Verordening Sociaal Domein 2025.pdf
Tekst van het document
Het afwegingskader hiervoor wordt gevormd door de criteria in artikel 3.3.6, lid 3 3. Als de jeugdhulpvoorziening of de maatwerkvoorziening die na het volgen van het stappenplan kan worden toegekend gewenst wordt in de vorm van een pgb zal het college, los van alle voorwaarden die wettelijk gelden voor de toekenning van een pgb, uitgaan van het uitgangspunt dat een pgb niet bedoeld is als (gezins)inkomen maar om daarmee de hulp in te kopen die nodig is als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn gebleken. Het inzetten van een jeugdhulp- of maatwerkvoorziening dat verstrekt zal worden in de vorm van een pgb in en situatie van overbelasting zal gericht zij op het doel als geschetst in lid 3 van dit artikel
3.3.6 Criteria voor beoordeling van de eigen kracht en gebruikelijke hulp [Jeugdwet, Wmo] 1. Voor de beoordeling van de eigen kracht van de jeugdigen, ouders, de volwassene of andere huisgenoten zodat er geen jeugdhulp of maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden, weegt het college in ieder geval de volgende belangen af: a. De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige of de volwassene;
20 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2.
3.
4. 5.
6.
b. De voor de jeugdige of inwoner benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan; c. De mate van planbaarheid van de hulp; d. De mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders of de volwassene; en e. De manier van omgaan van ouders en volwassene met de problemen (van de jeugdige); f. De vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); g. Of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden h. Welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen i. Het belang van ouders of volwassene om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; j. De samenstelling van de cliënt, het gezin en de woonsituatie. k. De samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); l. Is er een sociaal netwerk en zo ja wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige en/of zijn ouders of volwassene te ondersteunen; m.
Overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders of volwassene worden ingebracht; Bieden de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten aan de jeugdige of zijn ouders (Jeugdwet) of een volwassene (Wmo 2015) gebruikelijke hulp en bovendien nietgebruikelijke hulp, dan wordt geen jeugdhulp- of een maatwerkvoorziening verstrekt als: a. de gebruikelijke helper aanwezig is; b. de gebruikelijke helper de hulp kan bieden; c. de gebruikelijke helper niet overbelast is; d. het niet gaat om professionele hulp; en e. er geen medische contra-indicaties zijn. Als onderdeel van de eigen kracht onderzoekt het college ook of de jeugdige, ouders of volwassene gebruik kunnen maken van algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen en andere wetten of regelingen. Is hiervan sprake, dan wordt geen jeugdhulp- of maatwerkvoorziening verstrekt. Als het gaat om het begrip overbelasting, zoals genoemd in eerste lid van dit artikel zal bij twijfel een medisch advies worden ingewonnen. Als (al dan niet na een medisch advies) is vastgesteld dat er sprake is van dreigende overbelasting onderzoekt het college wat er gedaan kan worden om deze (dreigende) overbelasting te beëindigen. Is dat een al dan niet tijdelijke jeugdhulp- of maatwerkvoorziening, dan wordt deze verstrekt met de bedoeling om de (dreigende) overbelasting te beëindigen.
Indien het gaat om professionele hulp, zoals genoemd in het eerste lid, onder d en de huisgenoot of naaste is een professional op het terrein waarop de professionele hulp nodig is, zal deze combinatie voor het college aanleiding zijn geen jeugdhulpvoorziening of geen maatwerkvoorziening te verstrekken die ingevuld wordt door de professional in verband met de systeemproblemen die goede professionele hulp in de weg staat
3.3.7 Deskundig onderzoek, deskundige toeleiding en beoordeling. [Jeugdwet, Wmo] 1. Bij het beoordelen of en zo ja welke jeugdhulpvoorziening in welke vorm en omvang het college gaat toekennen wordt het stappenplan van CRvB gehanteerd.
21 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2. De beoordeling zoals in lid 1 genoemd vindt plaats door SKS-geregistreerde personen met specifieke deskundigheid die in het concrete geval noodzakelijk is, indien nodig in overleg of na samenspraak met de gedragswetenschapper van de gemeente. 3. Ook in het kader van de Wmo 2015 draagt het college zorg voor voldoende deskundig en ervaren medewerkers. 4. Bij een onafhankelijk advies dient het college zich ervan te vergewissen dat het onderzoek zorgvuldig is verricht en de conclusies logisch en concluderend zijn (vergewisplicht).
3.3.8 Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, Awb] De gemeente beslist binnen 2 weken nadat de aanvraag voor een Wmo maatwerkvoorziening is ontvangen. De gemeente beslist binnen 2 weken op het advies van BZJ over een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet. De beslistermijn kan schriftelijk uitgesteld worden als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als de gemeente de aanvraag niet binnen de termijn kan behandelen.
3.4 Stap 4. Beslissing 3.4.1 Inhoud besluit [Jeugdwet, Wmo, PW, Awb] 1. De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven om zijn vraag om hulp om hulp te beantwoorden. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb), in geld of op een andere manier wordt gegeven. 2. Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is (gewenst effect en doelen); b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. hoe (en misschien ook door wie) de hulp wordt gegeven; d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. 3. Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd. a. waarvoor het pgb bedoeld is (gewenst effect en doelen); b. hoe hoog het pgb is en waarom het deze hoogte heeft; c. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb stopt; d. hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; e. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. 4. Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a. voor welk doel het geld wordt gegeven; b. wanneer het geld wordt betaald; c.
hoe vaak het geld wordt betaald; d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden. 5. Besluit de gemeente geen hulp te geven, dan wordt in het besluit in ieder geval uitgelegd waarom geen hulp wordt verleend. 6. Het besluit geeft aan hoe en binnen welke periode de inwoner in bezwaar kan gaan tegen dit besluit.
22 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
3.4.2 Buiten behandeling stellen [Jeugdwet, Wmo] De gemeente kan een aanvraag van een inwoner buiten behandeling stellen wanneer de verstrekte gegevens en documenten onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag en dit niet op tijd hersteld is zoals genoemd in artikel 4:5 van de Awb en/of als de inwoner de gevraagde gegevens niet heeft aangeleverd.
3.4.3 Verval van recht [Jeugdwet, Wmo, Awb] Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij de inwoner dit tijdig meldt en dit niet de schuld van de inwoner is. Als de inwoner binnen de termijn van zes maanden doorgeeft aan de gemeente dat hij nog geen gebruik heeft gemaakt van de hulp, dan kan de gemeente de periode verlengen. Deze voorwaarde wordt ook in het hierboven genoemde besluit opgenomen.
3.5 Uitzonderingen 3.5.1 Jeugdhulp via arts en anderen [Jeugdwet, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de jeugdige jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, Gecertificeerde Instelling (GI) de jeugdige doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de jeugdartsen, de medisch specialisten, de GI’s en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen. Op verzoek van de jeugdige of zijn ouders stuurt de gemeente over de jeugdhulp op verwijzing van de hierboven genoemde personen en organisaties een besluit per brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.
3.5.2 Dringende situaties [Jeugdwet, Wmo] 1. In dringende situaties zorgt de gemeente/Buurtzorg Jong/Samen Sterker Thuis ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Het kan dan gaan om de volgende hulp: a. het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning. d. het bieden van een voorziening door Samen Sterker Thuis. 2. Er is sprake van een dringende situatie als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.
23 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
4 Gezond en veilig opgroeien Jeugdigen in Nederland moeten gezond en veilig kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jeugdigen, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij ondersteuning krijgen van de gemeente. De gemeente wil dat gezinnen en jeugdigen die hulp of ondersteuning nodig hebben dat eenvoudig en dichtbij kunnen krijgen. Ook wil de gemeente dat die hulp aansluit bij wat het gezin of de jeugdige nodig heeft. Om dat te kunnen doen is het belangrijk om de vraag of het probleem te onderzoeken. Daarom heeft de gemeente besloten om Buurtzorg Jong vanaf 1 januari 2020 de Jeugdhulp te laten uitvoeren. Buurtzorg Jong heeft jeugd- en gezinswerkers met veel kennis en ervaring die dit samen met de inwoner doen. Zo wordt de hulp zo vroeg mogelijk aangeboden. Daardoor kunnen grotere problemen worden voorkomen en kan het gebruik van dure, gespecialiseerde hulp worden verminderd. Daarbij staat het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en het versterken van wat het gezin en de sociale omgeving zelf kunnen doen om de zorg te bieden of het probleem op te lossen voorop. Bij opgroeien hoort ook naar school gaan. Meestal gaan kinderen zelfstandig naar school of worden ze door hun ouders gebracht. In bepaalde gevallen draagt de gemeenten bij in de kosten.
Als de leerling niet zelf kan reizen én de ouders niet zelf kunnen brengen, zet de gemeente aangepast vervoer in. Dit speelt vooral als de leerling is aangewezen op een vorm van speciaal onderwijs, omdat die scholen meestal op grote afstand van huis zijn. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en jeugdigen tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Een voorziening voor vervoer naar school kan worden verstrekt vanaf de start van het basisonderwijs en stopt bij het einde van het voortgezet onderwijs, ongeacht de leeftijd. Kernwaarden: • De jeugdige moet gezond en veilig kunnen opgroeien. • De jeugdige en zijn ouders zijn zelf verantwoordelijk en de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de jeugdige en zijn ouders gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de jeugdige en zijn ouders en zorgt voor goede aansluiting met andere hulp. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • (Gratis) voor iedereen beschikbare hulp gaat voor maatwerkvoorzieningen.
4.1 Preventieve maatregelen [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jeugdigen, hun ouders en hun sociale netwerk met de volgende voor iedereen (gratis) beschikbare vormen van hulp. De inwoner heeft hiervoor geen besluiten van de gemeente en ook geen verwijzing door een huisarts, jeugdarts, een medisch specialist of een Gecertificeerde Instelling (GI) nodig. 1. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang samenwerken en elkaar aanvullen; 2. informatie, advies, trainingen en lichte tot gemiddelde begeleiding; 3. jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau, schoolarts); 4. talentonwikkeling door jeugd- en jeugdigenwerk; 5. jeugd- en gezinswerk; 6. generalistische basis GGZ; 7. sociaal raadsliedenwerk;
24 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
8. algemeen maatschappelijk werk; 9. advies, hulp en ondersteuning bij (vermoedens van) huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). Veilig Thuis biedt 24 uur per dag, 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en kindermishandeling; 10. een vertrouwenspersoon.
4.2 Uitgangspunten bij het bieden van hulp [Jeugdwet] 1. Bij het bieden van hulp houdt de medewerker redelijkerwijs rekening met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders. 2. Bij het bieden van hulp houdt de medewerker rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en de ouders. 3. Alle hulp is gericht op het versterken van de eigen mogelijkheden en het kunnen oplossen van het probleem door de jeugdige, zijn ouders en hun sociale netwerk. 4. De medewerker betrekt de wensen van de jeugdige en zijn ouders bij de keuze welke jeugdhulp wordt ingezet. 5. Pleegouders kunnen voor hulp in eerste instantie bij de pleegzorgorganisatie terecht. Als het nodig is kan de pleegzorgorganisatie extra hulp vragen aan de gemeente. 6. Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die voor iedereen toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het maatschappelijk werk of een praktijkondersteuner GGZ van de huisarts. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt een maatwerkvoorziening ingezet. 7.
Buurtzorg Jong (BZJ) zorgt ervoor dat signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen en/of kindermishandeling/huiselijk geweld zo vroeg mogelijk worden opgevangen en dat daar ook zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden. Waar mogelijk biedt BZJ jeugdhulp op vrijwillige basis. Wanneer de rechter daar uitspraak over doet, zet de gemeente jeugdhulp in de vorm van een maatwerkvoorziening onder dwang in. 8. Bij signalen van kindermishandeling kan iedere inwoner hiervan melding maken via de website: www.ikvermoedhuiselijkgeweld.nl
4.3 Maatwerkvoorziening [Jeugdwet] De gemeente kan de volgende maatwerkvoorzieningen aanbieden: 1. ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en trainingen; 2. specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling; 3. specialistische geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen; 4. een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling; 5. persoonlijke verzorging; 6. dyslexiezorg bij ernstige enkelvoudige dyslexie; 7. vervoer van de jeugdige van en naar de plek waar jeugdzorg wordt aangeboden. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor op basis van het advies van Buurtzorg Jong een besluit van de gemeente of verwijzing door een huisarts, een jeugdarts, een medisch specialist of een GI nodig.
4.4 Overgang van 18- naar 18+ [Jeugdwet, Wmo] 1. De gemeente is er verantwoordelijk voor dat jeugdigen uit de jeugdhulp ondersteund blijven worden als ze 18 jaar zijn geworden. Dat wil zeggen dat Buurtzorg Jong zorgt voor een plan voor de jeugdige op alle belangrijke leefgebieden.
25 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2. De jeugdhulp kan worden verlengd als dat nodig is. Dit kan maximaal tot de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt. Deze verlenging is dan een onderdeel van het plan. 3. Als er sprake is van pleegzorg, dan wordt in alle gevallen onderzocht of dit langer nodig is. Pleegkinderen kunnen standaard tot 21 jaar in hun pleeggezin verblijven, tenzij het pleegkind aangeeft hier geen gebruik van te willen maken. Verlengde jeugdhulp is mogelijk tot de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt.
4.5 Afstemming met andere vormen van hulp [Jeugdwet] De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over: • procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp; • communicatie met andere organisaties en de gemeente; • aangeven waar de grens is van taken en verantwoordelijkheden; • wie er regie voert bij betrokkenheid van meerdere organisaties; • aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en maatwerkvoorzieningen bij elkaar passen en op elkaar aansluiten; • Op welke manier er verslag uitgebracht moet worden over of en hoe de hulp heeft geholpen om de afgesproken doelen te behalen. • De afspraken worden vastgelegd in een protocol of in een andere geschikte vorm.
26 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
5 Wonen in een veilige en gezonde omgeving Inwoners met een beperking en/of met langdurige psychosociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor problemen in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten, het deelnemen aan de samenleving en in de huishouding. De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar het hier en nu, maar ook naar de hoe de toekomst er waarschijnlijk uit gaat zien. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven. Kernwaarden: • Inwoners met een beperking moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en leven. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente heeft extra zorg voor kwetsbare groepen. • De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar.
5.1 Uitgangspunten [Wmo] 1. De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de normale dagelijkse activiteiten kunnen uitvoeren en een eigen huishouding kunnen voeren. 2. De gemeente stelt, daar waar de hulpvorm dit toestaat, normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015. Deze normen moeten zijn gebaseerd op onderzoek dat door deskundigen is gedaan die niet onder invloed van iemand staan en die geen mening over de situatie hebben. De gemeente hanteert voor de maatwerkvoorziening ‘schoon en leefbaar huis’ het normenkader: Richtlijn indicatieadvisering hulp bij het huishouden (januari 2011) van de MO-zaak. De normen maken duidelijk welke concrete hulp er voor inwoners in hun situatie nodig is. De gemeente kan afwijken van deze normen als dat nodig is voor een goed niveau van wonen en leven dat goed past bij de situatie.
5.2 Zelfstandig en veilig wonen 5.2.1 Geschikte woning [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning door een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet voldoen aan de voorwaarden genoemd bij artikel 3.3.4 ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat de woning bereikbaar en geschikt wordt gemaakt. Dit kan gebeuren door de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, berging en de gang(en), hal of overloop in de woning volgens de regels van het bouwen aan te passen of door hulpmiddelen die mogelijk verstrekt worden 3. Als de woning van de inwoner niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, dan zal de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een woning die (beter) bij hem past, als deze beschikbaar is. De woning waar hij al woont wordt dan niet door de gemeente aangepast. De gemeente heeft hiervoor regels vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein. 4. De gemeente zorgt voor een vergoeding in de verhuis- en herinrichtingskosten als de inwoner verhuist naar een woning die (beter) bij hem past en daarbij voldoet aan de voorwaarden
27 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
genoemd in artikel 3.3 ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. De gemeente heeft voor deze voorwaarden regels vastgelegd in het Besluit Sociaal Domein. 5. De maximale vergoeding voor het verhuizen en herinrichtingskosten als de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning zijn terug te vinden in het Besluit Sociaal Domein. De kosten van herinrichting zijn de kosten van vloerbedekking, gordijnen, vitrages, behang en verf.
5.2.2 Een schone en leefbare woning [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner een maatwerkvoorziening kan krijgen als hij door een beperking zijn woning niet schoon en goed om in te leven kan houden. De inwoner moet daarbij voldoen aan de regels genoemd in artikel ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer (de leefruimten) en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, het doen van boodschappen, het zorgen voor eten en drinken, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de maatwerkvoorziening. 3. Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan kan de maatwerkvoorziening ook bestaan uit het overnemen van de noodzakelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp (bv. kinderopvang) is door te komen. Dit beoordeelt de gemeente op basis van het normenkader uit artikel 5.1, lid 2 van deze verordening. 4. Als er in het huishouden van de inwoner volwassen en jeugdige huisgenoten zijn, dan bekijkt de gemeente welke hulp van deze huisgenoten gevraagd kan worden. Dit beoordeelt de gemeente op basis van het normenkader uit artikel 5.1, lid 2 van deze verordening.
5.2.3 Beschermd wonen [Wmo] De inwoner kan in aanmerking komen voor een vorm van beschermd wonen als: • de inwoner een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; • de complexe problematiek niet voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarbij de gemeente nog geen indicatie voor beschermd wonen kan vaststellen; • de maatwerkvoorziening(en) begeleiding of dagbesteding, al dan niet gecombineerd met ambulante diensten vanuit de Zorgverzekeringswet geen passende oplossing bieden; • het beschermd wonen (ook) het doel heeft om de inwoner de kans te geven om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Een beschermende woonomgeving betekent in het geval van beschermd wonen en beschut wonen een (noodzakelijk) verblijf in een woonplek van een aanbieder waar 24-uurs toezicht is en dagelijks aangewezen (geplande en ongeplande) ondersteuning wordt geboden. Afhankelijk van de aard en omvang van de complexe problematiek kan onder een beschermende woonomgeving in het geval van beschut wonen of beschermd thuis ook een woning al dan niet in de eigen omgeving worden verstaan. Hierbij wordt het toezicht en de ondersteuning in de directe nabijheid geboden. Doetinchem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de betalingen aan de aanbieders.
Voor de eigen bijdrage die door de inwoner zelf betaald moet worden gelden de regels uit de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Doetinchem.
28 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
5.2.4 Maatschappelijke opvang [Wmo] Voor inwoners die een maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem door het college van de gemeente Oude IJsselstreek vastgesteld. De gemeente Doetinchem is als centrumgemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van maatschappelijke opvang.
5.3 Dagbesteding en begeleiding 5.3.1 Een ingevulde dag hebben [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3.3. ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor maximaal 9 dagdelen per week. 3. De gemeente kan als dat nodig is het vervoer naar de maatwerkvoorziening organiseren.
5.3.2 Veiligheid bij deelname aan de samenleving [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om veilig de dag door te komen, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 3.3’beoordelen aanvraag’ van deze verordening. 2. De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan één-opéén of in een groep plaatsvinden. Het betekent dat de begeleider toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën.
5.4 Meedoen aan de samenleving 5.4.1 Verplaatsen in en om de woning [Wmo] De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet goed genoeg kunnen verplaatsen in en om de woning, een maatwerkvoorziening kunnen krijgen. De maatwerkvoorziening houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend en blijvend gebruik door de inwoner.
5.4.2 Verplaatsen dichtbij huis [Wmo] 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking niet genoeg mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de regels die zijn genoemd in artikel 3.3. ‘beoordelen aanvraag’ van deze verordening.
29 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2. De maatwerkvoorziening houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis, zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan in het aanbieden van: a. de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer (ZOOV); b. taxivervoer; c. een scootmobiel, of d. het gebruik van een ander vervoermiddel. 3. Het moet gaan om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een redelijke afstand bij huis; of c. het zich verplaatsen over reguliere verharde paden en wegen. 4. Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersvraag opgelost kan worden met collectief taxivervoer, voordat andere een maatwerkvoorziening voorzieningen aan de orde kunnen komen. Dit is mede afhankelijk van de vervoersbehoefte van de inwoners en de af te leggen reisafstanden.
5.5 Weigeringsgronden [Wmo] Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: • de inwoner de gevraagde voorziening vóór de melding of de aanvraag zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een directe noodsituatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; • de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van het besluit van de gemeente zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de gemeente de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen.
5.6 Mantelzorg 5.6.1 Ondersteuning en waardering mantelzorger [Wmo] 1. Voor inwoners die mantelzorg geven, is er vrij toegankelijke advies of ondersteuning beschikbaar. De gemeente kan indien nodig ook een maatwerkvoorziening voor de hulpontvangende inwoner beschikbaar stellen waardoor de mantelzorger ontlast wordt. 2. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners die hulp nodig hebben. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om waardering uit te spreken voor hun inzet en het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.
5.6.2 Voorwaarden mantelzorgwaardering [Wmo] 1. Mantelzorgwaardering kan worden aangevraagd door de inwoner die mantelzorg ontvangt of door de mantelzorger zelf. Dat kan in onderstaande situaties: a. De hulpontvanger is een inwoner van de gemeente Oude IJsselstreek; b. De mantelzorg wordt vrijwillig en zonder dat daarvoor wordt betaald verleend vanwege een tussen de personen bestaande sociale relatie (bijvoorbeeld familie, vrienden of buren).
30 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2. De gemeente maakt jaarlijks via de gemeentepagina in het huis-aan-huis-blad bekend op welke wijze mantelzorgers worden gewaardeerd, hoe de waardering aangevraagd kan worden en voor wanneer de aanvraag ingediend moet zijn. Een mantelzorger kan één keer per jaar voor zijn hulp aan één hulpontvangende inwoner mantelzorgwaardering ontvangen. Een mantelzorger die mantelzorg verleende aan een hulpontvangende inwoner die in de loop van het jaar is overleden, komt in datzelfde kalenderjaar nog in aanmerking voor mantelzorgwaardering.
31 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
6 De vorm van de hulp De hulp die de gemeente geeft is in principe ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er een vorm van hulp komt. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp niet in natura, maar in de vorm van geld worden gegeven (inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget waarmee iemand zelf hulp kan inkopen. In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de gemeente de hulp geeft. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen. Kernwaarden: • De gemeente versterkt de zelfredzaamheid van de inwoner. • De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. • De eigen mogelijkheden en het sociale netwerk van de inwoner gaan voor. • De gemeente stemt de hulp af op de inwoner. • De gemeente maakt de hulp makkelijk bereikbaar.
6.1 Hulp in natura [Jeugdwet, Wmo, Gemeentewet] 1. De inwoner die hulp van de gemeente krijgt, ontvangt hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening anders is bepaald. Een product wordt in de regel uitgeleend en niet geschonken. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product de inwoner voldoende helpt om het product goed te kunnen gebruiken. 3. De gemeente zorgt ervoor dat de leverancier van een product zich houdt aan wat in de wet staat over de garantie. 4. De leverancier informeert de inwoner over alles wat nodig is om te weten over de dienst of het product.
6.2 Hulp in geld [Wmo, Gemeentewet, Awb] De inwoner die hulp van de gemeente krijgt ontvangt hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald.
6.3 Persoonsgebonden budget 6.3.1 Voorwaarden [Jeugdwet, Wmo] 1. In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om hulp uit de Wmo 2015 of jeugdhulp gaat. Dit kan alleen als er voldaan is aan de regels die in de Wmo 2015 en de Jeugdwet staan. 2. Om gebruik te kunnen maken van een pgb moet de inwoner een pgb-plan opstellen. 3. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden uitgegeven. Het pgb kan niet worden uitgegeven aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers. De uitzondering zijn de bemiddelingskosten uit artikel ‘Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk’; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).
32 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
4. De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was. De gemeente maakt een uitzondering voor acute situaties. b. Voorzieningen waarvoor ook een vrij toegankelijke voorziening aanwezig is. c. Uit het door de inwoner ingediende pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is. d. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de persoon die dat gaat doen is dezelfde persoon als de persoon die de hulp gaat verlenen . 5. De gemeente heeft in het Besluit sociaal domein nadere regels vastgelegd over de voorwaarden van het pgb.
6.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk [Jeugdwet, Wmo] Voor de persoon die hulp verleent vanuit het sociale netwerk van de inwoner berekent de gemeente een bedrag volgens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (ECLI:NL:CRVB:2023:1580) Door deze uitspraak over te nemen wordt de hoogte van het PGB tarief vastgesteld aan de hand van de CAO’s die gelden voor hulp bij het huishouden en begeleiding.
6.3.3 Pgb bij hulp door zorgaanbieder [Jeugdwet, Wmo] De zorgaanbieder die hulp geeft houdt zich aan de volgende regels: De gemeente rekent voor hulp bij het huishouden een bedrag dat maximaal 100% is van het laagste bedrag per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou krijgen. De gemeente rekent voor begeleiding, persoonlijke verzorging of logeren een bedrag dat maximaal 100% is van het laagste bedrag per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou krijgen. Als hulp wordt geboden door een professionele aanbieder, dan moet deze persoon hiervoor zijn opgeleid en moet deskundigheid bezitten op het gebied van de hulpvraag van de inwoner en/of zijn ziekte of beperking.
6.3.4 Hoogte en tarief pgb [Jeugdwet, Wmo] 1. Het pgb wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (pgb-plan). Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente. 2. De hoogt van het pgb wordt gebaseerd op een offerte voor de aangegeven kosten én op basis van de kosten die de gemeente gemaakt zou hebben als er hulp in natura zou zijn verstrekt. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten. 3. De gemeente staat het niet toe dat een pgb als “maandloon-optie” wordt ingezet. 4. De gemeente stelt het bedrag voor hulp door iemand uit het sociale netwerk vast met de informatie uit artikel 6.3.2. ‘Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk’ van deze verordening. 5. Als de hulp wordt gegeven door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt dit altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien. Wordt de hulp gegeven door een ander uit het sociale netwerk die beroepsmatig als zorgaanbieder de hulp verleent, dan gelden de regels voor beroepsmatig verleende hulp.
33 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
6. De gemeente rekent voor een pgb voor vervoer (inclusief rolstoelvervoer) om deel te nemen aan groepsondersteuning een vast tarief. Dit tarief is gebaseerd op het laagste toepasselijke tarief per uur dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou rekenen. 7. De gemeente kan de pgb-tarieven jaarlijks indexeren conform de indexering van de zorg in natura bedragen. 8. De gemeente heeft nadere regels in het Besluit sociaal domein vastgelegd over de hoogte en het tarief van het pgb en het voorbeeld van het pgb-plan.
6.3.5 Verantwoording pgb [Jeugdwet, Wmo] De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad.
6.4 Tegemoetkoming meerkosten persoon met beperking of chronische problemen 6.4.1 Voorwaarden tegemoetkoming [Wmo] De gemeente kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Hierbij gelden de volgende regels: 1. een inwoner kan geen gebruik maken van vrij toegankelijke hulp, een algemeen gebruikelijke of maatwerkvoorziening om de betreffende beperking te compenseren. 2. er zijn extra kosten verbonden aan de ziekte of beperking.
6.4.2 Mogelijke tegemoetkoming [Wmo] 1. De gemeente verstrekt een tegemoetkoming in de kosten voor taxi en rolstoeltaxi wanneer het collectief taxivervoer (ZOOV) en andere voorliggende vervoersvoorzieningen niet toereikend zijn. a. De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld in het Besluit Sociaal Domein. b. Het normbedrag is van toepassing voor het gebruik van een (eigen) auto of vervoer door derden; voor het gebruik van een bruikleenauto en voor het gebruik van een (rolstoel)taxi. c. Wanneer de tegemoetkoming wordt toegekend aan beide getrouwde of samenwonende partners dan is de tegemoetkoming 75% per persoon van het onder a genoemde bedrag. d. De gemeente kan de tegemoetkoming voor meerkosten evenredig bijstellen als de inwoner een lagere vervoersbehoefte heeft. e. De gemeente kan de inwoner aan wie een tegemoetkoming is toegekend, verplichten een overzicht bij te houden van de gereden kilometers in het kader van de voorziening. 2. De tegemoetkoming voor: a. het kopen en onderhouden van een sportvoorziening is niet hoger dan het in het Besluit Sociaal Domein opgenomen bedrag. Deze tegemoetkoming wordt maximaal één keer per drie jaar gegeven. b. het bezoekbaar maken van een woning (voor een Wlz bewoner) bedraagt maximaal het in het Besluit Sociaal Domein opgenomen bedrag.
Het gaat om het toegankelijk maken van de woning via de voor- of achterdeur om zo de woonkamer, badkamer en toilet te bereiken.
34 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
3. De tegemoetkoming die de gemeente aan een inwoner kan verstrekken is niet altijd genoeg om alle kosten van te kunnen betalen.
6.4.3 Wat is de bijdrage in de kosten? [Wmo] 1. De gemeente kan voor een aantal voorzieningen aan de inwoner een bijdrage in de kosten vragen. Dat kan bij de volgende maatwerkvoorziening: a. het schoon en leefbaar houden van een woning (hulp in de huishouding); b. het aanpassen van een woning (woonvoorzieningen); c. bij een verhuiskostenregeling als verhuizen noodzakelijk en goedkoopst-adequaat blijkt te zijn; d. het op een verantwoorde manier kunnen deelnemen aan de samenleving (begeleiding); e. een ingevulde dag hebben (dagbesteding); f. het wonen in een beschermde woonomgeving; g. het zich kunnen verplaatsen dichtbij huis (niet voor een rolstoel). 2. De gemeente zorgt ervoor dat de wettelijke regels voor het vaststellen van een bijdrage in de kosten worden toegepast. Een bijdrage is nooit hoger dan de wat de maatwerkvoorziening echt kost. 3. De bijdrage in de kosten wordt vastgesteld volgends de regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De inwoner die tegen Wmo-tarief gebruik maakt van het collectief taxivervoer (ZOOV) is aan de gemeente een jaarlijkse bijdrage verschuldigd. De hoogte van deze bijdrage staat in het Besluit Sociaal Domein Oude IJsselstreek
35 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
7 Werk en Participatie STOER voert activiteiten uit die behoren tot de werkzaamheden op grond van de Participatiewet. Zij doet dit binnen de visie die beschreven is in de ‘Transformatie in de kijk op werk’. Onze dienstverlening kent de volgende uitgangspunten: Wij werken vanuit het gezichtspunt van de inwoners Werken vanuit het gezichtspunt en de logica van de inwoners betekent dat we aansluiten op hun leven en het lokale zorgnetwerk. Ook willen we compleet werken: behalve de Participatiewet kunnen ook schuldhulpverlening, de Wmo en Jeugdhulp oplossingen geven. Dit betekent ook dat een inwoner altijd een beroep kan doen op ons voor ondersteuning. Het maakt niet uit of iemand wel of niet tot de “doelgroep” behoort. Bij de inzet van voorzieningen zoals beschreven in dit hoofdstuk, houden we wel rekening met de geldende wetgeving en financiën. Wij schenken veel aandacht aan hoe wij met onze inwoners om gaan Dit betekent voor ons werken vanuit vertrouwen, ons “gezond Achterhoeks verstand” gebruiken en een positieve grondhouding. Hieronder verstaan wij dat ieder mens waardevol is en recht heeft op een respectvolle ontvangst. We noemen dat bejegening. Wij willen dat inwoners zich gehoord, gezien en welkom voelen wanneer ze contact met ons hebben.
We kennen onze inwoner Onze ervaring is dat mensen in beweging komen en blijven op het moment dat er aandacht is voor hen als persoon en hun situatie. Daarom helpen we de inwoner bij het op een rij zetten van zijn kansen en mogelijkheden. We ondersteunen bij het opstellen van een persoonlijk ontwikkelplan en begeleiden daarna de vervolgstappen. De werkgever geeft werk en wij faciliteren Wij geloven dat starten met werk de juiste volgorde is. Van daaruit gaan we kijken wat er nodig is om dat werk te behouden en om verder te ontwikkelen. Werk kan voor de één een betaalde baan zijn en voor de ander een vorm van dagbesteding. Wij zien voor onszelf met name een rol weggelegd in het met elkaar in contact brengen van de werkzoekende inwoner en werkgever. Samen met de werkgever en de inwoner kijken we wat er nodig is om het verschil tussen de benodigde en de aanwezige kwaliteiten van de inwoner kleiner te maken. We moedigen de inwoner aan om zich te ontwikkelen en als dat nodig is helpen we daarbij. Werk moet lonen Inzet dient beloond te worden. Bij belonen kan het gaan een voordeel in de vorm van geld, maar nog meer gaat het om ervaren dat je waardevol bent. Kansen voor persoonlijke ontwikkeling horen bij deze beloning. We blijven volgen hoe het gaat, ook als de inkomensondersteuning gestopt is Dit betekent dat we met de inwoner (en eventueel de werkgever) afspraken maken.
Nadat de inkomensondersteuning is gestopt, blijven we zo lang als nodig in contact om te kijken hoe het gaat op de werkplek. Als het nodig is helpen we door de inzet van voorzieningen zoals beschreven in dit hoofdstuk. De werkgever is daar als eerste verantwoordelijk voor.
Wederkerigheid in plaats van tegenprestatie Wij gaan ervan uit dat mensen waardevol zijn en hun kwaliteiten gebruiken. Dus vragen wij van onze inwoners dat zij maatschappelijk actief zijn. We doen dat vanuit een positieve gedachte en niet als een soort straf voor het hebben van een inkomensondersteuning. Daarnaast verwachten we van werkgevers dat zij ook moeite doen om onze inwoners onderdeel te laten zijn van hun organisatie.
36 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
We staan in verbinding met onze omgeving Dit betekent dat we de inwoner niet alleen benaderen vanuit een “Participatiewet bril” maar breder kijken. Als het nodig is zetten we onze kennis, ervaring en voorzieningen in voor inwoners die niet vallen onder de doelgroep van de Participatiewet.
7.1 Voor wie [PW, IOAZ, IOAW] De medewerkers helpen de volgende inwoners: 1. Inwoners met een gemeentelijke inkomensondersteuning. 2. Inwoners met een indicatie voor beschut werk en/of die zijn opgenomen in het Doelgroepregister. 3. Inwoners die geen ondersteuning kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per situatie beoordeelt de medewerker of er ondersteuning wordt gegeven. 4. Jeugdigen tot 27 jaar die geen werk en/of uitkering of gemeentelijke inkomensondersteuning en geen diploma’s hebben. De medewerker helpt hen een passende (geschikte) opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar hulpverlening of zorg. 5. Inwoners die vlak voor het dienstverband een gemeentelijke inkomensondersteuning ontvingen.
7.2 Inzet voorzieningen loopbaanbegeleiding [PW, IOAZ, IOAW] 1. De medewerker bekijkt per inwoner welke ondersteuning nodig is. Daar hoort bij de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. 2. De medewerker biedt professionele ondersteuning. Samen met de inwoner wordt bekeken wat nodig is, wordt de inwoner begeleid en worden extra voorzieningen ingezet als dat nodig is. 3. Soms is een extra voorziening nodig. Dan beoordeelt de medewerker welke voorziening ingezet wordt en voor hoe lang. Daarbij kijkt de medewerker naar verschillende dingen zoals de omstandigheden van de inwoner en zijn mogelijkheden. Daarnaast wordt ook rekening gehouden met zaken zoals de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. 4. In een activiteitenplan legt de medewerker, in overleg met de inwoner, vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er met de inwoner zijn gemaakt.
7.2.1 Detacheringsbaan 1. De inwoner kan via STOER of een andere organisatie werken bij een werkgever. Dit heet detachering. Die detachering wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen. 2. Het doel van een detacheringsbaan is dat de inwoner na afloop in dienst komt van de werkgever. 3. Een voorwaarde is dat de detacheringsbaan niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Verdringing betekent dat door de detacheringsbaan iemand anders een baan verliest. Ook moet het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met een andere organisatie.
7.2.2 Wettelijke loonkostensubsidie 1. De medewerker geeft de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers aan te moedigen om inwoners met een beperking in dienst te nemen. De subsidie geeft werkgevers een vergoeding voor productieverlies.
37 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
3. De medewerker stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), wordt een erkende methode toegepast. De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op deze loonwaarde afgestemd. 4. Wanneer een werkgever of werknemer een aanvraag indient voor wettelijke loonkostensubsidie bevestigt de medewerker de aanvraag schriftelijk. Wanneer een werknemer een aanvraag indient, ontvangt de werkgever ook een bevestiging. 5. Een aanvraag voor wettelijke loonkostensubsidie wordt, als de inwoner nog niet behoort tot de doelgroep, ook behandeld als een aanvraag om vast te stellen of de inwoner tot de doelgroep behoort. Als deze aanvraag is gedaan na het begin van het dienstverband, wordt de beoordeling of de inwoner tot de doelgroep behoort gedaan door middel van de Praktijkroute. 6. De loonwaarde wordt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag vastgesteld, behalve als in overleg met de werkgever forfaitaire loonkostensubsidie wordt toegekend. 7. De medewerker gebruikt bij het verstrekken van de wettelijke loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie. Meer informatie staat op http://www.normaalstezaak.nl.
7.2.3 Loonkostenondersteuning 1. De medewerker kan een werkgever, die een inwoner met een kleine kans op werk een arbeidsovereenkomst aanbiedt, een tijdelijke loonkostenondersteuning geven. 2. Het doel van deze ondersteuning is om werkgevers te stimuleren inwoners met een kleine kans op werk in dienst te nemen. De extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden zo vergoed. 3. De hoogte van de loonkostenondersteuning wordt door de medewerker in afstemming met de werkgever bepaald. 4. De loonkostenondersteuning is maximaal € 500,- per maand. De loonkostenondersteuning duurt maximaal 6 maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal 6 maanden. 5. Onder inwoners met een kleine kans op werk wordt verstaan: een inwoner die een periode va 12 maanden of langer aangewezen is geweest op inkomensondersteuning. 6. Een voorwaarde is dat het werk niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.
7.2.4 Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. De medewerker kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken voor een inwoner met een arbeidsbeperking, waardoor werken anders niet of niet volledig mogelijk is. 2. Bij het toekennen van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden de volgende regels: a. de inwoner behoort tot de doelgroep van de Participatiewet en is minimaal achttien jaar oud, behalve als de inwoner Voortgezet Speciaal onderwijs of Praktijkonderwijs heeft gevolgd; b. de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken; c. de werkgever biedt een dienstverband aan van minimaal 6 maanden waarin de inwoner minimaal 16 uur per week werkt; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het is geen voorziening die je kunt meenemen en standaard bij de werkgever gebruikt wordt of algemeen aanwezig is in een organisatie; f. het is geen werkplekaanpassing die van de werkgever kan worden verlangd; g. de kosten van de voorziening(en) zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de investering minimaal net zoveel waard is als de opbrengsten.
38 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
3. Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk en/of voor overige voorzieningen kan worden ingediend bij de medewerker door de inwoner of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 4. De medewerker bevestigt de ontvangst van de aanvraag. 5. De medewerker kan een deskundig oordeel en advies inwinnen van iemand die hier veel van af weet, als dit nodig is bij het beoordelen van een aanvraag. 6. De medewerker bepaalt, in overleg met de inwoner en als dit nodig is ook met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening het best helpt bij het goed uitvoeren van het werk door de inwoner. 7. De medewerker onderzoekt, wanneer dat voor de situatie van de inwoner nodig is, met welke verschillende partijen binnen en buiten de organisatie samengewerkt kan worden. De inwoner wordt hiermee zo goed mogelijk geholpen op een manier waarbij de verschillende vormen van ondersteuning elkaar niet tegenwerken. Daardoor worden zijn mogelijkheden om te werken vergroot.
7.2.5 Hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider 1. De medewerker kan een inwoner op de werkplek een externe jobcoach aanbieden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een jobcoach van STOER of een organisatie waarmee STOER een contract heeft, als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. De medewerker kan, als hier om gevraagd wordt, de werkgever een vergoeding geven voor begeleiding door een externe jobcoach, interne jobcoach of een interne werkbegeleider als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 3. De aanvraag voor hulp op de werkplek van een jobcoach of interne werkbegeleider moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Dit hoeft niet als op het moment van de start van de arbeidsovereenkomst nog niet bekend was of kon zijn dat er ondersteuning nodig was. 4. Wanneer de aanvraag voor jobcoaching door de werkgever gedaan wordt, moet de werknemer weten dat er een aanvraag wordt gedaan en het eens zijn met de inzet van jobcoaching of interne werkbegeleiding. 5. Het doel van de jobcoach of de interne werkbegeleider is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen en waar mogelijk zichzelf te ontwikkelen. 6. De jobcoach of interne werkbegeleiding bespreekt de leerdoelen met de werknemer en de werkgever en legt dit vast in een plan van aanpak. 7.
De medewerker bespreekt met de werkgever en werknemer de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven, hoe lang en hoeveel uren het moet zijn en legt dit vast in een beschikking aan de werkgever. 8. Het college kan nadere regels vaststellen over de eisen van het coachingsplan, welke activiteiten een jobcoach moet kunnen uitvoeren en hoe de evaluatie plaatsvindt. 9. Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk geeft moet voldoen aan het Erkenningsen intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning van het UWV. Deze is te lezen op www.uwv.nl. 10. Om te bepalen hoeveel uur jobcoaching nodig is wordt gebruik gemaakt van de begeleidingsregimes van het UWV. Deze staan in het protocol jobcoach 2019 artikel 2.4 die is te vinden op www.uwv.nl. 11. De medewerker kan van de begeleidingsregimes van het UWV afwijken en maatwerk leveren wanneer dit aansluit bij de persoonlijke behoeften en situatie van de inwoner.
7.2.6 Scholing 1. De medewerker kan een inwoner een cursus of opleiding aanbieden, als dat nodig is om de stap te zetten naar werk dat bij hem past.
39 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
2. De medewerker bepaalt in overleg met de inwoner en, als dat nodig is ook met de werkgever, welke opleiding of cursus dat is, hoe deze eruit ziet en hoelang die duurt.
7.2.7 Proefplaatsing 1. De medewerker kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever om te proberen hoe dit gaat. Dit kan terwijl de inwoner zijn gemeentelijke inkomensondersteuning blijft ontvangen. We noemen dat een proefplaatsing. 2. Het doel van de proefplaatsing is om de werkgever en de inwoner een beeld te laten krijgen van het werk en antwoord te krijgen op de vraag of de baan geschikt is voor de inwoner. 3. De duur van de proefplaatsing is twee maanden. Wanneer de doelstellingen van de proefplaatsing nog niet behaald zijn, kan deze verlengd worden met maximaal vier maanden. 4. Als de werkzaamheden op de proefplaats door ziekte tijdelijk stoppen, dan wordt deze ziekteperiode voor de maximale periode niet meegeteld. 5. De medewerker biedt de proefplaatsing alleen aan als: a. de werkgever de inwoner goed begeleid; b. de werkgever het voornemen uitspreekt om de inwoner na een geslaagde proefplaatsing een contract aan te bieden; c. de werkzaamheden passen bij wat de inwoner kan of nog kan leren; d. als hierdoor de organisatie of het bedrijf geen oneerlijk voordeel krijgt en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 6. In een schriftelijk contract tussen de medewerker, de inwoner en de werkgever wordt in ieder geval opgeschreven: a. het doel van de proefplaatsing; b. de startdatum; c. hoelang de proefplaatsing duurt; d.
het aantal uren werk per week; e. de manier van begeleiding; f. het voornemen van de werkgever om de inwoner een contract aan te bieden. 7. Een proefplaatsing kan niet ingezet worden tegelijkertijd met een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie.
7.2.8 Werkervaringsplek 1. De medewerker kan een inwoner een werkervaringsplek aanbieden. 2. Het doel van een werkervaringsplek is om de inwoner werkritme en werkervaring te laten krijgen. Ook leert de inwoner (weer) hoe het is om te werken en om zijn taal te verbeteren. De persoonlijke leerdoelen worden samen met de inwoner opgesteld. 3. De werkervaringsplek mag alleen als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de werkervaringsplek. De werkgever zorgt ervoor dat de inwoner meer ervaring krijgt met de inhoud van het werk, kennis krijgt van het vakgebied en/of werknemersvaardigheden ontwikkelt. 4. De werkervaringsplek duurt maximaal zes maanden. Dit kan één keer verlengd worden met zes maanden. 5. De medewerker biedt de werkervaringsplek alleen aan als hierdoor de organisatie of het bedrijf geen oneerlijk voordeel krijgt. Ook mag er geen verdringing van vrijwilligerswerk en/of betaalde arbeid zijn. 6. In een schriftelijk contract tussen de betrokken partijen wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de werkervaringsplek; b. Hoelang de werkervaringsplek duurt; c. de momenten waarop besproken wordt hoe het gaat; d. de manier waarop er begeleid wordt.
40 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
7.2.9 Beschut werk 1. Het UWV kan vaststellen of een inwoner een aangepaste werkplek en aangepast werk nodig heeft. De medewerker biedt een inwoner vervolgens een beschutte werkplek aan. Dat is een werkplek die is aangepast aan de mogelijkheden van de medewerker. Daarbij gelden de regels die in de Participatiewet zijn genoemd. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners een veilige werkplek te bieden. Die werkplek is veilig gemaakt voor werknemers die alleen in een aangepaste omgeving kunnen werken. 3. De gemeente biedt maximaal het aantal beschutte werkplekken aan, waarvoor het Rijk de gemeente opdracht geeft. 4. Het kan zijn dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan gebeuren als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. Wel kan de gemeente de inwoner dan helpen om zich voor te bereiden op een beschutte werkplek. 5. De medewerker biedt de volgende mogelijkheden aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; b. duidelijke grenzen van taken; c. aanpassingen in de werksnelheid, het aantal uren of de begeleiding bij het werk. 6. De medewerker kan een inwoner die beschut werk nodig heeft hulp aanbieden die de stap naar beschut werk makkelijker maakt. Het gaat om de volgende mogelijkheden: a. Hulp bij het invullen van de dag; b.
Sociale activiteiten; c. Scholing; d. Hulp bij schulden.
7.2.10 Opstartpremie 1. De inwoner van 27 jaar of ouder die betaald werk gaat verrichten, kan per arbeidscontract een opstartpremie krijgen. Deze premie is bedoeld om kosten bij de start van een nieuwe baan te betalen. 2. De premie is 250 euro. Het maakt niet uit hoeveel uren de inwoner werkt of hoe lang het arbeidscontract duurt. 3. De premie kan maximaal één keer per 12 maanden worden gegeven.
7.2.11 Sociale activering 1. De medewerker kan een inwoner, die een kleine kans heeft op werk, zinvolle activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
7.2.12 Participatieplaats 1. De medewerker kan een inwoner met gemeentelijke inkomensondersteuning die een kleine kans heeft op werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een contract tussen de medewerker, de werkgever en de inwoner. 2. In een schriftelijk contract tussen betrokken partijen wordt in ieder geval vastgelegd: a. het doel van de participatieplaats; b. de momenten waarop besproken wordt hoe het gaat; c. de manier waarop begeleid wordt. 3. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan lange tijd met behoud van gemeentelijke inkomensondersteuning op een bepaalde
41 Verordening Sociaal Domein Gemeente Oude IJsselstreek 2025
werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die bij de inwoner passen en speciaal voor hem zijn bedacht. 4. Een participatieplaats mag niet leiden tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en ook niet leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties. 5. De inwoner kan na iedere zes maanden een premie van €100,00 ontvangen. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk. De medewerker beoordeelt dit.
7.2.13 Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening 1. De medewerker kan een vervoersvoorziening toekennen aan een inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan in de vorm van natura en in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. 2. De medewerker biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. het vervoer is alleen voor het reizen van huis naar het werk, proefplaatsing of opleiding en weer terug. 3. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en is maximaal het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer. 4. De medewerker trekt een eventueel bedrag dat aan de medewerker verstrekt wordt door de werkgever voor de vervoersvoorziening, af van de door de gemeente te verstrekken vervoersvoorziening.