2. ruimtelijke onderbouwing aanvraag.pdf
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Noord-Linschoterzandweg 18, Snelrewaard Gemeente Oudewater
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL.IMRO.0589.ROBNLSzandweg18-CO01
Datum:
2023-02-16 a
Contactpersoon Buro SRO:
S. Koop | J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR210220
Opdrachtgever:
Botop bouwmanagement
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleid en regelgeving ............................................................................................................................ 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 17 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 17 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 18 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 18 4.4 Bedrijven & milieuzonering ............................................................................................................................... 19
4.5 Geur .................................................................................................................................................... 20 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 20 4.7 Ecologie ............................................................................................................................................................. 22 4.8 Water ................................................................................................................................................................ 23 4.9 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 26 4.10 Parkeren en verkeer ........................................................................................................................................ 27
5 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 28 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 29
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie aan de Noord-Linschoterzandweg 18 te Snelrewaard een paardenhouderij en een paardenbak mogelijk te maken. In de huidige situatie is er op de planlocatie een agrarisch bedrijf toegestaan, waar onder andere koeien en varkens gehouden mogen worden. Voor de gronden van het plangebied geldt het 'bestemmingsplan Landelijk gebied Oudewater & Willeskop'. De gronden zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Een paardenhouderij is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij'. Echter beschikt het plangebied niet over deze aanduiding en is een paardenhouderij op de planlocatie niet toegestaan volgens het geldende bestemmingsplan. Met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) kan afgeweken worden van het bestemmingsplan en kan de paardenhouderij mogelijk gemaakt worden. Als onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning dient een ruimtelijke onderbouwing opgesteld te worden. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient als onderbouwing van de voorgenoemde afwijking van het geldende bestemmingsplan.
5
1.2 Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Noord-Linschoterzandweg 18 te Snelrewaard en tussen Oudewater en Linschoten. De planlocatie is kadastraal bekend onder de gemeente Snelrewaard, sectie C, percelen 124 (deels), 125, 126, 1141 t/m 1144. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: Google Maps)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan De gronden van het plangebied zijn gelegen binnen de plangrenzen van het geldende 'bestemmingsplan Landelijk gebied Oudewater & Willeskop', vastgesteld op 4 juli 2011 door de raad van de gemeente Oudewater. De gronden beschikken over de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het 'bestemmingsplan Landelijk gebied Oudewater & Willeskop'.
Uitsnede verbeelding 'bestemmingsplan Landelijk gebied Oudewater & Willeskop', plangebied rood omkaderd (bon: ruimtelijkeplannen.nl)
De voor 'agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden veehouderijbedrijven. Daarnaast zijn onder voorwaarden agrarische nevenactiviteiten en een aantal nietagrarische nevenactiviteiten toegestaan binnen deze bestemming. Verder mogen onder andere gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde, erven, tuinen en parkeervoorzieningen gerealiseerd worden. Voor de gronden van het plangebied zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde middelhoog' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde hoog' opgenomen. Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden. Het meest zuidelijke gedeelte van het plangebied beschikt over de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. Deze gronden zijn mede bestemd voor waterhuishouding door middel van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering. Het beoogde initiatief voor het mogelijk maken van een paardenhouderij met een paardenbak is volgens het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Met een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking (artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo) kan afgeweken worden van het bestemmingsplan en kan de paardenhouderij mogelijk gemaakt worden. Bij een uitgebreide procedure dient onderbouwd te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
De voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
7
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationaal provinciaal en gemeentelijk beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan de orde en de maatschappelijke uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde.
8
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie De planlocatie betreft een agrarisch bedrijfsperceel voor grondgebonden veehouderij. Op de planlocatie werden onder andere koeien en varkens gehouden. Er zijn diverse gebouwen aanwezig, bestaande uit een bedrijfswoning, schuren en stallen. De gronden tussen de bebouwing bestaat vrijwel volledig uit verharding. Naast de agrarisch bebouwing bestaat het plangebied uit weiland, groen en verschillende watergangen/sloten. Het plangebied is ontsloten aan de Noord-Linschoterzandweg. De navolgende afbeelding toont een impressie van de bestaande situatie.
Impressie bestaande situatie (bron: Botop bouwmanagement)
In de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk agrarische bedrijven. Daarnaast zijn er aan de Noord- en Zuid-Linschoterzandweg verschillende woningen aanwezig.
9
2.2 Toekomstige situatie Aan de Noord-Linschoterzandweg 18 wordt in de toekomstige situatie een paardenhouderij met bijbehorende paardenbak mogelijk gemaakt. Er worden ongeveer 12 paarden gehouden voor het fokken en opfokken. Voor de paarden wordt gebruik gemaakt van de bestaande schuren en stallen. Er vinden met het initiatief dan ook nauwelijks (bouw)werkzaamheden plaats. Achter de bestaande agrarische bebouwing wordt de paardenbak gerealiseerd. Hierdoor ligt de paardenbak uit het zicht en is er voldoende afstand van de omliggende woningen. De paardenbak is uitsluitend voor eigen gebruik en mag niet worden gebruikt door personen van buitenaf, bijvoorbeeld voor rijlessen. De watergang aan de voorzijde de bestaande bedrijfswoning wordt voor een klein gedeelte gedempt. Door het overige deel van de watergang te verbreden blijft de oppervlakte van de watergang gelijk. De navolgende afbeelding toont de positie van de beoogde paardenbak.
Positie paardenbak
10
3 Beleid en regelgeving 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van belang. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
Planspecifiek Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.
11
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat gronden waaraan een agrarische bestemming is toegekend niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling. Daarnaast vindt er enkel een functiewijziging plaats en worden er geen nieuwe gebouwen mogelijk gemaakt. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
12
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek De planlocatie is gelegen in het landschap Groene Hart.
Elk Utrechts landschap heeft zijn eigen kwaliteiten. De kernkwaliteiten van het landschap moeten behouden blijven. Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet dan ook aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten van het landschap. Met het voorliggende initiatief is een functiewijziging beoogd, waarbij in plaats van een grondgebonden veehouderij een paardenhouderij wordt mogelijk gemaakt. Verder wordt er enkel een paardenbak mogelijk gemaakt en wordt er geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Er kan gesteld worden dat het initiatief geen invloed heeft op de kernkwaliteiten van het Groene Hart. Ook ligt het plangebied in een gebied met aardkundige waarden. Deze waarden worden beschermd door de provincie. Er dient rekening gehouden te worden met de bescherming van het natuurlijk reliëf, de bodemopbouw en eventuele actieve landschapsvormende processen. Daarnaast maakt het plangebied onderdeel uit van het agrarisch cultuurlandschap. Ook hier dienen de kernkwaliteiten behouden te
13
blijven. Gelet op de aard en omvang heeft het project verder geen noemenswaardige invloed op de aardkundige waarden en het agrarische cultuurlandschap. De omgevingsvisie staat het beoogde initiatief niet in de weg. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan.
Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek De Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht beschikt over verschillende kaarten. Op kaart 3: Watersysteem kaart 2 staat aangegeven dat de locatie in overstroombaar gebied ligt. Artikel 2.10 stelt dat regels opgenomen moeten worden die rekening houden met overstromingsrisico's.
Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. Het plangebied ligt binnendijks, waardoor dit artikel verder niet van toepassing is. Daarnaast ligt een deel van het plangebied in de vrijwaringszone van een regionale waterkering. In artikel 2.8 wordt gesteld dat bij ontwikkelingen ruimte moet overblijven voor versterking en reconstructie van de waterkering. Het initiatief maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk en heeft geen invloed op de waterkering. Kaart 15: Cultuurhistorie en landschap kaart 1 toont dat het plangebied ligt in de cultuurhistorische hoofdstructuur(agrarisch cultuurlandschap). Artikel 7.7 stelt regels voor het beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Kernkwaliteiten mogen niet aangetast worden. De paardenbak wordt achter de bestaande schuren en stallen en uit het zicht gerealiseerd. De functiewijziging heeft verder geen (negatieve) invloed op de cultuurhistorische hoofdstructuur en het agrarisch landschap
14
Op kaart 16: Cultuurhistorie en landschap kaart 2 staat aangegeven dat het plangebied in het landschap Groene Hart ligt en is het aangeduid voor aardkundige waarden. In artikel 7.9 wordt gesteld dat de kernkwaliteiten van het Groene Hart niet beschermd worden. De functiewijziging en de realisatie van de paardenbak tast de kernkwaliteiten zoals openheid, het (veen)weidekarakter, landschappelijke diversiteit en de rust en stilte niet aan. Ook moeten volgens artikel 7.10 de aardkundige waarden beschermd worden. Het plan heeft hier verder geen invloed op. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde initiatief aansluit op de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.
15
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie gemeente Oudewater De structuurvisie geeft de koers aan voor de ruimtelijke ontwikkeling op de korte en middellange termijn en op de lange termijn (2015-2025). De visie biedt het ruimtelijk kader voor de gewenste gebiedsgerichte uitwerkingen op gemeentelijk schaalniveau. Lopende projecten worden met elkaar in verband gebracht en nieuwe projecten worden ingezet. De structuurvisie heeft de volgende functies:
• • • •
de visie biedt een integraal en samenhangend ontwikkelingskader voor de ruimtelijke en programmatische ontwikkeling van Oudewater; het is een toetsingskader voor de ontwikkeling van deelprojecten; Verzorgt de communicatie tussen het gemeentebestuur en de bevolking over de ruimtelijke ontwkikkeling van Oudewater; het zorgt voor communicatie, overleg en afstemming van het beleid op verschillende schaalniveaus, tussen zowel rijk, provincie en de gemeente, als de communicatie tussen het gemeentebestuur en de bevolking.
Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt de functie van het plangebied gewijzigd van een grondgebonden veeteeltbedrijf naar een paardenhouderij met een daarbij behorende paardenbak. Verdichting van de bebouwing is niet wenselijk in het agrarisch gebied. Het initiatief maakt geen nieuwe bebouwing of verdichting mogelijk. Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat de ontwikkeling in overeenstemming is met de structuurvisie.
16
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
17
In de huidige situatie is er op de planlocatie agrarische bedrijfsbebouwing aanwezig en is een grondgebonden veehouderbedrijf toegestaan. Met het beoogde initiatief wordt er geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt, maar vindt er enkel een functiewijziging plaats. De bebouwingsmogelijkheden nemen in vergelijking met de bestaande 'planologische' situatie dan ook niet toe. Er kan dan ook gesteld worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met het beoogde initiatief blijft de agrarische bestemming behouden en vindt er enkel een functiewijziging van een grondgebonden veehouderij naar een paardenhouderij plaats. Er is dan ook geen sprake van een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem het initiatief niet in de weg staat.
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het beoogde initiatief maakt geen nieuwe geluidgevoelige objecten mogelijk. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai, spoorweglawaai of industrielawaai is dan ook niet nodig. Tevens wordt er geen functie mogelijk gemaakt die negatieve invloed kan hebben op het gebied van geluid in de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.
18
4.4 Bedrijven & milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen
Planspecifiek Met het voorliggende initiatief wordt op het perceel van de Noord-Linschoterzandweg 18 te Snelrewaard een paardenhouderij mogelijk gemaakt. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' is bepaald of de paardenhouderij op voldoende afstand van de omliggende gevoelige bestemmingen ligt. Het plangebied ligt aan het bebouwingslint van de Noord-Linschoterzandweg. Aan dit bebouwingslint zijn verschillende functies zoals wonen en (agrarische) bedrijvigheid aanwezig. Daarmee kan de omgeving van het plangebied aangemerkt worden als een 'gemengd gebied' en kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verminderd. Een paardenhouderij is een bedrijf met de milieucategorie 3.1. Voor deze milieucategorie geldt in een gemengd gebied een richtafstand van 30 m. De meest nabijgelegen woning bevindt zich aan de ZuidLinschoterzandweg 39 op een afstand van ca. 30 m van het perceel. Echter bevinden de stallen waar de paarden zullen verblijven en de paardenbak zich op een afstand van meer dan 60 m. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 30 m in een gemengd gebied. In toelichting hoofdstuk 4.5 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
19
4.5 Geur Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Hierin wordt bepaald wat geuroverlast vanwege dierenverblijven van veehouderijen is en in hoeverre sprake mag zijn van geuroverlast bij geurgevoelige objecten als woningen. Vanwege de bouw van een nieuwe woning is dus sprake van het toevoegen van een geurgevoelig object. Bij het voorbereiden en opstellen van een ruimtelijk plan dienen voor wat betreft geurhinder van veehouderijen tot gevoelige objecten als woningen de volgende vragen te worden beantwoord:
• •
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Worden omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig in hun belangen geschaad?
De Geurverordening van de gemeente Oudewater is op 9 juni 2010 in werking getreden. Planspecifiek Doordat er met het beoogde plan een paardenhouderij mogelijk wordt gemaakt is er een geurhinderonderzoek uitgevoerd, waarbij ook een geurberekeing is uitgevoerd. (maart 2021, Buro Blauw, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit dit onderzoek en de berekening zijn de volgende resultaten en conclusies naar voren gekomen. De bestaande stallen voldoen aan de afstandseisen zoals genoemd in de geurverordening van de gemeente Oudewater. De resultaten van het rekenmodel zijn als volgt:
• • • •
Toetspunt 1: geurbelasting 0,3 ouE/m³ als 98p Toetspunt 2: geurbelasting 0,1 ouE/m³ als 98p Toetspunt 3: geurbelasting 0,1 ouE/m³ als 98p Toetspunt 4: geurbelasting 0,1 ouE/m³ als 98p
Omdat de geurnorm 8,0 ouE/m³ als 98P bedraagt, voldoen alle toetspunten in de omgeving hier ruimschoots aan. Er zijn geen toetspunten verder van een bron opgenomen in het geuronderzoek, omdat de geurpluim deze niet zal bereiken. Dit betekent dat het aspect geur geen belemmering oplevert voor het oprichten van de gewenste paardenhouderij.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
20
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze Structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes van gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn. Daarnaast worden er met het initiatief geen risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen mogelijk gemaakt. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt.
21
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Soortenbescherming Met het voorliggende plan vindt er enkel een functiewijziging plaats en wordt een paardenbak aangelegd. Er wordt geen bebouwing gesloopt en er worden geen bomen gekapt. Er kan dan ook gesteld worden dat de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op beschermde soorten. Houtopstanden Er worden geen houtopstanden gekapt waarvoor een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en/of een beschermd weidevogelgebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein en ligt op een afstand van ca. 6,7 km van het plangebied. Het NNN ligt op een afstand van ca. 420 m van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van het initiatief zal er geen sprake zijn negatieve effecten op de omliggende beschermde gebieden. Stikstof Om de effecten van stikstof in beeld te brengen is een verkennende berekening uitgevoerd. In deze berekening is uitgegaan van een nieuwe situatie en is er geen gebruik gemaakt voor interne saldering. Omdat nieuwe ontheffingen in het kader van de Wet natuurbescherming (voorlopig) niet meer worden afgegeven is het aantal paarden afgestemd op het niet veroorzaken van een significant effect. Conclusie Ecologie staat niet in de weg aan dit planvoornemen.
22
4.8 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.8.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Gemeentelijk waterbeleid Het gemeentelijke waterbeleid is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2010-2014. Hiermee geeft de gemeente De Bilt invulling aan haar zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. In het VGR is ook het gemeentelijk afkoppelbeleid beschreven. Afkoppelen van verhard oppervlak gebeurt alleen als het in overeenstemming is met het Convenant Afkoppelen en Infiltreren openbare ruimten op de Utrechtse Heuvelrug. (Dit convenant is opgesteld door Waterschap Vallei en Eem, HDSR, provincie Utrecht, Vitens en gemeenten op de Utrechtse Heuvelrug).
23
4.8.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Het Waterbeheerplan ‘Waterkoers' voor de periode 2016-2021 is op 16 maart 2016 vastgesteld. In het Waterbeheerplan staat in grote lijnen het waterbeheer voor de komende jaren beschreven. Met deze Waterkoers wil het waterschap zich flexibel opstellen en ruimte bieden voor initiatieven uit de samenleving: van 'zorgen voor' naar 'samen doen'. De Stichtse Rijnlanden werkt aan veiligheid, voldoende en gezond water, tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten. Daarnaast werkt de Stichtse Rijnlanden aan de fysieke leefomgeving en wil het anticiperen op veranderingen over de grenzen heen. Ook wil het waterschap inspelen op ontwikkelingen (trends) in de maatschappij door actief het gesprek aan te gaan en samen te werken. De Stichtse Rijnlanden formuleert de volgende ambities:
• • • • •
gezond water; veilig tegen overstromingen; gezuiverd afvalwater; voldoende water; genieten van water.
In de Watertoets worden deze ambities verder uitgewerkt. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert. Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad. Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel:
• •
De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.
4.8.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Het initiatief bestaat uit een functiewijziging, waarbij een paardenhouderij mogelijk gemaakt wordt. Er wordt met het initiatief geen verharding toegevoegd. Derhalve is watercompensatie niet noodzakelijk. Wel
24
wordt de sloot aan de voorzijde van de bedrijfswoning aan de Noord-Linschoterzandweg 18 voor een klein deel gedempt (12 m²). Ter compensatie vindt er een verbreding van deze sloot plaats. De verbreding is in vierkante meters gelijk aan het gedempte deel. De navolgende afbeelding toont een dwarsdoorsnede van de sloot.
Dwarsdoorsnede van de sloot (bron: Botop Bouwmanagement)
Waterafvoer Het afvalwater wordt net als in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Hemelwater zal worden afgekoppeld van het rioolsysteem en wordt geïnfiltreerd in de bodem of opgevangen. Hierbij worden geen uitlogende materialen gebruikt. Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden blijkt dat het plangebied binnen de beschermingszone van een regionale waterkering ligt. Echter vinden er geen werkzaamheden plaats en blijft de regionale waterkering behouden. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de legger van het hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden.
Uitsnede legger, plangebied zwart omkaderd (bron: legger hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden)
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
25
4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De gronden van het plangebied zijn in het geldende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie verwachtingswaarde hoog'. Voor deze gronden geldt dat bij bouwplannen met een oppervlakte van meer dan 200 m² en dieper dan 0,3 m een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden.
Met het voorliggende initiatief wordt naast de functiewijziging naar een paardenhouderij een paardenbak gerealiseerd en vindt er een demping en verbreding van de sloot plaats. Met deze werkzaamheden worden de normen niet oversschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Geconcludeerd kan worden dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief. 4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen gemeentelijke en/of rijksmonumenten aanwezig. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Ook andere cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Het meest nabijgelegen (rijks)monumentale pand bevindt zich aan de Zuid-Linschoterzandweg 41.
Het initiatief heeft verder geen invloed op dit monument. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
26
4.10 Parkeren en verkeer 4.10.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Planspecifiek De CROW-publicatie 381 'toekomstbestendig' parkeren heeft geen kencijfers voor een paardenhouderij. In de huidige situatie is er al ruim voldoende ruimte voor parkeren. In de toekomstige situatie zal dit niet anders zijn. Het plangebied is tussen de bebouwing vrijwel volledig verhard. Het is niet nodig om extra ruimte te creëren voor nieuwe parkeerplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat er voldoende ruimte is op het eigen terrein om te voldoen aan de parkeerbehoefte. 4.10.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.
Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voor een paardenhouderij zijn in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geen kencijfers opgenomen voor het bepalen van de verkeersgeneratie. Onderstaand staan de te verwachten verkeersbewegingen weergegeven.
•
Fokken en opfokken van paarden: ongeveer 7, blijven tot 3 jaar bij ons op locatie staan en worden dan bij ons op locatie getraind en daarna verkocht en met trailer en auto opgehaald door de nieuwe eigenaar.
•
Handelspaarden: ongeveer 5 paarden die naar onze locatie worden gebracht met trailer en auto en zullen na ongeveer 2 maanden training verkocht worden, na verkoop worden ze door de nieuwe eigenaar opgehaald met trailer en auto. Deze handelspaarden staan altijd binnen omdat zij vreemd van elkaar zijn en elkaar zouden kunnen verwonden. Deze paarden worden in een periode van ca 2 maanden getraind en gecontroleerd waarna ze door verhandeld worden.
• •
Mestafvoer: wordt gedeeltelijk over het eigen land uitgereden en voor het overgrote deel afgevoerd. Voer en stro: wordt 1 keer per 8 weken gebracht bij ons op locatie.
Het aantal verkeersbewegingen die het initiatief met zich meebrengt is dan ook minimaal. Het plangebied blijft net als in de huidige situatie ontsloten aan de Noord-Linschoterzandweg. Gelet op de minimale verkeersgeneratie kan gesteld worden dat het aantal verkeersbewegingen op te vangen is met de huidige verkeersstructuur. Het aspect verkeer veroorzaakt geen belemmeringen voor het beoogde initiatief.
27
5 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief zal met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente Oudewater worden geregeld.
28
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a sub 3 van de Wabo stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd.
29