2021.04.13 Raadsinformatiebrief 'Concept-Afwegingskader vrijgegeven voor schriftelijke reactieronde en vervolg besluitvorming in de raad' M.pdf
Tekst van het document
Een voorbeeld is de lage prioriteit van grondgebonden zon in zone A die uit de bewonerssessies naar voren kwam. Tegelijkertijd kwam tijdens de sessies wel naar voren dat grondgebonden zon zoveel mogelijk gekoppeld zou moeten worden aan andere ruimtelijke opgaven (zoals het tegengaan van bodemdaling). Deze opgaven speelt in zone A. De gemeente doet onderzoek naar de locatie waar dergelijke opgaven als eerst geagendeerd worden; opwek door grondgebonden zon wordt hier dan in meegenomen. Naast de inloopavonden en de verdiepende sessies met experts heeft de zonneladder een rol gespeeld bij de totstandkoming van de voorkeursvolgorde, conform het raadsbesluit van 11 maart 2021. Op basis van de informatie die tijdens de bewonerssessies en de expertsessies is opgehaald en op basis van de zonneladder is volgende verdeling van de zones over de vier categorieën gemaakt: Voorkeursvolgorde 1.
Zones die open worden gesteld voor vergunningsverlening: a. Zon op bebouwing, conform de landelijke zonneladder (zone E en zone I); b. Kleinschalig wind voor eigen gebruik (zone I); c. Kleinschalig zon voor eigen gebruik (zone I);
P23
Gemeente Oudewater
2.
3.
d. Zon in en langs spoorberm, conform de landelijke zonneladder (zone F) Zones waar nog verdiepend onderzoek moet plaatsvinden om te onderzoeken welke locatie het meest geschikt is voor een bijdrage vóór 2030: a. Grootschalige zonnevelden in combinatie met aanpak bodemdaling in Zone J -11 (westkant, afhankelijk van bodemdalingsgebied) b. Grootschalige zonnevelden in combinatie met aanpak bodemdaling in Zone A-1 (westkant, afhankelijk van bodemdalingsgebied) Zones waar eventueel op langere termijn onderzoek naar wordt gedaan ten behoeve van realisatie in de periode 2030-2050; deze zones worden nog niet opengesteld voor vergunningsverlening: a. Grootschalige zonnevelden in het open landschap: Onderzoek vanuit afdeling Ruimtelijke Ordening van de gemeente voor grootschalig zon in combinatie met recreatie-ontwikkeling, bodemdalingsopgave etc. Hierbij wordt tevens onderzocht waar en wanneer deze ander opgaven worden ingevuld. Bij de afweging van een grootschalig zonneveld wordt nadrukkelijk benoemd dat deze afhankelijk is van de uitkomsten en ruimtelijke samenhang van categorie 2. Vanuit het traject met de bewoners is de voorkeursvolgorde binnen deze polders van hoog naar laag: i. Zone H strook langs industrieterrein Tappersheul ii. Zone G grens met gemeente Lopik iii. Zone C uiterwaardenlandschap tussen de lintbebouwing en D Veenweidegebied, zuidzijde IJssel iv.
Zone B-3, onderdeel van veenweidegebied van hoge cultuurhistorische waarde
b. Grootschalig wind langs grenszone met Lopik (zone G): hiervoor is verdiepend onderzoek nodig. Bovendien is deze voorkeur afhankelijk van de ontwikkelingen van wind in de buurgemeenten. 4. Geen voorkeur: deze zones worden uitgesloten en voorlopig ook niet onderzocht: a. Wind in het open landschap (uitgezonderd zone G) b. Zon en wind in de stadsrandzone c. Grootschalig zon in zone B-4 en B-5
P24
Gemeente Oudewater
Figuur 6. Voorkeursvolgorde.
P25
Gemeente Oudewater
Extra onderzoek Er zijn nog extra onderzoeksvragen opgehaald. Deze lijst is niet uitputtend. Op basis van de uitkomsten van deze onderzoeken kunnen bepaalde zones die voorlopig niet worden opengesteld voor ontwikkelingen toch een ‘stapje naar boven’ verplaatsen. Onderzoeksvragen: 1.
De wijze waarop grote windturbines in het landschap worden beleefd is vooraf moeilijk in te schatten. Onderzoek d.m.v. simulaties moet hier inzicht in geven en nadere richtlijnen bieden voor de plaatsing en de aan te houden afstanden. 2. Tijdens het lopende gebiedsproces wordt samen met inwoners en experts nader onderzocht wat de gewenste omvang is van zonnevelden in het open landschap van Oudewater. Door middel van ontwerpend onderzoek kan daarnaast de maximale draagkracht (het maximale aantal windturbines en het aantal hectares zonneveld) van de potentiële zoekgebieden worden bepaald. Daarbij wordt gekeken naar de effecten op het landschap, de inpasbaarheid van grotere zonnevelden en mitigerende maatregelen om de contouren van grote zonnevelden ‘te verzachten’. 3. Is inpassing van windturbines beter parallel aan de landschapslijnen of juist haaks erop? 4. Hoe moeten windturbines worden geplaatst (en welke minimale hoogte) dat weidevogels er niet door worden gehinderd? 5. Welke organisatie is nodig om tot kavelruil te komen waardoor boeren die willen stoppen kunnen bijdragen aan een zonneveld en boeren die hun bedrijf willen voortzetten naar geschikte gronden kunnen verplaatsen.
P26
Gemeente Oudewater
3. Participatie 3.1 De totstandkoming van een initiatief Hieronder is een stapsgewijze beschrijving gegeven van de totstandkoming van een initiatief voor hernieuwbare energie ontwikkeling. Zie de bijlage Stappenplan voor een uitgebreide beschrijving van het te doorlopen proces. Gemeente Oudewater ziet voordeel in een samenwerking tussen professionele marktpartijen en (organisaties van) inwoners, zoals coöperaties. Een initiatief bestaat uit een consortium met daarin ten minste: • • •
Grondeigenaren die bereid zijn de grondposities beschikbaar te stellen die nodig zijn voor het betreffende initiatief Eén of meer ontwikkelaars voor wind- en/of zonne-energie Eén of meer coöperaties of verenigingen (in oprichting) die in staat zijn om lokaal eigendom én zeggenschap over de energieproductie door met name inwoners van Oudewater te realiseren.
1.
Een initiatief wordt voorbereid in samenwerking tussen initiatiefnemer en de omgeving, die in het proces is vertegenwoordigd door een of meer energiecoöperaties of verenigingen (in oprichting). De initiatiefnemer neemt contact op met de gemeente, zodat de gemeente een projectleider kan toewijzen die het participatieproces coördineert. Samen met de omgeving wordt een projectvoorstel ontworpen. 2. Een initiatiefnemer heeft de inspanningsverplichting zich ervan te vergewissen of er andere aangrenzende initiatieven in voorbereiding zijn. Als dat het geval is komen zij samen tot één gezamenlijk project- en participatieplan. 3. Een uitgebreid plan, opgesteld in samenwerking met de omgeving en de projectleider vanuit de gemeente, wordt ingediend bij de gemeente en voldoet aan de randvoorwaarden die in het afwegingskader grootschalige opwek zijn beschreven. Daarnaast is beschreven hoe er extra waarde wordt gecreëerd aan de thema’s die er spelen.. 4. Het initiatief wordt getoetst en gescoord. De gemeente toetst naast het beleid voor grootschalige zonne- en windenergie ook op andere ruimtelijke en maatschappelijke thema’s. De gebieden zoals vastgelegd in het afwegingskader worden niet nader opgedeeld. De gemeente bepaalt of een plan voldoende is om door te gaan met het traject richting indienen. 5.
Na vaststelling van het afwegingskader wordt een gebiedsproces doorlopen conform de bijlage Stappenplan, waarin de maximale draagkracht van het gebied wordt bepaald.
3.2 De verschillende fases van een initiatief 1.
Gemeente Oudewater onderscheidt de volgende fasen in ontwikkeling en exploitatie van een project voor de opwek van duurzame energie: • Voorbereidingsfase: de fase waarin het voornemen wordt uitgewerkt, een participatietraject met de omgeving wordt gestart en onderzoeken worden uitgevoerd. Het einde van de voorbereidingsfase is het indienen van het uitgebreid projectplan • Vergunningenfase: de fase waarin ruimtelijke toestemming en overige vergunningaanvragen worden voorbereid en ingediend en waarin een vergunningprocedure wordt doorlopen
P27
Gemeente Oudewater
•
Bouwfase: de fase waarin de installaties voor de opwek van duurzame elektriciteit worden gebouwd. • Exploitatiefase: de fase waarin de windturbines en zonnevelden stroom leveren 2. De betrokkenheid van bewoners start vroeg in de voorbereidingsfase. In overleg met de projectleider vanuit de gemeente stelt de initiatiefnemer een participatieplan vast, waarin in ieder geval aandacht wordt besteed aan de volgende aspecten: • Projectbeschrijving en begrenzing van het gebied waarbinnen omwonenden worden betrokken bij de voorbereiding van de ruimtelijke ontwikkeling • Inzet van communicatiemiddelen • Planning van participatiemomenten op hoofdlijnen 3. Bij de vergunningverlening beoordeelt de gemeente een aanvraag op de volgende aspecten: • In hoeverre het plan aansluit op de karakteristieken van het gebied • In hoeverre het een bijdrage levert aan een klimaatbestendig Oudewater • In hoeverre er meerwaarde wordt gecreëerd voor de omgeving. Hiervoor geldt een inspanningsverplichting. • In hoeverre er betrokkenheid is van inwoners en belanghebbenden. Hiervoor geldt een inspanningsverplichting. 4. Uiterlijk voordat het ruimtelijk besluit voor een duurzame energieproject in ontwerp wordt gepubliceerd, moeten afspraken over financiële participatie zijn opgenomen in een overeenkomst
3.3 De betrokkenheid van bewoners Gemeente Oudewater wil dat inwoners en belanghebbenden vroegtijdig betrokken worden bij projecten rondom duurzame energie opwek. Dat wordt aangeduid als procesparticipatie. Dit kader beschrijft hoe dit proces moet verlopen en wat de rollen van de initiatiefnemer en de gemeente zijn.
1.
De kring van belanghebbenden bij een ruimtelijk besluit over de opwek van duurzame energie bestaat uit enkele groepen. Gemeente Oudewater maakt hierbij het volgende onderscheid: • Direct omwonenden – Een windturbine is te horen, of het zonneveld is te zien, vanuit de woning of in de directe omgeving van de woning. Als uitgangspunt voor het open landschap wordt voor windenergie gedacht tienmaal de tiphoogte van de windturbine, en voor zonnevelden aan 250 meter vanuit de buitenranden van het zonneveld (bij afwezigheid van groene afscherming). In het geval deze afstand hele woonwijken bevat, wordt per geval en samen met de projectleider vanuit de gemeente bekeken wat een logisch gebied zou zijn. Gemeentegrenzen zijn niet leidend voor afbakening van de groep direct omwonenden. • Gebied – De windturbine of het zonneveld bevindt zich niet in de directe nabijheid (lees: binnen tienmaal de tiphoogte van de windturbine of 250 meter van het zonneveld) van een woning of bedrijfslocatie, maar heeft wel effect op iemands leefomgeving. In het geval van grootschalige windenergie kan het hele gemeentelijke grondgebied hieronder vallen. In het geval van een grootschalig zonneveld kan hiervoor over het algemeen een een wijk of dorp gekozen worden.
Dit kan eventueel uitgebreid worden tot de gehele landschappelijke zone van het afwegingskader, indien dit traject invloed heeft op mogelijke toekomstige trajecten elders in de betreffende zone. • Belangengroepen – Vanwege te beschermen belangen (landschap, natuur) vormen belangengroepen waarvan het werkgebied overlapt met het projectgebied een gesprekspartner voor de initiatiefnemers van duurzame energieprojecten.
P28
Gemeente Oudewater
2.
Ondanks de coördinerende rol van de projectleider vanuit de gemeente is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor een participatieproces waarin inwoners worden betrokken bij de voorbereiding van een project. Een verslag van dit participatietraject moet worden ingediend bij de gemeente, gelijktijdig met het projectplan en de concept-vergunningaanvraag. Indien niet voldoende inspanningen zijn geleverd kan gemeente aandringen op aanvullende participatie
3.4 Financiële participatie Bij grootschalige initiatieven is het aanbieden van vormen van financiële participatie vereist. Gemeente Oudewater wil dat bij ieder grootschalig project de mogelijkheid wordt onderzocht voor lokaal (mede) eigendom waarbij lokale inwoners en bedrijven zijn georganiseerd in een energiecoöperatie. Hiervoor geldt een inspanningsverplichting. Indien lokaal eigendom niet haalbaar blijkt wordt verwacht dat er sprake is van andere vormen van financiële participatie, bijvoorbeeld in de vorm van obligaties, een omgevingsfonds en/of een omwonendenregeling. 1.
Gemeente Oudewater faciliteert het proces waarin wordt gestreefd naar vijftig procent lokaal eigendom op projectniveau. Een energiecoöperatie is de meest geschikte vorm om het lokaal eigendom vorm te geven. De gemeente wil dat iedereen de mogelijkheid moet hebben om daarin mee te doen, ongeacht financiële draagkracht. De vijftig procent lokaal eigendom levert de inwoners een evenredige zeggenschap en deling in de financiële revenuen (opbrengsten) op. 2. Initiatiefnemers van wind- en zonprojecten stellen vroegtijdig een participatievoorstel op dat met de omgeving wordt besproken tijdens het participatietraject. In het participatievoorstel wordt toegelicht welke vormen van financiële participatie worden toegepast, naast het lokaal (mede) eigendom. Te denken valt aan de opzet van een omgevingsfonds, een obligatieregeling, een individuele tegemoetkoming voor omwonenden of een combinatie van deze vormen. 3. Gemaakte afspraken over financiële participatie worden vastgelegd in een omgevingsovereenkomst, als sluitstuk van het gebiedsproces. Deze overeenkomst wordt gesloten met vertegenwoordigers uit het gebied en heeft een symbolische functie. Indien nodig worden afspraken over financiële participatie aanvullend vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen vergunninghouder(s) en het bevoegd gezag. 4.
Bij de ontwikkeling van windenergie wordt een sociale grondvergoeding toegepast. Dit geeft ruimte om op een optimale opstelling met windturbines uit te komen.
P29
Gemeente Oudewater
4. Bijlagen Externe bijlagen bij dit afwegingskader: • •
Bijlage Stappenplan Bijlage Restricties
P30
Overzicht netinfrastructuur Stedin Provincie Utrecht - RES
27 November 2020
Infrastructuur Utrecht TS stations Wind
10 km
Vuistregel: Hoe groter het vermogen van een project, hoe groter de afstand tot een station kan zijn (business case ontwikkelaars). Vermogenscategorie:
10 MW -100 MW
TS station Stedin (koppelpunt TenneT) TenneT 380 kV Tennet 150 kV Stedin 50 kV Buiten provincie Utrecht
Infrastructuur Utrecht TS stations Zon
5 km
Vuistregel: Hoe groter het vermogen van een project, hoe groter de afstand tot een station kan zijn (business case ontwikkelaars). Vermogenscategorie:
10 MW -100 MW
TS station Stedin (koppelpunt TenneT) TenneT 380 kV Tennet 150 kV Stedin 50 kV Buiten provincie Utrecht
Infrastructuur Utrecht MS stations Wind
5 km
Vuistregel: Hoe groter het vermogen van een project, hoe groter de afstand tot een station kan zijn (business case ontwikkelaars). Vermogenscategorie:
1.75 MW -10 MW
MS station Stedin (koppelpunt TS) Nieuw station TenneT 380 kV Tennet 150 kV Stedin 50 kV
Buiten provincie Utrecht
Infrastructuur Utrecht MS stations Zon
3 km
Vuistregel: Hoe groter het vermogen van een project, hoe groter de afstand tot een station kan zijn (business case ontwikkelaars). Vermogenscategorie:
1.75 MW -10 MW
MS station Stedin (koppelpunt TS) Nieuw station TenneT 380 kV Tennet 150 kV Stedin 50 kV
Buiten provincie Utrecht
Wat wordt waar aangesloten?
Duimregels vermogen per toepassing: 1 ha zon op dak ~ 0.85 MW 1 ha zon op land ~ 1.05 MW 1 windturbine 130 m ~ 5,6 MW
4. Bijlagen In de bijlagen staan relevante kaarten en gegevens voor het afwegingskader. Enerzijds gaat dit over de restricties en toetsingsvlakken waaraan de ontwikkeling van zonnevelden, zonnedaken en windturbines onderhevig zijn. Anderszijds zijn het kaarten van thema’s die eventueel kansen bieden voor een koppeling in ontwikkeling, of die invloed hebben op de voorwaarden. Deze bevindingen zijn gebaseerd op kaarten van rijksinformatie, kaarten van de provincie en atlas Lopikerwaard. De kaartbeelden zijn onderhevig aan veranderingen en kunnen gedurende de gebruiksfase van het afwegingskader dus veranderen.
4.1 Restricties wind (veiligheid en milieu) Bij de plaatsing van windturbines is veiligheid voor de omgeving belangrijk. De restricties van wind hebben direct invloed op de mogelijke plaatsing van een turbine. Ook in de zones waar potentie gezien wordt voor wind (zoals zone langs snelweg) moet er rekening worden gehouden met de veiligheidseisen. Deze kaart laat de zones zien waar wind niet geplaatst kan worden. De voorwaarden zijn niet allesomvattend: met sommige extra veiligheidsmaatregelen voor de turbine of een ander type turbine kan er soms toch een ontwikkeling plaatsvinden. Vanuit verschillende wet- en regelgeving wordt deze omgeving beschermd op veiligheid en geluid. In het Handboek Risicozonering Windturbines is beschreven op welke onderwerpen de veiligheidsen geluidsnormeringen betrekking hebben op het plaatsen van windturbines en tevens zijn hierin richtlijnen beschreven op welke wijze deze regels vertaald kunnen worden naar ruimtelijke afstanden ten opzichte van een bron. De rekenregels zijn gebaseerd op de afmetingen van de mast en de rotor van de turbine. Voor het berekenen zijn wij uitgegaan van een referentieturbine. Specificatie woonkernen (geluid) Richtlijn Het jaargemiddelde geluidsniveau Lden veroorzaakt door een windturbine of windpark mag bij een
Handboek Risicozonering Windturbines, RVO 2014. Wind op land/geluidsnormering, RVO 2019. 4 In overeenstemming van expertise van de NWEA, 2019. 5 Referentieturbine Vestas v150, na overleg met NWEA. 2 3
geluidsgevoelig object niet meer bedragen dan 47 dB. Het is onmogelijk om deze norm te vertalen naar een uniforme afstand. In overleg met NWEA is voorgesteld om een minimale afstand van 500 meter te hanteren als vuistregel. Deze afstand is gebaseerd op ervaring uit eerdere windprojecten en niet gebaseerd op een strikt onderbouwde regel.
Technische aspecten referentieturbine Vestas v-150 • Type turbine: 5,6 MW • Masthoogte van de turbine: 166 meter • Diameter van de rotor: 150 meter
Bronnen met hinderzones Bronobject
Specificatie bronobject
Imapct
Juridische status5
Berekende afstand
Kwetsbare bebouwing
Kwetsbare objecten
Veiligheidsnorm
Activiteitenbesluit
241 m vanaf gevel
Beperkt kwetsbare bebouwing
Beperkt kwetsbare objecten
Veiligheidsnorm
Activiteitenbesluit
75 m vanaf gevel
Wegen
Rijkswegen (A), Spoorwegen(N), Stadsroutes (S)
Veiligheidsnorm
Noodzakelijk voor vergunning (RWS)
75 m vanaf gevel
Spoorwegen
Spoorwegen voor personen of goederenvervoer en lightrailverbindingen
Veiligheidsnorm
Noodzakelijk voor vergunning (ProRail)
83 m vanaf hart spoorbaan
Waterwegen
Vaarwegen
Radarverstoring
Noodzakelijk voor vergunning (RWS)
50 m vanaf rand vaarweg
Risico-inrichting (industrie) Objecten met een hinderzone (10-6)
Veiligheidsnorm
Bij ruimtelijke besluitvorming windturbines
Vastgestelde hinderzone
Buisleidingen
Buisleidingen met gevaarlijke stoffen
Veiligheidsnorm
Advies
241 m vanaf buitenste lijn
Hoogspanningsleidingen
Onder- en bovengrondse hoogspanningsinfrastructuur en geplande hoogspanningstrajecten
Veiligheidsnorm
Advies
241 m vanaf buitenste lijn
Primaire waterkering
Kernzone primaire waterkering (excl. Voorliggende waterkering)
Veiligheidsnorm
Afhankelijk van beheerder
Kernzone 50 m vanaf hartlijn
Laagvlieggebieden
Laagvlieggebied 10 +10A
Hoogtebeperking
Regeling minimum vlieghoogten
Vastgestelde hinderzone
Luchthaven
Civiele en militaire luchthavens
Hoogtebeperking
Bij ruimtelijke besluitvorming windturbines
Vastgestelde hinderzone
Losse woonbebouwing
Woningen buiten woonkernen
Geluidsnorm
Bij ruimtelijke besluitvorming windturbines
300 m vanaf gevel
Woonkernen
Aaneengesloten woningen binnen een woonkern
Geluidsnorm
Bij ruimtelijke besluitvorming windturbines
500 m vanaf gevel
De gemeente Oudewater heeft in overleg met de GGD besloten om de geluidsafstand voor alle woningen (ook buiten woonkernen) minimaal op 500m te zetten. De restrictiekaart wordt dan dus uitgebreid, zoals de kaart op de volgende pagina laat zien. Zones waarin deze laag van invloed is: Volledig: • Zone E bebouwing, Zone I-lintbebouwing Een deel (rekening mee houden): • Zone J langs spoor en hoogspanningslijn, Zone A veenweide met bodemdaling en zone D veenweidegebied vanwege buisleiding.
Wind Buffer 500 m
Op basis van een 5,6 MW-turbine Restricties omtrent veiligheid en milieu Geluidszone woonkernen (500m) Geluidszone losse bebouwing (500m)
Zone waar in theorie wind zou kunnen
Achtergrond
4.2 Toetsingsvlakken wind Beleid kan invloed hebben op de mogelijke plaatsing van een turbine. Naast regelgeving die betrekking heeft op de veiligheid en milieu zijn er nog meer beleidsregels die windenergie mogelijk niet toestaan. Nederland heeft onder ander gebieden benoemd waar specifieke bescherming geldt voor natuur, stilte, cultuur of een andere bescherming. Voor deze gebieden geldt veelal dat vanuit de vigerende provinciale verordeningen windenergie niet wordt toegestaan. Het karakter van deze regelgeving is dat een toets zou moeten uitwijzen of er daadwerkelijk een significant effect is op deze beschermde gebieden. Dit betekent dat er binnen deze beschermde gebieden mogelijk kansrijke plekken kunnen zijn waar windenergie mogelijk is. Provinciale regelgeving sluit deze gebieden in het huidige beleid uit als potentieel gebied. Via de Wet natuurbescherming worden specifieke natuurgebieden beschermd. Windenergieprojecten kunnen schadelijk zijn voor beschermde gebieden. Het betreft hier Natura 2000 gebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor gebieden in of nabij Natura 2000-gebied geldt dat onderzocht moet worden wat het significante effect is van een windturbineproject op de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen. Het bevoegd gezag kan liggen bij het Rijk of de provincie.
Voor NNN (Wet ruimtelijke ordening) geldt dat een windproject de wezenlijke waarden en kenmerken van het gebied niet aantasten. Het bevoegd gezag ligt bij de provincie.
Bron: http://www.rvo.nl/onderwerpen/suurzaam-ondernemen/ duurzame-energue-opwekken/windenergue-op-land
Zone waar deze laag van invloed is: • Volledig: » Zone G grens met Lopik. Deels: » Zone D: veenweide; onderste strook is stiltegebied, Zone B 4 (aan de oostrand) en Zone J aan de westrand. Groot deel van zone C: veenweide tussen de lintbebouwing. Zone G grens met Lopik.
De volgende mogelijke beperkingen zijn verkend: Restrictie
Bevoegd
Categorie
Natuurnetwerk Nederland
Provincie
Natuur en ecologie
Natura 2000
Rijk
Natuur en ecologie
Werelderfgoed (Unesco)
Rijk
Cultuurhistorie
Stiltegebied
Provincie
Geluidsbelasting
Luchtvaart (CNS, Laagvliegruimte, Helikopterluchthaven, Luchthaven, Vlieggebied defensie, zweefvliegluchthaven)
Rijk of Provincie
Toetsingsvlak
Radar verstoringsgebieden
Rijk
Hoogte waarboven een toets dient te worden gedaan
Reserveringsruimte infrastructuur en buisleidingen
Rijk
Reserveringsruimte (veiligheid)
Veiligheidszones rondom munitie of explosieven
Rijk
Veiligheid
Zend- en ontvangstlocaties
Rijk
Verstoring
4.3 Toetsingsvlakken zon Het landbouwgebied gaat op veel plekken samen met andere doeleinden, zoals natuurbeheer, cultuurhistorie of waterveiligheid. De effecten van een zonneweide dient dan getoetst te worden of het in strijd is met deze waarden en kunnen dus mogelijk beperkend werken of is toepassing onder voorwaarden mogelijk. Drie generieke effecten zijn in kaart gebracht: Unesco Werelderfgoed (cultuurhistorie), Weidevogelgebieden (natuurwaarden) en het beheersgebied of uiterwaardegebied van Rijkswaterstaat (waterveiligheid). Voordat zon in weidevogelgebied ontwikkeld kan worden zal er meer onderzoek gedaan moeten worden naar de effecten. De uitkomst van dit onderzoek bepaalt of de zones waarin dit toetsingsvlak geldt in verloop van tijd een trede omhoog kan in het afwegingskader. Het is ook belangrijk om over de gemeentegrens te kijken. Zo moet in zone B ook rekening gehouden worden met NNN-gebied rondom het landgoed Linschoten. Zones waarop deze laag van invloed is Volledig: » Zone J veenweidegebied met bodemdaling, Zone D veenweidegebied Mogelijke beperking » Zone A, B, C open landschap, zone E bebouwing, Zone H (buiten bebouwing) Zone G grens met Lopik, zone I-lintbebouwing
4.4 Landschap De verschillende soorten landschappen hebben elk hun eigen kenmerk. Deze hebben invloed op de draagkracht voor opwek door zon of wind. Het landschap in Oudewater is voornamelijk veenweide. De verkavelingsstructuur en de verkavelingsrichting verschilt per zone. De beeldentaal van dit landschap bestaat uit dijken, veenriviertjes, cope-verkavelingen en erven. Verder kenmerkt het landschap zich als open, met verre zichtlijnen. Hieronder staan voorwaarden genoemd bij ontwikkeling van zon of wind in het landschap Zon • Volg zoveel mogelijk de bestaande landschappelijke structuren (sloten, verkavelingen, hoogteverschillen, begroeiingsstructuren). Benut bestaande sloten als afscheiding en bestaande infrastructuur als toegangswegen. Plaats de rijen in de lijn van het landschap, met de cope-verkaveling mee. Houd het kavelsloten verkavelingspatronen zichtbaar door doorzichten over de kavelsloten te behouden. • Polders met verschillende kavelstructuren of richtingen of belevingsrichtingen vanaf de weg (zoals bij Lange Linschoten (B4 en B5)) zijn minder geschikt voor ontwikkeling van zonnevelden. • Polders met een gave cultuurhistorische polderstructuur zijn minder geschikt voor zonnevelden (zie ook cultuurhistorische waardenkaart).
• Zorg voor een goede inpassing in het landschap door te zorgen voor een natuurlijke randstructuur gebaseerd op de van oorsprong en de (nog) bestaande landschappelijke kleine landschapselementen. Zorg ervoor dat de
•
•
beplanting van deze landschapselementen/ randstructuur bestaat uit streekeigen beplanting Behoud de openheid van het landschap op ooghoogte. In het open landschap geeft de gemeente de voorkeur aan zonnevelden die niet hoger zijn dan 1,5m, zodat men visueel over de panelen heen kan kijken. De maximaal toegestane hoogte voor zonnevelden is 2,5m. Wanneer er sprake is van een zonneveld hoger dan 1,5m dient er onderbouwd te worden waarom dat het geval is en met welke thema er een koppeling plaatsvindt.Dit geldt ook voor de extra elementen zoals transformatorhuisjes. Plaats deze bijkomende elementen in een logische en ordelijke wijze in het veld. Voorkom losstaande objecten aan de rand van het zonnepark. Probeer zo min mogelijk met hekken te werken. Zorg voor uniformiteit en voorkom variatie tussen de delen van zonnevelden die in verschillende fases zijn gebouwd.
Zones waar deze kaartlaag een rol speelt: • Vooral Zone B Veenweide, • Voor een deel Zone A en zone D en zone H
Wind •
•
• •
Volg lijnen in het landschap. In dit geval de lijnen van de bebouwingslinten. Voor Oudewater zijn er wat meer Oost-west structuren door de lintbebouwing. De windturbines in rijopstelling kunnen bestaande identiteit van structuren versterken. Deze structuren gaan ook over gemeentegrenzen heen. Zorg voor uniformiteit en voorkom variaties tussen typen en groottes. De grote schaal van het landschap vraagt om de analyse van landschapsstructuren die over de gemeentegrens heen gaan.
Voorbeeld van windopstelling langs infrastructurele lijn (A15 bij elst)
Bodemsoort Oudewater ligt voor een groot deel op veengronden, met name het open gebied. De zone langs de Hollandsche IJssel zijn kleigronden. Verder is een deel van het gebied een kleilaag op veen en ook een deel juist andersom. Naast dat de ondergrond invloed heeft op het landschap, heeft het ook invloed op bijvoorbeeld waterhoudend vermogen, draagkracht en bodemdaling. Er worden geen directe voorwaarden gesteld aan de ondergrond, maar het kan invloed hebben op de mogelijkheden van ontwikkelingen en dient dus ook mee worden genomen bij de stap naar vergunning.
Bron: Atlas Lopikerwaard September 2019 https://www.ruimtevolk.nl/2019/atlas-van-de-lopikerwaard/
Landschap van ontginningen De ontginningen hebben een directe invloed op de richting van het landschap. Zoals beschreven is bij de voorwaarden van inpassing in het landschap kunnen zonnepanelen in de richting van het landschap worden opgesteld, terwijl er rekening wordt gehouden met de verkaveling. De cope-structuur wordt aangehouden. Ook de transformatorhuisjes moeten binnen dit stramien geplaatst worden.
Bron: Atlas Lopikerwaard September 2019 https://www.ruimtevolk.nl/2019/atlas-van-de-lopikerwaard/
Landbouw Bij de afweging moet rekening worden gehouden met de huidige productiviteit van het landschap. Sommige locaties zijn minder geschikt voor landbouw dan anderen. Het is niet wenselijk om zeer geschikte landbouwlocaties voor de opwek van zonnevelden in te zetten. Soms zijn er ook koppelingen te maken, bijvoorbeeld een zonne-overkapping bij teelt van bepaalde soorten rood fruit.
ZONNEPANELEN BOVEN ZACHT FRUIT
Bron: https://www.trouw.nl/nieuws/fruit-kweken-onder-een-dakvan-zonnepanelen-lukt-dat~be6c0686/?referrer=https%3A%2F%2F www.google.com%2F Bron Kaarten: Atlas Lopikerwaard September 2019 https://www.ruimtevolk.nl/2019/atlas-van-de-lopikerwaard/
4.5 Biodiversiteit Deze kaartlaag heeft een relatie met zowel opwek door zon als door wind. Het gaat hier om de mogelijkheid om een koppeling van opwek van duurzame energie te maken met andere opgaven (zoals biodiversiteit). De koppeling kan grofweg op twee manieren worden ingezet: • Koppeling van de ontwikkeling van zonnepanelen in een extensieve manier met daartussen bloemen en groen dat de biodiversiteit versterkt. Hierbij gaat het dan vooral om Zone B4 en B5, Zone A1. • Koppeling van de ontwikkeling van zonnepanelen in een extensieve manier langs de randen van de gebieden met een hoge biodiversiteit. Op deze manier kan er gepoogd worden de donkergroene gebieden op de kaart uit te breiden. Dit geldt vooral voor zone D en Zone H. ZONNE’PARK’ DE KWEKERIJ HENGELO
https://www.nieuwestedelijkenatuur.nl/picknicken-tussen-dezonnepanelen/ Bron: Atlas Lopikerwaard September 2019 https://www.ruimtevolk.nl/2019/atlas-van-de-lopikerwaard/
4.6 Bodemdaling en droogte Deze kaartlaag heeft een relatie met vooral opwek door zon. Het gaat hier om de mogelijkheid om een koppeling van opwek van duurzame energie te maken met andere opgaven (zoals bodemdaling). De donkerblauwe gebieden op de kaart verzakken en zijn daarmee in de toekomst waarschijnlijk minder geschikt voor de huidige agrarische functie. Eventueel kan ook gedacht worden aan vernatting in combinatie met de ontwikkeling van zonnevelden. In dat geval moet er ook rekening gehouden worden met de poldergroottes (omdat vernatting alleen per polder kan). Deze laag speelt vooral een rol in: • Zone F en zone A en het westen van zone D Ook droogte kan ervoor zorgen dat de agrarische grond minder geschikt wordt voor zijn functie. Dit speelt met name in de gebieden waar klei in de bodem zit (zone B4).
https://www.zuid-holland.nl/publish/pages/24169/ handreikingzonne-energie.pdf Bron: Atlas Lopikerwaard September 2019 https://www.ruimtevolk.nl/2019/atlas-van-de-lopikerwaard/
Peilbesluiten met oppervlaktepeilen Deze kaartlaag heeft een relatie met opwek door zon. Het gaat hier om de mogelijkheid om een koppeling van opwek van duurzame energie te maken met bodemdaling. De donkerblauwe gebieden op de kaart zijn onderhevig aan bodemdaling en zijn daarmee in de toekomst waarschijnlijk minder geschikt voor de huidige agrarische functie. Bovendien komt er bij het inklinken van veengronden CO2 vrij. Dit kan verminderd worden door het grondwaterpeil dichter bij het maaiveldniveau te brengen. Eventueel kan hierbij een combinatie gemaakt worden met de ontwikkeling van zonnevelden. In dat geval moet er ook rekening gehouden worden met de poldergroottes (omdat vernatting alleen per polder kan).
https://www.rd.nl/image/contentid/ policy:1.1597472:1569564020/2019-09-25-katWO1-crouwels-5-FCweb.jpg?f=16x9&$p$f=ea31437 https://hdsr.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index. html?id=82aa7241868b47a9a7d87af35ecacdc5
4.7 Cultuurhistorische waarde In de kaart toetsingsvlakken zon wordt de cultuurhistorische waarde van werelderfgoed al meegenomen. Naast de cultuurhistorische waarde van werelderfgoed, spelen er ook cultuurhistorische waarden op andere thema’s De omgang met het water heeft een belangrijk stempel gedrukt op het buitengebied van de gemeente Oudewater. Belangrijke elementen hierin vormen de ontginningen. Visueel overheerst het beeld van een technologisch samengesteld, open cultuurlandschap met een strokenverkaveling in een vaste maatvoering (zogenaamde cope-ontginning met weteringen, tiendwegen, voor- en achter(hout)kaden, zijwindes, boezemgebieden, bosjes, knotboomrijen, etc.). Cultuurhistorisch zeer waardevol en goed bewaard gebleven is het landschap van de Lange Linschoten, een kronkelend veenriviertje met de langs liggende smalle polderkaden en een langgerekt boerderijlint aan beide zijden. Het dijkdorp Goejanverwelle ontwikkelde zich in de 15e- en 16e-eeuw als een verbreed dijkprofiel bij de gelijknamige sluis in de Dubbele Wiericke. De kern, met karakteristieke lintbebouwing zowel op de smalle en hoger gelegen dijk als langs de lagergelegen voet daarvan, heeft een ruimtelijk zeer bijzondere karakteristiek.
De combinatie van de ontginningsbases, de zij- en achterkades, de strookvormige percelering en de linten van voornamelijk langhuisboerderijen geeft het buitengebied van Oudewater een grote cultuurhistorische betekenis. https://woerden.maps.arcgis. com/apps/webappviewer/index. html?id=43c003f835364b0286053d6accb59944
Gesteld kan worden dat de cultuurhistorisch meest waardevolle poldergebieden liggen aan de noordzijde van de gemeente Oudewater (polders Hekendorp, Ruige Weide, Papekop en Diemerbroek en de noordzijde van de Lange Linschoten). Hierin staat (als deze klaar is) aangegeven welke gebieden waardevol zijn en behouden moeten worden en welke polders wel geschikt zijn. Er kan
per zone verschil zitten in de cultuurhistorische waarde. Zo hebben de lintbebouwingsstroken langs de hekendorpsebuurt, linschoterzandweg noord en zuid en de ruige weide een grotere waarde dan de andere bebouwingslinten. Ook ligt een deel van de Oude Hollandse Waterlinie in Oudewater. Er kan een koppeling gemaakt worden tussen opwek van zon of wind en de oude structuren zichtbaar maken.
Cultuurhistorisch waardevolle polders kern Hekendorp Hekendorp: Cope-ontginning langs Hollandse IJssel met dijkprofiel en bovengrondse elektrische bedradingen incl. bokpalen, beplantingen en boerderijlint onder aan dijk, historische verkaveling en structuur met weteringen, boezemgebied, achteren zijkaden en coupures in IJsseldijk; Cultuurhistorisch waardevolle polders kern Hoenkoop Hoenkoop: Cope-ontginning met begrenzingen, historische verkaveling, boerderijlint en structuur met weteringen, boezemgebieden, achter- en zijkaden en hennepvelden; Cultuurhistorisch waardevolle polders kern Papekop Ruige Weide en Diemerbroek Cope-ontginningen met begrenzingen, wegprofiel met bovengrondse elektrische bedradingen incl. bokpalen, historische verkaveling, boerderijlint en structuur met weteringen, boezemgebied en achter- en zijkaden; Cultuurhistorisch waardevolle polders kern Snelrewaard Lange Linschoten : Cope-ontginning langs rivier met begrenzingen, historische verkaveling en structuur met weteringen, boezemgebied en achter- en zijkaden; Stedenbouwkundige structuur van bochtig riviertje met drie kwakels en weg met boerderijlint langs beide zijden;
Zon: • Bij implementatie van zonnevelden moet de waarde gewaarborgd blijven. Houd rekening met kwetsbare en cultuurhistorische objecten in de omgeving door een (buffer)afstand te hanteerden of zorgvuldig in te passen. Dit kan ook een kans zijn: Breng historische landschappelijke structuren terug in de vorm van de opstelling (bijvoorbeeld waterlinie). • Houd rekening met lijnstructuren zoals houtwallen. Wind: • Inpassing van windmolens bij cultuurhistorische bouwwerken is een aandachtspunt. Geen windmolens bij kleinschalige landschapselementen • Deze laag speelt vooral een rol in: • Zone E bebouwd gebied, Zone I lintbebouwing (17, hekendorpsebuurt; 12, Linschoterzandweg Noord en Zuid; 2, Ruige Weide) • En een aandachtspunt in Zone B4 voor het aangrenzende landgoed Linschoten. • Zone A en zone D en zone J voor de oude Hollandsche waterlinie
Waterline
Bron: https://waterlinieacademie.nl/wp-content/uploads/2019/02/ ActualisatieGebiedsvisieOHW2018.pdf
4.8 Fietspad en rectreatie Recreatiegebieden en recreatiepaden (fiets- en wandelpaden) spelen een rol bij de ontwikkeling van opwek door zon of wind.
Wind: •
Zon: •
•
•
• •
Kijk waar en hoe zonnevelden gecombineerd kunnen worden met recreatie. Een zonneveld kan zorgen voor een mooie doorsteek over boerenland. Bij ontwikkeling van recreatiezones kan een koppeling met ontwikkeling van zon of wind plaatsvinden. De panelen moeten niet hinderlijk schitteren zodat de recreant alleen maar met zijn zonnebril hier kan wandelen. Voorkom dat de recreant alleen nog maar tussen zonnevelden door wandelt of fietst. Bestaande fiets- en wandelpaden mogen niet verdwijnen door zonnevelden.
ZONNE’PARK’ DE KWEKERIJ HENGELO
https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/ Webkaart?bookmark=34cd5023664e4933a48c0ea669678dac
•
Houd rekening met bestaande fiets- en wandelpaden (ook over boerenland). Windmolen moeten hier ver genoeg vanaf staan zodat dit niet hinderlijk is voor de recreant. Bestaande fiets- en wandelpaden mogen niet verdwijnen door windmolens.
Zones waar dit een rol speelt: • Mogelijkheid voor koppeling met ontwikkeling van recreatiegebied zone H , maar niet ten koste van huidige groenstrook.
Fietspad
4.9 Archelogische waarden
Op de archeologische waarden kaart is een duidelijke zonering te zien. Mer name rondom de bebouwing en langs de Hollandsche Ijssel is sprake van een hoge verwachtingswaarde. Op basis van de hoogte van de waarde dient er bij grotere oppervlakte nader onderzoek plaats te vinden. Er is ook een vrijstellingsregeling van kracht: Vrijstellingsregeling Indien een plangebied kleiner is dan 2500 m2 (0,25 ha) wordt het vrijgesteld van archeologisch onderzoek, tenzij: 1. het plangebied (gedeeltelijk) deel uit maakt van een archeologisch waardevol terrein of archeologisch Rijksmonument 2. het plangebied zich bevindt binnen 250 m van de grens van een archeologisch waardevol terrein of archeologisch Rijksmonument 3. er concrete aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van archeologische resten op basis van vondstmeldingen of waarnemingen uit het plangebied zelf of binnen een straal van 100 m van de grens van het plangebied op de beleidskaart 4. het plangebied zich bevindt in een zone van 100 m aan weerszijden van de verwachte loop van de limesweg (zie beleidskaart) 5. het plangebied zich (gedeeltelijk) bevindt in een historisch boerderijlint (zie beleidskaart) 6. het plan en de bodemingrepen een lineair
https://www.oudewater.nl/sites/default/files/archeologische%20 beleidskaart%20oudewater.pdf
element betreft, zoals bij voorbeeld sleuven voor riolering of kabels&leidingen en te graven sloten/waterwegen. (Lijnvormige bodemingrepen hebben vaak een beperkte oppervlak maar doorsnijden wel een groot gebied en geven daardoor een uitgelezen mogelijkheid om doorsneden door het landschap te onderzoeken.)
4.10 Geluidsoverlast
De geluidskaart van Oudewater toont een duidelijke accumulatie rondom de spoorlijn en kleine zones rondom de wegen. De link met de ontwikkeling van zonnevelden of windturbines kan enerzijds proberen gebruik te maken van de geluidsoverlast (door bijvoorbeeld windturbines juist in deze zone te zetten). Anderzijds kan er gedacht worden aan een combinatie die als geluidsbuffer optreedt (bijvoorbeeld een type beplanting in combinatie met zonnepanelen, zodat het geluid deels wordt afgevangen. Deze kaartlaag speelt vooral in: • Zone J veenweidegebied met bodemdaling, Zone H Tappersheul, zone I-lintbebouwing.
https://www.bam.com/en/press/press-releases/2017/5/bam-buildsa-unique-noise-barrier-with-integrated-solar-cells Bron: Atlas Lopikerwaard September 2019 https://www.ruimtevolk.nl/2019/atlas-van-de-lopikerwaard/
4.11 Natuur Een deel van de natuurgebieden komt terug in het toetsingskader van zon. Deze aparte laag laat zien dat er ook kansen zijn voor het gebied net rondom natuurgebieden.: Zon: • • •
Zonnevelden kunnen een buffer vormen tussen een natuurgebied en een agrarisch gebied. Zonnevelden mogen de natuurwaarden niet schaden. Zonnevelden zijn niet wenselijk binnen de natuurgebieden.
ZONNEPARKEN ALS BUFFER BIJ NATUURGEBIEDEN
Bron: 1. https://energieregionhn.nl/app/uploads/2020/05/20200501Onderzoek-natuur-en-energie-rapport.pdf ; p 32 Kaart: https://webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer/app/ Webkaart?bookmark=34cd5023664e4933a48c0ea669678dac
Wind: •
Wind is niet gewenst binnen de natuurgebieden
Deze kaartlaag speelt vooral in: • Zone J veenweidegebied met bodemdaling alleen westzijde, Zone B4 oostzijde Zone D8 en H rondom Willeskop.
Hoofdlijnen stappenplan In verband met het doorlopen van een adequaat participatietraject bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen en besluiten over concrete projecten voor grootschalige duurzame energie (wind en zon), wordt een gemeentelijk stappenplan1 geïntroduceerd. De processtappen uit dit stappenplan moeten worden gevolgd om zeker te stellen dat een zorgvuldig gebiedsproces wordt doorlopen waarbij vroegtijdig afspraken worden gemaakt over financiële participatie door de omgeving. De processtappen sluiten aan op de besluitvormingsprocedures zoals deze moeten worden aangehouden op grond van de Omgevingswet. De uitgangspunten voor de gemeente Oudewater zijn als volgt: ➢ Kleinschalige windmolens (tot 20 meter ashoogte), kleinschalige zonnevelden (tot 1 ha) en grondgebonden grootschalige zonneparken worden mogelijk gemaakt met een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (onder de huidige wetgeving ‘buitenplans afwijken van het bestemmingsplan’). Het grote voordeel is dat de tijdelijkheid van de vergunning goed kan worden geborgd en de (agrarische) bestemming van de grond niet hoeft te worden gewijzigd. De omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit die voor bepaalde tijd wordt verleend, geldt naast het omgevingsplan. ➢ Voor windparken van 15 MW of meer moet op grond van de Omgevingswet verplicht worden gewerkt met een ‘wijziging van het omgevingsplan’.
Voor windenergie geldt dat voor wijziging van het omgevingsplan de projectprocedure uit de Omgevingswet moet worden gevolgd. Omgevingsplan wordt gecoördineerd voorbereid met de benodigde vergunningen. In het geval van een windpark met een vermogen van minder dan 15 MW staat het de gemeente vrij om te kiezen voor het instrument van de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (buitenplans afwijken). ➢ De raad heeft besloten om de bijdrage voor 2030 voor Gemeente Oudewater in te vullen met zon op dak, kleinschalige windmolens en één of meer grondgebonden zonneparken. Als de bijdrage van Oudewater groter wordt dan door de raad is besloten, of als of deze de vorm krijgt doormiddel van grootschalig zon op veld of grootschalige wind, moet dit als nieuw voorstel aan de raad voor worden gelegd. Voor de opgave na 2030 is het voorstel om grootschalige windenergie wel te onderzoeken, dat is de reden dat windenergie wel is opgenomen. In onderstaande paragrafen worden eerst grafisch de verschillende stappen van het stappenplan gepresenteerd, waarna er kort wordt ingegaan op de hoofdlijnen van de verschillende stappen. Doordat het stappenplan, in verband met de intreding van de Omgevingswet, nog kan wijzingen is de trechter nog niet in detail uitgewerkt.
1
Het stappenplan geldt voor projecten die grootschalige opwek van duurzame energie mogelijk maken. Bij kleinschalige opwek geldt de (eenvoudige) procedure voor een omgevingsvergunning.
Stappenplan voor grootschalige opwek
Stap 1: Zoekgebieden en afwegingskader
Stap 2: Gebiedsproces (per zone)
Stap 3: Selectie initiatiefnemers Stap 4: Zon: Concept-omgevingsvergunningaanvraag Wind: Concept omgevingsplan en vergunningaanvraag Stap 5: Zon: Omgevingsvergunningprocedure fa Wind: Omgevingsplan-procedure Stap 6: Realisatiefase
Stap 7: Exploitatiefase
Stap 8: Ontmantelingsfase
Stap 1: Zoekgebieden en afwegingskader Stap 1 is het vaststellen van het afwegingskader inclusief bijlagen. In het afwegingskader is beschreven welke zoekgebieden er worden aangewezen voor zon en wind en welke volgorde er wordt aangehouden hiervoor. Voor de totstandkoming van het afwegingskader en aanwijzing van de verschillende zones is een uitgebreid participatie-traject doorlopen. Het afwegingskader wordt vastgesteld door de Raad. Stap 2: Gebiedsproces (per zone) Na het vaststellen van het afwegingskader wordt voor de zones met de mogelijkheid voor grootschalige opwek een gebiedsproces doorlopen. Dit om te bepalen of een gebied geschikt is (op basis van een nadere uitwerking en overleggen met de omgeving) en als het geschikt is wat dan de beste locatie zou zijn. Hiervoor moet eerst een gebied open worden gesteld. Dit zal gebeuren door middel van een Collegebesluit. Hierbij zal een besluit worden genomen over de start(notitie) van het gebiedsproces, plan van aanpak van de participatie & communicatie en de stakeholderanalyse. Het college stelt een procesbegeleider aan (indien deze niet wordt aangedragen door een gebiedscommissie) die zorgt voor samenwerking en communicatie met de omgeving en initiatiefnemers.
Verder zal de procesbegeleider zorg dragen dat er een onderzoek wordt uitgevoerd naar landschappelijk gezien het draagvlak (het maximaal open te stellen aantal hectares / aantal windturbines) en de beste locaties voor zonne- en windparken. In deze fase zullen samen met de omgeving varianten worden ontwikkelt. Hierbij vindt regelmatig overleg plaats met stakeholders. In
deze fase wordt gepoogd om al te sturen op samenwerking tussen conflicterende initiatieven. Het is mogelijk dat het gebiedsproces met de buurgemeente wordt georganiseerd. Het proces wordt afgesloten met een besluit van het college of en zo ja waarom wordt ingestemd met de voorbereiding van de ruimtelijke procedure. Tevens wordt besloten hoeveel hectare er wordt opengesteld. Bij het besluit komt een verslag van het gebiedsproces en welke aandachtspunten moeten worden meegenomen en wat de voorkeurslocatie is van zonne- en windparken. Een beeldkwaliteitsplan voor de landschappelijke inpassing kan onderdeel uitmaken van de aanvullende aandachtspunten. Stap 3: Selectie initiatiefnemers Nadat de locaties en de mogelijke extra voorwaarden (bovenop het afwegingskader) zijn vastgesteld kunnen de initiatiefnemers hun plannen kenbaar maken. De plannen van de initiatiefnemers worden getoetst of zij voldoen aan het afwegingskader. Wanneer de initiatieven niet voldoen aan het afwegingskader zullen zij afvallen. Voor de overige initiatieven geldt dat daarna wordt gekeken of zij extra waarden / wensen toevoegen aan hen plan. Wanneer dit het geval is, zullen deze initiatieven beter scoren dan initiatieven die het niet doen. Het college zal, op basis van de scores (zie hoofdstuk indienen en beoordelen projectplannen) , beslissen welke initiatiefnemer door mag gaan naar de ruimtelijke procedure.
Stap 4: Concept-omgevingsvergunningaanvraag (zon) & concept-omgevingsplan (wind) De initiatiefnemer zal in deze fase de resultaten tonen van de voorbereidende onderzoek (vb. m.e.r.beoordeling of landschapsplan). Tevens zal de procesbegeleider een verslag aanleveren waarin staat beschreven hoe de procesparticipatie heeft plaatsgevonden. In het verslag staat ook een definitief voorstel voor financiële participatie vermeld. De conceptaanvraag (zon) wordt beoordeeld door het college. Voor het concept-omgevingsplan (wind) geldt dat het plan met de gemeenteraad besproken wordt (consultatie) waarna het college de aanvraag beoordeelt en er een beslissing over neemt. Voor wind kan het concept-omgevingsplan ook als een voorontwerp dienen (deze moet wel te inzage worden gelegd). Hiermee kan je het gehele proces versnellen. Stap 5: Omgevingsvergunningprocedure Als er een positief besluit is genomen over de concept-omgevingsvergunningaanvraag zal er voor zonneparken een omgevingsvergunningaanvraag worden voorbereid. Tevens zal een anterieure overeenkomst worden ondertekend voordat de aanvraag wordt ingediend. Wanneer de aanvraag ingediend wordt, wordt de aanvraag beoordeeld door de omgevingstafel. Hierna kan het college het ontwerp-omgevingsvergunning vrijgeven voor zienswijzen, waarbij belanghebbenden de kans hebben om op de plannen te reageren.
Na het beantwoorden van de zienswijzen door de procesbegeleider, geeft het college een definitieve omgevingsvergunning af. Hierbij geldt dat de gemeenteraad een mogelijkheid heeft om advies te geven aan het college. Het advies van de gemeenteraad moet in een nader te bepalen termijn na de terinzagelegging van het ontwerpbesluit binnen zijn bij het college. Het college heeft bij zonneparken de bevoegdheid om de definitieve vergunning af te geven. NB. Het adviesrecht komt in de plaats van de huidige verklaring van geen bezwaar. Het college van b en w dient dit advies in acht te nemen.
Voor windparken wordt het omgevingsplan gewijzigd. De initiatiefnemer stelt het ontwerpomgevingsplan op. Het college beoordeelt het ontwerp-omgevingsplan en geeft het vrij voor inspraak (facultatief). Het ontwerp-omgevingsplan wordt vervolgens 6 weken ter inzage gelegd, waarbij belanghebbenden een zienswijze kunnen indienen. De procesbegeleider stelt hierna een nota van antwoord op, waarna het college het raadsvoorstel met het definitieve omgevingsplan ter besluitvorming aan de gemeenteraad zendt. NB. De procedure voor de omgevingsvergunning van windparken kan gecoördineerd worden met het omgevingsplan, waardoor de procedure bekort kan worden. NB2. Wanneer de definitieve vergunning is afgegeven is het mogelijk om in beroep te gaan tegen de vergunning. Afhankelijk van de procedure zal het beroep worden behandeld door de rechtbank of Raad van State. Stap 6: Realisatiefase Tijdens de realisatiefase zal er bouwverkeer plaatsvinden. Er wordt verwacht van de initiatiefnemer dat hij contact onderhoudt met de omgeving en zorgt voor goede omgevingsmanagement. Stap 7: Exploitatiefase Tijdens de exploitatiefase houdt de initiatiefnemer een logboek bij waarin hij klachten en zijn (re)actie daarop registreert. Elk jaar zal hij het logboek delen met de gemeente.
Tevens zal er onderzocht worden of de initiatiefnemer zich aan de aanvullende eisen houdt die mogelijk zijn vastgelegd in de vergunning. Stap 8: Ontmantelingsfase Tijdens de ontmantelingsfase zal er bouwverkeer plaatsvinden. Er wordt verwacht van de initiatiefnemer dat hij contact onderhoudt met de omgeving en zorgt voor goed omgevingsmanagement. Na de ontmanteling dient de grond weer geschikt te zijn voor oorspronkelijke bestemming. NB. Door het college te mandateren om het stappenplan aan te passen op basis van de ervaringen met de eerste projecten wordt gezorgd dat het stappenplan actueel blijft. De raad wordt geïnformeerd over aanpassingen in het stappenplan en de reden daartoe.
Indienen en beoordelen projectplannen In onderstaande paragrafen wordt eerst ingegaan op de eisen en checklist waar een projectplan aan moet voldoen. Daarna wordt er ingegaan op de wijze hoe de projectplannen worden beoordeeld. Eisen projectplan Iedere initiatiefnemer stelt een projectplan op. Hiervoor is een specifieke hoofdstukindeling bepaald zodat projectvoorstellen uniform worden opgesteld en beoordeeld kunnen worden, te weten: 1. 2. 3. 4.
Inleiding Parkontwerp Participatie Omschrijving vervolgproces
Daarnaast gelden ook de volgende voorwaarden: • • • • •
De initiatiefnemer dient het projectplan in conform het digitale aanvraagformulier; Het projectplan wordt geschreven in de Nederlandse taal; Het projectplan is ondertekend door één of meerdere personen die bevoegd zijn om de aanvraag in te dienen; De initiatiefnemer kan aan de gemeente geen kosten in rekening brengen voor het uitwerken en indienen van het projectplan; Door inschrijving gaat u akkoord met de gestelde procedurele eisen.
Projectplannen die niet aan de voorgeschreven vormvereisten voldoen kunnen niet getoetst en beoordeeld worden. Dat betekent dat deze projectvoorstellen automatisch onvoldoende scoren en niet gehonoreerd zullen worden. Checklist In het afwegingskader wordt beschreven waaraan een zonnepark of windpark moet voldoen. Hieronder wordt een checklist samengevat voor het projectplan. Het projectplan wordt getoetst aan de hand van de onderstaande checklist Hoofdstuk 1. Inleiding De inleiding beschrijft hoe het projectidee is ontstaan en wie de initiatiefnemers zijn. 2. Parkontwerp Het hoofdstuk parkontwerp gaat in op alle ruimtelijke aspecten die in het afwegingskader zijn opgenomen.
Checklist In de inleiding moet worden omschreven welke partijen de initiatiefnemers zijn en welke belang zij hebben in het project. Hierbij moet ook worden omschreven hoe er wordt voldaan aan de minstens 50% lokale eigendom. Specifiek voor zonneparken: • Het projectplan beschrijft de omvang van het zonnepark, de landschapstype waarin het gelegen is, en toont duidelijk de ligging van een projectgebied voorzien van een onderbouwing waarom de betreffende locatie past binnen de ruimtelijke voorwaarden zoals gesteld in het afwegingskader. Tevens wordt beschreven of de locatie zich bevindt binnen de locaties die aangewezen zijn in het gebiedsproces. Indien dit niet het geval is, moet duidelijk onderbouwd zijn waarom er wordt afgeweken van de aangewezen locaties. • Het projectplan wordt vergezeld door een landschappelijk ontwerp. Onderbouwd moet worden welke bouwhoogte wordt aangehouden, op welke wijze is aangesloten bij
gebiedseigen randen en structuren of beplanting wel of niet passend is. De landschappelijke onderbouwing in het projectplan kan vervolgens worden uitgebreid tot een onderbouwing in de vervolgstap van de ruimtelijke procedure. • Wanneer het projectgebied zich bevindt binnen een zone waarin ook een andere thema speelt, moet er worden ingegaan hoe de verschillende waarden worden gewaarborgd en hoe de andere thema’s er mogelijk op vooruit gaan. Specifiek voor windparken: • Het projectplan toont duidelijk de ligging en begrenzing van het projectgebied, met daarbinnen een overzicht van de geplande opstelpunten en toegangswegen voorzien van een onderbouwing waarom de betreffende locatie past binnen de locaties voortgekomen uit het gebiedsproces. Indien de locatie zich buiten de locaties voortgekomen uit het gebiedsproces bevindt, moet worden onderbouwd waarom de locatie geschikt is. • Het projectplan geeft inzicht in het parkontwerp (aantal, locaties en afmetingen) van het windpark en gaat daarbij in op de koppeling met bestaande landschappelijk structuren, de invloed op lokale landschappelijke kernkwaliteiten en de afstand tot bestaande of andere geplande andere windparken.
• Het projectplan geeft inzicht in de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in relatie tot het landschap • Het projectplan geeft inzicht in hoe de initiatiefnemer wilt zorgen dat het geluid van de windturbines op woningen bij derden wordt beperkt. Voor zowel zonne- als windparken • Het projectplan beschrijft op welke wijze het opruimen van het zonne- en/of windpark wordt gewaarborgd.
3. Participatie Het hoofdstuk participatie (ook wel participatieplan genoemd) beschrijft enerzijds de wijze waarop de omgeving is betrokken bij de inrichting van het project en anderzijds bijdraagt aan sociale randvoorwaarden waaraan het project voldoet. Beide aspecten dragen bij aan betrokkenheid en draagvlak.
• •
•
•
Het participatieplan omschrijft met welke rechtsvorm(en) het project ontwikkeld wordt. Het participatieplan beschrijft welk percentage van het ‘investeringsrecht’ beschikbaar is voor één of meer corporaties of verenigingen (in oprichting) die in staat zijn om zowel lokaal eigendom als zeggenschap over de energieproductie te realiseren. Het projectvoorstel toont aan op welke wijze gevolg is gegeven aan de eis voor gesocialiseerde gebiedsbijdrage. In het projectvoorstel moet zijn beschreven hoe hoog de gebiedsbijdrage is en hoe deze over de omgeving van het project is verdeeld en hoe deze tot stand is gekomen inclusief gespreksverslagen. Uit het participatieplan moet blijken op welke wijze de omgeving betrokken is bij de inrichting van het project. Hierbij moeten gespreksverslagen worden toegevoegd aan de aanvraag, waarbij ook moet zijn aangegeven
4. Vervolgproces Het hoofdstuk vervolgproces beschrijft de processtappen die de initiatiefnemer gaat nemen indien een positief besluit is genomen door de Omgevingstafel.
hoe er met de input van de omgeving is omgegaan en waarom punten wel of niet zijn meegenomen. • Het participatieplan beschrijft welke communicatiemiddelen zijn ingezet en in de rest van het traject zullen worden ingezet. • Het participatieplan omschrijft op welke wijze inwoners en grondeigenaren gekomen zijn tot één gezamenlijk projectvoorstel . Dit moet terug te vinden zijn in een verslag die bij de aanvraag wordt toegevoegd. • In het participatieplan moet beschreven staan hoe de initiatiefnemers aan de betreffende voorwaarden van de gedragscode zon of wind willen voldoen. Voor het omschrijven van het vervolgproces moet worden aangegeven hoe er rekening wordt gehouden met omwonenden tijdens de bouw van het project en hoe daar in het kader van hinder mee om wordt gegaan.
Beoordelingskader Algemeen: De gemeente Oudewater wil initiatieven zorgvuldig tot stand laten komen waarbij de selectie plaatsvindt op basis van kwaliteit. De gemeente stelt gedurende een bepaalde periode (na het gebiedsproces) een projectgebied open voor het indienen van projectplannen. Alle initiatieven worden verzameld en na afloop getoetst aan de criteria. Het deskundig paneel kent aan de hand van de beoordelingssystematiek punten toe. Inhoudelijke beoordeling. In bovenstaande paragrafen zijn de criteria beschreven waar een projectplan aan moet voldoen. In de checklist zijn alle aandachtspunten uitgewerkt, waar een individuele score aan kan worden toegekend. Een projectplan krijgt per aandachtspunt een score van 0, 2, 6, 8 of 10 punten. Per hoofdstuk wordt een eindscore berekend (gemiddelde van alle scores). De eindscore van het projectplan wordt berekend op basis van een weging zoals hieronder beschreven. Een projectvoorstel waar op een of meerdere onderdelen 0 of 2 punten worden gescoord, vinden geen doorgang. Daarna geldt dat de projecten met de hoogste score worden geselecteerd totdat het maximaal aantal hectare of windturbines is bereikt. De weging van de scores is als volgt: Inleiding Parkontwerp Participatie Omschrijving vervolgproces Totaal
5% 45% 45% 5% 100%
Scoregrondslag per beoordelingsaspect Cijfer 10
Waardering Uitstekend
8
Goed
6
Voldoende
2
Onvoldoende
0
Niets ingevuld
Omschrijving Het projectplan toont aan dat het onderwerp zeer goed is beschreven en voldoet aan het afwegingskader. Verder roept het projectplan geen vragen op. Het biedt een (inzicht op) vooruitgang op minstens één van de verschillende thema’s die spelen in een gebied en geen achteruitgang op de andere thema’s. Het projectplan is helder beschreven en heeft goede inzicht welke prestatie het initiatief levert, dan we welke kwaliteit wordt behouden. Het initiatief roept geen vragen op en voldoet aan het afwegingskader. Het projectplan biedt voldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat wordt voldaan aan de minimale eisen uit het afwegingskader. Op ondergeschikte onderdelen kan de tekst nog vragen oproepen over de uitvoering in de realisatiefase. Het projectplan toont onvoldoende aan dat er wordt voldaan aan het afwegingskader. De omschrijving roept veel vragen op, waardoor onvoldoende vertrouwen aanwezig is dat aan de voorwaarden wordt voldaan. Het projectplan is niet of nauwelijks te beoordelen. Het projectvoorstel toont niet aan dat wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden.