdaling in het Groene Hart met het oog op de lange termijn (2050 en verder) te verminderen wordt in deze redeneerlijn een grondwaterstand van -0,20m onder het maaiveld in het veenweidegebied als uitgangspunt genomen. Dit peil is volgens de huidige inzichten in de literatuur optimaal voor de reductie van

Robuust watersysteem

de broeikasgassen CO2, methaan en lachgas. Door de verhoging

Wateraanvoer

Geen extra aanvullende wateraanvoer nodig (los gezien van toename drinkwaterbehoefte en verwachte periodes van droogte)

Waterberging

Geen extra beperkingen voor waterberging

Waterkwaliteit

Geen extra effecten op waterkwaliteit

van de grondwaterstand via een hoger slootpeil in combinatie met waterinfiltratiesystemen zal vermoedelijk extra methaanuitstoot optreden, maar in het geheel van broeikasgasuitstoot wordt netto grote winst behaald. Bij deze grondwaterstand is slechts zeer beperkte peilfluctuatie in de watergangen mogelijk. De mogelijkheden om in het watersysteem water te bergen zijn daarmee beperkt, waardoor in tijden van droogte extra watervraag van buiten het gebied ontstaat. Deze optie leidt dus tot een extra

Leefbaarheid en vitaliteit

watervraag en meer wateroverlast op percelen en omgeving bij

Wonen

Maatschappelijke kosten voor schade aan bebouwing blijven oplopen

Mogelijkheden bedrijvigheid

Maatschappelijke kosten voor schade aan bebouwing blijven oplopen

De vergaande verhoging van grondwaterpeilen in veengebieden

Impact mobiliteit

Maatschappelijke kosten voor schade aan infrastructuur blijven oplopen

infrastructuur in veengebieden en aanpassing van de afvoer van

piekbuien.

stelt ook extra eisen aan nieuwe bebouwing en nieuwe hemelwater uit bestaand bebouwd gebied (de kernen). De mate

40

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

en tempo van zakking en schade van bestaande bebouwing en infrastructuur in landelijk gebied zal daarentegen afnemen. Daar

Aspect

staat tegenover dat te hoge grondwaterstanden onder woningen en onder infrastructuur ook voor overlast en schade kunnen zorgen. Door verhoging van grondwaterpeilen in de veengebieden komt de melkveehouderij in zijn huidige vorm onder grote druk te staan; daarmee ontstaat een ingrijpende transformatieopgave voor de sector. In de gebieden waar het grondwaterpeil wordt verhoogd wordt de verzilting beperkt. Maar in droge perioden komt de wateraanvoer in met name de laag gelegen gebieden (de droogmakerijen) in gevaar, waardoor ook daar het huidige agrarische grondgebruik wordt belemmerd. Bij verhoging van de grondwaterpeilen nemen de kansen voor biodiversiteit, regionaal watersysteemherstel en nieuwe natuur toe. Nieuwe mogelijkheden

Broeikasgasuitstoot Bodemdaling remmen

Impact van optie 1 (grondwaterstand tot -0,20 t.o.v. maaiveld: minimalisatie van CO2-uitstoot en maximalisatie remmen bodemdaling) Deze variant levert minder CO2-uitstoot, maar extra methaan-uitstoot op Rem op bodemdaling. Verdere bodemdaling wordt zeer beperkt

Robuust watersysteem Wateraanvoer

Bij -0,20 m is grofweg 40% extra wateraanvoer nodig

Waterberging

Er is minder ruimte voor waterberging in het watersysteem

Waterkwaliteit

Op korte termijn extra uitspoeling van nutriënten (met name fosfaat), op lange termijn neemt dit af

ontstaan ook voor toerisme en recreatie. Leefbaarheid en vitaliteit Wonen

Extra eisen aan bouwen op veenbodems. Positief effect op bestaande voorraad

Mogelijkheden bedrijvigheid

Als bij wonen

Impact mobiliteit

Als bij wonen

41

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Optie 2: grondwaterstand tot -0,40m t.o.v. maaiveld (beperkte reductie CO2-uitstoot en beperkte remming bodemdaling)

Aspect

In deze redeneerlijn is het uitgangspunt een grondwaterstand van -0,40m onder maaiveld. Het realiseren daarvan brengt veranderingen met zich mee, maar minder verregaand dan bij een grondwaterpeil van -0,20m. De gewenste aanpassingen kunnen al in 2030 worden gerealiseerd. De gevolgen voor de melkveehouderij zijn veel minder ingrijpend; de huidige landbouwpraktijk zou overwegend kunnen worden gecontinueerd. Op de lange termijn (2100) is deze optie echter niet gunstig, omdat problemen op

Broeikasgasuitstoot

Deze variant beperkt CO2 en voorkomt toename van methaan-uitstoot

Bodemdaling remmen

Bodemdaling wordt beperkt geremd

Robuust watersysteem Wateraanvoer

Bij -0,40 m is grofweg 20% extra wateraanvoer nodig

Waterberging

Er is beperkter ruimte voor waterberging in het watersysteem

Waterkwaliteit

Er is beperkter ruimte voor waterberging in het watersysteem

het gebied van bodemdaling en CO2-uitstoot hiermee worden uitgesteld en niet worden opgelost; de kosten van dit uitstel worden

Impact van optie 2 (grondwaterstand tot -0,40m t.o.v. maaiveld: beperkte reductie CO2-uitstoot en beperkte remming bodemdaling)

afgewenteld op toekomstige generatie. Leefbaarheid en vitaliteit Wonen

Als bij optie 1, maar in mindere mate

Mogelijkheden bedrijvigheid

Idem

Impact mobiliteit

Idem

42

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Optie 3: variërende grondwaterstand t.o.v. maaiveld (zelfvoorzienend watersysteem)

Aspect

In deze redeneerlijn is het uitgangspunt dat er sprake is van een zelfvoorzienend en robuust watersysteem in de veenweidegebieden, waarbij zo min mogelijk op technische maatregelen wordt geleund en geen tot beperkte water aan- en afvoer nodig is. Ook vindt

Broeikasgasuitstoot

geen/beperkte afwenteling naar de omgeving of naar de toekomst plaats. Water en bodem sturend wordt hier het meest verstrekkend toegepast. Dit zelfvoorzienend watersysteem zal ertoe leiden dat veel veenweidegebieden transformeren in veenmoerassen en/of veenbossen, en dat drooglegging en daarmee samenhangende grondwaterpeilen sterk zullen fluctueren. Vernatting

van

sommige

gebieden

stelt

hoge

eisen

aan

Bodemdaling remmen

Bestaande bebouwing en infrastructuur in landelijk gebied zijn gebaat bij verhoging van grondwaterpeilen, maar grote peilfluctuatie kan ook tot problemen leiden. Het huidige agrarisch grondgebruik zal op veel plaatsen niet kunnen worden voortgezet.

Er vindt waarschijnlijk minder CO2uitstoot, maar meer methaan-uitstoot plaats. Zoektocht naar gewassen die koolstof kunnen vastleggen. Veenmos aangroei kan mogelijk voor een positieve balans zorgen Er treedt geen tot zeer beperkte bodemdaling op. Mogelijk zelfs te combineren met extra veenmos aangroei

Robuust watersysteem Wateraanvoer

Natuurlijk systeem (gebruik maken van neerslagoverschot), waterpeil en grondwaterstand zakt uit in de zomer

Waterberging

Er is ruimte voor peilfluctuatie, overtollige neerslag zorgt voor peilstijging

Waterkwaliteit

Op korte termijn extra uitspoeling van nutriënten op lange termijn zijn effecten onbekend

nieuwe bebouwing en infrastructuur en aanpassingen aan de hemelwaterafvoer uit bestaand bebouwd gebied (kernen).

Impact van optie 3 (variërende grondwaterstand t.o.v. maaiveld (zelfvoorzienend watersysteem)

Door vernatting in de veengebieden zullen delen van het gebied geheel transformeren, met veel kansen voor biodiversiteit, natuur, watersysteemherstel, recreatie en toerisme.

43

Ontwikkelperspectief 1.0 Groene Hart 2050

Aspect

Impact van optie 3 (variërende grondwaterstand t.o.v. maaiveld (zelfvoorzienend watersysteem)

van de tijdsplanning voor hun implementatie. Het behalen van doelen in 2100, 2050 of 2030 maakt een significant verschil in de haalbaarheid en impact van elke strategie. In onderstaande tabel

Leefbaarheid en vitaliteit

Wonen

De realisatiemogelijkheden van de verschillende opties is afhankelijk

is te zien in hoeverre een redeneerlijn bijdraagt aan het realiseren Stevige voorwaarden en aanpassingen nodig voor bouwen op veenbodems. Kans en noodzaak om bestaande voorraad te versterken

Mogelijkheden bedrijvigheid

Idem

Impact mobiliteit

Idem

van doelen voor de betreffende tijdspanne.

2030

2050

2100

Doorgaan op huidige weg

-

-

-

1. Minimalisatie van CO2-uitstoot en remmen bodemdaling (tot -0,20m)

+

+

++

2. Faciliterend watersysteem (tot -0,40m)

+/-

+/-

+

3. Zelfvoorzienend

-

+/-

++

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.oudewater.nl/api/v1/meetings/554/documents/17358