CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Wijzigingsverordening SD 2021.pdf

Raadscommissie Maatschappelijke Ontwikkeling (MO) 14 januari 2021, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 3.: Wijzigingsverordening Sociaal Domein 20216.975 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wijzigingsverordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2021

1

De raad van de gemeente Oude IJsselstreek;

gelet op de bepalingen van de Jeugdwet, Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: overwegende dat het als gevolg van uittreding uit de gemeenschappelijke regeling Laborijn noodzakelijk is om aanpassingen aan te brengen in de Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2020; overwegende dat het als gevolg van de invoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening noodzakelijk is om aanpassingen aan te brengen in de Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2020; besluit vast te stellen: de ‘Wijzigingsverordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2021’.

Begrippenlijst In de begrippenlijst zijn de volgende begrippen toegevoegd: Beslagvrije voet

Beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Bezit

Waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf geboden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Participatiewet.

Recidiveboete

Bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Participatiewet.

STOER

De organisatie die uitvoering gaat geven aan de uitvoering van de Participatiewet met uitzondering van artikel 7 lid 4 van de Participatiewet. Het vaststellen van de rechten en plichten en de daarvoor noodzakelijke beoordeling van de omstandigheden van de inwoner die een uitkering in het kader van de Participatiewet aanvraagt, blijft conform dit artikel bij de gemeente Oude IJsselstreek.

Tegenprestatie

Het naar vermogen verrichten van door de gemeente opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Verdienvermogen

De capaciteit om arbeid te verrichten en daarmee inkomsten te verwerven, uitgedrukt in een percentage van het Wettelijk Minimum Loon.

Verrekenen

Verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van de Participatiewet.

Wgs

De wet gemeentelijke schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien 2

redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.

Hoofdstuk 3. De hulpvraag Stap 1 uit hoofdstuk 3 komt als volgt te luiden: Stap 1: Melding bij de gemeente, Buurtzorg Jong of STOER Artikel 3.1.1 A Indienen hulpvraag bij de gemeente [Wmo, PW, IOAZ, IOAW] Volwassen inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner of een persoon namens de inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:  online, door het aanmeldformulier op de website in te vullen: https://www.oudeijsselstreek.nl/sociaal-domein  digitaal, via het e-mailadres: toegangsteam@oude-ijsselstreek.nl  telefonisch, via telefoonnummer (0315) 292 292, keuze 2  schriftelijk, via het postadres: Postbus 42, 7080 AA Gendringen, Toegangsteam Oude IJsselstreek Artikel 3.1.1 B Indienen hulpvraag bij Buurtzorg Jong [Jeugdwet] Jeugdigen en/of hun ouders/verzorgers die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij Buurtzorg Jong. De jeugdige of een persoon namens de jeugdige kan deze melding op de volgende manieren doen:  digitaal, via het e-mailadres: oude-ijsselstreek@bzjong.nl  telefonisch, via telefoonnummer 06-307 388 34 (maandag t/m vrijdag tussen 9.00 en 17.00 uur) Artikel 3.1.1. C Indienen Hulpvraag bij STOER [PW, IOAW, IOAZ] Inwoners die een hulpvraag hebben op het gebied van inkomen en/of ondersteuning nodig hebben bij het vinden, verkrijgen of behouden van werk.

De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:  digitaal, via het emailadres info@stoerversterkt.nl  telefonisch, via telefoonnummer 0315-553553, tijdens openingstijden  fysieke inloop, tijdens openingstijden Artikel 3.1.2 A Doel en procedure [Wmo] Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner in behandeling te nemen. De gemeente bevestigt de melding binnen vijf dagen schriftelijk aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. Artikel 3.1.2 B Doel en procedure [Jeugdwet] Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner te onderzoeken. De jeugd- en gezinswerker van Buurtzorg Jong gaat op huisbezoek en brengt de situatie in kaart. Artikel 3.1.2 C Doel en procedure [PW, IOAW, IOAZ

3

Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner in behandeling te nemen. De medewerker van gemeente/STOER maakt samen met de inwoner de vraag helder en maakt vervolgafspraken.

Artikel 3.1.3 Gegevens [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] De gemeente of Buurtzorg Jong (BZJ) verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente/BZJ niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente/BZJ aan de inwoner om die gegevens binnen redelijk termijn te leveren.

Stap 2 uit hoofdstuk 3 is als volgt gewijzigd: Artikel 3.2.3 A Inhoud gesprek [Jeugdwet, Wmo] Artikel 3.2.3 B Inhoud gesprek 1.

2.

3.

4. 5.

[PW, IOAZ, IOAW] Tijdens het gesprek wordt de vraag van de inwoner verder verkend. Het gesprek is de triage. Daarbij wordt in ieder geval aandacht besteed aan de reden waarom de inwoner naar STOER is gekomen, welke ondersteuning de inwoner denkt nodig te hebben en welke ondersteuning STOER kan bieden Als de vraag betrekking heeft op ondersteuning bij arbeidsinschakeling wordt tijdens het gesprek gekomen tot een eerste beeld van een realistische droombaan, arbeidsgerelateerde beperkingen, de stappen die gezet moeten worden om daar te komen en het samen bepalen van een eerste haalbaar doel; Als de vraag betrekking heeft op inkomensondersteuning, wordt door de gemeente gestart met hetgeen beschreven is bij arbeidsinschakeling vervolgens wordt ingezoomd op de financiële aspecten (inkomen, schulden, bijzondere bijstand, vermogen en gezinsomstandigheden) zodat het mogelijk is om op basis van hetgeen de inwoner aangeeft, door de gemeente een eerste inschatting van het recht op uitkering te maken. In beide gevallen wordt daarnaast gevraagd of de inwoner nog vragen heeft op andere leefgebieden en worden de mogelijkheden voor bijzondere bijstand bekeken. Specifiek wordt gekeken naar: a. de mate van beheersing van de Nederlandse taal; b. de documenten die nodig zijn om de aanvraag af te kunnen handelen; c.

wederzijdse verwachtingen: wat kan de inwoner van STOER verwachten en wat verwachten wij van de inwoner; d. het feit of jongeren (tot 27 jaar): i. voldoende startkwalificatie hebben en/of een opleiding kunnen volgen ii. voldoende middelen hebben om de verplichte wachtperiode van 4 weken (art 41 lid 4 Pw) te overbruggen.

4

Hoofdstuk 7 Werk en Participatie Na hoofdstuk 6 wordt het hoofdstuk 7 Werk en Participatie toegevoegd met de volgende tekst en artikelen. STOER geeft namens de gemeente Oude IJsselstreek uitvoering aan een aantal activiteiten die behoren tot de werkzaamheden op grond van de Participatiewet. Zij doet dit binnen de visie die beschreven is in de Transformatie in de kijk op werk. De gemeente Oude IJsselstreek voert binnen deze visie, een aantal activiteiten uit die conform de huidige Participatiewet aan een gemeente zijn voorbehouden. Onze dienstverlening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:  Wij werken vanuit het inwonersperspectief Dit betekent dat wij onze bedrijfsprocessen zodanig inrichten dat zij aansluiten bij de logica van onze inwoners. Door te werken vanuit het inwonersperspectief sluiten we aan op de leefwereld van onze inwoners en op het lokale zorgnetwerk. Dit betekent ook dat wij kiezen voor een integrale manier van werken waarbij ook aandacht is voor bijvoorbeeld schulddienstverlening en de Wmo en de Jeugdhulp.  Wij schenken veel aandacht aan de bejegening van onze inwoners Dit betekent voor ons werken vanuit een positieve grondhouding en vanuit vertrouwen. Voor ons is ieder mens waardevol en heeft recht op een respectvolle bejegening op basis van vertrouwen.

Wij willen dat onze inwoners zich gehoord, gezien en welkom voelen wanneer ze contact met ons hebben bij de uitvoering van de Participatiewet. Daarom werken we vanuit gastvrijheid. Gastvrijheid is de kunst om mensen welkom te laten voelen. Wanneer je te gast bent, word je als uniek mens gezien die welkom wordt geheten en waarvoor oprechte aandacht is. 7.1

Voor wie [PW, IOAZ, IOAW]

De gemeente helpt de volgende groepen inwoners op weg naar werk: a. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht en met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden. b. Inwoners die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per hulpvraag beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven. c. Jongeren tot 27 jaar die geen werk en geen diploma’s hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg. 7.2 Voorzieningen-werk [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. 2. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. De gemeente bepaalt welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente 5

naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, zijn mogelijkheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. 3. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt. 7.2.1 Werkervaringsplaats 1. 2. 3. 4.

[PW, IOAZ, IOAW] De gemeente kan een inwoner die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats gericht op arbeidsinschakeling aanbieden. Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring, het leren functioneren in een arbeidsrelatie of het behouden van arbeidsritme. De gemeente plaatst de inwoner uitsluitend als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing van betaalde arbeid plaatsvindt. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplaats, en b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

7.2.2 Sociale activering [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kan een inwoner die een kleine kans heeft op werk zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen. 7.2.3 Detacheringsbaan [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kan een inwoner via een andere organisatie laten werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever, de andere organisatie en de inwoner. 2. Het doel van een detacheringsbaan is dat de inwoner na afloop in dienst komt van de werkgever. 3. Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisatie. 7.2.4 Scholing [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kan een inwoner van 27 jaar of ouder scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar passend werk. De scholing moet passen bij de capaciteiten van de inwoner. 2. De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing.

6

7.2.5 Participatieplaats 1.

2.

3. 4.

[PW, IOAZ, IOAW] De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. De inwoner kan na iedere zes maanden een premie van €100,00 ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De gemeente beoordeelt dit.

7.2.6 Beschut werk [PW] 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan, als UWV heeft vastgesteld dat deze inwoner alleen kan werken als het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Daarbij gelden de voorwaarden die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen onder aangepaste omstandigheden kunnen werken, een veilige werkplek te bieden. 3. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. uitsplitsing van taken; c. aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 4. De gemeente bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente beschikbaar stelt. 7.2.7 Hulp op de werkplek van een jobcoach [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kan een inwoner een jobcoach aanbieden of de werkgever daarvoor een vergoeding geven als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. 3. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet en legt dit vast in een overeenkomst met de werkgever. 7.2.8 No-risk polis [PW, IOAZ, IOAW]

7

1. De gemeente kan een werkgever een no-riskpolis aanbieden voor een inwoner die bij de werkgever gaat werken. 2. Het doel van de no-riskpolis is dat de werkgever de loonkosten niet zelf hoeft te betalen als de werknemer ziek wordt. 3. De gemeente bepaalt de voorwaarden van de no-riskpolis. 7.2.9 Tijdelijke loonkostensubsidie [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dient neemt een tijdelijke loonkostensubsidie geven. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen en extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners te vergoeden. 3. De loonkostensubsidie wordt individueel bepaald, maar bedraagt maximaal 50% van het wettelijk minimumloon per maand. 4. De loonkostensubsidie wordt voor de duur van maximaal zes maanden verstrekt, maar kan met een periode van maximaal zes maanden worden verlengd. 5. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 6. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 7.2.10 Uitstroompremie [PW, IOAZ, IOAW] 1.

De gemeente kan aan een inwoner van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand een premie verstrekken om daarmee de uitstroom uit de uitkering te stimuleren. 2. De gemeente stelt – als tot verstrekking van premies bedoeld in het eerste lid wordt overgegaan – bij uitvoeringsbesluit nadere regels met betrekking tot de activiteiten die voor een premie in aanmerking komen, de hoogte van de premie en de voorwaarden waaronder deze worden toegekend. 7.2.11 Wettelijke loonkostensubsidie (langdurend) [PW, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies. 3. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd.

8

7.2.12 Overige voorzieningen [PW, Bbz, IOAZ, IOAW] 1. De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans naar werk te vergroten. 2. Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden. 7.3 Tegenprestatie [PW, IOAZ, IOAW] 7.3.1. Doel van de tegenprestatie 1. De tegenprestatie legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner. 7.3.2. Duur van de tegenprestatie [PW, IOAZ, IOAW] 1. De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen: a. de tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten; b. de tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie; c. het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd. 7.3.3. Voorwaarden tegenprestatie [PW, IOAZ, IOAW] 1.

Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2. De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.

Hoofdstuk 8 Inkomen en Schulden Hoofdstuk 7 Inkomen wordt veranderd in hoofdstuk 8 Inkomen en Schulden. In dit hoofdstuk is toegevoegd: 8.2 Studietoeslag Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. 9

8.2.1 Doelgroep [PW] 1. De studietoeslag is bedoeld voor de student die: a. een MBO-, HBO of WO-opleiding volgt; b. een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen; c. wel kan werken, maar d. door een beperking niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2. De student is 18 jaar of ouder en heeft geen goede financiële buffer. 8.2.2. Vaststellen beperking [PW] 1. Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt de gemeente of de beperking van de student zo groot is dat hij niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven. 8.2.3 Hoogte en duur van de toeslag [PW] 1. De studietoeslag € 350,- per zes maanden en wordt eenmalig als één bedrag uitbetaald. 2. De gemeente bekijkt elk jaar of de studietoeslag verhoogt moet worden. Die verhoging gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. 3. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, wordt de studietoeslag beëindigd. 8.3 Schuldhulpverlening De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen de gemeente om ondersteuning en hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden.

Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen. 8.3.1 Schuldhulpverlening en samenwerking 1. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben ondersteuning en hulp bij het op orde krijgen van hun financiën. Het doel van die ondersteuning en hulp is dat inwoners duurzaam een gezonde financiële huishouding krijgen. 2. Inwoners met problematische schulden kunnen bij gemeenten terecht voor onder meer advies, schuldbemiddeling of een saneringskrediet. Het uitgangspunt is dat schuldhulpverlening breed toegankelijk is. 3. Gemeenten hebben sinds 1 januari 2021 een wettelijke taak voor vroegsignalering bij schulden zodat vroegtijdig gegevens uitgewisseld kunnen worden. Gemeenten zijn wettelijk verplicht vroegsignalen op te volgen. De gemeente wil dat inwoners met schuldenproblematiek snel en

10

passend ondersteund worden. Inwoners kunnen daarbij ongevraagd een aanbod tot schuldhulp ontvangen van de gemeente. 4. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven die zijn gericht op het bestrijden van armoede en het voorkomen en tegengaan van schulden. 8.3.2 Besluit 1. De gemeente is verplicht om bij verordening te bepalen binnen welke termijn na het eerste gesprek over de ondersteunings- of hulpvraag, een besluit te nemen of iemand voor een schuldenregeling in aanmerking komt. Van de inwoner wordt verwacht dat hij/zij de belangrijkste documenten zo snel mogelijk ter beschikking stelt aan de gemeente om de ondersteunings- of hulpvraag in behandeling te kunnen nemen. 2. De gemeente is verplicht binnen redelijke termijn te reageren op de ondersteunings- en hulpvraag. De beslistermijn is in artikel 4a, derde lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening vastgesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximale redelijke termijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is vastgesteld.

Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en gemeente Hoofdstuk 8 Afspraken tussen inwoner en gemeente wordt vernummerd tot hoofdstuk 9. In dit hoofdstuk is toegevoegd: 9.4 Het verlagen van een uitkering [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 9.4.1 Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. 9.4.3 Horen van inwoner [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een inwoner in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; 11

c. de gemeente het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. inwoner aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. 9.4.4 Afzien van verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden. 2. De gemeente kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als de gemeente afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een inwoner hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4. De gemeente kan volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing , uitgezonderd de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 18 lid 4 Participatiewet, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van 12 maanden te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan inwoner een schriftelijke waarschuwing is gegeven. 5. Met een besluit waarbij een verlaging is opgelegd, wordt gelijkgesteld: a. het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen; b. het besluit tot het geven van een schriftelijke waarschuwing. 9.4.5 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.

2.

3.

4.

[PW, IOAW, IOAZ, Awb] Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een inwoner is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die inwoner geldende bijstandsnorm. In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering, opgelegd als: a. de bijstand nog niet betaalbaar is gesteld; b. de inwoner geen bijstand meer ontvangt. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als inwoner binnen de termijn, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, opnieuw een uitkering ontvangt. Een verlaging die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

9.4.6 Berekeningsgrondslag [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: 12

a. aan inwoner bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van inwoner in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in 9.4.7 tot en met 9.4.11 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in 9.4.7 tot en met 9.4.11 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 9.4.7 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling [PW, Awb] 1. Gedragingen van een inwoner waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2°.

het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een inwoner jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 3°. het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. [IOAW, IOAZ, Awb] 2.

Gedragingen van een inwoner waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet

13

inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1°. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2°. het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3°.

het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4°. het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; c. derde categorie: 1°. het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2°. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3°. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4°.

het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening. [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 14

3. De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 1 en 2 wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

9.4.8 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Als een inwoner een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: a. één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet; b. twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet. 2. Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 1, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 3. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 4. Bij een verlaging als bedoeld in artikel 10, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 5. Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het tweede lid plaats.

9.4.9 Te weinig besef van verantwoordelijkheid [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10 procent van de bijstandsnorm gedurende bijvoorbeeld één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000; b. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; c. 40 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000; 15

d. 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger. 9.4.10 Zeer ernstige misdragingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 2. Als een inwoner zich zeer ernstig misdraagt tegenover de gemeente of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand. 9.4.11 Niet nakomen van overige verplichtingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Als een inwoner een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b.

20 %van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; c. 40% van de bijstandsnorm gedurende , bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; d. 100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 9.4.12 Samenloop van gedragingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is. 3.

Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste

16

lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de inwoner niet verantwoord is. 9.4.13 Recidive [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in 9.4.7 lid 1 b of c, 9.4.9 lid 1 of 9.4.11 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als in 9.4.7 lid 1 a of lid 2 b, of 9.4.10 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3.

Als een inwoner zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden. 9.4.14 Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ [IOAW, IOAZ, Awb] Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. 9.4.15 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent de gemeente de recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet. 2.

De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. 3. Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent de gemeente de recidiveboete gedurende één maand zonder

17

4.

5. 6.

7. 8.

inachtneming van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd. Aansluitend op verrekening als bedoeld in het derde lid, verrekent de gemeente de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. Tot het inkomen, bedoeld in het vierde lid, worden ook middelen gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r, van de Participatiewet. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid kan de gemeente de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: a. aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin; of b. anderszins sprake is van dringende redenen. Het eerste tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Participatiewet. Het zevende lid is niet van toepassing indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.

Hoofdstuk 10 Inspraak en cliëntenparticipatie Hoofdstuk 9 wordt vernummerd tot hoofdstuk 10. In dit hoofdstuk zijn de volgende artikelen toegevoegd: 9.4 Cliëntenparticipatie [PW] 9.4.1 Overleg met cliëntenraad 1. De gemeente voert minimaal twee maal per jaar overleg met de cliëntenraad van de gemeente. 2. Tot de onderwerpen waarover overleg plaatsvindt behoort in ieder geval de beleidsvoornemens zoals vastgesteld in het jaarlijks beleidsplan, de resultaten van het gevoerde beleid zoals vastgelegd in het jaarlijks beleidsverslag en de uitkomsten van het onderzoek naar de kwaliteit van de dienstverlening als bedoeld in artikel 12.1.1. 3. Ieder lid van de cliëntenraad is bevoegd agendapunten aan te dragen. 4. Tot de onderwerpen waarover geen overleg plaatsvindt, behoren in ieder geval: a. individuele klachten, bezwaarschriften, en andere zaken die een individueel karakter dragen, dan wel betrekking hebben op individuele klanten; b. de uitvoering van wettelijke voorschriften voor zover bij de uitvoering geen of nauwelijks ruimte voor eigen beleid aanwezig is. 5. De gemeente vraagt over beleidsvoornemens advies aan de cliëntenraad op een dusdanig tijdstip dat dit advies van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. 6. De cliëntenraad brengt gevraagd en ongevraagd advies uit in verband met door de gemeente voorgenomen beleid. 7.

Het advies als bedoeld in het zesde lid wordt uiterlijk 10 werkdagen voordat de gemeente voornemens is het beleid vast te stellen uitgebracht door toezending aan de gemeente.

18

Hoofdstuk 11 Niet eens met de uitvoering Hoofdstuk 10 wordt vernummerd tot hoofdstuk 11.

Hoofdstuk 12 Kwaliteit en aanbesteding Hoofdstuk 11 wordt vernummerd tot hoofdstuk 12. In dit hoofdstuk zijn de volgende artikelen toegevoegd: 12.1.1 Kwaliteit van de dienstverlening Participatiewet [PW] 1. De gemeente voert periodiek onderzoek uit naar de kwaliteit van de dienstverlening. 2. In verband met het bepaalde in lid 1 wordt minimaal één maal per twee jaar een klanttevredenheidsonderzoek gehouden. 3. Het onderzoek als bedoeld in lid 2 richt zich op: a. de kwaliteit van de procesgang; b. de kwaliteit van de klantbehandeling; c. de kwaliteit van het geleverde product.

Hoofdstuk 13 Van oud naar nieuw Hoofdstuk 12 wordt vernummerd tot hoofdstuk 13. De volgende artikelen zijn gewijzigd: Artikel 13.3 Intrekken oude verordeningen In dit artikel is ‘2019’ gewijzigd in ‘2020. Artikel 13.5 Ingangsdatum en naam In dit artikel is onder lid 1 ‘2020’ gewijzigd in ‘2021’. In dit artikel is lid 2 gewijzigd in ‘Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht vanaf januari 2021’. Het volgende artikel is toegevoegd: Artikel 13.6 Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat: -

Re-integratieverordening Participatiewet Oude IJsselstreek Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Oude IJsselstreek Verordening bestuurlijke boete bij recidive Oude IJsselstreek Verordening cliëntenparticipatie Participatiewet Oude IJsselstreek Verordening tegenprestatie gemeente Oude IJsselstreek Verordening loonkostensubsidie Participatiewet gemeente Oude IJsselstreek 2016 Verordening individuele studietoeslag Oude IJsselstreek

Datum vaststelling gemeenteraad

19

De zin ‘Vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oude IJsselstreek in zijn openbare vergadering van 23 april 2020,’ is gewijzigd in ‘Vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Oude IJsselstreek in zijn openbare vergadering van 21 januari 2021,’.

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4157/documents/19713