CConstaterende datOude IJsselstreek
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Oude IJsselstreek 2025 - versie na commissie.pdf

Raadsvergadering 30 juni 2025, gemeente Oude IJsselstreekBij agendapunt: 13: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden3.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Oude IJsselstreek 2025 De raad van de gemeente Oude IJsselstreek; gelezen het voorstel van het presidium van 19 mei 2025; gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid en 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, 3.1.4a, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid en 3.4.2 en 3.3.8. van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers; gezien het advies van de raadscommissie AFE van 23 juni 2025;

BESLUIT: Vast te stellen de volgende verordening: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Oude IJsselstreek 2025. Artikel 1. Definitiebepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd. b. griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet. c. raadslid: lid van de gemeenteraad. Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden 1. De vergoeding voor de werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt aan de raadsleden toegekend ongeacht het aantal vergaderingen. Artikel 2a Toelage vaste voorzitter commissie als bedoeld in artikel 82 Gemeentewet 1. Een raadslid dat vaste voorzitter is van een raadscommissie zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Verordening op de raadscommissies van de gemeente Oude IJsselstreek 2023 wordt, voor de duur van 10 maanden per jaar, een toelage toegekend van maximaal het bedrag, genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Artikel 3. Toelage raadslid onderzoekscommissie en bijzondere commissie 1.

Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend waarvan de hoogte per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding bedraagt voor de werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 3.1.1., eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage toegekend van maximaal het bedrag als genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers per maand.

Artikel 4. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden 1. Het raadslid dat nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, ontvangt per jaar ten laste van de gemeente een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van de werkzaamheden voor één maand, waarmee hij voorzieningen kan treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. 2. Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in maandelijkse termijnen uitbetaald. 3. Voor zover het lidmaatschap van de gemeenteraad in de loop van een maand begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het raadslidmaatschap toegekend. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op een raadslid dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van tijdelijk ontslag van een raadslid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, op grond van artikel X12 van de Kieswet. Artikel 5. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden 1. Een raads- of commissielid dat wil deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van zijn functie als bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier. 2.

Deze aanvraag gaat vergezeld van stukken met inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. 3. De griffier beslist op de aanvraag op basis van de overgelegde stukken, zoals bedoeld in het tweede lid. 4. De griffier kan vooraf advies inwinnen bij het presidium. Artikel 6. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak Op grond van artikel 3.4.2. van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt aan een commissielid een extra vergoeding toegekend tot het bedrag als bedoeld in artikel 3.1.4. van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, als: a. het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken en/of: b. het commissielid een vergoeding ontvangt die niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en/of de omvang van de door hem te verrichten arbeid. Artikel 7. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en commissieleden 1. Een raads- of commissielid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen na schoning is mogelijk tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer. Artikel 8. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 9. Betaling vaste vergoedingen 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers per kwartaal plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering. Artikel 10. Betaling en declaratie van onkosten 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a. betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur; b. betaling vooruit uit eigen middelen. 2. Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. 3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen drie maanden na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend bij de griffier. 4.

Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden in principe binnen zes weken na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt. Artikel 11. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van bekendmaking en werkt terug tot en met 9 januari 2025. Artikel 12. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Oude IJsselstreek 2025. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Oude IJsselstreek op 30 juni 2025.

De griffier,

De voorzitter,

M.B.J. Looman

L.J. Werger

Toelichting Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Oude IJsselstreek 2025 ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt. Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018), betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd.

De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal bij verordening van wettelijke regelingen af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening. Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen. De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raadsleden en commissieleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever.

Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden opteren voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst. Als de raads- en commissieleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening

aan de Belastingdienst doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden op persoonlijke titel worden gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en commissieleden. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden De hoogte van de raadsvergoeding is verplichtend bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse. Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die verbonden zijn aan hun functie. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid. De gemeenteraad kan op grond van het vierde lid van artikel 3.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitbetaald als presentiegeld. Het gaat om maximaal 20% van de vergoeding. In een dergelijke verordening mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. Deze bepaling kan bijvoorbeeld worden benut bij spookleden. Spookleden zijn volksvertegenwoordigers die wel zijn gekozen, maar die niet of nauwelijks aanwezig zijn bij de vergaderingen of activiteiten van de desbetreffende gemeenteraad.

Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de raadsvergoeding aan het raadslid over te maken op zijn of haar bankrekeningnummer. Het raadslid mag zelf (een deel) van de raadsvergoeding afdragen aan de politieke partij, maar is in beginsel juridisch niet verplicht mee te werken aan een overdracht van (een deel) van zijn of haar raadsvergoeding. Een akte van cessie waarbij de raadsvergoeding direct aan een politieke groepering wordt overgemaakt is juridisch niet toegestaan. De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke groepering. Artikel 2a Toelage vaste voorzitter commissie als bedoeld in artikel 82 Gemeentewet Ingangsdatum 9 januari 2025 In het rechtspositiebesluit is in een nieuw artikel 3.1.4a de mogelijkheid geopend om, als de raad dat wenselijk acht, een gemaximeerde toelage voor de vaste voorzitter van een raadscommissie vast te stellen. Aan deze mogelijkheid bleek behoefte omdat er gemeenten zijn waar raadscommissies ter voorbereiding van de besluitvorming in de raad gemiddeld veertig keer per jaar in een vast stramien vergaderen, vaak meerdere dagdelen per week. In dergelijke situaties besteedt de vaak vaste voorzitter van een dergelijke raadscommissie aantoonbaar meer uren aan het raadslidmaatschap en heeft die extra verantwoordelijkheden.

Er zijn echter ook gemeenten die aan deze toelage geen behoefte hebben. De grootte van de gemeente speelt hierbij blijkens onderzoek geen rol. Daarom is het aan de raad gelaten om te bepalen of hij van deze mogelijkheid gebruik wil maken. Daarbij wordt geabstraheerd van de vraag of die voorzitter wel of niet is benoemd: het gaat om de belasting en het tijdsbeslag, en dat oordeel velt de raad. De toepassing is beperkt tot voorzitters van raadscommissies op grond van artikel 82 van de Gemeentewet. Ten eerste omdat dit probleem in de praktijk kennelijk niet bij andere commissies (in dezelfde mate) speelt. Ten tweede omdat van commissies op grond van artikel 82 zeker is dat deze een raadslid als voorzitter hebben. Artikel 3. Toelage lid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie] van raadsleden Deze artikelen betreffen de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere

lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en anderzijds de onderzoekscommissie. Wat betreft de hoogte van de toelage voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie geldt een vast (belast) bedrag per maand. Voor de hoogte van de toelage voor het lidmaatschap van een bijzondere commissie geldt een maximaal bedrag per maand. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten. Artikel 4. Verzekering raadsleden voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden Ingangsdatum 9 januari 2025 Op grond van artikel 3.1.9 bestaat de aanspraak voor raadsleden om jaarlijks een bedrag te ontvangen ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van hun werkzaamheden voor een maand, waarmee zij voorzieningen kunnen treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het bedrag dient als compensatie voor het feit dat volksvertegenwoordigers vaak een deel van de werkweek voor de volksvertegenwoordiging bezig zijn en daardoor in hun hoofdfunctie minder pensioen kunnen opbouwen.

De keuze voor deze voorziening was aan de gemeenteraad, waarbij gold dat als bij verordening hiervoor werd gekozen, deze tegemoetkoming werd toegekend aan alle leden van die raad. In de praktijk bleek deze verordenende bevoegdheid echter te leiden tot politiek gedrag dat een inhoudelijke discussie in de weg stond. Ook bleek er behoefte te zijn aan flexibilisering in die zin dat de voorziening daadwerkelijk voor pensioenvoorziening kan worden ingezet en dat deze dus niet ook van toepassing is op de ambtsdragers die al met pensioen zijn. Gelet op deze twee bezwaren is gekozen voor een centrale, voor alle betrokken volksvertegenwoordigers geldende regeling, met dien verstande dat degenen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, hierop geen aanspraak meer kunnen maken. Deze norm is goed verdedigbaar gelet op het doel van de voorziening. Voor degene die de AOW-leeftijd heeft bereikt, is het onmogelijk zich alsnog te verzekeren voor pensioen, nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheid. De grens is gelegd bij de AOWgerechtigde leeftijd en niet bij de daadwerkelijke pensioendatum. De keuze hiervoor is ingegeven door het feit dat een eventuele eerdere pensioendatum een in de privésfeer genomen beslissing is. Bovendien zijn door deze grens de administratieve lasten voor de decentrale overheden zo laag mogelijk.

De AOW-datum is namelijk kenbaarder dan de individuele pensioendatum. De administratieve lasten blijven ook beperkt omdat er in de gekozen opzet niet inhoudelijk beoordeeld hoeft te worden of de vergoeding daadwerkelijk is ingezet voor een voorziening voor arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. Het zou bovendien de vraag zijn wie verantwoordelijk wordt voor deze controle, en wanneer die controle zou moeten plaatsvinden (alleen bij de eerste toekenning of jaarlijks). In het nieuwe derde lid in het rechtspositiebesluit is opgenomen dat de aanspraak geldt tot de datum waarop betrokkene de AOW-leeftijd heeft bereikt. Net zoals dat in het tweede lid is bepaald voor degene wiens lidmaatschap van het vertegenwoordigend orgaan in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap toegekend. Ten slotte is de formulering “eenmaal per jaar” veranderd in “per jaar”. Uit de praktijk kwam namelijk de wens naar voren navorderingen zoveel mogelijk te willen vermijden. Met deze formulering wordt de keuze om het bedrag in zijn geheel of in maandelijkse termijnen uit te betalen aan het overheidsorgaan gelaten, terwijl de aanspraak hetzelfde blijft.

Artikel 5. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden Ingangsdatum 9 januari 2025 Op grond van artikel 3.3.3 komen de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor alle politieke ambtsdragers voor rekening van de gemeente. Omdat er behoefte bleek in de praktijk aan verduidelijking is dit artikel op twee punten aangevuld. Ten eerste bestond het risico dat onredelijke kosten in rekening zouden worden gebracht bij de gemeente. De bepalingen zijn daarom aangevuld met de voorwaarde dat de prijs/kwaliteitverhouding naar het oordeel van het dagelijks bestuur redelijk moet zijn. Het gaat om de vraag of de kosten in redelijke verhouding staan tot de door de leverancier van de scholing te leveren prestaties. Hierbij kan ook meegewogen worden of er niet een goedkopere, kwalitatief betere of meer op de betrokkene toegesneden variant mogelijk is. En wellicht wordt een vergelijkbare cursus ook aangeboden op een locatie die dichter bij de woonplaats van de belanghebbende is gelegen. Tevens is als voorwaarde opgenomen dat de kosten niet al uit anderen hoofde worden vergoed. Ten tweede is nu in het derde lid expliciet geregeld dat reiskosten die in het kader van niet-partijpolitiek georiënteerde scholing gemaakt zijn, voor vergoeding in aanmerking komen.

Door de koppeling aan artikel 3.1.7 onderscheidenlijk 3.2.9 kunnen verblijfkosten, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, ook voor vergoeding in aanmerking komen (zie paragraaf 2.3). Voor commissieleden is artikel 3.3.3 via artikel 3.4.4 van overeenkomstige toepassing verklaard. Artikel 6. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak De hoogte van de vergoeding voor leden van gemeentelijke commissies, die zijn ingesteld op basis van artikel 82, 83 en 84 van de Gemeentewet zijn imperatief bepaald op een vast bedrag per inwonersklasse voor elke bijgewoonde vergadering van de commissie. In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het kan bijvoorbeeld gaan om een raadscommissie met een bijzondere opdracht die een hogere belasting kent voor één of meerdere commissieleden. Door het verordeningsvereiste kan op lokaal niveau een algemene en politieke afweging worden gemaakt. Artikel 7.

Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Ook commissieleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts een één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om dit ICTmiddel te schonen. Als het middel is geschoond, dan is het aan de gemeente of het dit desbetreffende ICT-middel wil hergebruiken. Als dat niet zo is, dan kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen.

Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager maar het gevolg van een keuze van de gemeente. In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten.

Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICT-middel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO)). 1 Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICTmiddel in het economisch verkeer. Artikel 8. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom onderbrengen zonder fiscale consequenties.

Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen. Artikel 9. Betaling vaste vergoedingen & artikel 10. Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan raads- en commissieleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en commissieleden gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en commissieleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.2

1 Circulaire “overname ICT na ambtstermijn decentrale politieke ambtsdragers” 2022-0000173050, 29 maart 2022. 2 Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (

2018, 68918) p.8.

Stcrt. 7 december

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.oude-ijsselstreek.nl/api/v1/meetings/4981/documents/31806